Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH2028

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-10-2008
Datum publicatie
05-02-2009
Zaaknummer
364454
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid juridische dienstverleners, verzekeringsrecht, anticiperende werking, waarschuwingsplicht bij te laten betaling vervolgpremies, artikelen 7:934 en 7:943 BW.

Beroepsaansprakelijkheid juridische dienstverleners, verzekeringsrecht, anticiperende werking, waarschuwingsplicht bij te late betaling vervolgpremies, artikelen 7:934 en 7:943 BW.

Geoordeeld wordt dat weliswaar onder oud recht geanticipeerd werd op de waarschuwingsplicht die voor verzekeraars onder nieuw recht gold alvorens zij dekking konden opschorten bij te late betaling van vervolgpremies, doch dat dit ook inhoudt dat geanticipeerd moet worden op de bevoegdheid van verzekeraars in hun polis van deze waarschuwingsplicht af te wijken bij verzekeringen gesloten ter uitoefening van beroep of bedrijf. In casu wordt aangenomen dat dit is geschied. Derhalve wordt geoordeeld dat verzekeraar op goede gronden dekking kon opschorten. Dat juridisch dienstverlener mogelijk niet tijdig rechten geldig heeft gemaakt onder verzekering en mogelijk een beroepsfout heeft gemaakt, staat dan ook niet in causaal verband met eventuele schade ten gevolge van het niet uitkeren van verzekeringspenningen bij brand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 364454 / HA ZA 07-665

Vonnis van 22 oktober 2008

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

advocaat mr. drs. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE RAADGEVERS TELECONSULT B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Falkena.

Partijen zullen hierna A en De Raadgevers genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 13 juni 2007

- het proces-verbaal van comparitie van 27 september 2007, met de daarin genoemde stukken.

- de conclusie van repliek

- de conclusie van dupliek

- de akte uitlating producties tevens overlegging producties van A

- de antwoordakte van De Raadgevers.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Tot 12 augustus 2004 heeft A een horecaonderneming geëxploiteerd in sporthal De Reeve te Kampen. Op die datum is de sporthal, en daarmee de onderneming van A, door een brand teloorgegaan. De brand was rond 20:50 uur ontstaan doordat een aantal personen een leeg bierkratje in brand hadden gestoken dat door één van hen op het dak van de sporthal is gegooid.

2.2. Tussen A en Nationale Nederlanden was ten tijde van de brand een verzekeringsovereenkomst gesloten waarbij de gevolgen van brand verzekerd waren. De premie diende per half jaar bij vooruitbetaling te worden voldaan, tegen 1 januari en 1 juli. Eind juni 2004 heeft Nationale Nederlanden A een acceptgiro gezonden voor de premiebetaling voor het tweede half jaar van 2004. In de begeleidende brief en op de acceptgiro is de premievervaldatum van 1 juli 2004 vermeld. Op de acceptgiro staat voorts vermeld:

“De polisvoorwaarden bepalen dat, indien deze nota niet binnen 30 dagen nadat u de premie verschuldigd bent is betaald, u geen enkel recht aan de verzekering kunt ontlenen.”

Op deze premienota is als verzekeringsadviseur vermeld “Cooperatie Dak”. De premie is door A via internet betaald op 12 augustus 2004 om 21:06 uur.

2.3. Op het polisblad is vermeld “polisblad bedrijf”. De toepasselijke polisvoorwaarden zijn de polisvoorwaarden van “Perfect zakenverzekering” en “Perfect bedrijfsschadeverzekering” en bepalen (voor zover relevant):

“Artikel 4 Gedekte gebeurtenissen

4.1 Brand

Brand, zoals vermeld in de ‘Nadere omschrijvingen’.

(…)

4.12 Diefstal/vandalisme

Diefstal of poging daartoe en vandalisme, in alle gevallen mits gepleegd door iemand die het gebouw is binnengedrongen door middel van braak.

