Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG8697

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-12-2008
Datum publicatie
31-12-2008
Zaaknummer
AWB 07/1458, 08/135, 07/4364, 06/5524, 08/1759, 08/2700, 07/3387, 07/2843
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijdrageplicht ingevolge de Zvw van gepensioneerden in de Europese Unie met een sociale zekerheidsuitkering uit Nederland. Beoordeling van beroepsgronden die niet aan de orde waren in de uitspraak van 31 januari 2008 gepubliceerd onder LJN: BC3432 .

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 46
PJ 2009, 23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 07/1458, 08/1356, 07/4364, 06/5524, 08/1759, 08/2700, 07/3387,

07/2843

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaken tussen:

[eiser 1], wonende te [woonplaats], Frankrijk

[eiser 2], wonende te [woonplaats], Spanje

[eiser 3], wonende te [woonplaats], Frankrijk

[eiser 4], wonende te [woonplaats], Frankrijk

[eiser 5], wonende te [woonplaats], Malta

eisers,

en

Het College voor Zorgverzekeringen (CVZ),

verweerder,

gemachtigden: [persoon 1], [persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5].

Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder, hierna te noemen: het UWV,

gemachtigde: [persoon 5].

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 september 2008.

De eisers [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 5] zijn in persoon verschenen.

Eiser [eiser 4] is niet verschenen.

Verweerders hebben zich ter zitting doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

1. Procesverloop

Partijstelling

Op 1 augustus 2008 is de Wet tot wijziging van de Zorgverzekeringswet in verband met de rechtsgang bij inhouding van de bijdrage van verdragsgerechtigden, van 29 mei 2008, in werking getreden (Staatsblad 2008, 277 en 278). In deze wet is bepaald dat een beschikking inzake heffen of inhouden van de bijdrage bedoeld in artikel 69, tweede lid, van de Zvw, geldt als een beschikking van het CVZ. Dit geldt tevens voor beslissingen op bezwaar die zijn genomen vóór inwerkingtreding van deze wet.

Als gevolg hiervan is het CVZ het enig bevoegd orgaan met betrekking tot de diverse procedures van eisers en kunnen deze procedures gevoegd behandeld worden, met het CVZ als verwerende partij.

De eisers die het betreft zijn akkoord gegaan met de wijziging van de tenaamstelling van de Sociale verzekeringsbank (SVB) naar het CVZ als verwerende partij.

In de zaak van eiser [eiser 5] volgt het CVZ het UWV op, uitsluitend voor zover het betreft de periode vanaf 1 januari 2006.

Procesverloop beroepen eiser [eiser 1]

Verweerder heeft bij brief van juni 2006 aan eiser meegedeeld dat de zogeheten woonlandfactor op de ten aanzien van de Zvw verschuldigde bijdrage wordt toegepast. Daarbij is aan eiser medegedeeld dat de woonlandfactor van Frankrijk in zijn geval van toepassing is, en dat die factor 0,6633 bedraagt. Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder op 18 maart 2008 ongegrond verklaard, waarna eiser beroep heeft ingesteld (geregistreerd onder nummer 08/1458).

Op 13 november 2007 heeft verweerder de voorlopige jaarafrekening van de door eiser verschuldigde bijdrage over 2006 aan hem toegezonden.

Het tegen dit besluit door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder op 18 maart 2008 ongegrond verklaard, waarna eiser beroep heeft ingesteld (geregistreerd onder nummer 08/1356).

Tevens heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit inzake de heffing van de Zvw-bijdrage door het CVZ (geregistreerd onder nummer 07/4364).

Procesverloop beroepen eiser [eiser 2]

Eiser heeft op 30 april 2006 bij de SVB bezwaar gemaakt tegen de inhouding van de Zvw-bijdrage op zijn pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW). Bij besluit van 28 maart 2008 heeft de Raad van Bestuur van de SVB dit bezwaar ongegrond verklaard, waarna eiser beroep heeft ingesteld (geregistreerd onder nummer 08/1759).

Verweerder heeft bij brief van 18 december 2006 aan eiser meegedeeld dat hij met toepassing van EG-Verordening 1408/71 recht heeft op medische zorg in zijn woonland Spanje ten laste van Nederland. Op grond van artikel 69 van de Zvw is eiser hiervoor een bijdrage verschuldigd aan het CVZ.

Verweerder heeft het daartegen door eiser gemaakte bezwaar niet ontvankelijk verklaard.

Het door eiser hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank bij uitspraak van 15 april 2008, procedurenummer AWB 07/3033, gegrond verklaard. Daarbij is verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen.

Bij besluit van 30 mei 2008 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 08/2700.

Procesverloop beroep eiser [eiser 3]

Bij brief van 10 januari 2007 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 januari 2007 recht heeft op medische zorg in zijn woonland Frankrijk ten laste van Nederland door toepassing van EG-Verordening 1408/71. Op grond van artikel 69 van de Zvw is eiser hiervoor een bijdrage verschuldigd aan het CVZ.

Tegen deze vaststelling heeft eiser bezwaar gemaakt. Op 15 augustus 2007 heeft eiser beroep ingesteld, omdat hij nog geen beslissing op zijn bezwaar van verweerder had mogen ontvangen (geregistreerd onder nr. 07/3387). Verweerder heeft eisers bezwaar vervolgens bij besluit van 4 september 2007 niet ontvankelijk verklaard. Nu dit besluit niet tegemoet komt aan het bezwaar van eiser, heeft de rechtbank het reeds door eiser ingestelde beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede gericht geacht tegen het besluit van 4 september 2007.

Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 15 april 2008 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN: BF0121) heeft verweerder aanleiding gezien op 8 september 2008 een nieuw besluit op bezwaar te nemen en het bezwaar van eiser ongegrond te verklaren.

Waar ook dit besluit niet tegemoet komt aan het bezwaar van eiser, acht de rechtbank met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb het beroep van eiser mede gericht tegen het besluit van 8 september 2008.

Nu niet is gebleken dat eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en tegen het besluit van 4 september 2007, zal de rechtbank deze onderdelen van het beroep vanwege het ontbreken van procesbelang niet ontvankelijk verklaren. Het door eiser reeds betaalde griffierecht wordt geacht te zijn voldaan voor de verdere behandeling van het beroep tegen het besluit van 8 september 2008.

Procesverloop beroep eiser Van [eiser 4]

Bij brief van 4 januari 2006 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij door de invoering van de Zvw met ingang van 1 januari 2006 recht heeft op medische zorg in zijn woonland Frankrijk ten laste van Nederland door toepassing van EG-Verordening 1408/71. Op grond van artikel 69 van de Zvw is eiser hiervoor een bijdrage verschuldigd aan het CVZ.

Verweerder heeft het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar bij besluit van 19 juni 2007 niet ontvankelijk verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 07/2843.

Naar aanleiding van de uitspraak van deze rechtbank van 15 april 2008 (LJN: BF0121) heeft verweerder aanleiding gezien op 10 september 2008 een nieuw besluit op bezwaar te nemen en de bezwaren van eiser ongegrond te verklaren.

Eiser Van [eiser 4] heeft medegedeeld het niet wenselijk te achten dat de rechtbank zijn beroep mede gericht acht tegen het besluit op bezwaar van 10 september 2008. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt (voorzover hier van belang) het volgende. Indien een bestuursorgaan een wijzigingsbesluit heeft genomen, wordt het bezwaar of beroep geacht mede te zijn gericht tegen het nieuwe besluit, tenzij dat besluit aan het bezwaar of beroep geheel tegemoet komt.

Het besluit van 10 september 2008 is een besluit tot wijziging van het besluit op bezwaar van 19 juni 2007. Nu het besluit van 10 september 2008 niet aan eisers bezwaar tegemoet komt, dient de rechtbank dit besluit op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mee te nemen in de reeds door eiser aanhangig gemaakte procedure over het besluit van 19 juni 2007. Gelet hierop heeft de rechtbank tevens de reactie van eiser bij brief van 15 september 2008 in de oordeelsvorming betrokken.

Waar niet is gebleken dat eiser belang heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 19 juni 2007, zal de rechtbank het beroep vanwege het ontbreken van procesbelang in zoverre niet ontvankelijk verklaren. Het door eiser reeds betaalde griffierecht wordt geacht te zijn voldaan voor de verdere behandeling van het beroep tegen het besluit van 10 september 2008.

Procesverloop beroep eiser [eiser 5]

Eiser heeft op 10 augustus 2006 bezwaar gemaakt tegen het niet eerder dan per 1 januari 2006 toepassen van de woonlandfactor en tegen de inhouding van een bijdrage op zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Dit bezwaar heeft verweerder doorgezonden aan het UWV. Bij besluit van 27 oktober 2006 heeft de Raad van bestuur van het UWV de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft op 15 november 2006 een beroepschrift van eiser ontvangen gericht tegen dit besluit. Dit beroep is geregistreerd onder nummer 06/5524.

Op 18 oktober 2007 is het beroep ter zitting van de enkelvoudige kamer behandeld. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

2. Overwegingen ten aanzien van de gronden van het beroep

A Verbindendheid van artikel 69 van de Zvw

In artikel 69 van de Zvw is – voor zover van belang – het volgende bepaald:

1. In het buitenland wonende personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan, zoals voorzien in de wetgeving over de verzekering voor zorg van hun woonland, melden zich, tenzij zij op grond van deze wet verzekeringsplichtig zijn, bij het College zorgverzekeringen aan.

Eisers hebben aangevoerd dat artikel 69 Zvw te ruim van opzet is. Het artikel bevat geen onderscheidend criterium om te kunnen vaststellen dat een in het buitenland wonende Nederlands gepensioneerde met een Nederlands pensioen wèl, maar een in het buitenland wonende niet-Nederlands gepensioneerde met een buitenlands pensioen niet onder de werking van het artikel valt. Hiermee ontaardt iedere toepassing van artikel 69 in willekeur, aldus eisers.

De rechtbank stelt voorop dat (artikel 69 van) de Zvw een wet in formele zin is en dat rechterlijke toetsing van een wet in formele zin aan de Grondwet en aan ongeschreven algemene rechtsbeginselen niet is toegestaan.

Voorts is niet in geschil dat, gelet op de redactie van artikel 69 Zwv, de bepaling op eisers van toepassing is. De stelling van eisers dat de redactie van artikel 69 Zvw onduidelijk is, kan reeds hierom geen doel treffen.

Eisers stellen voorts dat de Lid-Staten niet het recht hebben zelf de territoriale werkingssfeer van hun wetgeving te bepalen, omdat het EG-recht daaraan grenzen stelt. Eisers voeren in dit verband aan dat de Verordening, mede gelet op artikel 249 van het EG Verdrag (Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap van 25 maart 1957, Trb.1957, 91) een uitputtende regeling is, waarmee artikel 69 van de Zvw in strijd is.

