Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG7855

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-12-2008
Datum publicatie
19-12-2008
Zaaknummer
13/437182-08 en 13/410190-05 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Georganiseerde cocaïnehandel door verdachten uit Diamantbuurt. Onderzoek gestart naar aanleiding van overlast in de omgeving van de Van Woustraat, waarbij bleek dat ook sprake was van een bezorgdienst van cocaïne. Rechtbank oordeelt dat start van het onderzoek rechtmatig is geweest. Bewijs dat verdachten betrokken geweest zijn kan worden gebaseerd op de afgeluisterde telefoongesprekken en de daarop gebaseerde stemherkenningen door politie-ambtenaren. Rechtbank veroordeelt vijf van de zes verdachten ook voor het deelnemen aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/437182-08 en [nummer] (TUL)

Datum uitspraak: 19 december 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres], gedetineerd in het Huis van Bewaring

“Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 18 augustus 2008, 25 september 2008, 4 en 5 december 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

1.

hij op een of meer tijdtippen gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 tot en met 18 maart 2008 te Amsterdam, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een of meer hoeveelhe(i)d(en) cocaïne en/of MDMA (XTC), in elk geval een hoeveelhe(i)d(en) van een

middel(en) als bedoeld in artikel 1 lid 1 sub d van de Opiumwet en vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Artikel 2/B/C Opiumwet

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2007 t/m 07 april 2008 te Amsterdam en/of Arnhem, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door (onder meer) hem, verdachte en/of [medeverdachte1] en/of [medeverdachte2] en/of [medeverdachte3] en/of [medeverdachte4] en/of [medeverdachte5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het opzettelijk bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van cocaïne en/of MDMA (XTC), bestaande die deelneming hierin dat verdachte:

- (telefonische) contacten legde en/of onderhield met kopers en/of afnemers

van cocaïne en/of MDMA (XTC) en/of met (andere) deelnemers aan de organisatie

en/of;

- cocaïne en/of MDMA (XTC) heeft opgehaald en/of vervoerd en/of afgeleverd en/of;

- informatie en/of aanwijzingen aan (andere) deelnemers aan de organisatie heeft verschaft en/of;

- informatie en/of aanwijzingen van (andere) deelnemers aan de organisatie heeft uitgevoerd en/of;

- opdrachten heeft gegeven tot bepaalde gedragingen van anderen, verband houdende met de handel in cocaïne en/of MDMA (XTC);

Artikel 11a Opiumwet

De dagvaarding is ter terechtzitting gewijzigd. De vordering wijziging telastelegging is in kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bespreking van verweren en waardering van het bewijs

De zaak tegen verdachte is gezamenlijk, doch niet gevoegd, behandeld met de zaken tegen medeverdachten [medeverdachte1], [medeverdachte5], [medeverdachte4], [medeverdachte2] en [medeverdachte3].

De raadslieden van de onderscheiden verdachten hebben diverse verweren gevoerd die de rechtbank hierna – en voor zover het betreft een niet door de raadsman of raadsvrouw van de betreffende verdachte gevoerd verweer ambtshalve – zal bespreken in een voor alle verdachten eendere overweging.

3.1. De start van het ‘Mayenne’ onderzoek

Door de verdediging van de onderscheiden verdachten is betoogd dat de start van het onderzoek Mayenne onrechtmatig is geweest en dat als gevolg daarvan al het materiaal dat vervolgens is verzameld niet bruikbaar is voor het bewijs. Daartoe is aangevoerd dat de rechter-commissaris ten onrechte tot het verlenen van een tap-machtiging jegens de - thans niet terechtstaande - verdachte [persoon1] is overgegaan. Die machtiging is, zo heeft de verdediging gesteld, gebaseerd op een door de officier van justitie bij zijn tap-vordering aangeleverd proces-verbaal, dat diverse onjuistheden bevat en voorts niet is voorzien van een deugdelijke onderbouwing. Voorts heeft voornoemde vordering betrekking op feiten die reeds langere tijd geleden hadden plaatsgevonden. Daarom kan niet worden gezegd dat sprake was van een spoedeisend belang bij de tap-machtiging. Tot slot is betoogd dat de officier van justitie met de tap-vordering jegens [persoon1] niet het oog had op het ophelderen van de strafbare feiten waar deze van werd verdacht, maar op het in beeld brengen van [verdachte], die door de politie als de leider van de zogenaamde Van Wou-groep werd beschouwd. Zulks heeft meegebracht dat in de onderbouwing van de vordering een te tappen telefoonnummer op misleidende wijze aan [persoon1] is toegeschreven, terwijl dit in werkelijkheid aan [verdachte] toebehoorde.

De rechtbank stelt voorop dat de betwiste tap-machtiging is afgegeven ten laste van [persoon1] en niet ten laste van één van de verdachten in het onderhavige onderzoek. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de verdachten zich in beginsel niet kunnen beroepen op eventuele onregelmatigheden die kleven aan deze tap-machtiging die niet ten laste van henzelf is afgegeven (de zogeheten Schutznorm). Daaraan doet niet af dat de verdachten in het onderzoek zijn betrokken als gevolg van deze tapmachtiging en dat het afluisteren van gesprekken waaraan zij hebben deelgenomen op grond van deze machtiging mede een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. Zulks staat immers los van de vraag of de verdachten een eerlijk proces hebben gekregen, mede hierin bestaande dat zij het op deze wijze vergaarde bewijsmateriaal kunnen toetsen en weerspreken.

Voornoemde Schutznorm geldt niet onverminderd in alle gevallen. In de jurisprudentie van de Hoge Raad zijn uitzonderingen te vinden, te weten gevallen waarin sprake is van - kort gezegd - een zeer ernstige inbreuk op de rechten van de verdachte.

Er moet derhalve sprake zijn van zeer uitzonderlijke omstandigheden die een doorbreking van de Schutznorm kunnen rechtvaardigen, waarbij in het bijzonder moet worden gedacht aan strijd met fundamentele beginselen van het strafprocesrecht.

Toegespitst op de onderhavige casus zal de rechtbank dienen te beoordelen of aannemelijk is geworden dat bewust en derhalve opzettelijk onrechtmatig is getapt op iemand, niet zijnde (een van de) verdachte(n), dan wel wanneer dit niet bewust is gebeurd maar de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot verlening van de tapmachtiging evident onjuist waren, en de resultaten daarvan gebruikt zijn in een onderzoek naar iemand anders, in casu (een van de) verdachte(n). Zulks zou een uitzonderlijke omstandigheid als hiervoor bedoeld kunnen opleveren en zou, afhankelijk van de mate van de opzet om dit te doen en de overige feiten en omstandigheden, gevolgen kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel voor de bewijsvoering.

