Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BH0269

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-12-2008
Datum publicatie
19-01-2009
Zaaknummer
939443 CV EXPL 08-7225
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanspraak op invaliditeitspensioen en premievrije opbouw pensioen in verband met vóór einde arbeidsovereenkomst ontstane arbeidsongeschiktheid en eerst na einde arbeidsovereenkomst toegekende WAO uitkering. Complicatie in verband met detentie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 44
AR-Updates.nl 2009-0064
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Rolnummer: 939443 CV EXPL 08-7225

Vonnis van: 23 december 2008

F.no.: 497

Vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]

eiser

gemachtigde: mr. S. van Andel

t e g e n

de stichting Pensioenfonds KLM cabinepersoneel

gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen

gedaagde

nader te noemen Pensioenfonds KLM

gemachtigde: mr. W. van Heest

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Op de dagvaarding van 26 februari 2008 heeft Pensioenfonds KLM bij conclusie van antwoord met producties gereageerd. Vervolgens is bij tussenvonnis van 3 juni 2008 besloten tot schriftelijk voortprocederen, waarna [eiser] een conclusie van repliek en Pensioenfonds KLM een conclusie van dupliek heeft genomen.

De zaak staat voor vonnis.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1. Bij schriftelijke arbeidsovereenkomst van 1 september 1984 is [eiser] als steward bij KLM in dienst getreden.

1.2. Op de arbeidsovereenkomst is de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor KLM-Cabinepersoneel van toepassing verklaard.

1.3. Pensioenfonds KLM is uitvoerder van het pensioenfonds KLM Cabinepersoneel. Voor dit pensioenfonds is een Pensioenreglement 1998 vastgesteld.

1.4. [eiser] is op 1 september 1989 deelnemer geworden aan het Pensioenfonds KLM Cabinepersoneel.

1.5. Vanaf 17 juli 2001 is [eiser] gedetineerd in (aanvankelijk) Aruba.

1.6. De arbeidsovereenkomst tussen KLM en [eiser] is op 31 december 2001 geëindigd.

1.7. Op 16 maart 2005 is [eiser] gaan deelnemen aan het zogeheten Penitentiair Programma. In dat verband is aan hem op 15 maart 2005 door de unit-directeur van de penitentiaire inrichting ’t Keern te Hoorn een verlofpas verleend.

1.8. [eiser] heeft op 18 maart 2005 een aanvrage voor een WAO uitkering ingediend. Nadat ook in de beslissing op bezwaar het UWV de WAO-uitkering weigerde, is [eiser] bij de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht, in beroep gekomen. De rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 29 november 2006 het beroep gegrond verklaard en heeft bepaald dat het UWV een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak diende te nemen. De rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht heeft daartoe onder meer overwogen:

2.3. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser geen recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering omdat hij vanaf 17 juli 2001 niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Verweerder heeft zich daarbij gebaseerd op beoordelingen door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaardeskundige.

(…..)

2.5. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten, zoals blijkend uit het dossier. Eiser was vanaf 1 september 1984 tot en met 31 december 2001 in dienst bij de KLM; vanaf 3 april 1991 in de functie van purser wideboy. Na een ziekmelding per 14 december 1999 heeft eiser het werk hervat vanaf 20 oktober 2000. Vanaf 17 juli 2001 is eiser in detentie genomen. Op 16 maart 2005 is eiser vervroegd in vrijheid gesteld uit de Penitentiaire Open Inrichting “het Keern” en is hij begonnen met een Penitentiair Programma, inhoudende dat hij met ingang van genoemde datum het restant van zijn straf thuis, met elektronisch toezicht, mocht uitzitten. Naar aanleiding van een door eiser ingediend formulier “Aanvraag WAO-uitkering” van 18 maart 2005 heeft verweerder beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Partijen gaan er daarbij van uit dat de datum 17 juli 2001 als (fictieve) eerste dag van arbeidsongeschiktheid moet worden beschouwd.

(…..)