(…)

Artikel (…) Vervaltermijn

Heeft de maatschappij een (…) schade definitief afgewezen, dan kan verzekerde dit standpunt aanvechten binnen één jaar nadat hij hiervan op de hoogte is gesteld. Na dit jaar vervalt ieder recht ten opzichte van de maatschappij ter zake van die gebeurtenis.

(…)

Artikel [17/18] Betaling

Verzekeringnemer dient de premie, kosten en assurantiebelasting vooruit te betalen binnen 30 dagen nadat zij verschuldigd worden.

De verzekering is niet van kracht voor gebeurtenissen, die plaatsvinden:

- nadat de hierboven vermelde termijn van 30 dagen is verstreken zonder dat de premie, kosten en assurantiebelasting zijn betaald;

- (…)

Nadere ingebrekestelling door de maatschappij is daarbij niet nodig. Verzekeringnemer blijft verplicht de premie, kosten en assurantiebelasting te voldoen.

De verzekering wordt weer van kracht voor gebeurtenissen die plaatsvinden na de dag, waarop de premie, kosten en assurantiebelasting door de maatschappij zijn ontvangen.”

2.4. A heeft na de brand aanspraak gemaakt op de verzekeringspenningen bij Nationale Nederlanden. Uit een ten behoeve van Nationale Nederlanden opgemaakte akte van taxatie blijkt van een schade aan zijn onderneming ten gevolge van de brand van EUR 57.443,=. Tevens heeft B in opdracht van Nationale Nederlanden een brandonderzoek gedaan naar de brand.

2.5. Bij brief van 15 oktober 2004 heeft Nationale Nederlanden A medegedeeld dat dekking onder de verzekering werd ontzegd in verband met de achterstallige premie. Daarnaast was in de brief het volgende vermeld:

“Voor zover nodig doen wij ook een beroep op artikel 7.h. van de van toepassing zijnde polisvoorwaarden, waarin staat:

“De verzekering biedt geen dekking voor schade:

h. hoe ook ontstaan, indien verzekerde met betrekking tot de melding en/ of behandeling van deze schade opzettelijk een verkeerde voorstelling van zaken geeft of een onware opgave doet.”.

De reden dat wij op voornoemd artikel een beroep doen is gelegen in het feit dat onze expert, de heer B, door u in bezit is gesteld van uw telefoonlijst.

Tevens heeft de heer B met uw goedvinden bij de Rabobank geïnformeerd naar het tijdstip van overboeken. Uit deze gegevens blijkt dat u heeft ingebeld om 21.04.59 uur. De boeking is om 21.06.15 uur verwerkt. Uw verklaring dat u de betaling van de premie eind van de middag dan wel het begin van de avond heeft uitgevoerd is derhalve niet juist.

Tot slot willen wij u nog wijzen op artikel 16 van de polisvoorwaarden. De volledige tekst luidt:

(…)

Na dit jaar vervalt ieder recht ten opzichte van de maatschappij ter zake van die gebeurtenis.”

2.6. A had met ingang van 13 februari 2004 met De Raadgevers een Juridisch Servicecontract afgesloten (hierna: het servicecontract). Op dit servicecontract zijn de algemene voorwaarden van De Raadgevers van toepassing, die – voor zover relevant – bepalen:

“10. Werkzaamheden buiten telefonisch consult worden na overleg en in opdracht van de cliënt volgens het geldende uurtarief alsmede de voor uitvoering noodzakelijke kosten in rekening gebracht. De Raadgevers stelt de cliënt voordat een zaak in behandeling wordt genomen van dat uurtarief op de hoogte.”

2.7. Met de onder 2.5 genoemde brief van Nationale Nederlanden heeft A zich tot De Raadgevers gewend voor juridische bijstand. Van De Raadgevers heeft mr. C de belangenbehartiging op zich genomen. C heeft de zaak inhoudelijk met A besproken en is door hem voorzien van alle relevante informatie, waaronder de polissen van Nationale Nederlanden en de correspondentie. Bij brief van 10 november 2004 aan Nationale Nederlanden heeft C namens A aanspraak gemaakt op een uitkering onder de verzekering.