Alleen wanneer de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is van voornoemde uitzonderlijke omstandigheid, kan worden toegekomen aan hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd met betrekking tot de vraag of de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de onderhavige tap-machtiging had kunnen komen.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende. Een vordering tot aanwending van een opsporingsbevoegdheid is – zeker wanneer het zoals in casu de start van een onderzoek naar het bestaan van een criminele organisatie betreft – gebaseerd op een hypothese, welke met behulp van de aan te wenden opsporingsbevoegdheid onderzocht moet gaan worden. De opsporing heeft tot doel de materiële waarheid aan het licht te brengen, waarbij dus ook kan blijken dat de hypothese die aanleiding voor het onderzoek is geweest, onjuist is geweest. In dat geval wordt de aanwending van de gebezigde opsporingsbevoegdheid niet achteraf onrechtmatig en kan evenmin worden gezegd dat de rechter-commissaris is misleid door deze hypothese aan een vordering ten grondslag te leggen. Voldoende is dat ten tijde van het verlenen van de machtiging een redelijke verdenking van schuld aan het te onderzoeken strafbare feit bestond. Die verdenking behoeft naar het oordeel van de rechtbank voorts niet op alle onderdelen belegd te zijn met processen-verbaal waarin de aan de hypothese ten grondslag gelegde feiten uitdrukkelijk en controleerbaar zijn onderbouwd. Het behoort bovendien tot de discretie van de rechter-commissaris die op de vordering moet beslissen in welke mate hij een onderbouwing verlangt van die vordering.

De rechtbank stelt het volgende vast. Aan de vordering voor de onderhavige tap-machtiging is een proces-verbaal van 9 januari 2007 (de rechtbank leest: 2008) van verbalisant [naam] als onderbouwing gebezigd. Dit proces-verbaal houdt – voor zover hier van belang – een schets in van gedragingen van diverse personen die met name in de Diamantbuurt te Amsterdam overlast veroorzaken door daar op hinderlijke wijze aanwezig te zijn, maar zich ook schuldig zouden maken aan diverse strafbare feiten, in het bijzonder straatroven en auto-inbraken. Daarnaast zouden (sommige van) deze personen – waarvan in het proces-verbaal tevens wordt gesteld dat zij elkaar kennen en een groep vormen – zich schuldig maken aan berovingen die met behulp van een scooter worden uitgevoerd. Het relaas maakt voorts melding van observaties die op deze groep personen zijn uitgevoerd, en houdt tevens in dat bepaalde personen, waaronder voornoemde [persoon1], ervan worden verdacht deel uit te maken van deze groep, die in het proces-verbaal wordt gekenschetst als een mogelijke criminele organisatie en door de politie de Van Woustraatgroep wordt genoemd. Van die groep zouden ook enkele van de thans terecht staande verdachten deel uitmaken.

De vordering tot het verstrekken van een tapmachtiging ten laste van [persoon1] is gegrond op de verdenking dat hij aan diverse misdrijven heeft deelgenomen, waaronder de berovingen, maar ook de verdenking van deelname aan een criminele organisatie.

Het proces-verbaal houdt voorts in dat ten aanzien van drie mobiele telefoonnummers het vermoeden is ontstaan dat deze in gebruik zijn bij deze [persoon1]. Dat vermoeden is ten aanzien van telefoonnummer [nummer1] gegrond op het aantreffen van dat nummer in de mobiele telefoon van [persoon2], onder de vermelding als contact [naam]/M, waarbij de M staat voor mobiel. Genoemde [persoon2] staat te boek als lid van de genoemde Van Woustraatgroep.

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de feiten en omstandigheden zoals hiervoor beschreven niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie opzettelijk de rechter-commissaris heeft misleid door in de onderbouwing van zijn vordering een telefoonnummer van [verdachte] aan [persoon1] toe te schrijven. De politie heeft drie telefoonnummers gevonden die aan [persoon1] zouden kunnen worden toegeschreven, onder andere door zijn connectie met een andere – beweerdelijke – deelnemer aan de te onderzoeken criminele organisatie. Dat die hypothese achteraf onjuist blijkt te zijn doet daaraan niet af, terwijl die veronderstelling gelet op de vastgestelde connectie evenmin evident onjuist of onredelijk genoemd kan worden. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken van misleiding van de rechter-commissaris

Bovenstaande brengt met zich mee dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat de Schutznorm hier niet tegen de verdachten zou mogen worden tegengeworpen

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachten zich niet kunnen beroepen op eventuele onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek tegen [persoon1], meer in het bijzonder tegen hetgeen aan opsporingsresultaat is verkregen uit de tap op [persoon1].

De conclusie is dan ook dat het verweer dat de start van het onderzoek onrechtmatig is geweest wordt verworpen en dat de zich in het dossier bevindende tapresultaten in beginsel bruikbaar zijn voor het bewijs.

3.1.2. De afgegeven tapmachtiging op nummer [nummer2] d.d. 7 maart 2008

Door de verdediging is voorts gesteld dat het proces-verbaal, dat ten grondslag ligt aan de tapvordering die geleid heeft tot de tapmachtiging d.d. 7 maart 2008 op een n.n.-persoon, met betrekking tot het telefoonnummer [nummer2], geantedateerd zou zijn en (mede daardoor) valselijk zou zijn opgemaakt. Hierdoor zou de rechter-commissaris die de tapmachtiging heeft verleend (bewust) zijn misleid.

Daarnaast is gesteld dat, kort samengevat, de rechter-commissaris de tapmachtiging inzake n.n. niet had mogen verlenen omdat niet voldaan zou zijn aan de eisen die de wet stelt in artikel 126m Sv, meer in het bijzonder dat de feiten en omstandigheden genoemd in de vordering van de officier van justitie en het daarbij behorende proces-verbaal onvoldoende zouden zijn om een tapmachtiging te verlenen.

Met inachtneming van hetgeen de rechtbank hiervoor reeds voorop heeft gesteld bij de bespreking van het verweer met betrekking tot de start van het Mayenne-onderzoek en de tapvordering op nummer [nummer1], overweegt zij als volgt.