2.8. De rechtbank is met eiser van oordeel dat uit artikel 19a, eerste en tweede lid, van de WAO volgt dat een verzekerde geen recht op een uitkering ingevolge deze wet heeft indien en voor zo lang hem rechtens zijn vrijheid is ontnomen. Zodra de gedetineerde in vrijheid wordt gesteld, herleeft de verzekering ingevolge de WAO en kan betrokkene (weer of alsnog) aanspraak maken op een uitkering, indien er op de dag van invrijheidsstelling sprake is van arbeidsongeschiktheid van 15% of meer en ook overigens aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

(…..) Uit de stukken blijkt dat verweerders bezwaarverzekeringsarts heeft beoordeeld of eiser vanaf 17 juli 2001 gedurende een periode van 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Verweerder heeft hierdoor miskend dat het recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering herleefde vanaf het moment waarop eiser in vrijheid werd gesteld en het Penitentiair Programma ging volgen, te weten op 16 maart 2005.

1.9. In het licht van de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht heeft het UWV op 9 mei 2007 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, luidende – voorzover van belang - :

Er heeft een nader onderzoek plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts. Op grond van haar bevindingen concluderen wij dat u op 16 maart 2005 (de datum dat u niet meer gedetineerd bent) volledig arbeidsongeschikt bent te beschouwen en derhalve vanaf die datum recht heeft op een uitkering ingevolge de WAO berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.10. Op 29 mei 2007 heeft de gemachtigde van [eiser] de afdeling Pensioenservice van Pensioenfonds KLM verzocht aan [eiser] een invaliditeitspensioen vanaf 18 juli 2002 toe te kennen en heeft [eiser] aanspraak gemaakt op de premievrije voortzetting van de pensioenopbouw en het WAO-hiaat. Nadat hierop bij brief van 19 juni 2007 afwijzend was gereageerd, heeft [eiser] bij brief van 2 juli 2007 zijn verzoek herhaald. De afdeling Pensioenservice reageerde bij brief van 17 juli 2007, waarin zij bij haar standpunt blijft. Tegen deze beslissing heeft [eiser] op 26 september 2007 een bezwaarschrift ingediend, waarop door het bestuur van de Blue Sky Group – namens het Pensioenfonds KLM - bij brief van 20 december 2007 is gereageerd. Het Pensioenfonds KLM blijft bij haar afwijzende beslissing.

vordering

2. [eiser] vordert

(a) voor recht te verklaren dat [eiser] deelnemer is, danwel geacht wordt te zijn in de zin van het Pensioenreglement Stichting Pensioenfonds KLM Cabinepersoneel;

(b) Pensioenfonds KLM te veroordelen om aan [eiser] een invaliditeitspensioen toe te kennen alsmede premievrije pensioenopbouw en uitkering van de WAO-hiaatverzekering primair vanaf 18 juli 2002, subsidiair vanaf 16 maart 2005, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Dit alles met veroordeling van het Pensioenfonds KLM in de kosten van het geding.

3. Aan de vordering legt [eiser] ten grondslag, dat hij tijdens zijn dienstverband bij KLM arbeidsongeschikt is geraakt waardoor hij aanspraak heeft op een invaliditeitspensioen en een premievrije pensioenopbouw. Ook maakt [eiser] aanspraak op een WAO hiaatverzekering. [eiser] heeft de grondslag van zijn vordering aan de hand van een uitvoerige toelichting op de regeling in het Pensioenreglement (en de Statuten van het Pensioenfonds KLM), mede in het licht van jurisprudentie, toegelicht.

4. [eiser] heeft zich onder meer bereid verklaard zijn medische achtergronden toe te lichten. In de procedure heeft [eiser] gesteld, dat bij hem in 1999 HIV is geconstateerd en dat hij psychische en urologische klachten heeft en bij hem ook hepatitis is geconstateerd. [eiser] heeft voorts gesteld dat in verband met toenemende hartklachten hij in juni 2005 een bypass operatie heeft ondergaan.

verweer

5. Het Pensioenfonds KLM verweert zich tegen de vordering van [eiser]. Kort gezegd voert het Pensioenfonds KLM aan, dat de grondslag van de vordering van [eiser] in een pensioenovereenkomst dient te worden gevonden, die in het Pensioenreglement nader is uitgewerkt. Het Pensioenfonds KLM is niet gebonden aan rechterlijke uitspraken waar zij zelf niet direct bij betrokken is geweest en aan beslissingen die door een andere instantie (UWV) over een andere uitkering (WAO-uitkering) is genomen.