2.8. Naar aanleiding van de nota’s van De Raadgevers aan A voor het abonnementsgeld over het contractjaar 2005/2006 heeft A begin 2005 zijn contract met De Raadgevers beëindigd. Voor het abonnementsgeld is hem door De Raadgevers een creditnota verzonden. Op 18 maart 2005 heeft A aan C nog een nadere brief van Nationale Nederlanden alsmede enige krantenartikelen over de brand toegezonden.

2.9. Voor het stichten van de brand zijn twee verdachten strafrechtelijk vervolgd, waarvan er één is veroordeeld.

2.10. Bij brief van 11 september 2006 heeft de advocaat van A De Raadgevers aansprakelijk gesteld voor het uitblijven van nadere rechtsmaatregelen jegens Nationale Nederlanden binnen één jaar na de brief van Nationale Nederlanden van 26 oktober 2004, waardoor op grond van het vervalbeding in de verzekeringsovereenkomst geen rechten meer geldend gemaakt kunnen worden.

3. Het geschil

3.1. A vordert – enigszins samengevat – een verklaring voor recht dat De Raadgevers jegens A aansprakelijk is voor de gevolgen van het verlies van dekking onder de verzekering, alsmede veroordeling van De Raadgevers tot betaling van EUR 57.443,=, vermeerderd met rente en kosten.

3.2. De Raadgevers voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Causaal verband

4.1. De rechtbank is van oordeel dat de vorderingen van A voor afwijzing gereed liggen omdat causaal verband ontbreekt tussen een eventuele tekortkoming in de nakoming van De Raadgevers en de door A geleden schade. Hiertoe is als volgt overwogen.

4.2. Partijen stellen zich terecht op het standpunt dat ter beoordeling van de vraag of causaal verband bestaat tussen een eventuele tekortkoming in de nakoming en de schade het volgende van belang is. Bezien moet worden in hoeverre er een kans was geweest op een voor A gunstige uitkomst van een gerechtelijke procedure indien deze door De Raadgevers aanhangig was gemaakt.

4.3. Nationale Nederlanden heeft het standpunt ingenomen dat geen dekking bestond in verband met de te late premiebetaling door A. Derhalve zal de rechtbank allereerst de kans beoordelen dat dit standpunt in een gerechtelijke procedure gehonoreerd zou zijn. In dit verband is van belang dat tussen partijen vaststaat dat A zijn premie te laat heeft betaald en dat Nationale Nederlanden op grond van de polisvoorwaarden het recht toekwam dekking te weigeren bij niet-tijdige betaling van de premie. A stelt zich echter op het standpunt dat voor Nationale Nederlanden een waarschuwingsplicht gold alvorens op deze bepaling een beroep gedaan kan worden en betwist een dergelijke waarschuwing te hebben ontvangen. De waarschuwing op de acceptgiro is hiertoe niet voldoende. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar uitspraken van de Raad van Toezicht Verzekeringen waarin is uitgemaakt dat verzekeraars dienden te anticiperen op artikel 7:934 van het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin die waarschuwingsplicht is opgenomen. Hij stelt zich bovendien – onder verwijzing naar een uitspraak van de rechtbank Rotterdam (LJN AY 6260) – op het standpunt dat die waarschuwing gedaan moet worden na de vervaldag, waarbij als de vervaldag moet worden aangemerkt de periode waarop de 30-dagentermijn om te betalen eindigde.

4.4. De Raadgevers stelt zich op het standpunt dat aan de waarschuwingsplicht is voldaan, zo niet met de waarschuwing op de acceptgiro dan in ieder geval door een betalingsherinnering die op 14 juli 2004 door Nationale Nederlanden via een automatisch betalingssysteem naar A is verzonden en waarin onder meer is opgenomen:

“Op grond van de polisvoorwaarden vervalt de dekking van de verzekering wanneer onze vordering niet is betaald binnen dertig dagen nadat het vorderingsbedrag verschuldigd werd. Dat wil zeggen dat u dan geen aanspraak meer kunt maken op schadevergoeding, uitkering of andere rechten die uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeien.”