Op 7 maart 2008 heeft de officier van justitie bij de rechter-commissaris mondeling een vordering gedaan tot het verlenen van een machtiging om telefoonnummer [nummer2] te tappen. Die machtiging is diezelfde dag verleend, waarna terstond is begonnen met tappen. Op 8 maart 2008 is een proces-verbaal opgemaakt door verbalisant [naam], ter onderbouwing van de schriftelijk in te dienen vordering, welke op 10 maart 2008 is gedaan. Het schriftelijke bevel van de officier van justitie om het meergenoemde nummer te tappen is – met terugwerkende kracht tot 7 maart 2008 – gegeven op 10 maart 2008 en verwijst naar het proces-verbaal van 8 maart 2008. Het proces-verbaal houdt onder meer in dat de tap is verzocht op grond van het vermoeden dat [medeverdachte1] gebruik maakt van een zogenaamde werktelefoon, die diende voor het contact met afnemers van cocaïne, en dat het genoemde nummer in gebruik is genomen als een nieuwe werktelefoon, aangezien een bij de politie bekende vaste afnemer van [medeverdachte1] eveneens wordt afgetapt en zo wordt waargenomen dat hij met dit telefoonnummer contact opneemt.

In het proces-verbaal wordt vervolgens een aantal gesprekken en sms-berichten weergegeven die allemaal op 8 maart 2008 zijn opgenomen op de inmiddels getapte lijn.

Als bijlage bij het proces-verbaal is tevens gevoegd een uitdraai van de afgeluisterde gesprekken, waaronder ook de zakelijke weergave van een op 7 maart 2008 gevoerd gesprek, waarbij telefoonnummer [nummer2] wordt gebeld door de al getapte afnemer, en welk gesprek in verhullende taal wordt gevoerd en kennelijk over drugs gaat. Het gespreksverslag houdt voorts in dat wordt vermoed dat dit het nieuwe telefoonnummer van [medeverdachte1] zou kunnen zijn en dat het nummer al een keer eerder tijdens het onderhavige opsporingsonderzoek in beeld is geweest, maar dat de gebruiker toen onbekend is gebleven.

Ook in dit geval is de rechtbank niet gebleken van het bewust of onbewust misleiden van de rechter-commissaris die de onderhavige tapmachtiging heeft verleend noch van feiten en/of omstandigheden die tot gevolg hebben dat de vruchten van de resultaten die zijn voortgevloeid uit het afluisteren van deze telefoon, zo deze al onrechtmatig zouden zijn, gevolgen kunnen hebben voor de resultaten van het nadien gevolgde onderzoek tegen de thans terechtstaande verdachten.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van een geantedeerd of anderszins valselijk opgemaakt proces-verbaal. Niet is gebleken van antedatering. Het is juist dat in het proces-verbaal dat ten grondslag ligt aan de tapvordering melding is gemaakt van resultaten van afgeluisterde telefoongesprekken in de periode gelegen na de (mondeling) verleende tapmachtiging en die hebben plaatsgevonden via het telefoonnummer waarvoor die machtiging ook was afgegeven. Voor de rechter-commissaris was dit echter duidelijk waarneembaar (gezien de datering van deze gesprekken) en de rechtbank ziet niet in waarom deze resultaten niet vermeld mogen worden. Integendeel, dergelijke resultaten geven de rechter-commissaris de meest actuele stand van zaken weer in het opsporingsonderzoek hetgeen de mogelijkheid biedt om (bijvoorbeeld) de periode waarvoor de (mondelinge) tapmachtiging was afgegeven te heroverwegen dan wel een en ander mee te nemen in de oordeelsvorming bij het afgeven van een eventuele verlenging van de tapmachtiging.

Wel dient voor de rechter-commissaris voldoende duidelijk te zijn wat de feiten en omstandigheden waren ten tijde van het moment waarop hij de (mondelinge) tapmachtiging verstrekte. Met andere woorden, de schriftelijke bevestiging van de mondelinge tapvordering moet, wanneer ook andere nieuwe feiten en omstandigheden vermeld worden zoals i.c. resultaten van de reeds verleende tapmachtiging, dienaangaande duidelijk en inzichtelijk onderscheid maken. Dit is naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate gebeurd zodat het voor de rechter-commissaris duidelijk heeft kunnen zijn of er daadwerkelijk sprake is geweest van de hem mondeling voorgehouden informatie op basis waarvan hij eerder (mondeling) machtiging heeft verleend om te tappen.

Bovenstaande brengt ook hier met zich mee dat er geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die tot gevolg hebben dat de Schutznorm hier niet tegen verdachten zou mogen worden tegengeworpen

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachten zich niet kunnen beroepen op eventuele onrechtmatigheden in het opsporingsonderzoek tegen n.n., meer in het bijzonder tegen hetgeen aan opsporingsresultaat is verkregen uit de tap op n.n..

De conclusie is dan ook dat het verweer dat de tap op meergenoemd nummer onrechtmatig is geweest wordt verworpen en dat de zich in het dossier bevindende tapresultaten in beginsel bruikbaar zijn voor het bewijs.

3.2. Bruikbaarheid van stemherkenningen door tolken en verbalisanten

Door de verdediging is voorts betoogd dat de stemherkenningen die blijkens het dossier hebben plaatsgevonden door tolken en verbalisanten, onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten van het bewijs.

3.2.1. Stemherkenning door tolken

Ten aanzien van de herkenningen door tolken Arabisch stelt de verdediging het volgende.

De officier van justitie heeft ter zitting gesteld dat indien in een gesprek in een taal wordt gesproken die de uitluisterende verbalisanten niet machtig zijn, er een tolk wordt ingeschakeld. De verdediging stelt dat in de door haar uitgeluisterde gesprekken in een aantal gevallen blijkt dat slechts in korte delen van door tolken uitgewerkte gesprekken daadwerkelijk Arabisch wordt gesproken en overwegend Nederlands. De verdediging begrijpt voorts dat indien een tolk een gesprek uitluistert, daar geen opsporingsambtenaar bij aanwezig is.

