Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2304

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-12-2008
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
392788
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BN9248, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming boetbeding

Vordering van de gemeente tot nakoming van een boetebeding. Geen kennelijk onredelijk bezwarend beding, geen eigen schuld van de gemeente, geen dwaling, geen matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel, enkelvoudige kamer,

zaaknummer / rolnummer: 392788/ HA ZA 08.0759

Vonnis van 31 december 2008

in de zaak van:

de publiek rechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE AMSTERDAM,

waarvan de zetel is gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. B.R. ter Haar,

tegen

1. A,

2. B,

beiden wonende te,

gedaagden,

advocaat mr. A. van Hees.

Partijen zullen hierna de Gemeente en A c.s. worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 12 februari 2008;

- de akte overlegging producties;

- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met bewijsstukken;

- de conclusie van antwoord in het incident;

- het extract uit de minuten van deze rechtbank van 21 mei 2008, waarbij het A c.s. is toegestaan om Ideal-Heim-Bau GMBH & Co KG in vrijwaring te dagvaarden;

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken;

- het tussenvonnis van 30 juli 2008 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

- het proces-verbaal van de op 14 november 2008 gehouden comparitie, met de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Het Steigereiland is één van de eilanden van IJburg te Amsterdam. In het kader van de op het Steigereiland te realiseren woningbouw heeft de Gemeente 329 kavels gereserveerd voor zelfbouw door particulieren.

2.2. Een brochure “Zelfbouwkavels Steigereiland” van de Gemeente vermeldt onder meer:

Bouwtijd

Het is van groot belang voor het woonklimaat in de wijk dat de woningen binnen een bepaalde afgesproken tijd gereed zijn. Zo blijven er geen langdurige gaten zichtbaar in de straatwanden, zijn de woningen van de buren bereikbaar, kan de gemeente de bouwstraat vervangen door de definitieve bestrating en de parkeerplaatsen in de openbare ruimte aanleggen.

U bent verplicht om vóór 1 december 2005 een geldige aanvraag voor een bouwvergunning te doen en vóór 1 juli 2007 de woning op te leveren. Voldoet u niet aan deze voorwaarden, dan staan daar sancties tegenover. Bij een latere bouwaanvraag of latere oplevering is de boete EUR 10.000 per maand.

2.3. De gemeente heeft op 27 juni 2003 kavel 64, gelegen in strook 2 van de Zuidbuurt op het Steigereiland, in erfpacht aangeboden aan A c.s., waarbij onder meer de volgende voorwaarden zijn gesteld:

6a. de erfpachter is verplicht de bebouwing van het terrein, volgens de bepalingen in de bouwvergunning te voltooien voor 1 januari 2007;

6b. de geldige aanvraag van de bouwvergunning inzake de op het kavel te bouwen woning moet zijn ingediend bij de bevoegde stedelijke instantie voor 1 januari 2005;

6c. de erfpachter krijgt een boete door de gemeente opgelegd van € 10.000,-- voor elke kalendermaand, waarbij een gedeelte van een maand voor een volle maand wordt gerekend, indien hij zijn verplichtingen niet nakomt zoals gesteld onder 6a. en 6b.;

Op 28 juli 2003 hebben A c.s. dit aanbod geaccepteerd.

2.4. Op 27 april 2005 is de notariële akte van erfpachtuitgifte verleden, waarin de hiervoor in 2.3 genoemde voorwaarden eveneens zijn opgenomen. Vervolgens is op 3 mei 2005 bij de Gemeente de aanvraag van A c.s. voor een reguliere bouwvergunning binnengekomen.

2.5. Bij brief van 29 augustus 2006 hebben A c.s. de Gemeente verzocht om ontheffing van de boeteclausule in verband met de lange duur van het verkrijgen van een bouwvergunning. Bij brief van 20 september 2006 heeft de Gemeente dit verzoek afgewezen.