De rechtbank kan eisers hierin evenmin volgen. In artikel 69, eerste lid, van de Zvw worden uitdrukkelijk en alleen genoemd “personen die met toepassing van een Verordening van de Raad van de Europese Gemeenschappen dan wel toepassing van zodanige verordening krachtens de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte of een verdrag inzake sociale zekerheid in geval van behoefte aan zorg recht hebben op zorg of vergoeding van de kosten daarvan”.

De rechtbank kan gelet op deze passage niet tot het oordeel komen dat artikel 69 van de Zvw onverbindend zou zijn vanwege strijd met rechtstreeks werkend gemeenschapsrecht, waaronder Verordening 1408/71 (hierna: de Verordening) of een andere rechtstreeks werkende bepaling van internationaal recht.

De rechtbank is voorts, mede gelet op hetgeen hieronder nader zal worden overwogen, niet van oordeel dat de Zvw, in het bijzonder artikel 69 van de Zvw, op andere onderdelen in strijd zou zijn met de Verordening of ander rechtstreeks werkend gemeenschapsrecht of andere internationaalrechtelijke bepalingen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om artikel 69 van de Zvw buiten toepassing te laten.

B Artikel 10 van de Verordening

In artikel 10 van de Verordening is -voor zover van belang- neergelegd, dat tenzij in deze Verordening anders is bepaald, uitkeringen bij invaliditeit en ouderdom, verkregen op grond van een wettelijke regeling van één of meer lidstaten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere lidstaat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

Eisers hebben aangevoerd dat de inhoudingen op hun uitkeringen in strijd zijn met artikel 10 van de Verordening, welk artikel de door eisers verworven rechten ten aanzien van de hoogte van hun uitkering waarborgt.

De rechtbank is van oordeel dat de pensioenrechten van eisers niet worden aangetast door de bestreden besluiten. In casu gaat het niet om vermindering of wijziging van de aan eisers verleende ouderdomsuitkeringen, maar om een verhoging van inhouding in verband met de wettelijke zorgverzekering. Op deze situatie heeft artikel 10 van de Verordening geen betrekking. Het beroep van eisers op artikel 10 van de Verordening slaagt reeds hierom niet.

C Artikel 13, tweede lid, sub f, van de Verordening

Ingevolge het bepaalde in artikel 13, tweede lid, aanhef en sub f, van de Verordening is (onder voorbehoud van de artikelen 14 tot en met 17) op degene die ophoudt onderworpen te zijn aan de wettelijke regelingen van een lidstaat, zonder dat hij op grond van de regels in de Verordening aan de wettelijke regels van een andere lidstaat wordt onderworpen, de wettelijke regeling van de lidstaat waar de betrokkene woont van toepassing, overeenkomstig de bepalingen van deze wettelijke regeling alleen.

Eisers zijn van mening dat met artikel 13, tweede lid, sub f, van de Verordening is vast komen te staan dat op hen de wetgeving van het woonland van toepassing is, aangezien zij allen reeds vóór de inwerkingtreding van de Zvw buiten Nederland woonden, waardoor zij niet langer aan de Nederlandse wetgeving onderworpen waren. Artikel 13 heeft exclusieve werking en wijst één land aan, aldus eisers.

Met eisers is de rechtbank van oordeel dat artikel 13, tweede lid, sub f, van de Verordening bepaalt dat de wettelijke regeling van hun woonland van toepassing is. De rechtbank verbindt hieraan echter, mede gelet op artikel 28 van de Verordening, niet de conclusie dat artikel 69 van de Zvw niet op eisers van toepassing is.

D Artikel 28 van de Verordening

Artikel 28 van de Verordening ziet op rechthebbenden op pensioenen of renten, verschuldigd op grond van de wettelijke regelingen van een of meer Lid-Staten, terwijl in het land van de woonplaats geen recht op prestaties bestaat, en luidt als volgt.

1. De rechthebbende op een pensioen of rente verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat, of op pensioenen of renten verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die geen recht op prestaties heeft op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, heeft niettemin zelf, evenals zijn gezinsleden, recht op deze prestaties, voorzover hij op grond van de wettelijke regeling van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat, of van ten minste één van de voor deze verzekering bevoegde Lid-Staten, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage VI recht op prestaties zou hebben, indien hij op het grondgebied van de betrokken Staat woonde. (…)

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen komen de verstrekkingen voor rekening van het overeenkomstig de volgende regels vastgestelde orgaan:

a) indien de rechthebbende krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat recht op bedoelde verstrekkingen heeft, komen deze voor rekening van het bevoegde orgaan van deze Staat; (…)

Gelet op het feit dat de Zvw en de AWBZ een ingezetenenstelsel kennen, zouden eisers recht op prestaties hebben indien zij in Nederland woonden. Daarmee is aan het criterium van artikel 28, eerste lid van de Verordening voldaan. Dat eisers feitelijk dat recht niet kunnen effectueren omdat zij niet in Nederland wonen, is niet van belang.

Eisers hebben gesteld dat artikel 28 van de Verordening een ander onderwerp betreft dan artikel 13 van de Verordening. De stelling van verweerder dat artikel 28 als lex specialis derogeert aan artikel 13 van de Verordening, is daarom niet juist, aldus eisers.

Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) (zie bijv. de arresten Jordens-Vosters van 10 januari 1980, C69/79 en Van der Duin van 3 juli 2003 C156/01, gepubliceerd onder nr. LJN: AH9169) bevat artikel 28 van de Verordening in wezen (cursivering van de rechtbank) enkel een conflictregel om in het geval van pensioen- of rentetrekkers die in een andere lidstaat wonen dan de lidstaat die het pensioen of de rente verschuldigd is, uit te kunnen maken welk orgaan de in dat artikel bedoelde prestaties moet verlenen en welke wetgeving toepasselijk is. Met name in deze laatste toevoeging (welke wetgeving toepasselijk is), kan steun worden gevonden voor verweerders stellingname dat artikel 28 in wezen wel degelijk voorziet in het zelfde onderwerp als artikel 13 van de Verordening.

In het verlengde daarvan is artikel 28 te beschouwen als een lex specialis ten opzichte van artikel 13 van de Verordening.

Eisers hebben ook naar voren gebracht dat op grond van het tweede lid van artikel 28 van de Verordening verstrekkingen alleen voor rekening van de voor de pensioenverzekering bevoegde Lid-Staat komen indien de rechthebbende recht (cursivering van de rechtbank) op bedoelde verstrekkingen heeft.

Naar eisers hebben betoogd moet het daarbij gaan om een daadwerkelijk te effectueren recht. Waar de Zvw sinds 1 januari 2006 buiten Nederland geen aanspraak geeft op verstrekkingen, is niet voldaan aan het vereiste van artikel 28, tweede lid van de Verordening, aldus eisers.

De rechtbank volgt eisers hierin niet. De term ‘recht’ in het tweede lid van artikel 28 heeft betrekking op het recht op verstrekkingen als bedoeld in het eerste lid van datzelfde artikel; een recht dus dat ontstaat wanneer wordt voldaan aan het in het eerste lid opgenomen criterium.

In de door eisers voorgestane uitleg wordt niet alleen over het hoofd gezien dat het tweede lid onderdeel uitmaakt van hetzelfde artikel 28 en bovendien onmiddellijk volgt op het eerste, maar ook dat in het tweede lid uitdrukkelijk wordt terugverwezen naar lid 1.

Dat eisers zelf van een dergelijk recht op prestaties niet gediend zijn, maar een eigen arrangement wensen te treffen, doet aan het voorgaande niet af. Onder verwijzing naar de uitspraak van 31 januari 2008 (geregistreerd onder nummer LJN: BC3432) overweegt de rechtbank dat artikel 28 van de Verordening een (wettelijk) recht op prestaties schept dat niet afhangt van de voorkeur of de wensen van betrokkenen.

De rechtbank is voorts nog van oordeel dat het in artikel 69 van de Zvw neergelegde criterium dat betrokkenen zich bij het CVZ dienen te melden, niet in strijd is met artikel 28 van de Verordening.

Het vorenstaande voert tot de conclusie dat op grond van artikel 28 van de Verordening de wetgeving van het woonland op eisers van toepassing is en dat de daar bevoegde organen zijn aangewezen om de prestaties te verstrekken. Gelet op het tweede lid van artikel 28 betekent dit voorts dat de verstrekkingen voor rekening van verweerder komen.

Artikel 69 van de Zvw sluit daar geheel op aan.

E Artikel 29 van Verordening (EEG) 574/72

Artikel 29 van Verordening (EEG) 574/72 tot vaststelling van de w?ze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (hierna ook: de Toepassingsverordening), luidt – voor zover relevant – als volgt:

Verstrekkingen aan pensioen- of rentetrekkers en aan hun gezinsleden die hun woonplaats niet hebben in een Lid-Staat krachtens de wettel?ke regeling waarvan z? een pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben

1. Om op het grondgebied van de Lid-Staat waar h? woont in aanmerking te komen voor verstrekkingen krachtens artikel 28, eerste lid, en artikel 28 bis van de Verordening, is de pensioen- of rentetrekker verplicht zich en z?n in dezelfde lidstaat wonende gezinsleden te doen inschr?ven b? het orgaan van de woonplaats, onder overlegging van een verklaring waarin wordt bevestigd dat h? krachtens de wettel?ke regeling of krachtens één der wettel?ke regelingen op grond waarvan een pensioen of rente verschuldigd is, voor zich zelf en voor z?n gezinsleden recht op genoemde verstrekkingen heeft.

Eisers zijn de mening toegedaan dat indien zij zich niet overeenkomstig artikel 29 van de Toepassingsverordening inschrijven bij het orgaan van hun woonplaats, daarmee artikel 28 van de Verordening niet toepasselijk is.

Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen in haar uitspraak van 31 januari 2008 (LJN: BC3432) wordt in de tekst van artikel 29, eerste lid, van de Toepassingsverordening uitsluitend gesproken van het in aanmerking komen voor verstrekkingen. Niet wordt gesproken van het al dan niet hebben van een recht op keuze voor een bepaald ziektekosten(verzekerings)stelsel, noch over een voorwaarde vooraf voor toepasselijkheid van artikel 28 van de Verordening. Dat het niet gaat om een dergelijke voorwaarde vooraf, is overigens ook in lijn met de naam en de considerans van de Toepassingsverordening, waaruit blijkt dat deze dient ter uitwerking en toepassing van de Verordening (en niet tot wijziging of aanpassing daarvan).

Naar aanleiding van hetgeen door eisers is aangevoerd, voegt de rechtbank hier nog aan toe dat de vraag of er sprake is van een recht, een andere vraag is dan die naar effectuering daarvan. Dat een recht niet wordt geëffectueerd, wil niet zeggen dat het niet bestaat.