De verdediging stelt bovendien dat uit de geldende richtlijn ‘tolkenbijstand in het opsporingsonderzoek in strafzaken’, niet blijkt dat het tot de taken van een tolk behoort om aan stemherkenning te doen. De verdediging concludeert op grond van het bovenstaande dat alle stemherkenningen ten aanzien waarvan staat geverbaliseerd dat deze zijn gedaan door tolken, wegens onbetrouwbaarheid van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van dit verweer dat het onbesproken kan blijven nu de rechtbank bij de bewijsvoering geen resultaten van getapte gesprekken zal bezigen waarvan uit het dossier blijkt dat stem van de beller of gebelde door een tolk is herkend.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat in zijn algemeenheid heeft te gelden dat stemherkenningen als de hier betwiste met grote behoedzaamheid gebezigd dienen te worden, maar dat daaraan wel ondersteunende bewijswaarde kan worden toegekend.

3.2.2. Stemherkenning door verbalisanten

De verdediging heeft voorts verweer gevoerd betreffende het gebruik van de resultaten van stemherkenningen door verbalisanten. De verdediging stelt dat uit het dossier blijkt dat het toeschrijven van tapgesprekken aan verdachten in het onderzoek soms in het geheel niet en soms onvolledig is onderbouwd. Zo zou verbalisant [naam] de stemmen van [verdachte], [medeverdachte1], [medeverdachte5] en [medeverdachte2] herkennen. Zij verklaart de stem van onder meer [medeverdachte2] te herkennen naar aanleiding van eerder onderschepte telefoongesprekken. Niet wordt vermeld welke gesprekken dit betreffen en op basis van welke conclusie die eerdere gesprekken aan verdachte(n) worden toegeschreven. Voorts blijkt uit het dossier dat verbalisant [naam] stemherkenningen van [verdachte] heeft gebaseerd op eerder gedane stemherkenningen van [verdachte] door onder meer voornoemde [naam], welke gesprekken [naam] heeft uitgeluisterd.

De verdediging stelt dat de herkenningen van verbalisant [naam] niet zijn gebaseerd op eigen referentiemateriaal, hetgeen betekent dat indien de eerdere stemherkenningen onjuist of onbetrouwbaar blijken, aan de door haar daarop gebaseerde herkenningen geen waarde kan worden gehecht. Als voorbeeld van een onvolledige onderbouwing wijst de verdediging voorts op de herkenning van verbalisant [naam] die verklaart de stem van [medeverdachte1] ‘van de straat’ te kennen. Niet vermeld wordt bijvoorbeeld wanneer zij [medeverdachte1] voor het laatst heeft gezien.

De verdediging heeft haar betoog mede gebaseerd op de in het geding gebrachte rapporten van prof. A.P.A. Broeders, deskundige op het gebied van stemherkenning, en heeft op basis van deze stukken een tiental omstandigheden opgesomd die kunnen afdoen aan de betrouwbaarheid van stemherkenningen. Het zich refereren aan mogelijk onzuiver referentiemateriaal alsmede het niet of onvoldoende onderbouwen van een stemherkenning maken van deze opsomming deel uit. Voorts heeft de verdediging jurisprudentie aangehaald inzake stemherkenningen die de stellingen op punten kan bevestigen.

Concluderend stelt de verdediging zich primair op het standpunt dat alle stemherkenningen die niet volgens de regels hebben plaatsgevonden, wegens onbetrouwbaarheid dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair voert de verdediging aan dat deze herkenningen alleen als ondersteunend bewijsmiddel kunnen dienen.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt hiertoe als volgt.

De betrokkenheid van verdachte en een aantal van zijn medeverdachten bij de tenlastegelegde feiten is door de politie mede afgeleid uit getapte of opgenomen telefoongesprekken, waarin verbalisanten de stemmen van deze verdachte(n) (menen te) herkennen.

In de eerste plaats valt noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie af te leiden dat (resultaten van) dergelijke stemherkenningen in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt. Voor een categorische uitsluiting van stemherkenningen van het bewijs ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats is, mede in het licht van de kanttekeningen die professor Broeders heeft geplaatst bij de betrouwbaarheid van dergelijke herkenningen in het algemeen.

De rechtbank is van oordeel dat voor de vraag of bewijswaarde kan worden toegekend aan de resultaten van dergelijke stemherkenningen, rekening gehouden dient te worden met de volgende omstandigheden:

Wordt de stemherkenning ondersteund door andere feiten en omstandigheden of bewijsmiddelen?

De rechtbank heeft uit de stukken van prof. Broeders en uit bestaande jurisprudentie onder meer afgeleid dat het resultaat van een stemherkenning (onder meer) moet worden beoordeeld in het licht van het overige bewijs tegen de verdachte.

Heeft de stemherkenning op ambtseed plaatsgevonden?

Naar het oordeel van de rechtbank draagt een ambtsedig proces-verbaal bij aan de betrouwbaarheid van een stemherkenning.

Betwist de verdachte de stemherkenning en op welke wijze?

De rechtbank acht tevens van belang of de verdachte uitdrukkelijk de tegen hem gerezen verdenkingen heeft ontkend, of gemotiveerd heeft betwist dat hij degene was die aan de aan hem toegeschreven gesprekken deelnam. Vrijwel alle verdachten hebben, hoewel uitdrukkelijk geconfronteerd met de verdenkingen en met de in de ogen van de politie belastende gesprekken, volstaan met een beroep op het zwijgrecht. Enkelen geven aan zich de gesprekken niet te herinneren. Ook ter zitting heeft de verdediging op geen enkele wijze concreet aangegeven waarom de politie zich zou hebben vergist. Er is slechts betoogd dat vanwege het ontbreken van een nadere onderbouwing van de stemherkenning, getwijfeld moet worden aan de betrouwbaarheid daarvan.

Is sprake van stemherkenning door een verbalisant die de persoon die hij meent te herkennen ook daadwerkelijk kent?

Indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord voegt dit iets toe aan de betrouwbaarheid van de herkenning. Voorkomend is het geval dat de verbalisant die de verdachte in het kader van het opsporingsonderzoek heeft verhoord, diens stem in een telefoongesprek herkent.

De mate van zekerheid van de stemherkenning.

Het herkennen van de stem van een verdachte is sterker dan het ‘menen te herkennen’ van een stem van een verdachte. Dat in voorkomende gevallen twijfel wordt geuit ten aanzien van de herkenning van de stem van een verdachte, maakt de bewijswaarde van de resultaten in gevallen van vermelde stemherkenning ‘zonder twijfel’ sterker.

Is er sprake van een stemherkenning door een verbalisant die vanuit zijn opsporingsfunctie de gesprekken uitluistert?