6. Het Pensioenfonds KLM stelt dat [eiser] niet aan de voorwaarden voor toekenning van het invaliditeitspensioen, premievrije opbouw van het pensioen en de WAO hiaatverzekering voldoet. Zo betwist het Pensioenfonds KLM dat [eiser] tijdens het dienstverband met KLM arbeidsongeschikt is geraakt. Voorzover komt vast te staan dat [eiser] tijdens het dienstverband arbeidsongeschikt is geraakt, betwist het Pensioenfonds KLM dat [eiser] aansluitend 52 weken arbeidsongeschikt is geweest. Ook zijn de bij CAO vastgestelde betalingen bij arbeidsongeschiktheid niet tijdens het dienstverband geëindigd en op het moment dat de betalingen bij arbeidsongeschiktheid op grond van de CAO zouden zijn geëindigd, was [eiser] in ieder geval geen deelnemer meer in de zin van het Pensioenreglement. Het Pensioenfonds KLM voert daartoe onder meer aan dat volgens de CAO [eiser] eerst op 18 juli 2002 aanspraak zou kunnen maken op een aanvullende uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 90% van het laatst vastgestelde salaris (aannemende dat [eiser] op 17 juli 2001 arbeidsongeschikt is geraakt en hij vervolgens 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven) en [eiser] eerst op 16 maart 2005 een WAO uitkering van het UWV ontving. Op beide data was hij geen werknemer meer bij KLM en daardoor ook geen deelnemer meer in de zin van het Pensioenreglement.

beoordeling

7. De kantonrechter zal eerst onderzoeken of aan [eiser] een invaliditeitspensioen toekomt en of [eiser] aanspraak kan maken op premie vrije opbouw van het pensioen.

8. Ingevolge artikel 5 van het Pensioenreglement 1998 is er een recht op invaliditeitspensioen voor de deelnemer die arbeidsongeschikt is geworden in de zin van artikel 1 van het Pensioenreglement 1998 en voor wie de bij CAO vastgelegde betalingen bij arbeidsongeschiktheid zijn beëindigd.

Uit artikel 18 lid 1 jo lid 6 van het Pensioenreglement 1998 volgt dat degene die een invaliditeitspensioen ontvangt recht heeft op premievrije opbouw van het pensioen.

9. De kantonrechter stelt vast dat in artikel 1 van het Pensioenreglement 1998 de in artikel 5 van het Pensioenreglement 1998 gebruikte term “arbeidsongeschikt” niet is gedefinieerd. Artikel 1 bevat wel definities van onder meer arbeidsongeschiktheid en arbeidsongeschikte.

Arbeidsongeschiktheid is volgens artikel 1 van het Pensioenreglement 1998 de situatie die ontstaat op de eerste dag dat de werknemer wegens ziekte ongeschikt is tot werken. De arbeidsongeschikte is volgens artikel 1 degene die arbeidsongeschikt is in de zin van artikel 18 van de WAO en recht op een uitkering krachtens die wet heeft of zou hebben, indien hij volgens die wet verzekerd zou zijn geweest. Volgens artikel 18 van de WAO is arbeidsongeschikt degene die rechtstreeks of objectief medisch vast te stellen als gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevallingen geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

[eiser] betoogt dat met arbeidsongeschikt in artikel 5 van het Pensioenreglement 1998 is bedoeld arbeidsongeschiktheid, terwijl het Pensioenfonds KLM stelt dat bedoeld is de arbeidsongeschikte deelnemer.

10. De kantonrechter is van oordeel dat beide definities in artikel 1 van het Pensioenreglement elkaar niet uitsluiten. In zowel de definitie van arbeidsongeschiktheid in de zin van het Pensioenreglement als de omschrijving van arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18 van de WAO, waarin in de definitie een omschrijving van arbeidsongeschikt wordt gegeven, gaat het erom dat de betrokkene wegens ziekte niet in staat is tot werken. Het gaat daarbij niet om de subjectieve beleving van de werknemer of de werkgever, maar het ongeschikt zijn tot arbeid dient aan de hand van objectief medische gegevens te worden vastgesteld.