F Artikel 33, eerste lid, van de Verordening

In dit artikel is neergelegd dat het orgaan van een Lid-Staat dat een pensioen of rente verschuldigd is en dat een wettelijke regeling toepast waarin is bepaald, dat voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken, gemachtigd is deze bedragen, berekend overeenkomstig de betrokken wettelijke regeling, in te houden op het pensioen of de rente welke dit orgaan verschuldigd is, voorzover de prestaties krachtens de artikelen 27, 28, 28 bis, 29, 31 en 32 van de Verordening voor rekening van een orgaan van bedoelde Lid-Staat komen.

Eisers zijn van mening dat gelet op het feit dat er in hun situatie geen sprake is van kosten van geleverde prestaties, omdat zij zich niet hebben ingeschreven en geen gebruik van de prestaties hebben gemaakt, er geen grondslag is om premies op hun pensioenen in te houden.

Naar het oordeel van de rechtbank valt uit artikel 33 van de Verordening niet af te leiden dat de nationale wetgever uitsluitend bevoegd is om reëel gemaakte kosten in te houden. Artikel 33 stelt alleen als vereiste dat een nationale regeling dient te bestaan, op grond waarvan voor rekening van een pensioen of rentetrekker bijdragen of premies worden ingehouden om de kosten van de prestaties bij ziekte en moederschap te dekken. Niet is in artikel 33 bepaald dat het dient te gaan om op individuele basis te verrekenen kosten of dat het moet gaan om een berekening van reële kosten. De nationale wetgever is derhalve bevoegd dergelijke regelingen te treffen. De rechtbank ziet ook op dit punt geen aanleiding om te oordelen dat de Zvw buiten toepassing zou moeten worden gelaten.

Naar aanleiding van het beroep dat is gedaan op het arrest van het Hof van 28 maart 1985 inzake de Commissie vs België (zaak 275/83), overweegt de rechtbank dat daarin een andere situatie aan de orde was dan die van eisers. In dat arrest betrof het de inhouding van bijdragen of premies in de situatie dat de betrokken prestaties niet voor rekening van de betrokken Lid-Staat (daar: België) kwamen. In casu komen de in een andere Lid-Staat geleverde prestaties wel voor rekening van Nederland.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de uitspraak van 31 januari 2008 (LJN BC3432) waarin is overwogen dat eisers aan hun woonland geen bijdrage voor de ziektekosten verschuldigd zijn en hun aan Nederland verschuldigde bijdrage door middel van toepassing van een woonlandfactor wordt gerelateerd aan het verstrekkingenniveau in het woonland. Bij de vaststelling van de woonlandfactor is door de wetgever gekozen voor een bepaalde systematiek, waaraan argumenten van zowel uitvoerings- als verzekeringstechnische aard ten grondslag liggen. Het is de rechtbank niet gebleken dat de wetgever daarmee de hem toegemeten vrijheid tot afweging en keuze heeft overschreden.

G Artikel 95, eerste en tweede lid, van de Toepassingsverordening

In dit artikel is -voorzover relevant- het volgende bepaald.

Vergoeding van de verstrekkingen van de ziekte- en moederschapsverzekering, die zijn verleend aan pensioen- of rentetrekkers en hun gezinsleden die hun woonplaats niet hebben in een lidstaat krachtens de wettelijke regeling waarvan zij een pensioen of rente genieten en recht op prestaties hebben

1. het bedrag van de krachtens de artikelen 28, lid 1, en 28 bis, van de Verordening verleende verstrekkingen wordt door de bevoegde organen vergoed aan de organen die genoemde verstrekkingen hebben verleend, op basis van een vast bedrag dat het bedrag van de werkelijke uitgaven zo dicht mogelijk benadert.

2. het vaste bedrag wordt verkregen door de gemiddelde jaarlijkse kosten per pensioen- of rentetrekker te vermenigvuldigen met het gemiddelde jaarlijkse aantal pensioen- of rentetrekkers waarmede rekening moet worden gehouden en de uitkomst daarvan met 20% te verminderen.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 95 van de Toepassingsverordening eens te meer blijkt dat er niet gedeclareerd mag worden door middel van inhoudingen op hun pensioenen als er geen sprake is van feitelijk gemaakte kosten.

Ten aanzien van de verhouding tussen de Toepassingsverordening en de Verordening verwijst de rechtbank terug naar hetgeen hiervóór onder artikel 29 van de Toepassingsverordening is overwogen. Dat leidt ertoe dat de omstandigheid dat in artikel 95 wordt gesproken van verleende verstrekkingen, niet maakt dat het werken met berekende bedragen niet is toegestaan.

Waar het betreft de berekening verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervóór is overwogen onder artikel 33 van de Verordening.

Met betrekking tot het beroep van eisers op het tweede lid van artikel 95 van de Toepassingsverordening verwijst de rechtbank wederom naar haar uitspraak van 31 januari 2008 (LJN BC3432), waarin is overwogen dat er voor de rechtbank geen reden is om te oordelen dat de wetgever niet in redelijkheid tot de Regeling zorgverzekering heeft kunnen komen.

H Artikel 249 van het Verdrag en artikel 10 van de Verordening

In artikel 249 van het EG-Verdrag is -voorzover hier van belang- het volgende bepaald:

Voor de vervulling van hun taak en onder de in dit Verdrag vervatte voorwaarden stellen het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, de Raad en de Commissie verordeningen en richtlijnen vast, geven zij beschikkingen en brengen zij aanbevelingen of adviezen uit. Een verordening heeft een algemene strekking. Zij is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Zoals hiervóór is overwogen bieden de artikelen 28 en 33 van de Verordening uitdrukkelijk grondslag voor het aanmerken van eisers als ‘verdragsgerechtigd’ en voor het heffen en inhouden van een Zvw-bijdrage. Het beroep op artikel 249 van het EG-Verdrag slaagt daarom niet.