Bovendien wijst De Raadgevers erop dat het op grond van artikel 7:943 BW mogelijk is van artikel 7:934 in de polis af te wijken indien het gaat om een verzekering gesloten in de uitoefening van beroep of bedrijf. In de polisvoorwaarden van Nationale Nederlanden was opgenomen dat geen nadere ingebrekestelling is vereist alvorens het recht op uitkering kan vervallen bij verzuim tot betaling van de premie voor de vervaldatum. Daarom dient ervan uitgegaan te worden dat Nationale Nederlanden voor het bedrijf van A een uitzondering heeft bedongen.

4.5. A kan zich niet verenigen met dat standpunt. Anticipatie op toekomstige wettelijke bepalingen, zoals artikel 7:943 BW, moet alleen worden aangenomen indien dit ter bescherming is van de zwakkere partij. A is bovendien een natuurlijk persoon en de exploitatie van de horecaonderneming binnen de sporthal was dusdanig weinig winstgevend dat hij op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als handelend in beroep of bedrijf.

4.6. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 7:934 BW, zoals dat geldt sedert 1 januari 2006, bepaalt het volgende:

“Het niet nakomen van de verplichting tot betaling van de vervolgpremie kan eerst leiden tot beëindiging of schorsing van de verzekeringsovereenkomst of de dekking, nadat de schuldenaar na de vervaldag onder vermelding van de gevolgen van het uitblijven van betaling vruchteloos is aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na aanmaning. (…)”

Artikel 7:943 BW, zoals dat geldt sinds 1 januari 2006, bepaalt in het derde lid dat van artikel 7:934 BW niet kan worden afgeweken ten nadele van de verzekeringnemer die een natuurlijk persoon is en de verzekering sluit anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

De ratio van deze pas bij het nieuwe recht geïntroduceerde waarschuwingsplicht was om bij de betaling van vervolgpremies een nadere bescherming te bieden aan de verzekeringnemer die niet handelt in beroep of bedrijf. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of deze aanvullende bescherming A in het onderhavige geval geboden zou zijn als uitkomst van een gerechtelijke procedure, indien deze was aangespannen.

4.7. De Raad van Toezicht Verzekeringen heeft in 2001 overwogen dat verzekeraars zich “uit oogpunt van handhaving van de goede naam van het verzekeringsbedrijf, thans reeds dienen te gedragen” naar de voorgestelde bepaling van artikel 7:934 BW. Het Hof Amsterdam heeft in het arrest van 8 januari 2004 (NJF 2004/298) overwogen dat deze bepaling toen reeds als geldend recht had te gelden. Ook de rechtbank zal hier dus van uitgaan. Met De Raadgevers is de rechtbank van oordeel dat anticipatie op deze bepaling zonder daarnaast ook te anticiperen op de afwijkmogelijkheid daarvan in artikel 7:943 BW niet goed denkbaar is. Dit zou immers leiden tot de rechtens onaanvaardbare situatie dat verzekeraars door anticipatie een bepaalde contractuele vrijheid ontzegd zou worden die zij wel zouden hebben onder het recht waarop wordt geanticipeerd.

4.8. De verzekeringsovereenkomst tussen A en Nationale Nederlanden is tot stand gekomen onder het recht van voor de inwerkingtreding van het nieuwe verzekeringsrecht per 1 januari 2006. Op grond van het vorenoverwogene moet niettemin aangenomen worden dat – anticiperend op het nieuwe recht – voor Nationale Nederlanden een waarschuwingsplicht gold waarvan afgeweken mocht worden voor verzekeringen gesloten door verzekeringnemers handelende in de uitoefening van beroep of bedrijf.

4.9. Beoordeeld moet dan nog worden of A de verzekering heeft afgesloten handelende in de uitoefening van beroep of bedrijf en zo ja, of Nationale Nederlanden een uitzondering op de waarschuwingsplicht heeft bedongen in de gesloten overeenkomst. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht.