Dit betekent dat dient te worden nagegaan of en wanneer [eiser] op grond van objectief medische gronden arbeidsongeschikt, dat wil zeggen ongeschikt tot het verrichten van arbeid, is geraakt.

11. Partijen verschillen daarover van mening.

[eiser] stelt kort gezegd dat hij op 17 juli 2001 wegens ziekte ongeschikt was om te werken en voert aan dat zulks door het UWV en de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht in het kader van de WAO uitkering ook is aangenomen en is vastgesteld.

Het Pensioenfonds KLM betwist de stelling van [eiser] en voert kort gezegd aan dat het UWV en de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht niet hebben vastgesteld dat [eiser] op 17 juli 2001 arbeidsongeschikt was. Het UWV heeft dat kennelijk aangenomen en nu het UWV en [eiser] daarover kennelijk geen verschil van mening hadden, heeft de rechtbank dat als fictieve datum aangehouden. Vervolgens is vanwege de specifieke regeling in het kader van de WAO de aandacht van zowel de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht als het UWV uitgegaan naar de vraag of [eiser] op 16 maart 2005 arbeidsongeschikt was en of de detentie periode gelegen tussen 17 juli 2001 en 16 maart 2005 voor de beoordeling van de WAO uitkering relevant was. De laatste vraag is door de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht ontkennend beantwoord, zodat het UWV had na te gaan of [eiser] na zijn detentie op 16 maart 2005 arbeidsongeschikt was. Die vraag heeft het UWV uiteindelijk bevestigend beantwoord. Het Pensioenfonds KLM voert verder aan dat voorzover de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht en/of het UWV al heeft aangenomen dat [eiser] op 17 juli 2001 arbeidsongeschikt is geraakt, het Pensioenfonds KLM daaraan niet is gebonden. In het kader van het Pensioenreglement 1998 dient over de vraag of [eiser] arbeidsongeschikt is geraakt een zelfstandig oordeel te worden gegeven.

12. De kantonrechter stelt voorop, dat in het algemeen de vaststelling dat een werknemer in het kader van de WAO arbeidsongeschikt is, tot gevolg zal hebben dat die werknemer ook in het kader van het Pensioenreglement als arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. Dit uitgangspunt leidt in ieder geval uitzondering als het pensioenfonds stelt en met feiten en omstandigheden onderbouwt dat de arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO te lichtvaardig, althans niet objectief medisch is vastgesteld.

Op de gemotiveerde betwisting van het Pensioenfonds KLM heeft [eiser] volstaan met aanwijzingen door te verwijzen naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht en de (uiteindelijke) beslissing van het UWV. Dit is echter in dit geval onvoldoende. Uit de uitspraak van de rechtbank Amsterdam, sector bestuursrecht en de beslissing van het UWV blijkt niet op grond van welke objectief medische gegeven is geoordeeld dat [eiser] op of omstreeks 17 juli 2001 arbeidsongeschikt was.

[eiser] heeft daarvoor nadere feiten en omstandigheden, ondersteund met stukken, te stellen.

Alvorens te beslissen of [eiser] daartoe in de gelegenheid dient te worden gesteld, zal de kantonrechter eerst nagaan of één van de overige verweren van het Pensioenfonds KLM aan toewijzing van de vordering van [eiser] in de weg staat.

13. De definitie van invaliditeitspensioen in artikel 5 van het Pensioenreglement 1998 bevat ook de term “deelnemer”. Over het begrip deelnemer is in artikel 2 van het Pensioenreglement 1998 een regeling opgenomen.

Partijen zijn het erover eens dat [eiser] ingevolge artikel 2 lid 1 van het Pensioenreglement 1998 op 1 september 1989 deelnemer is geworden.

Ingevolge artikel 2 lid 2 van het Pensioenreglement 1998 eindigt het deelnemerschap - onder meer - bij beëindiging van het dienstverband met KLM. Het staat vast dat de arbeidsovereenkomst van [eiser] bij KLM op 31 december 2001 is geëindigd, zodat – als hoofdregel – daarmee het deelnemerschap aan het pensioenfonds is geëindigd.

