Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2264

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-12-2008
Datum publicatie
09-02-2009
Zaaknummer
388618
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Koop dressuurpaard, non-conformiteit artikel 7:17 BW, verborgen gebrek.

Dressuurpaard wordt verkocht, waarna het kreupel blijkt. Koper doet een beroep op non-conformiteit en stelt dat verkoper is tekortgeschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, nu het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde. Tussen partijen staat vast dat het paard op enig moment kreupel is geworden en daardoor niet geschikt is voor het beoogde doel waarvoor het is aangekocht, te weten dressuurwedstrijden op Grand Prix niveau. Niet duidelijk is of het paard het tot kreupelheid leidend gebrek al had op het moment van de levering. De rechtbank oordeelt dat uit de verschillende deskundigenrapporten die over een weer in het geding zijn gebracht nog niet kan worden vastgesteld dat het paard op het moment van de levering leed aan een tot kreupelheid leidend gebrek. De rechtbank beveelt een deskundigenbericht op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 388618 / HA ZA 08-183

Vonnis van 10 december 2008

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de staat Delaware van de Verenigde Staten van Amerika

OLD DOGWOOD LLC,

gevestigd te Los Angeles (Verenigde Staten van Amerika),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. B.J.C. Pleiter,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A HORSES B.V.,

gevestigd te Eibergen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.V.H. Jonker.

Partijen zullen hierna Old Dogwood en A genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- vonnis in het incident van 16 juli 2008,

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 24 oktober 2008, met de daarin genoemde proces- en bewijsstukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

In conventie en in reconventie

2. De feiten

2.1. Bij overeenkomst van 19 februari 2007 heeft A aan Old Dogwood het dressuurpaard Nastros (hierna: het paard) verkocht voor een bedrag van EUR 260.000,=. Als bemiddelaar bij de verkoop trad onder meer de heer B op namens Old Dogwood. Voorafgaand aan de koop is het paard onderworpen aan een klinisch en röntgenologisch onderzoek dat is uitgevoerd op 22 januari door dokter C en dokter D (hierna: C c.s.) te Honselerdijk. Het naar aanleiding van dat onderzoek door C c.s. opgestelde keuringsrapport maakt melding van een positief aankoopadvies.

De koopovereenkomst luidt, voor zover hier van belang en vertaald uit het Engels, als volgt:

“4. Verkoper verklaart en garandeert dat

(…)

- op het moment dat deze overeenkomst wordt aangegaan het paard niet lijdt aan stalziekten (kuren);

- het paard sinds 28 november 2006 in bezit of eigendom van verkoper is en dat gedurende de tijd dat verkoper het paard in bezit of eigendom heeft gehad het paard nooit aan kreupelheid heeft geleden, nooit om enigerlei reden gedurende enigerlei periode ongeschikt is geweest om te worden bereden, en evenmin op enig moment preventief tegen kreupelheid of andere gebreken/ziekten is behandeld;

- het paard heeft deelgenomen aan wedstrijden op Grand Prix-niveau.”

2.2. Het paard is op 22 februari 2007 geleverd en vervolgens op 23 februari 2007 vervoerd naar de Verenigde Staten waar het, na een aantal dagen in quarantaine te zijn verbleven, op 1 maart 2007 ter feitelijke beschikking van Old Dogwood is gekomen.

2.3. Op 3 maart 2007 en op 15 maart 2007 is het paard onderzocht door de Amerikaanse dierenarts van Old Dogwood, dokter E. Het Patient Medical Record van E van 21 maart 2003 vermeldt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

03/15/07 (…) Yesterday Esther reported that when she en Kate were to ride, the gelding exhibited lameness in front. Today trotting 25ish meter circles (…) right front lameness was noted.