2.6. Bij e-mail van 23 oktober 2006 heeft de Gemeente het volgende aan A c.s. bericht:

[...] Wij hebben vernomen dat u van plan bent met een prefabsysteem te gaan bouwen en dat dit niet in overeenstemming is met uw bouwaanvraagstukken en de afgegeven bouwvergunning. Indien u in afwijking van uw bouwvergunning bouwt, loopt u het risico dat u daarmee uw bouw vertraagt omdat de Dienst Milieu en Bouwtoezicht niet zal toestaan dat u uw bouwwerk op een dergelijke wijze uitvoert. Wij adviseren u met klem de uitvoering van uw bouwplan volgens de bouwvergunningsaanvraag-tekeningen uit te voeren. [...]

2.7. Bij brief van 7 december 2006 hebben A c.s. aan de Gemeente medegedeeld dat er door omstandigheden (verdere) vertraging was ontstaan bij de uitvoering van het project. De fundering en het plaatsen van de woning zou thans voor eind december 2006 gereed zijn.

2.8. Nadat de Gemeente op 10 januari 2007 was gebleken dat A c.s. nog niet waren begonnen met de ruwbouw van de woning (er werd alleen een fundering aangetroffen), heeft zij A c.s. bij brief van 16 januari 2007 in de gelegenheid gesteld de bouw uiterlijk 16 februari 2007 te voltooien, waarna aanspraak op de boete zou worden gemaakt.

2.9. Bij brief van 5 februari 2007 is namens A c.s. aan de Gemeente verzocht de termijn van 16 februari 2007 niet te strikt te hanteren omdat nog werd gewacht op de door de Gemeente te verlenen goedkeuring van de aangepaste bouwplannen. Op 12 februari 2007 is vervolgens de revisie van de bouwvergunning verleend.

2.10 Op 16 februari en 6 maart 2007 heeft een medewerker van de Gemeente (formeel) geconstateerd dat de bebouwing van de kavel nog niet was voltooid. De Gemeente heeft vervolgens bij brief van 8 maart 2007 - met een nota van 1 maart 2007 - A c.s. een boete opgelegd van € 10.000,-- over de maand februari 2007.

2.11 Vervolgens zijn door de Gemeente nog de volgende boetes opgelegd wegens het niet voldoen aan de verplichtingen door A c.s. wat betreft de bouwtermijn:

- nota 27 maart 2007 € 10.000,-- voor de maand maart;

- nota 26 april 2007 € 10.000,-- voor de maand april;

- nota 21 mei 2007 € 10.000,-- voor de maand mei;

- nota 28 juni 2007 € 10.000,-- voor de maand juni.

2.12. Bij brief van 10 juli 2007 heeft de raadman van A c.s. onder meer het volgende aan de Gemeente medegedeeld:

[...] Terzake van in ieder geval de boete ad € 10.000,- opgelegd bij nota d.d. 28 juni 2007 geldt dat deze ten onrechte is opgelegd.

Eerder is met uw medewerker mevrouw C afgesproken, dat de woning wind- en waterdicht moet worden opgeleverd. Dit is bevestigd in de brief van mijn cliënten d.d. 7 december2006.

Bij de schouw op donderdag 21 juni 2007 kon worden vastgesteld, dat aan het wind- en waterdicht criterium is voldaan als gevolg van door cliënten getroffen voorzieningen. Op 25 en 28 juni jl. zijn de kozijnen en ramen in het pand aangebracht. Daarmee is voldaan aan de afspraken gemaakt met mevrouw C en is in ieder geval voor het opleggen van de boete van juni 2007 c.q. verdere boetes geen plaats. [...]

2.13 Bij brief van 19 juli 2007 heeft de Gemeente als volgt geantwoord:

[..] Zoals bekend bij uw cliënten wordt niet voldaan aan de bebou¬wingsvoorschriften zolang de woning niet is gereed gemeld is bij de Dienst Milieu en Bouwtoezicht. Van hantering van gemeentezijde van een door u zo genoemd “wind- en waterdicht-criterium” is nimmer sprake geweest en bij uw c1ienten is ook nimmer van ge¬meentezijde de verwachting gewekt dat zou zijn voldaan aan de bebouwings-voorschriften wanneer de te realiseren bebouwing wind- en waterdicht zou zijn. [...]