Een verbalisant die betrokken is bij een onderzoek zal beter in staat zijn stemmen te herkennen. Hij is immers gefocust op een beperkt aantal personen en is gedurende een lange periode intensief doende met het uitluisteren van de vele gesprekken die in het kader van het onderzoek zijn opgenomen. Daaruit vloeit voort dat – zeker naarmate de tijd vordert – een verbalisant vertrouwd raakt met de onderscheiden stemmen en beter in staat is de eigenaardigheden daarvan te herkennen.

Alertheid vanwege het doel van stemherkenning.

Voor de rechtbank is van belang dat de stemherkenning steeds gericht is geweest op zowel de beller als de gebelde. Uit het dossier komt namelijk naar voren dat bepaalde (prepaid) telefoonnummers werden gebruikt door meerdere verdachten. Gelet hierop acht de rechtbank het aannemelijk dat verbalisanten extra alert waren op wie de gesprekdeelnemers waren, naast wat de inhoud van de gesprekken betrof. De verbalisanten hadden immers tot doel de gevarieerdheid van het gebruik van een mobiele telefoon in kaart te brengen en waren bedacht op de mogelijkheid dat steeds een andere persoon de afgetapte telefoon zou kunnen beantwoorden.

De hoeveelheid uitgeluisterde gesprekken.

De rechtbank is van oordeel dat de kwantiteit, namelijk het uitluisteren van vele duizenden telefoongesprekken, waarvan in dit onderzoek sprake is geweest, de betrouwbaarheid van de stemherkenningen vergroot.

De rechtbank houdt bij de beslissing of zij de resultaten van stemherkenningen voor het bewijs van kan gebruiken, rekening met bovengenoemde aandachtspunten. De rechtbank zal de bewijskracht van de processen-verbaal van stemherkenning per geval beoordelen.

3.3. Overweging ten aanzien van getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris.

Er is onduidelijkheid ontstaan over de status van een aantal getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris. Op 14 oktober 2008 zijn de getuigen [getuig[getuige1], [[getuige2] en

[getuige3] gehoord door de rechter-commissaris. Op 20 november 2008 zijn de getuigen

[getuige4] en [getuige3] (voor de tweede maal) gehoord. Op 10 november 2008 is de getuige [getuige5] gehoord.

De officier van justitie heeft gesteld dat het zijn bedoeling is geweest de getuigen die - in opdracht van de rechtbank in de zaken van soms alle dan wel een aantal van de thans terechtstaande verdachten - bij de rechter-commissaris werden gehoord, in de zaken tegen alle verdachten te horen. De rechter-commissaris heeft de raadslieden van de verdachten in wier zaken de betreffende getuigen niet moesten worden gehoord uitgenodigd om die verhoren bij te wonen en heeft hen in voorkomende gevallen in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen. Aldus wilde de rechter-commissaris bewerkstelligen dat een getuige niet voor een tweede keer zou moeten worden gehoord. Er is gebleken dat de werkwijze van de rechter-commissaris tot verwarring heeft geleid, hetgeen is versterkt door onduidelijke en soms onjuiste vermelding op de voorbladen van de verschillende verhoren, cq. verhoorsessies, van de zaken waarin de betreffende getuige werd gehoord.

Ter zitting heeft de officier van justitie zijn aanvankelijke opvatting, dat alle door de getuigen bij de rechter-commissaris afgelegde verklaringen desondanks bruikbaar zijn voor eventuele bewijsvoering in de zaken van alle verdachten omdat de raadslieden van alle verdachten wel zouden zijn uitgenodigd bij alle getuigenverhoren, laten varen. Hij stelt zich thans op het standpunt dat er in ieder geval van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaringen gebruikt mogen worden in de zaken van die verdachten van wie de advocaat bij het betreffende verhoor aanwezig is geweest.

De raadslieden van [verdachte] en [medeverdachte1] hebben zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie en stellen dat de getuigenverklaringen alleen gebruikt mogen worden in de zaak tegen hun cliënt indien zij bij het betreffende getuigenverhoor aanwezig zijn geweest.

De raadsman van [verdachte] heeft, uitgaande van voornoemd standpunt, betwist dat de getuigen [getuige4], [getuige2] en [getuige1] in de zaak van zijn cliënt zijn gehoord. [getuige3] is wel beide keren in de zaak van [verdachte] gehoord, hetgeen ook blijkt uit het feit dat deze verklaringen aan het dossier zijn toegevoegd.

De raadsman van [medeverdachte1] heeft zich aangesloten bij de raadsman van [verdachte] en stelt dat de getuigen [getuige4], [getuige2] en [getuige1] eveneens niet in de zaak van zijn cliënt zijn gehoord.

De raadsman van [medeverdachte5] heeft gesteld dat alle getuigen die zijn gehoord bij de rechter-commissaris op zijn verzoek in de zaak van zijn cliënt zijn gehoord.

De raadslieden van [medeverdachte4], [medeverdachte2] en [medeverdachte3] hebben zich niet uitgelaten over de bruikbaarheid van de getuigenverklaringen.

De rechtbank oordeelt dat waar de rechtbank bij eerdere beslissingen heeft aangegeven in welke zaken getuigen dienden te worden gehoord door de rechter-commissaris de betreffende getuigenverklaringen in ieder geval in die zaken voor het bewijs kunnen gelden. Indien bij die verhoren ook raadslieden van andere verdachten aanwezig zijn geweest en in de gelegenheid zijn gesteld vragen te stellen aan de getuige, en de rechtbank heeft uit hetgeen de raadslieden ter zitting naar voren hebben gebracht begrepen dat dit telkens het geval is geweest, worden deze verklaringen ook geacht te zijn afgelegd in die zaken. De rechtbank komt mede tot dit oordeel nu door geen der raadslieden anderszins is betoogd.

3.4. Criminele organisatie

De verdediging heeft bestreden dat er tussen de verdachten sprake is geweest van een samenwerkingsverband in de zin van een criminele organisatie, die tot doel had de handel in cocaïne.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

Naar vaste rechtspraak is van een criminele organisatie onder meer sprake als die organisatie het plegen van misdrijven voor ogen heeft, de deelnemers aan de organisatie van dat oogmerk op de hoogte zijn en hier een aandeel in hebben, ofwel gedragingen ondersteunen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van die organisatie. Een criminele organisatie kenmerkt zich voorts door een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband. Een organisatie behoeft daarbij niet uit steeds dezelfde personen te bestaan, maar kan tot op zekere hoogte in samenstelling wisselen.