03/03/07 (…) Yesterday, one day after release from quarantine gelding was turning oddly to the right. (…) I did not observe the gelding demonstrate unusual movement other than some moderate degree of “busyness with head”. After exercising the gelding was observed turning and moving in his stall. (…)

2.4. Op 20 maart 2007 heeft Old Dogwood van de voorbenen van het paard een MRI scan (hierna: de MRI scan) laten maken door dokter F, verbonden aan de Diplomate American College of Veterinary Radiology (St. Paul, Minnesota). De rapportage van F van 22 maart 2007 luidt, voor zover hier van belang en vertaald uit het Engels, als volgt:

(…)

Rechtervoet: matig tot ernstig “oedeem” van het straalbeenmerg. Erosie van het vezelkraakbeen van het flexoroppervlak van het straalbeen met daarmee verbonden corticaal botoedeem en cystische degeneratie. Chronische matige fibrillatie aan de dorsale rand van de flexor digitorum en daarmee samenhangend, zich uitbreidend littekenweefsel in de proximale slijmbeurs van het straalbeen. Enige vochtuittreding aan de distale interfalangeale en buigpeesschede. (…) De veranderingen aan en samenhangend met het straalbeen zijn chronisch en degeneratief.

Linkervoet: lichte vervorming en “mergoedeem” van het straalbeen. Lichte focale erosie aan het gewrichtsoppervlak van het distale interfalangeale gewricht. Focaal, volle-dikte gewrichtslaesie met subchrondrale boterosie en sclerose in distaal P1. De veranderingen aan het distale uiteinde van P3 zijn consistent met focale, voorbestaande laminitis of vroege focale laminitis. Chronische, lichte fibrillatie langs de dorsale rand van de diepe digitale buigpees met daarmee samenhangend littekenweefsel in de proximale slijmbeurs van het straalbeen. (…)

2.5. Naar aanleiding van de bevindingen van F rapporteert E op 26 maart 2007, voor zover hier van belang en vertaald uit het Engels, als volgt aan Old Dogwood:

(…)

De pathologische veranderingen van het straalbeen en aanverwante structuren worden als chronisch en degeneratief beschouwd. Op basis van bovenstaande informatie zijn Dr. G en ik van mening dat de prognose voor regelmatig gebruik en de fitheid van Nastros zeer slecht is. De pathologische veranderingen zijn al enige tijd aanwezig. Ik vermoed dat de pathologische veranderingen mettertijd en door gebruik zullen verslechteren en voortschrijden. Wij vermoeden dat de pathologische veranderingen niet in noemenswaardige mate omkeerbaar zijn. (…)

2.6. Bij brief van 27 maart 2007 heeft de Amerikaanse advocaat van Old Dogwood aan A bericht dat uit veterinair onderzoek was gebleken dat het paard leed aan een chronische kreupelheid die reeds aanwezig moet zijn geweest ver voor het aangaan van de koopovereenkomst.

2.7. Old Dogwood heeft het paard terug naar Nederland doen vervoeren waar het op 24 april 2007 is onderzocht door dokter H, verbonden aan de Clinique Vétérinaire Equine te Frankrijk en dokter I, verbonden aan het Veterinair Centrum Someren te Nederland. De bevindingen van voormelden artsen zijn neergelegd in een rapport van 2 mei 2007. Dit rapport luidt, voor zover van belang, als volgt:

(…)

This horse shows today relevant clinical signs of a right fore lameness (…)

There are many facts showing that this illness should have been present at least 3 months prior to transfer of ownership (…)

2.8. Dokter J, verbonden aan het Britse Royal College of Veterinary Surgeons, heeft de MRI scan bestudeerd en naar aanleiding daarvan een rapport opgesteld. In haar brief aan E van 24 april 2007 komt zij in conclusie onder meer tot de volgende bevindingen:

(…)

In conclusion in the right front foot there are significant pathological abnormalities of the podotrochlear apparatus and the deep flexor tendon (…) I understand that this horse was purchased in late February 2007. These images were acquired on the 20th March 2007. In my opinion it is highly likely that pathological changes were present prior to purchase. It is highly unlikely that these pathological abnormalities have developed since purchase. (…)

2.9. Vanaf 25 april 2007 heeft Old Dogwood het paard gestald bij B te Zwaanshoek.

2.10. Op 24 mei 2007 heeft Old Dogwood A in de gelegenheid gesteld om het paard te bezichtigen. Bij die gelegenheid heeft A het paard laten onderzoeken door C en dokter A.K, verbonden aan de paardenkliniek ‘De Watermolen’ te Haaksbergen. In zijn rapport van 3 juli 2007 vermeldt K, voor zover van belang, als volgt:

(…)

1. Het paard was 24 mei jl. rechtervoor kreupel 2/5 op een rechte lijn, op de linkervolte 2/5 en op de rechtervolte 1/5. (…)

4. Aan de hand van de klinische bevindingen is niet vast te stellen wanneer de kreupelheid is ontstaan. (…)

2.11. Bij brief van 6 juni 2007 refereert E aan zijn brief van 26 maart 2007 (zie 2.5) en schrijft hij aan de Amerikaanse advocaat van Old Dogwood, voor zover van belang, het volgende:

(…)

I indicated the pathological changes of the right front navicular bone and associated structures had been present for some time. I feel very comfortable in stating these referenced pathological changes existed prior tot the sale of Nastros to Dogwood Hill Farm (…)

2.12. Bij brief van 21 juni 2007 heeft de Nederlandse advocaat van Old Dogwood namens Old Dogwood bericht dat zij de koopovereenkomst wenste te ontbinden wegens wanprestatie, subsidiair te vernietigen wegens dwaling. A heeft dit betwist.

2.13. Old Dogwood heeft de MRI scan ten slotte voorgelegd aan dokter L, verbonden aan de Faculteit Diergeneeskunde, vakgroep Medische Beeldvorming van de Huisdieren van de Universiteit van Gent. In zijn rapport 13 juli 2007 komt hij in conclusie tot de volgende bevindingen:

(…)

Pathological changes of the podotrochlear apparatus and deep digital flexor tendon on the right and left frontlimbs. (…)

these changes are very likely to cause lameness even though the time of onset of lameness cannot be predicted. MRI findings as observed in the present case may predate the onset of recognizable lameness. (…)

it is highly likely that the majority of, if not all, these changes were present prior to purchase. (…)

2.14. A heeft vervolgens de hiernavolgende verklaringen van door haar geraadpleegde deskundigen in het geding gebracht. Die deskundigen hebben zich op verzoek van A onder meer uitgelaten over de bruikbaarheid van de MRI scan.

2.14.1. Dokter M, verbonden aan ‘Paardenkliniek Garijp’ te Garijp concludeert in zijn brief van 18 mei 2007 aan de advocaat van A, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

Uit uw opsomming van feiten blijkt niet dat de gevonden afwijkingen de oorzaak van de kreupelheid waren. Dat is niet uit het onderzoek gebleken. Helaas is het zo dat ook bij paarden zonder klachten deze afwijkingen bij MRI scan gevonden kunnen worden. (…)

Naar mijn mening ontbreekt een oorzakelijk verband tussen de met de MRI scan gedane bevindingen en de klachten en is antedatering niet mogelijk.

Ik wil u erop wijzen dat ik Internist ben en het beoordelen van een MRI scan over zal laten aan de Radioloog. (…)

2.14.2. Dokter N, verbonden aan de universiteit van Bern, vermeldt in zijn verklaring van 4 september 2007 onder meer:

(…)

The lesions are consistent with chronic disease; however the exact time point of their onset cannot be determined. (…)

2.14.3. Dokter P, verbonden als radioloog aan de Universiteit van Wenen, stelt op 21 september 2007 na bestudering van de MRI scan onder meer:

(…)

In conclusion, the MR lesions are in accordance with chronic bilateral podotrochleosis (more prominent on the right side) and chronic degenerative of the DDFT. However, the duration nor the exact onset of the disease can not be defined. (…)

2.14.4. Dokter Q, verbonden aan de Universiteit van Utrecht, concludeert in zijn rapport van 15 oktober, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

Geen der deskundige laat zich uit over de antedateringstermijn. (…)

Samenvattend kan gezegd worden dat aan de hand van de MRI beelden, mede afhankelijk van de gebruikte scan sequenties, men uitspraken kan doen over de minimale ouderdom van de waargenomen veranderingen. (…)

2.15. Een nadere rapportage van F van 16 december 2007, luidt voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

The lessions and conclusions of the MR exam, especially the changes are of the navicular bone, are supported by published scientific as chronic changes greater than 2 months in duration. (…)

it is my opinion that the lesions seen on the MR exam, especially the navicular bone changes, were present prior to the stated purchase date of February 20, 2007. (…)

2.16. Een nadere reportage van E van 18 december 2007 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)

I believe the chronic navicular bone and associated structure pathological changes of “Nastros” aka “Sancho” existed at least 90 days prior to the march 20, 2007 MRI study. (…)

2.17. Op 2 januari 2008 heeft A, na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Haarlem, conservatoir verhaalsbeslag gelegd op het paard met aanstelling van de heer R als gerechtelijk bewaarder.