2.14 Bij nota van 6 augustus 2007 is aan A c.s. een boete opgelegd van € 10.000,-- over de maand augustus.

2.15 Bij brief van 17 december 2007 zijn A c.s. gesommeerd het totale boetebedrag van € 60.000,-- te betalen, waarbij aanspraak is gemaakt op de wettelijke rente vanaf 6 september 2007. A c.s. hebben dit niet betaald.

3. De vordering en de grondslag

3.1. De Gemeente vordert hoofdelijke veroordeling van A c.s. tot betaling van voornoemde boetes, in totaal € 60.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldatum van de verschillende boetenota’s alsmede met € 500,-- ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding alsmede met de proceskosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

3.2 De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat A c.s., door de acceptatie van de erfpachtaanbieding, zich hebben verbonden om de bouw te voltooien vóór 1 januari 2007. A c.s. hebben nagelaten hieraan te voldoen, zodat zij de overeengekomen boetes verschuldigd zijn. De Gemeente kon in redelijkheid over gaan tot het opleggen van de boetes. De Gemeente betoogt in dit verband dat, in het kader van haar zorgplicht met betrekking tot het woonklimaat in de buurt, het van belang is dat naburige woningen op het zelfde moment worden gebouwd. Ook is het in het algemeen belang dat definitieve wegen en parkeerplaatsen tijdig kunnen worden gerealiseerd. De Gemeente heeft daarom beoogd een prikkel tot nakoming te bewerkstelligen door middel van de boete. Alleen een substantiële boete sorteert daarbij volgens de Gemeente effect. Matiging zou dit effect verstoren en een ongewenste precedentwerking vormen, aldus de Gemeente.

3.3 De gemeente maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke kosten op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hieronder vallen ook eigen administratiekosten, aldus de Gemeente.

4. Het verweer

4.1. A c.s. betwisten de verschuldigheid van de gevorderde boetes en voeren daartoe aan dat het voor een belangrijk deel aan de Gemeente zelf is te wijten dat vertraging is ontstaan bij de uitvoering van het project. De Gemeente heeft ten onrechte verzoeken om verlenging van de termijn geweigerd, temeer nu wel uitstel is verleend aan een andere zelfbouwer. Na 1 januari 2007 is door A c.s. niet of nauwelijks nog beslag gelegd op de openbare ruimte, zodat de Gemeente probleemloos kon overgaan tot verdere aanleg daarvan. Met betrekking tot het beroep op eigen schuld van de Gemeente voeren A c.s. specifiek het volgende aan:

- door toedoen van de Gemeente is veel vertraging ontstaan bij de voorbereiding van de bouw; de verlening van de oorspronkelijke bouwvergunning heeft, met toepassing van artikel 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), elf maanden in beslag genomen (acht maanden langer dan er voor staat); de afhandeling van de bouwaanvraag heeft ook geleid tot klachten van A c.s. over medewerkers van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht;

- na de indiening van de bouwaanvraag werden A c.s. geconfronteerd met aanvullende eisen ten aanzien van de brandwerendheid van de schuifpui;

- de nieuwe aannemer zou volgens een prefabsysteem gaan bouwen, waardoor er een revisie op de bouwvergunning diende plaats te vinden; op 5 december 2006 heeft daarover een gesprek plaatsgevonden met de Dienst Milieu en Bouwtoezicht, doch die heeft de zaak zeer traaag afgehandeld - ten onrechte gemeld dat geen tekeningen waren ontvangen - en eerst op 12 februari 2007 de revisievergunning verleend;

4.2. Voor zover de vertraging niet aan de Gemeente is te wijten beroepen A c.s. zich op overmacht. Hiertoe voeren zij het volgende aan:

- medio 2006 ontstond de noodzaak om de aannnemingsovereenkomst met de aannemer te ontbinden wegens tekortkomingen van die aannemer; daardoor moets een andere aannemer worden gevonden;

- de nieuwe aannemer was vervolgens nalatig bij de uitvoering van het werk;

- er was sprake van (ernstige) ziekte.