Op grond van na te noemen feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachten [verdachte], [medeverdachte1], [medeverdachte5], [medeverdachte4] en [medeverdachte2] hebben deelgenomen aan een criminele organisatie.

Zowel in de onderlinge contacten tussen verdachten als in de contacten van verdachten met (potentiële) kopers is veelvuldig en op georganiseerde wijze gebruik gemaakt van mobiele telefoons. De rechtbank hecht niet aan het begrip “werktelefoons”, ook al is de communicatie via de verschillende telefoons qua intensiteit en inhoudelijk sterk gevarieerd. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een criminele organisatie is met name van belang dat er via telefoons frequent contact tussen verdachten onderling en met (potentiële) kopers is geweest.

Daarvan blijkt uit talloze tapgesprekken. Uit de verklaringen van kopers blijkt bovendien dat met enige regelmaat het door hen te bellen nummer voor hun bestellingen werd gewisseld.

Zo is in de periode 10 januari - 5 maart 2008 gebleken van telefooncontacten via nummer [nummer1] tussen [verdachte] en [medeverdachte1], verbandhoudende met leveringen aan kopers.

Zo is in de periode 25 januari - 19 maart 2008 gebleken van telefooncontacten via nummer [nummer2] tussen [medeverdachte5], [verdachte], [medeverdachte1] en [medeverdachte2], verbandhoudende met bestellingen, leveringen (koeriersdiensten) van en aan kopers.

Zo is in de periode 20 februari - 19 maart 2008 gebleken van telefooncontacten via nummer [nummer3] tussen [verdachte] en [medeverdachte1], verbandhoudende met leveringen aan kopers.

De frequentie van het telefooncontact is geanalyseerd in het aanvullende proces-verbaal A van 10 november 2008. Daaruit blijkt onder meer dat verdachten [verdachte] en [medeverdachte1] in een tijdsbestek van ongeveer anderhalve maand 393 maal telefooncontact hebben. Ook blijkt onder meer dat [verdachte] veelvuldig telefonisch contact heeft met [medeverdachte5] en [medeverdachte4]. Geen van de verdachten heeft daarover opheldering willen geven, hetgeen te meer opvalt in het licht van de ontkenning van sommige verdachten dat zij elkaar persoonlijk zouden kennen.

Opvallend is dat in de gesprekken tussen verdachten, die in het dossier zijn opgenomen, hoofdzakelijk over bestellingen van verdovende middelen wordt gesproken en zelden of nooit over persoonlijke omstandigheden.

Twee telefoons werden in ieder geval door meerdere leden van de organisatie gebruikt. Sommige verdachten maakten gebruik van verschillende telefoonnummers.

Vanwege het feit dat [verdachte], [medeverdachte1] en [medeverdachte5] het grootste deel van de dag telefonisch bereikbaar waren, konden afnemers van cocaïne vrijwel altijd een bestelling plaatsen. Onderling werd ook naar elkaar verwezen. De dealers en koeriers verschilden per dag of per levering. Naast het aannemen van bestellingen werd de telefoon ook gebruikt om koeriers naar de kopers te dirigeren. Al bellende met een andere deelnemer van de organisatie of de koper zelf werd de koerier naar de plaats van bestemming geleid.

De mobiele telefoon was voorts een middel om nieuwe handelswaar aan te prijzen. Op

28 maart 2008 worden door verdachte [medeverdachte5] om en nabij de 50 sms-jes verstuurd met de tekst:

“heb weer wat goeds echt top groet [naam]”. De rechtbank gaat er vanuit dat dergelijke reclame diende om kopers over de streep te trekken (opnieuw) cocaïne te bestellen. Ook werden sms-berichten verstuurd om een nieuw ingebruikgenomen telefoonnummer bij de vaste klanten bekend te maken

De rechtbank stelt voorts vast dat zowel in onderlinge telefoongesprekken, als in de gesprekken met kopers, wordt gesproken in versluierde taal. Meermalen spreekt men over onder meer: ‘een halfje’, ‘een hele’, ‘een vinger’, ‘spul’, ‘barkies’ of een ‘donnie’.

Verdachte noch zijn medeverdachten hebben, hoewel daartoe uitgenodigd, een aannemelijke verklaring kunnen geven voor dit taalgebruik. Diverse kopers hebben een of meerdere verdachten als dealers of koeriers van cocaïne aangewezen. Koper [koper1] heeft daarnaast verklaard dat met ‘een halve’ een halve gram cocaïne wordt bedoeld en met ‘een hele’ een hele gram cocaïne. Koper [koper2] heeft verklaard dat het de afspraak is, dat je ‘het’, (cocaïne), niet over de telefoon zegt. Daarbij komt dat bij enkele verdachten cocaïne is aangetroffen.

De rechtbank acht het aannemelijk dat in de gesprekken in verhullende taal over de leveringen van cocaïne wordt gesproken en dat verdachten dit willens en wetens hebben gedaan om uit handen van politie en justitie te blijven teneinde de handel te kunnen voortzetten.

In dit kader merkt de rechtbank op dat verdachten zich naar kopers en elkaar toe vrijwel nooit bij de echte naam noemden, maar zich allen bedienden van een bijnaam of van verschillende bijnamen. Bij het opnemen van de telefoon werd bovendien zelden een naam genoemd.

Het is aannemelijk dat het verbergen van de identiteit eveneens tot doel had een ‘mist’ op te trekken voor politie en justitie.

Het frequente telefoonverkeer, de inhoud van de vele tapgesprekken en de verklaringen van kopers wijzen uit dat in de maanden voor de aanhouding van verdachten veel leveringen hebben plaatsgevonden. De frequentie van de leveringen is voor de rechtbank eveneens een aanwijzing dat sprake was van een goed lopende organisatie. Uit het aanvullende proces-verbaal F, van 27 november 2008, blijkt dat het geen uitzondering was dat op één dag meerdere deals plaatsvonden. Zo vinden op 23 maart 2008 13 leveringen plaats. Dealer en koerier worden dan verondersteld te zijn [medeverdachte5] en [medeverdachte2].

Dat gesproken kan worden van een gestructureerde organisatie – die het in vereniging verrichten van cocaïnedeals overstijgt - blijkt voorts uit het feit dat [verdachte] en [medeverdachte1] de bevoorrading van de handelswaar op zich namen. De leveranciers bedienden zich, zo blijkt uit tapgesprekken, op hun beurt van bijnamen als [bijnaam1] en [bijnaam2].