Waar de artikelen 28 en 33 van de Verordening uitdrukkelijk grondslag bieden voor inhouding van een Zvw-bijdrage, is er nog een reden waarom het beroep op artikel 10 van de Verordening eisers niet baat. De garantie van dat artikel 10 geldt blijkens de tekst ervan immers uitdrukkelijk niet in de gevallen dat in de Verordening anders is bepaald.

I Beroepsgronden in specifieke dossiers

Met betrekking tot de meer specifieke beroepsgronden van de diverse eisers overweegt de rechtbank als volgt.

Eiser [eiser 2] heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaak met nummer 08/1759 de SVB zijn aldaar ingediende bezwaarschrift had moeten doorzenden naar verweerder, aangezien niet de SVB, maar verweerder bevoegd was op het bezwaar te beslissen.

Hij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de rechtbank van 31 januari 2008, geregistreerd onder nummer LJN: BC3427.

De rechtbank stelt voorop dat, anders dan in de situatie die op 31 januari 2008 is berecht, in casu geen sprake is van een doorzending ten onrechte, maar van een gesteld ten onrechte achterwege laten van die doorzending.

In casu bestond op grond van artikel 6:15 van de Awb voor de SVB geen doorzendplicht, aangezien de SVB een bevoegdheid had ten aanzien van het bezwaar van eiser tegen de inhouding van de bijdrage op zijn AOW pensioen. De rechtbank verwijst in dit kader naar hetgeen hierover is overwogen in laatstgenoemde uitspraak van deze rechtbank van 31 januari 2008 vanaf punt 2.14.

Ook overigens is er geen reden om gevolgen te verbinden aan het achterwege blijven van de doorzending. Daarbij wijst de rechtbank erop dat verweerder heeft beslist ten aanzien van het jaar 2006; het jaar waarop eisers bezwaar bij de SVB ook betrekking had.

Eiser [eiser 2] heeft in de zaak met nummer 08/2700 nog aangevoerd dat het bestreden besluit niet voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij heeft hij er met name op gewezen dat de rechtbank in de uitspraak van 15 april 2008 (geregistreerd onder nummer LJN: BF0121) heeft overwogen dat er geen aanleiding was tot een finale beslechting van het geschil, omdat door eiser [eiser 2] argumenten waren aangedragen die in de eerdere uitspraken van de rechtbank van 31 januari 2008 niet aan de orde waren gesteld. Op die argumenten wordt in het bestreden besluit ten onrechte niet ingegaan, aldus eiser [eiser 2].

De rechtbank volgt eiser [eiser 2] ook niet in dit betoog. Daartoe stelt de rechtbank voorop dat het bestreden besluit voldoende deugdelijk is gemotiveerd. Voorzover in de motivering van het bestreden besluit niet is ingegaan op alle bezwaren van eiser [eiser 2], overweegt de rechtbank dat het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegde motiveringsvereiste niet zover strekt dat op alle bezwaargronden van een belanghebbende moet worden ingegaan.

De rechtbank wijst er verder op dat in de uitspraak van 15 april 2008 (LJN: BF0121) verweerder niet is opgedragen in het nieuw te nemen besluit op bezwaar alsnog op alle bezwaren van eiser in te gaan, maar dat slechts is overwogen dat er voor de rechtbank geen aanleiding bestond tot een finale afdoening van het geschil bij gebreke aan een inhoudelijke stellingname van verweerder op die bezwaren.

Eiser [eiser 1] heeft ter zitting verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld om een nadere reactie te kunnen geven op het aanvullend verweerschrift van 8 september 2008. Dit aanvullend verweer heeft eiser niet voor zijn vertrek naar Nederland bereikt, waardoor hij zich hierop niet heeft kunnen voorbereiden.

De rechtbank wijst dit verzoek af. De rechtbank acht hiervoor van belang dat het stuk tijdig door verweerder is verzonden. Voorts overweegt de rechtbank dat in het aanvullend verweerschrift geen nieuwe feiten worden genoemd, maar dat daarin wordt ingegaan op door de rechtbank ambtshalve te beantwoorden rechtsvragen, waarop eiser bovendien op zitting heeft kunnen reageren. Daarbij komt dat mede-eiser [eiser 2] ter zitting uitvoerig heeft gereageerd op het nadere verweer van verweerder, bij welke argumenten eiser [eiser 1] zich heeft aangesloten en welke argumenten (eens te meer vanwege de gevoegde behandeling) zijn meegewogen in het beroep van eiser.