4.3 A c.s. beroepen zich ook op afspraken met mevrouw C van de Gemeente (zie 2.12). Als de woning water- en winddicht zou zijn, zouden geen boetes meer vervallen. De woning was op 21 juni 2007 water- en winddicht gemaakt door het aanbrengen van folie, zodat in ieder geval de boetes over juli en augustus 2007 niet meer verschuldigd zijn, aldus A c.s.

4.4 A c.s. voeren verder aan dat de artikelen 6a en 6c van de erfpachtovereenkomst zijn aan te merken als een onredelijk bezwarend beding in de zin van artikel 6:233 sub a BW. A c.s. zijn van meet af aan blootgesteld aan buitenproportionele en onredelijk zware gevolgen, voor zover de termijn van 1 januari 2007 niet zou worden gehaald. Tegenover dit risico staat geen enkel compenserend voordeel voor A c.s., onder meer omdat over de erfpachtovereenkomst niet kon worden onderhandeld. Artikel 6a en 6c van de erfpachtvoorwaarden zijn A c.s. opgelegd.

4.5 Voor zover de vordering op vorenstaande gronden niet zou worden afgwezen beroepen A c.s. zich op matiging op grond van artikel 6:94 lid 1 BW. Ter onderbouwing voeren A c.s. aan dat het gaat om een overeenkomst die is gesloten tussen een gemeente en een particulier, waarbij de voorwaarden in een standaardovereenkomst eenzijdig door de Gemeente zijn opgelegd en de boete in verhouding tot de aanneemsom van de woning (€ 168.000,--) buitensporig hoog is. De schade die de Gemeente heeft geleden is zeer betrekkelijk, aldus A c.s., en de schade aan hun zijde als gevolg van de vertraging is daarentegen fors.

4.6 A c.s. betwisten tenslotte de gevorderde buitengerechtelijke kosten. Dergelijke kosten zijn niet gemaakt, althans niet gespecificeerd en de kosten zijn ook buitenporportioneel hoog. Ook de wettelijke rente wordt betwist; die is nimmer aangezegd, aldus A c.s.

5 De beoordeling

5.1 Het verweer van A c.s. met de verste strekking is het beroep op het onredelijk bezwarende karakter van de artikelen 6a en 6c van de erfpachtovereenkomst. De Gemeente heeft in dat verband bij gelegenheid van de comparitie betwist dat het gaat om bedingen in algemene voorwaarden. Ter comparitie heeft de Gemeente echter tevens toegelicht dat die bedingen voorkomen in de contracten van alle 329 gevallen van zelfbouw bij Steigereiland. Het gaat derhalve om een of meer bedingen die zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen, zodat sprake is van algemene voorwaarden in de zin van artikel 6:231 aanhef en onder a. BW. Gesteld noch gebleken is verder dat het zou gaan kernbedingen.