2.18. Old Dogwood heeft in een procedure bij de voorzieningenrechter te Haarlem (onder meer) opheffing van de gerechtelijke bewaring gevorderd. Bij vonnis in kort geding van 5 februari 2008 heeft de voorzieningenrechter de gevraagde voorzieningen geweigerd.

In conventie

3. De vordering en grondslag

3.1. Old Dogwood vordert na vermeerdering van eis -samengevat- dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. verklaart voor recht dat de koopovereenkomst ontbonden subsidiair, vernietigd is, althans deze te ontbinden dan wel te vernietigen, en A te gebieden om binnen 24 uur na het wijzen van het vonnis het paard op te (doen) halen, tegen gelijktijdige restitutie van de koopsom ad € 260.000,-, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 27 juni 2007, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat A in gebreke blijft om aan die veroordeling te voldoen;

2. A veroordeelt om aan Old Dogwood te betalen een bedrag van USD 124.396,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 27 juni 2007;

3. A veroordeelt in de kosten van deze procedure, eventueel te vermeerderen met wettelijke handelsrente en nakosten;

4. het door A gelegde beslag opheft met bevel aan de gerechtelijke bewaarder het paard onmiddellijk aan Old Dogwood ter beschikking te stellen;

5. verklaart voor recht dat de beslaglegging onrechtmatig is, met veroordeling van A tot vergoeding van de dientengevolge geleden schade, op te maken bij staat.

3.2. Old Dogwood legt naast de vaststaande feiten kort gezegd aan haar vorderingen ten grondslag dat het paard is verkocht als een Grand Prix dressuurpaard maar kreupel bleek. Ook al was die kreupelheid zelf nog niet klinisch manifest op het moment van de levering, de veterinaire oorzaak ervan en dus het gebrek was wel al op het moment van levering aanwezig. Het paard voldoet daardoor niet aan de overeenkomst in de zin van artikel 7:17 van het Burgerlijk Wetboek (BW), reden waarom Old Dogwood gerechtigd is de koop te ontbinden, hetgeen zij per brief van 21 juni 2007 heeft gedaan. Subsidiair doet Old Dogwood een beroep op vernietiging wegens (wederzijdse) dwaling.

3.3. Old Dogwood vordert onder 1 restitutie van de koopsom, alsmede onder 2 vergoeding van de schade die zij heeft geleden ten gevolge van het ten onrechte niet gemelde gebrek aan het paard. Die gevorderde schade wordt door Old Dogwood berekend op in totaal USD 124.396,40, bestaande uit belasting, commissiebedragen, transportkosten en onderzoekskosten.

3.4. Aan haar vorderingen sub 4 en 5 legt Old Dogwood ten grondslag dat van enig onrechtmatig handelen aan haar zijde niet gebleken is, zodat de vorderingen in reconventie zullen moeten worden afgewezen en beslag op het paard als onrechtmatig zal moeten worden opgeheven.

4. Het verweer

4.1. A betwist dat het paard op het moment van levering leed aan een gebrek en wijst erop dat het paard voorafgaande aan de koop zowel klinisch als röntgenologisch is onderzocht. A betwist voorts dat er een verband bestaat tussen de met de MRI scan gedane bevindingen en de klachten van het paard. A voert aan dat de klachten van het paard net zo goed het gevolg kunnen zijn geweest van transport, verandering van klimaat, stal, verzorging en training. Verder voert A aan dat, voor zover er al sprake zou zijn van enig gebrek, dit gebrek eerst na de levering is ontstaan en grotendeels het gevolg is geweest van verkeerd gebruik van het paard door Old Dogwood. Ten slotte voert A nog aan dat Old Dogwood te laat heeft geklaagd.