In de zaak met nummer 07/1458 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de brief van verweerder van juni 2006 (hierna: de junibrief) waarin is meegedeeld dat op de door eiser verschuldigde bijdrage ingevolge de Zvw de woonlandfactor zal worden toegepast. Verweerder heeft het bezwaar daartegen ongegrond verklaard. Ter zitting heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het bezwaar, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 25 april 2007 (gepubliceerd onder nummer LJN: BA3744), niet ontvankelijk had dienen te worden verklaard, omdat de junibrief geen op rechtsgevolg gericht besluit bevatte. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

In de junibrief wordt medegedeeld welk woonland voor eiser geldt en welke factor op eiser van toepassing is. Anders dan verweerder heeft gesteld, is de rechtbank van oordeel dat het in deze brief niet om een schets van de mogelijke gevolgen van de wijziging van de regeling zorgverzekering gaat, maar om een concrete mededeling over welke woonlandfactor voor eiser van toepassing is. Ondanks dat de toepasselijkheid van de woonlandfactor uit de wet voortvloeit, is de rechtbank van oordeel dat met de junibrief sprake is van een besluit. In die brief is duidelijk sprake van individualisering. Voorts zou bij een eventueel onjuiste vaststelling door verweerder van de toepasselijke woonlandfactor de junibrief de aangewezen grondslag zijn voor het maken van bezwaar daartegen. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat de junibrief het eerste bericht aan de betrokkene is waarin wordt gesproken van de woonlandfactor, en dat die factor in de loop van 2006 met terugwerkende kracht is ingevoerd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard. Mede gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van alle beroepen is overwogen, zal de rechtbank het beroep van eiser [eiser 1] in de zaak 07/1458 ongegrond verklaren.

In de zaak met nummer 07/4364, heeft eiser [eiser 1] beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Dat daarvan sprake is wordt door verweerder niet betwist. De rechtbank zal dit beroep gegrond verklaren. In deze zaak wordt op grond van 8:74, eerste lid, van de Awb, het door eiser betaalde griffierecht vergoed.

Op eisers verzoek om vergoeding van zijn reis- en verblijfkosten overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 1, eerste lid, sub c ven het Besluit proceskosten Bestuursrecht is bepaald dat reis- en verblijfkosten vergoed kunnen worden op basis van forfaitair vastgestelde bedragen. Het tarief voor de vergoeding is vastgelegd in artikel 11, eerste lid, sub c, van het Besluit tarieven in strafzaken en bedraagt

€ 0,28 per km reiskosten en € 38,75 per dag aan verblijfkosten met inbegrip van een overnachting.

De voor vergoeding in aanmerking komende kosten kunnen daarmee berekend worden op:

(2 x 1150 km) x € 0.28 = € 644,00

2 nachten x € 38,75 = € 77,50

Totaal € 721,50

Waar slechts één van de drie beroepen van eiser gegrond wordt verklaard, is de rechtbank van oordeel dat slechts een derde deel van de aldus berekende kosten voor vergoeding in aanmerking komt.

Eiser [eiser 3] De rechtbank stelt voorop dat verweerder op goede gronden heeft beslist dat eiser bijdrageplichtig is ingevolge de Zvw. Hoewel is gebleken dat verweerder in het verleden in diverse aan eiser gerichte beslissingen van regime is gewisseld en dat ook in de uitvoering door verweerder fouten zijn gemaakt, en de rechtbank begrip heeft voor hetgeen eiser in dit verband naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank in deze procedure alleen oordelen over het door eiser bestreden besluit.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de door eiser [eiser 3] gedane mededeling met betrekking tot de ten onrechte van de Belastingdienst ontvangen zorgtoeslag en de daaraan gekoppelde plicht tot terugbetaling, in het onderhavige geschil geen doel kan treffen, reeds omdat de Belastingdienst geen partij is in deze procedure.

Het beroep van eiser [eiser 3] zal dan ook ongegrond worden verklaard.

Eiser Van [eiser 4] heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet door verweerder is gehoord, alvorens deze het besluit van 10 september 2008 heeft afgegeven. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 7:2, eerste lid van de Awb is het volgende bepaald: Voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, stelt het belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

Uit het dossier blijkt dat verweerder eiser heeft uitgenodigd voor een hoorzitting op 18 augustus 2008, waarop eiser heeft laten weten in verband met de hoge kosten niet te kunnen verschijnen. Nu vast staat dat eiser in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren tijdens een hoorzitting toe te lichten, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb.

De rechtbank stelt vast dat een groot deel van de beroepsgronden van eiser reeds in de uitspraak van 31 januari 2008 (LJN: BC3432) alsmede in de algemene overwegingen van deze uitspraak zijn besproken. Aanvullend merkt de rechtbank nog het volgende op.

Eiser Van [eiser 4] heeft zich beklaagd over het gebruik van standaardargumentaties door verweerder ter beantwoording van de diverse door hem aangevoerde bezwaren.

De rechtbank stelt voorop dat het gebruik van standaard argumentaties en -motiveringen niet zonder meer tot gevolg heeft dat sprake zou zijn van schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder gebruik heeft gemaakt van argumenten die op de zaak van eiser geen betrekking hebben, kan niet gezegd worden dat de motivering van het bestreden besluit niet deugdelijk is.

Eiser heeft verder aangevoerd dat gepensioneerden ongelijk behandeld worden ten opzichte van werknemers.

De rechtbank onderschrijft hier de door verweerder gegeven uitleg dat en waarom de zorg voor werknemers ten laste komt van de staat waarvan de wetgeving op de werknemer van toepassing is. Gepensioneerden verkeren feitelijk niet in een vergelijkbare positie. Van een ongeoorloofd onderscheid is daarmee naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Daaraan voegt de rechtbank toe dat een werknemer die onder de wetgeving van het werkland verzekerd is, ook op grond van die wetgeving premie betaalt. Ook de werknemer ondervindt dus financieel nadeel.

Eiser Van [eiser 4] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de Nederlandse overheid zijn particuliere ziektekostenverzekering ten onrechte heeft beëindigd.