4.10. Het betoog van A dat zijn onderneming meer hobbymatig werd uitgeoefend en dat de verzekering derhalve niet aangemerkt kan worden als gesloten in uitoefening van beroep of bedrijf wordt door de rechtbank gepasseerd. Nu overduidelijk bedrijfsverzekeringen zijn gesloten waarbij tevens bedrijfsschade is verzekerd, kan een redelijke uitleg van de overeenkomst niet leiden tot het oordeel dat sprake is geweest van een verzekering gesloten door een consument. Geoordeeld moet dan ook worden dat het Nationale Nederlanden vrijstond ten nadele van A af te wijken van de waarschuwingsplicht.

4.11. Een redelijke uitleg van de overeenkomst laat daarnaast geen andere conclusie dan dat de bepaling van artikel 17/18 van de polisvoorwaarden aan te merken valt als een bepaling waarbij is afgeweken van de waarschuwingsplicht. Het betreft immers een bepaling in een bedrijfsverzekering waarin de verzekeraar bedingt dat de verzekering niet van kracht is voor gebeurtenissen die plaatsvinden nadat de termijn van 30 dagen is verstreken zonder dat de premie is betaald, zonder dat een nadere ingebrekestelling vereist is. Een redelijke verwachting van een verzekeringnemer dat deze bepaling opzij gezet zou kunnen worden op grond van nog niet van kracht zijnde wetgeving die voor bedrijven niet dwingendrechtelijk van aard is, kan aan deze overeenkomst niet ontleend worden.

4.12. Op grond van het vorenoverwogene moet dan ook worden aangenomen dat de waarschuwingsplicht van artikel 7:934 BW niet van toepassing was op de tussen A en Nationale Nederlanden gesloten verzekeringsovereenkomst. Nu de vervolgpremie van A niet is betaald binnen 30 dagen nadat zij verschuldigd is geworden, moet daarom geoordeeld worden dat Nationale Nederlanden zich kon beroepen op het ontbreken van dekking.

4.13. Voor zover A zich nog beroept op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid heeft het volgende te gelden. Enerzijds is sprake geweest van een relatief beperkte overschrijding van de betalingstermijn van een vervolgpremie in de vakantieperiode die voor A tot ogenschijnlijk disproportionele gevolgen heeft geleid. Anderzijds heeft Nationale Nederlanden op de acceptgiro voor deze gevolgen gewaarschuwd en heeft A deze acceptgiro in ieder geval tijdig gezien. Daarnaast heeft Nationale Nederlanden A ook nog een waarschuwingsbrief gezonden, die hem mogelijk niet bereikt heeft maar waarmee de verzekeraar de contractuele vrijheid op een zorgvuldige manier heeft uitgeoefend. Onder deze omstandigheden kan niet geoordeeld worden dat het uit oogpunt van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Nationale Nederlanden zich op haar contractuele recht beroept.

4.14. Conclusie is dan ook dat de kans op een succesvolle uitkomst van de gerechtelijke procedure, indien deze was aangespannen, als dusdanig gering ingeschat moet worden dat hiervan in de onderhavige procedure niet uitgegaan kan worden. Derhalve ontbreekt causaal verband tussen de door A geleden schade en de eventuele beroepsfout van De Raadgevers. De vorderingen van A liggen om die reden voor afwijzing gereed. De overige geschilpunten, waaronder omtrent de aard van de overeenkomst tussen A en De Raadgevers en de mogelijke beëindiging daarvan, behoeven derhalve geen bespreking meer.

4.15. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van De Raadgevers worden begroot op:

- explootkosten EUR 0,00

- vast recht 1.305,00

- salaris advocaat 2.682,00 (3,0 punten × tarief EUR 894,00)

Totaal EUR 3.987,00

4.16. De rechter, ten overstaan van wie de comparitie na antwoord is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van De Raadgevers tot op heden begroot op EUR 3.987,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.H. Rombouts en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2008.?