In reconventie

5. De vordering en grondslag

5.1. A vordert, samengevat en naar de rechtbank begrijpt, in reconventie dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Old Dogwood veroordeelt tot vergoeding van de schade, op te maken bij staat, die A heeft geleden in verband met:

a. de aantasting van haar eer en goede naam door Old Dogwood; b. de kosten van de bewaring; en voorwaardelijk, ingeval de rechtbank de in conventie gevorderde verklaring voor recht zal toewijzen:

c. de waardevermindering als gevolg van de omstandigheid dat Old Dogwood niet als een goed huisvader op de economische waarde van het paard heeft gepast.

5.2. A legt aan haar vordering onder a. ten grondslag dat Old Dogwood, althans B, A beschuldigt van oplichting en bedrog, waardoor zakenrelaties van A zich genoodzaakt zien de zakelijke activiteiten met A te verminderen of zelfs te beëindigen. B treedt op als hulppersoon van Old Dogwood zodat Old Dogwood op de voet van artikel 6:171 BW aansprakelijk is voor zijn onrechtmatig handelen.

5.3. Aan haar vordering onder b. heeft A ten grondslag gelegd dat genoegzaam vaststaat dat de bewaring rechtmatig is. Uit hoofde van houderschap althans zaakwaarneming is Old Dogwood gehouden de kosten van de bewaring, die thans voor rekening van A komen, te vergoeden.

5.4. De voorwaardelijke vordering onder c. ten slotte grondt A op de stelling dat de conditie van het paard door toedoen van Old Dogwood is verslechterd. De waardevermindering die het gevolg daarvan is, zal Old Dogwood aan A dienen te vergoeden, indien A is gehouden het paard terug te nemen.

6. Het verweer

a. de aantasting van haar eer en goede naam door Old Dogwood

6.1. Old Dogwood betwist dat de verklaringen die door A aan haar vordering ten grondslag zijn gelegd bewijs vormen van haar stelling dat Old Dogwood dan wel B de gestelde uitlatingen hebben gedaan. Subsidiair wordt betwist dat A door de gestelde uitlatingen schade heeft geleden. Ten slotte voert Old Dogwood nog aan dat de aan B toegeschreven uitlatingen niet aan Old Dogwood kunnen worden toegerekend, nu niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6:171 BW.

b. de kosten van de bewaring

6.2. Old Dogwood betwist dat zij uit hoofde van houderschap, althans zaakwaarneming gehouden is de kosten van de bewaring te vergoeden. Voor vergoeding van de kosten verbonden aan houderschap is vereist dat de houder de zaak met instemming van de eigenaar houdt. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Van zaakwaarneming is evenmin sprake, nu A door het paard te doen bewaren niet de belangen van Old Dogwood behartigt. Voorts betoogt Old Dogwood dat het beslag nodeloos is gelegd. Ten slotte heeft A verzuimd de kosten inzichtelijk te maken.

c. vergoeding waardevermindering

6.3. Old Dogwood betwist dat de conditie van het paard door toedoen van Old Dogwood is verslechterd. Old Dogwood heeft tot het moment van de beslaglegging alle vereiste zorg in acht genomen.

In conventie

7. De beoordeling

Vordering onder 1

7.1. Old Dogwood vordert ontbinding, dan wel vernietiging van de koopovereenkomst. Wat de ontbinding betreft zal duidelijk moeten worden of en zo ja in welke mate A tekort is geschoten in haar verplichtingen voortvloeiende uit de koopovereenkomst met Old Dogwood.

7.2. Old Dogwood stelt zich op het standpunt dat het paard ten gevolge van een reeds op het moment van levering aanwezig gebrek kreupel is geworden en daardoor niet geschikt is voor het beoogde doel waarvoor hij is aangekocht, te weten dressuurwedstrijden op Grand Prix niveau. Ter ondersteuning van haar stelling heeft Old Dogwood een aantal verklaringen overgelegd van door haar geraadpleegde deskundigen, zoals hiervoor weergegeven onder 2.3, 2.4, 2.5, 2.7, 2.8, 2.12, 2.14, 2.18 en 2.19. A heeft betwist dat het paard op het moment van de levering leed aan een gebrek ten gevolge waarvan het kreupel is geworden. A verwijst daartoe onder meer naar de verklaring van C (productie 1 bij dagvaarding). Voorts verwijst A naar de bevindingen van een aantal door haar geraadpleegde deskundigen die zich uitlaten over de bruikbaarheid van de MRI scan, zoals hiervoor weergegeven onder 2.14. Volgens A is geenszins aangetoond dat het paard op het moment van levering leed aan een gebrek en kunnen de klachten van het paard net zo goed het gevolg zijn geweest van transport, verandering van klimaat, stal, verzorging en training.