5.2 De Gemeente heeft inhoudelijk betwist dat de bedingen onredelijk bezwarend zouden zijn. In dat verband geldt het volgende. De aard van de overeenkomst staat, gelet op de door de Gemeente onder 3.2 genoemde belangen, niet eraan in de weg dat bepalingen als artikel 6a en 6c worden opgenomen in de overeenkomst. Het is op zich juist dat A c.s. van meet af aan zijn blootgesteld aan een boete, doch daar staat tegenover dat zij, gerekend vanaf 28 juli 2003 - toen zij akkoord gingen - ongeveer 3½ jaar de tijd hebben gehad om het project te realiseren. Dit is een meer dan redelijke termijn. A c.s. hadden zich bewust kunnen zijn van de risico’s die termijnoverschrijding zou meebrengen. De stelling dat tegenover dit risico geen compenserend voordeel stond gaat in zoverre niet op, dat de Geemeente onweersproken heeft aangevoerd dat als voordeel van het project de zelfbouwers een grote mate van vrijheid hadden bij het realiseren van hun plannen. Over de erfpachtovereenkomst kon wellicht niet tot in detail worden onderhandeld, doch voor zover A c.s. de risico’s voor termijnoverschrijding te hoog zouden hebben gevonden, hadden zij af kunnen zien van het sluiten van de overeenkomst. Het gaat derhalve om een vooraf door A c.s. ingeschat en kennelijk geaccepteerd risico. Nu de onderhavige bepalingen ook niet voorkomen op de zogenoemde zwarte en grijze lijst (6:236 en 237 BW) is geen sprake van onredelijke bezwarendheid. De voorwaarden zijn dan ook geldig.

5.3 A c.s. beroepen zich op eigen schuld van de Gemeente. Eventuele vertraging voortvloeiende uit de noodzaak tot het volgen van een artikel 19 WRO procedure is voor risico van A c.s. Ter comparitie is uiteengezet dat de ingeschakelde architect kennelijk zonder nader overleg met A c.s. een ontwerp had gemaakt dat afweek van het geldende bestemmingsplan, doch de gevolgen daarvan kunnen niet aan de Gemeente worden tegengeworpen. Uit de overgelegde stukken kan ook niet worden opgemaakt dat de Gemeente bij de beslissing op het artikel 19 WRO-verzoek en bij de beslissing op de te verlenen bouwvergunning onnodig of onredelijk lang tewerk is gegaan. De enkele stelling dat de procedure elf maanden in beslag heeft genomen (acht maanden langer dan er voor staat), is daartoe niet voldoende, nu daarvoor goede redenen kunnen hebben bestaan. De Gemeente heeft A c.s. bij brief van 27 juli 2005 (productie 36) ook nog op de hoogte gebracht van de (wettelijk) langere termijn als gevolg van artikel 19 WRO. Dat de klachten die A c.s. hebben geuit over medewerkers van de Gemeente hebben geleid tot abnormale vertraging, die voor rekening van de Gemeente zou moeten komen, is niet (voldoende onderbouwd) gesteld en ook niet gebleken. De aanvullende eisen ten aanzien van de brandwerendheid van de schuifpui zullen wellicht tot vertraging hebben geleid, doch hoe lang deze vertraging heeft geduurd is niet duidelijk en voor het overige moet een dergelijke vertraging geacht worden te zijn verdisconteerd in de totale termijn van ongeveer 3½ jaar die ter beschikking stond voor het realiseren van het project. Uit de overgelegde correspondentie (productie 43 e.v.) blijkt dat er met betrekking tot de revisievergunning de nodige onenigheid is ontsaaan tussen (vertegenwoordigers van) A c.s. en medewerkers van de Dienst Milieu en Bouwtoezicht, maar zonder nadere toelichting - die ontbreekt - kan daaruit niet worden opgemaakt dat er (alleen) door toedoen van de Gemeente onredelijke vertraging is ontstaan bij het verlenen van de revisievergunning.