Dat in bepaalde (gebruikers) hoeveelheden werd ingekocht kan ook worden afgeleid uit de verklaringen van kopers. De verkoop bedroeg vrijwel altijd halve en hele grammen. Soms was sprake van gelijksoortig verpakkingsmateriaal. Bovendien werd steeds een vaste prijs voor de te leveren cocaïne gerekend.

Voorts werd voor de aflevering aan de klanten vaak gebruik gemaakt van scooters, maar tevens waren daarvoor auto’s in gebruik, die speciaal voor dit doel - steeds voor een korte periode – werden gehuurd.

Voorts was binnen de organisatie sprake van een mate van solidariteit, hetgeen onder meer blijkt uit het volgende. Na aanhouding van [medeverdachte1] (achteraf ten onrechte) wordt door [medeverdachte1] [verdachte] ingelicht. [medeverdachte1] zegt alles (de rechtbank begrijpt dat daarmee kennelijk wordt gedoeld op de voorraad cocaïne) weg te gaan halen thuis. [verdachte] vraagt of er iemand naar hem toe moet komen. Later zegt [verdachte] dat [bijnaam3] eraan komt (dit is de bijnaam van verdachte [medeverdachte3]). Na de aanhouding van [verdachte] voor een poging tot overval, wordt medeverdachte [medeverdachte4] via een medegedetineerde van [verdachte] begin april 2008 ingeschakeld om spullen bij hem thuis weg te halen. Enkele van deze spullen worden later aangetroffen in de auto van [medeverdachte4].

Dat dit samenwerkingsverband ook duurzaam blijkt te zijn geweest is duidelijk geworden uit de verklaringen van kopers, die vaak maandenlang, tot soms meer dan een jaar bij een of meerdere verdachten cocaïne hebben gekocht.

Voor zover nog is betoogd dat niet bewezen zou kunnen worden dat tussen de verdachten [medeverdachte5] en [medeverdachte2] enerzijds en de verdachten [verdachte] en [medeverdachte1] anderzijds een samenwerkingsverband was, omdat laatstgenoemden geen gebruik zouden hebben gemaakt van telefoonnummer [nummer2], wordt dat verweer verworpen onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is vastgesteld over het intensieve telefonische contact tussen [medeverdachte5], [verdachte] en [medeverdachte1].

Op grond van bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat sprake is geweest van een criminele organisatie de zin van artikel 11a Opiumwet en dat verdachten (met uitzondering van [medeverdachte3]) daaraan hebben deelgenomen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

3.5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op tijdtippen gelegen in de periode van 1 januari 2007 tot en met 18 maart 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht, een hoeveelheid cocaïne.

2.

in de periode van 1 januari 2007 t/m 7 april 2008 te Amsterdam en Arnhem, heeft deelgenomen aan een organisatie die werd gevormd door hem, verdachte en [medeverdachte1] en [medeverdachte2] en [medeverdachte4] en [medeverdachte5], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10 vierde lid, te weten het opzettelijk verkopen van cocaïne, bestaande die deelneming hierin dat verdachte en/of een of meerdere van de hiervoor genoemde overige deelnemers aan de organisatie:

- (telefonische) contacten legde en onderhield met kopers van cocaïne en met andere deelnemers aan de organisatie en

- cocaïne heeft opgehaald en vervoerd en afgeleverd en

- informatie aan (andere) deelnemers aan de organisatie heeft verschaft en

- aanwijzingen van (andere) deelnemers aan de organisatie heeft uitgevoerd en

- opdrachten heeft gegeven tot bepaalde gedragingen van anderen, verband houdende met de handel in cocaïne.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft vanwege de negatieve publiciteit over verdachte als gevolg van uitlatingen van de leider van het opsporingsonderzoek twee maanden strafvermindering gevorderd en is zo tot voornoemde eis gekomen. Voorts heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging van de op 14 september 2006 voorwaardelijk opgelegde werkstraf gevorderd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich gedurende een langere periode schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne en was daarnaast deelnemer aan een criminele organisatie die eveneens tot doel had op georganiseerde wijze in cocaïne te handelen.

Verdachte had in de organisatie een leidende rol en werkte nauw samen met in ieder geval één van de medeverdachten. Deze medeverdachte had een belangrijke ondersteunende functie en werd op momenten door verdachte aangestuurd. Verdachte was voorts betrokken bij de inkoop van de verdovende middelen, bij de vaststelling van de prijzen van de te verhandelen wikkels en bij het soepel laten verlopen van de leveringen. Er was sprake van een professionele en gestroomlijnde werkwijze. Klanten konden dag en nacht telefonisch cocaïne bestellen. De bestelling werd vervolgens meestal binnen korte tijd, door wisselende personen binnen de organisatie, door middel van een scooter of auto op de afgesproken plaats afgeleverd.

Ten aanzien van de duur van de handel en deelname aan de organisatie overweegt de rechtbank als volgt.

Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat voor de strafmaat van belang is gedurende welke periode verdachte de thans bewezen feiten heeft gepleegd.

In de telastelegging is ten aanzien van de criminele organisatie opgenomen een periode van ruim 15 maanden met als begindatum 1 januari 2007.

De periode van de telastegelegde handel in cocaïne bedraagt ruim 14 maanden.

De rechtbank gaat er op grond van de verklaringen van meerdere personen die verdachte hebben genoemd als zijnde betrokken bij de onderhavige handel in cocaïne vanuit dat verdachte zich tot zijn aanhouding minimaal één tot anderhalf jaar heeft beziggehouden met georganiseerde drugshandel. De precieze vaststelling van deze periode is voor de bepaling van de strafmaat niet van belang nu het hier gaat om een aanzienlijke periode en de telastelegging geen langere periode kent dan een periode die is gelegen tussen 12 en 18 maanden.

De reden dat de bewezenverklaarde periode ten aanzien van feit 1, de handel in cocaïne, een einddatum kent die overeenkomt met de datum van aanhouding van verdachte is duidelijk en behoeft geen nadere bespreking. Dit ligt anders bij feit 2 waar de bewezenverklaring een einddatum kent die is gelegen in een periode na de aanhouding en daaropvolgende detentie van verdachte in verband met een andere strafzaak. De rechtbank gaat er bij de vaststelling van de strafmaat vanuit dat verdachte ook na zijn aanhouding nog een periode actief is gebleven in de criminele organisatie waarvan thans is bewezen dat hij daarvan deel uitmaakte. Vanuit het huis van bewaring waarin hij voorlopig gehecht zat, gaf hij immers (telefonisch) opdrachten aan andere leden van de organisatie om bewijsmateriaal te laten verdwijnen.