7.3. De kern van het geschil betreft het antwoord op de vraag of het paard op het moment van de levering leed aan een tot kreupelheid leidend gebrek. Old Dogwood heeft een aantal verklaringen van deskundigen in het geding gebracht die deze stelling ondersteunen. H en I zijn van mening dat ‘there are many facts showing’ dat het paard voorafgaand aan de koop leed aan een gebrek. J acht dat ‘highly likely’ en ook E voelt zich in zijn brief van 6 juni 2007 ‘very comfortable’ bij die conclusie. A heeft hiertegenover een aantal verklaringen van door haar geraadpleegde deskundigen in het geding gebracht die twijfels opwerpen over de bruikbaarheid van de MRI scan en de zekerheid die te geven is met betrekking tot het ontstaansmoment van het gebrek.

7.4. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gemotiveerde betwisting aan de zijde van A, maar ook op grond van de vele verschillen in de deskundigenrapporten thans (nog) niet kan worden vastgesteld dat het paard op het moment van levering leed aan een tot kreupelheid leidend gebrek. Old Dogwood en A hebben op dit punt beiden naar verklaringen verwezen die hun eigen stelling ondersteunen. De rechtbank heeft dan ook behoefte aan deskundige voorlichting op dit punt. Voordat tot het benoemen van een deskundige(n) wordt overgegaan, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over het aantal te benoemen deskundigen, de persoon van de te benoemen deskundige(n) en de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Van partijen wordt verwacht dat zij over de perso(o)n(en) die zij benoemd willen zien met elkaar zullen overleggen en dat zij, zoveel mogelijk, een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen.

7.5. De rechtbank stelt voor de deskundige(n) in ieder geval de volgende vragen te stellen:

1. Kunt u zeggen of het paard op of omstreeks 22 februari 2007 medische afwijkingen aan één of beide voorbenen had?

2. Zo ja, wat is de aard en de omvang daarvan?

3. Maken of maakte die gebreken het paard ongeschikt voor wedstrijden op Grand Prix niveau?

4. Zo ja, waarom?

In verband met de verdere beoordeling -ook in reconventie- zullen daarnaast ook de volgende vragen nog worden voorgelegd:

5. Heeft het paard nu nog medische gebreken aan het rechtervoorbeen?

6. Zo ja, wat is de aard en de omvang daarvan?

7. Is dit een gevolg van of een ontwikkeling voortvloeiende uit een medische afwijking van vóór 22 februari 2007?

8. Heeft u nog andere opmerkingen die voor de rechtbank bij de verdere beoordeling van de zaak relevant kunnen zijn?

7.6. Nu de bewijslast van de feiten die moeten worden vastgesteld op Old Dogwood rust, zal zij het voorschot op de kosten van de deskundige(n) dienen te deponeren.

7.7. Indien de rechtbank van oordeel is dat op basis van het deskundigenbericht komt vast te staan dat het paard op of omstreeks 22 februari 2007 medische afwijkingen aan één of beide voorbenen had die het paard ongeschikt maakte voor wedstrijden op Grand Prix niveau, dan heeft Old Dogwood terecht aangevoerd dat ontbinding van de koopovereenkomst gerechtvaardigd is. Immers tussen partijen staat verder niet ter discussie dat een paard dat ongeschikt is voor wedstrijden op Grand Prix niveau niet aan de overeenkomst beantwoordt. De vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst zal in dat geval worden toegewezen, zodat voor partijen op grond van artikel 6:271 BW een verbintenis tot ongedaanmaking ontstaat. A is in dat geval gehouden tot restitutie van de koopsom aan Old Dogwood, terwijl Old Dogwood in dat geval gehouden is tot teruglevering van het paard aan A. Indien de rechtbank van oordeel is dat op basis van het deskundigenbericht niet komt vast te staan dat het paard op of omstreeks 22 februari 2007 medische afwijkingen aan één of beide voorbenen had die het paard ongeschikt maakte voor wedstrijden op Grand Prix niveau, zal de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst worden afgewezen.