5.4 Zoals hiervoor reeds is opgemerkt hebben A c.s. ongeveer 3½ jaar de tijd gehad om het project te realiseren. Voorafgaand aan de acceptatie van het aanbod is blijkens de onder 2.2. genoemde brochure door de Gemeente duidelijk gewezen op termijnen en eventuele boetes. Ook tussendoor is door de Gemeente gewezen op de risico’s (zie 2.6). Ter comparitie hebben A c.s. nog toegelicht dat het eerste jaar na acceptatie op 28 juli 2003 van het aanbod van de Gemeente, is opgegaan aan het maken van plannen en doen van voorbereidingen. Enige concrete voortgang is daarbij niet duidelijk geworden. De Gemeente heeft bij brief van 18 oktober 2004 (productie 31) A c.s. erop gewezen dat nog geen bouwaanvraag was gedaan en daarbij tevens gewezen op de lopende boetetermijnen. Vervolgens is eerst op 3 mei 2005 - circa 21 maanden na acceptatie van het aanbod - de bouwvergunning bij de Gemeente ingediend. Uit het voorgaande blijkt niet van een voortvarende aanpak aan de zijde van A c.s. Bij een zelfbouwproject zoals dit moet rekening worden gehouden met vertragingen en tegenslag, die normaal gesproken met een voortvarende aanpak opgevangen moeten kunnen worden door de relatief lange termijn van circa 3½ jaar die beschikbaar was voor realisatie van het project. De Gemeente kon dan ook verder uitstel afwijzen. Dat aan een andere zelfbouwer wel uitstel is verleend doet daaraan niet af nu niet duidelijk is (gemaakt) dat in dat geval sprake was van een vergelijkbare situatie. Op grond van het voorgaande wordt het beroep op eigen schuld aan de zijde van de Gemeente verworpen.

5.5 Het beroep op overmacht van A c.s. wordt eveneens verworpen. De hiervoor onder 4.2 door A c.s. aangevoerde omstandigheden behoren naar de in het verkeer geldende opvattingen voor hun rekening te komen.

5.6 A c.s. beroepen zich ook op afspraken met mevrouw C van de Gemeente. Uit overgelegde foto’s blijkt dat de woning in juni en juli 2007 bij de raamopeningen niet was voorzien van kozijnen en glas maar “water- en winddicht” was gemaakt met plastic folie. Gesteld al dat de door A c.s. aangevoerde afspraak met de Gemeente is gemaakt - de Gemeente betwist dit - kan niet worden gezegd dat de woning met het enkel aanbrengen van plastic folie water- en winddicht is gemaakt. Ook over de maand juli en augustus 2007 is de boete derhalve in beginsel verschuldigd.

5.7 Rest het beroep op matiging van A c.s. Ingevolge artikel 6:94 lid 1 BW kan de rechter een bedongen boete matigen indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. In zijn arrest van 27 april 2007, NJ 2007, 262, heeft de Hoge Raad overwogen dat deze maatstaf meebrengt dat pas als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op (a) de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op (b) de aard van de overeenkomst, (c) de inhoud en de strekking van het beding en (d) de omstandigheden waaronder het is ingeroepen.

ad (a)

5.8 A c.s. hebben onbetwist aangevoerd dat aan de zijde van de Gemeente slechts sprake is van betrekkelijke schade. Concrete financiële schade is door de Gemeente ook niet gesteld. De Gemeente betoogt echter dat, in het kader van haar zorgplicht met betrekking tot het woonklimaat in de buurt, het van belang is dat naburige woningen op het zelfde moment worden gebouwd. Ook is het in het algemeen belang dat definitieve wegen en parkeerplaatsen tijdig kunnen worden gerealiseerd. De Gemeente heeft daarom beoogd een prikkel tot nakoming te bewerkstelligen door middel van de boete. Alleen een substantiële boete sorteert daarbij volgens de Gemeente effect. Matiging zou dit effect verstoren en een ongewenste precedentwerking vormen, aldus de Gemeente. Tegen de achtergrond van deze weliswaar meer abstracte, maar niettemin gerechtvaardigde publieke belangen die de Gemeente inderdaad heeft te behartigen, is de boete van € 10.000,- per maand naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf genomen niet buitensporig hoog.

ad (b)

5.9 Met betrekking tot de aard van de overeenkomst overweegt de rechtbank dat er vanuit mag worden gegaan dat het onderhavige boetebeding ononderhandelbaar was. Daar staat tegenover dat het beding gekoppeld is aan een heldere resultaatsverplichting, namelijk om de bebouwing vóór 1 januari 2007 - verlengd tot 16 februari 2007 - te voltooien. Vast staat ook dat A c.s. door de Gemeente voldoende zijn geïnformeerd over die verplichting, die bovendien in heldere bewoordingen zowel in de aanvaarde erfpachtaanbieding als in de latere erfpachtakte is opgenomen. A c.s. zijn op dit punt ook tussentijds nog gewaarschuwd door de Gemeente. Enig aanknopingspunt voor matiging ziet de rechtbank daarin dan ook niet.