Hierover merkt de rechtbank op dat in het tweede lid van artikel 2.5.2. van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet is bepaald dat de dekking van particuliere verzekeringen per 1 januari 2006 vervalt voor dat deel van de verzekering waarvoor vanaf die datum een aanspraak op woonlandzorg bestaat. Voor het overige deel dient de zorgverzekeraar de verzekerde een aangepast pakket aan te bieden. Het is de rechtbank bekend dat er bij de aanvang van de Zorgverzekeringswet uitvoeringsproblemen ten aanzien van genoemd artikel zijn geweest. Dit kan echter geen onderwerp zijn van het onderhavige geding, waarin de zorgverzekeraar geen partij is.

Ten aanzien van het beroep van eiser op Verordening 883/2004 volgt de rechtbank het standpunt van verweerder. Deze Verordening is nog niet van kracht. Reeds daarom kan de beroepsgrond van eiser geen doel treffen.

Eiser [eiser 5] heeft zijn beroep gericht tegen het besluit van 15 november 2006, waarin is aangegeven dat de woonlandfactor niet met verdere terugwerkende kracht dan tot 1 januari 2006 kan worden toegepast. Dit besluit ziet daarmee op de situatie van zowel voor als na 1 januari 2006. Ook het standpunt van eiser dat er geen wettelijke basis bestaat voor inhouding van premie op zijn uitkering, ziet nadrukkelijk op de beide situaties.

Onder de gedingstukken bevindt zich een besluit op bezwaar van het UWV van 18 december 2007, over de inhoudingen op de uitkering van eiser ten behoeve van de Zvw. Nu hiertegen geen rechtsmiddel is aangewend en de rechtsmiddelentermijn is verstreken, is dit besluit in rechte onaantastbaar geworden. Eiser heeft ter zitting ook nadrukkelijk gesteld ervoor te hebben gekozen tegen deze beschikking geen beroep in stellen. Nu bovendien geen sprake is van een besluit dat middels de procedurele regeling van de artikelen 6:18 en 6:19, van de Awb in het onderhavige geding betrokken zou moeten worden, ligt dit besluit in de onderhavige procedure niet ter beoordeling voor.

Voor wat de situatie vanaf 1 januari 2006 betreft verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor is overwogen. Ook het door eiser aangevoerde ten aanzien van de ondervonden problemen met betrekking tot de voortzetting van zijn particuliere ziektekostenverzekering na invoering van de Zvw, is door de rechtbank hiervoor (ten aanzien van eiser Van [eiser 4]) reeds besproken.

Voor de inhoudingen die zijn gedaan op de WAO-uitkering van eiser tot 1 januari 2006 is de wettelijke grondslag naar het oordeel van de rechtbank te vinden in artikel 3, sub 1a, in combinatie met sub 4a, derde streepje, van de Ziekenfondswet (ZFW) en artikel 7 van het op artikel 5, derde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) gebaseerde Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746) (zoals deze bepalingen luidden tot 1 januari 2006), al dan niet in samenhang bezien met de artikelen 28 en 33 van de Verordening. Van een ontbrekende wettelijke grondslag is dus geen sprake.

Waar het betreft de situatie voor 1 januari 2006, verwijst de rechtbank verder naar haar uitspraak van 30 augustus 2008 (registratienummer LJN: BB6263) waarin is geoordeeld dat de woonlandfactor geen verdere terugwerkende kracht heeft dan tot 1 januari 2006. De Zvw, waarop deze factor is gebaseerd, is eerst op die datum in werking getreden. Vóór die datum is er geen regeling aan te wijzen die noopt tot toepassing van enige woonlandfactor. Er bestond zelfs geen regeling die betrekking had op de heffing van een bijdrage specifiek van in het buitenland verblijvende pensioen- of uitkeringsgerechtigden. De inhoudingen die op het pensioen of de uitkering plaatsvonden waren dezelfde als die bij in Nederland wonende pensioen- of uitkeringsgerechtigden.

Eiser [eiser 5] heeft eerst ter zitting nog gesteld dat zijn inkomen zich boven de ziekenfondsgrens bevond en dat dus van verplichte verzekering tot aan 1 januari 2006 geen sprake was. Die stellingname heeft hij echter op geen enkele wijze onderbouwd. Uit de gedingstukken komt de juistheid ervan ook niet direct naar voren. Verweerder heeft haar bovendien betwist bij gebrek aan wetenschap. Onder deze omstandigheden moet deze stellingname voor onjuist worden gehouden.

Conclusie

Het vorenstaande voert tot de slotsom dat eisers in hun beroepen, voorzover die ontvankelijk zijn, in het ongelijk moeten worden gesteld. De beroepen, met uitzondering van het derde beroep van eiser [eiser 1], zullen ongegrond worden verklaard.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep onder nr. 07/2843 niet ontvankelijk voor zover gericht tegen het besluit van 19 juni 2007. Voor het overige verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

- verklaart het beroep onder nr. 07/3387 niet ontvankelijk, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar, en voor zover gericht tegen het besluit van 4 september 2007. Voor het overige verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

- verklaart de beroepen onder nrs 07/1458, 08/1356, 08/1759, 08/2700, 06/5524 ongegrond;

- verklaart het beroep onder nr 07/4364 gegrond;

- vernietigt het met een besluit gelijkgestelde niet tijdige beslissen op het bezwaar;

- bepaalt dat het College voor Zorgverzekeringen het griffiegeld ten bedrage van € 39,00 aan eiser [eiser 1] dient te vergoeden;

- veroordeelt het College voor Zorgverzekeringen in de proceskosten van eiser [eiser 1] ten bedrage van € 238,00.

Deze uitspraak is gedaan op 17 december 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mrs. M.T. Boerlage en N.M. van Waterschoot, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B