7.8. Voor zover na deskundigenbericht de vordering tot ontbinding zou worden afgewezen komt de subsidiaire vordering van Old Dogwood - het beroep op dwaling - aan de orde. De stelling die Old Dogwood aan die vordering ten grondslag legt komt er in essentie op neer dat zij in dat geval heeft gedwaald met betrekking tot de eigenschappen van het paard, namelijk het kunnen presteren op hoog niveau. Indien echter na deskundigenbericht niet komt vast te staan dat het paard bij de levering een gebrek had dat tot kreupelheid zou leiden, moet ervan worden uitgegaan dat dat gebrek - die kreupelheid - na de levering van het paard is ontstaan. In dat geval kan ook niet worden gezegd dat Old Dogwood heeft gedwaald, omdat niet is vast komen te staan dat het gebrek bij het sluiten van de overeenkomst al bestond. Het ontstaan van het gebrek na de levering van het paard is in dat geval een toekomstige omstandigheid in de zin van artikel 6:228 lid 2 BW, zodat geen vernietiging of nietigheid kan worden gevorderd. Het beroep op dwaling zal in die situatie worden afgewezen.

Vordering onder 2

7.9. Old Dogwood vordert een bedrag van USD 124.396,40 aan bijkomende schadevergoeding bestaande uit belasting, commissiebedragen, transportkosten en onderzoekskosten. Old Dogwood stelt die schade te hebben geleden ten gevolge van het door A ten onrechte niet gemelde gebrek aan het paard. A heeft dit betwist.

7.10. De rechtbank is van oordeel dat, voor zover al zou komen vast te staan dat op het moment van de levering een gebrek bestond, gesteld noch gebleken is dat A op het moment van de levering van dit gebrek op de hoogte was en Old Dogwood had moeten informeren over (mogelijke) gebreken. Old Dogwood heeft ook geen feiten of omstandigheden gesteld die - indien juist - aan de zijde van A tot schadeplichtigheid in de zin van artikel 6:74 BW zouden leiden. Old Dogwoord heeft ter comparitie - desgevraagd - met betrekking tot de verwijtbaarheid van A slechts gesteld dat A Old Dogwood niet zou hebben geïnformeerd over het feit dat er zakelijke banden bestaan tussen A en de keurende dokter C. Dat is echter niet van belang - indien al juist - nu Old Dogwood tevens heeft uiteengezet dat daarmee niet is gezegd dat C niet onafhankelijk was. Daarmee staat in voldoende mate vast dat - zo al sprake is van een tekortkoming - die tekortkoming niet aan A kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:74 BW.

De rechtbank zal de vordering tot bijkomende schadevergoeding om deze reden afwijzen.

Vorderingen onder 3, 4 en 5

7.11. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

In reconventie

8. De beoordeling

8.1. A stelt dat zij schade heeft geleden in verband met de aantasting van haar eer en goede naam doordat Old Dogwood dan wel B zich op ontoelaatbare wijze heeft uitgelaten over A. A verwijst daartoe naar een drietal verklaringen (producties 20, 21 en 22 bij conclusie van antwoord). Uit deze verklaringen kan echter niet worden afgeleid dat en zo ja op welke wijze Old Dogwood dan wel B zich op ontoelaatbare wijze heeft uitgelaten over A. De vordering wordt dan ook afgewezen. Nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat A door de beweerdelijke uitlatingen schade heeft geleden.

8.2. De overige vorderingen zijn afhankelijk van de uitkomst van de procedure in conventie en zullen derhalve later aan de orde komen.

9. De beslissing

De rechtbank

In conventie

9.1. verwijst de zaak naar de rol zal van 21 januari 2009, voor het nemen van een akte door beide partijen, voor het onder 7.4 omschreven doel,

9.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

In reconventie

9.3. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2008.?