ad (c)

5.10 De inhoud en strekking van het boetebeding zijn eveneens helder. Beoogd is een (blijvende) prikkel tot spoedige voltooiing van bouwwerkzaamheden te vormen. De rechtbank merkt in dat verband op dat de vordering in deze procedure is beperkt tot de maanden februari - over de maand januari 2007 is uitstel verleend - tot en met augustus 2007, hoewel strikt genomen de woning ook nadien nog niet gereed was.

ad (d)

5.11 De omstandigheden waaronder het beding is ongeroepen zijn, gelet op hetgeen hiervoor onder 5.3 tot en met 5.5 is overwogen, van dien aard dat die voor risico van A c.s. behoren te komen. In de visie van A c.s. is het ook de aannemer Ideal-Heim-Bau GmbH & Co KG, die (gedeeltelijk dan wel volledig) aansprakelijk is voor de ontstane vertraging. Het feit dat de procedure tegen die aannemer nog loopt en aansprakelijkheid nog niet in rechte is vastgesteld, kan bezwaarlijk aan de Gemeente worden tegengeworpen.

5.12 Gelet op het voorgaande valt niet in te zien dat de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de boetes moeten worden gematigd. De door de Gemeente gevorderde hoofdsom kan dan ook worden toegewezen. Ook de hoofdelijkheid en de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis kunnen, als niet betwist, worden toegewezen.

5.13 A c.s. betwisten de gevorderde wettelijke rente. Op grond van artikel 6:119 BW is wettelijke rente verschuldigd gedurende de periode dat de schuldenaar met voldoening van de schuld in verzuim is. In de overeenkomst en de erfpachtakte is bepaald dat de boete wordt opgelegd voor elke maand dat de erfpachter zijn/haar verplichtingen niet nakomt, waarbij een gedeelte van een maand voor een volle maand wordt gerekend. Dat brengt mee dat de boetes, na elke respectieve maand dat niet aan de voorwaarden was voldaan, opeisbaar zijn geworden en A c.s. nadien in verzuim zijn geraakt. De wettelijke rente kan dan ook worden toegewezen zoals die is gevorderd. De wettelijke rente hoefde niet te worden aangezegd, zoals A c.s. aanvoeren, maar is verschuldigd vanaf de vervaldata zoals die op de respectieve nota’s is vermeld (21 dagen na notadatum).

5.14 De Gemeente vordert daarnaast nog een bedrag van € 500,- voor buitengerechtelijke kosten. De rechtbank hanteert het uitgangspunt dat dergelijke kosten alleen voor vergoeding in aanmerking komen, indien zij betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De Gemeente heeft weliswaar gesteld dat de gevorderde kosten geen betrekking hebben op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling een vergoeding pleegt in te sluiten, maar uit de gegeven omschrijving van deze werkzaamheden dient het tegendeel te worden afgeleid. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

5.15 A c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht € 1.330,--

- salaris advocaat € 1.788,-- (2,0 punten × tarief € 894,--)

Totaal € 3.203,44

De akte in het incident aan de zijde van de Gemeente is hierbij - gelet op de beperkte inhoud en betekenis - buiten beschouwing gelaten.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1 veroordeelt A c.s. hoofdelijk, zodanig dat als de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, om aan de Gemeente te betalen een bedrag van € 60.000,-- (zestigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf de vervaldatum van de verschillende boetenota’s tot de dag van volledige betaling;

6.2 veroordeelt A c.s. hoofdelijk, zodanig dat als de een heeft betaald de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op

€ 3.203,44;

6.3 verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4 wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2008.?