In artikel 2 lid 3 van het Pensioenreglement 1998 is een uitzondering op deze hoofdregel opgenomen, inhoudende dat het deelnemerschap wordt geacht voort te duren zolang de persoon recht heeft op premievrije voortzetting van de pensioenopbouw wegens arbeidsongeschiktheid. Volgens artikel 18 van het Pensioenreglement wordt de pensioenopbouw premievrij voortgezet als de persoon geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt is en een invaliditeitspensioen ontvangt.

Partijen zijn het er over eens dat [eiser] op 31 december 2001 geen invaliditeitspensioen ontving en daar toen ook geen recht op had. Volgens [eiser] had hij daarop eerst recht op 18 juli 2002. Daargelaten de vraag of [eiser] op 31 december 2001 nog steeds vanaf 17 juli 2001 onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest, heeft [eiser] op 31 december 2001 in ieder geval geen aanspraak kunnen maken op premievrij voortzetten van de pensioenopbouw en dientengevolge op een voortgezet deelnemerschap.

Dit betekent dat naar het oordeel van de kantonrechter het deelnemerschap op 31 december 2001 is geëindigd. Hierdoor kan [eiser] na 31 december 2001 niet meer op enig moment aanspraak maken op invaliditeitspensioen. Doordat [eiser] na 31 december 2001 geen recht kan doen gelden op invaliditeitspensioen komt hij ook niet op enig moment alsnog in aanmerking voor premievrij pensioenopbouw.

14. Op zichzelf rijst de vraag of [eiser] – aannemende dat hij op 17 juli 2001 arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij daarna tenminste voor een jaar onafgebroken arbeidsongeschikt is gebleven en aannemende dat op 31 december 2001 zijn arbeidsovereenkomst met KLM is geëindigd - door zijn detentie voor het verkrijgen van een invaliditeitspensioen en premievrije opbouw van het pensioen in een ongunstiger situatie is geraakt. De kantonrechter acht dit niet het geval. [eiser] zou in dat geval op grond van de CAO vanaf 17 juli 2001 ziektegeld hebben ontvangen waaraan op grond van artikel 4 van bijlage 7 bij de CAO op 31 december 2001 bij beëindiging van het dienstverband een einde zou zijn gekomen. Ook in dat geval zou het deelnemerschap van [eiser] op 31 december 2001 zijn geëindigd en ook in dat geval zou hij op dat moment nog geen recht hebben op invaliditeitspensioen en dientengevolge premievrije opbouw van het pensioen.

15. De kantonrechter heeft vervolgens de vraag te beantwoorden of [eiser] aanspraak kan maken op een WAO-hiaatverzekering.

Bijlage 1 bij het Reglement 1998 betreft het reglement WAO-hiaatverzekering. Ingevolge artikel 10 van het reglement WAO-hiaatverzekering is de regeling alleen van toepassing op degenen die op 31 december 2002 deelnemer waren aan de collectieve, door de KLM afgesloten, WAO hiaatverzekering bij Centraal Beheer Achmea en die in aansluiting daarop op 1 januari 2003 deelnemer aan het pensioenreglement voor de WAO-hiaatverzekering zijn geworden respectievelijk daarna als deelnemer aan het pensioenreglement voor de WAO-hiaatverzekering toetreden.

16. Uit het voorgaande volgt reeds dat het dienstverband van [eiser] bij KLM op 31 december 2001 is geëindigd, zodat [eiser] niet behoort tot de kring van gerechtigden als omschreven in 10 van het reglement WAO-hiaatverzekering.

17. [eiser] heeft vervolgens gesteld dat hij ten tijde van zijn werknemerschap tot 31 december 2001 was aangesloten bij een WAO-hiaatverzekering die door het Pensioenfonds KLM is overgenomen. Deze stelling is door het Pensioenfonds KLM gemotiveerd bestreden en [eiser] heeft zijn enkele stelling niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd.

18. Het voorgaande leidt ertoe dat ook de vordering van [eiser] ten aanzien van de WAO-hiaatverzekering wordt afgewezen.

19. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

I. wijst de vordering af;

II. veroordeelt [eiser] in de proceskosten aan de zijde van het Pensioenfonds KLM gevallen, welke worden begroot op € 1.200,00 wegens salaris gemachtigde;

III. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. D.H. de Witte, kantonrechter en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 december 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.