Meer in het bijzonder is de rechtbank van oordeel dat de georganiseerde handel van verdovende middelen met kracht bestreden dient te worden. Een samenwerkingsverband werkt criminaliteitsbevorderend en ondermijnt - gelet op haar criminele oogmerk en de daarmee samenhangende handelingen - de rechtsorde. Het is een feit van algemene bekendheid dat cocaïne schadelijk is voor de volksgezondheid. Verdachte heeft echter zijn eigen belang, geldelijk gewin, laten prevaleren en heeft door zijn handelingen bijgedragen aan de met de handel gepaard gaande instandhouding van de verslaving van een groot aantal personen in Amsterdam. Gezegd moet worden dat de kopers veelal afkomstig zijn uit het midden- en hogere segment van de samenleving. De aankoop van cocaïne werd bekostigd uit arbeidsinkomsten en ging niet gepaard met strafbare feiten of overlast op straat. Zulks vormt echter geen strafverminderende omstandigheid zoals door de verdediging is bepleit.

Ten nadele van verdachte houdt de rechtbank rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 december 2008, op zijn naam, waaruit blijkt dat hij in het verleden vele malen met politie en justitie in aanraking is geweest en dat hij reeds eerder, namelijk op 20 januari 2005 terzake van overtreding van de Opiumwet tot een onvoorwaardelijke werkstraf is veroordeeld.

Uitlatingen in de media van onderzoeksleider [naam]

Gebleken is dat er na de aanhouding van verdachten, in het bijzonder na de aanhouding van verdachte [verdachte], verslag is gedaan door de politie aan de pers over de mate van betrokkenheid van een aantal aangehouden verdachten. Bijzondere aandacht is door de pers gegeven aan de uitlatingen van commissaris [naam], waarin hij over verdachte heeft gezegd: “[verdachte]. zou over een jaar of 10 wel eens de nieuwe [Wilem H.] kunnen zijn als we nu niet fors ingrijpen”, althans zo zijn de woorden van [naam] in de pers (onder meer Het Parool) terecht gekomen en [naam] noch andere politievertegenwoordigers hebben ontkend dat deze woorden door [naam] zouden zijn gebezigd, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit zijn bewoordingen zijn geweest.

Voor de vraag of en zo ja welke consequenties aan dergelijke uitlatingen - gedaan door een politiefunctionaris kort na aanhouding van de betreffende verdachte en derhalve in een periode voordat sprake is van een rechterlijk oordeel ten aanzien van de feiten waarvan betrokkene wordt verdacht - zouden moeten worden verbonden, is het volgende van belang.

[naam] heeft, zij het in zijn functie van commissaris van politie, op persoonlijke titel gesproken, althans van het tegendeel blijkt niet. De zaaksofficier van justitie heeft zo spoedig mogelijk als hij dit redelijkerwijze kon doen nadrukkelijk afstand genomen van de bewoordingen van [naam] en heeft getracht een en ander te nuanceren. Hij heeft hiertoe verschillende wegen bewandeld waaronder het schrijven van een brief aan de raadsman van verdachte en door de pers te woord te staan met als inzet dat het openbaar ministerie zich distantieerde van de uitlatingen van [naam]. Ook bij de verschillende zittingen heeft de officier van justitie niet nagelaten zijn standpunt te herhalen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het openbaar ministerie te dezer zake dan ook niets worden verweten. Dat de pers de ontkrachtende berichten niet zo sterk heeft opgepikt valt de officier van justitie niet te verwijten.

De vraag blijft echter of aan de opmerkingen van [naam] gevolgen moeten worden toegekend in de zaak van verdachte [verdachte].

De raadsman van verdachte heeft een strafvermindering met 50% bepleit. Hij stelt dat zijn cliënt door de uitlatingen van [naam] wellicht voor de rest van zijn leven is ‘gebrandmerkt’. De familie van zijn cliënt wordt bovendien nagenoeg dagelijks aangesproken en aangekeken als de familie van de “nieuwe [H.]”.

De officier van justitie heeft bij requisitoir een strafvermindering van twee maanden gevangenisstraf redelijk bevonden.

De rechtbank is van oordeel dat de uitlatingen van [naam] ongelukkig zijn geweest. Gezien de functie van [naam], commissaris van politie, mocht van hem worden verwacht dat hij de pers genuanceerd te woord zou staan. Immers moet ervoor worden gehoed dat een verdachte publiekelijk wordt veroordeeld nog voor zijn proces heeft plaatsgevonden, hetgeen een schending van het fair trial beginsel kan opleveren. De vergelijking met meergenoemde [H.], die in de periode waarin de uitlatingen van [naam] werden gedaan, prominent in het nieuws was, voldoet niet aan de genoemde eisen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte moet worden gecompenseerd in de straf wegens de uitlatingen van [naam], zij het niet in de door de verdediging voorgestane mate. Dergelijke uitlatingen kunnen voor een verdachte stigmatiserend werken, maar gesteld noch gebleken is dat verdachte als gevolg van de uitlatingen een oneerlijk proces zou hebben gehad. De rechtbank weegt voorts mee dat van de zijde van het openbaar ministerie adequaat is gereageerd. De rechtbank sluit zich daarom aan bij de officier van justitie en acht eveneens een strafvermindering van twee maanden gevangenisstraf op zijn plaats. Opgemerkt zij nog dat de rechtbank alleen kijkt naar de mogelijke gevolgen van de publicaties voor verdachte en geen rekening houdt met (mogelijke) gevolgen voor de familie van verdachte.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat, conform de vordering van de officier van justitie, een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur passend en geboden is.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 15 mei 2008 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer [nummer], betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 14 september 2006 van de politierechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis met bevel dat deze straf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op twee jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 30 oktober 2006 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf te gelasten.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 57, 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 11a van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, vierde lid van de Opiumwet.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 (tweeëntwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis d.d. 14 september 2006 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een werkstraf voor de duur van 50 uren.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

- 1 zwarte schoudertas van Prada;

- 1 zwarte tas, merk Eastpak

- 1 onderdeel van een navigatiesysteem TomTom, in Eastpak.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. H.J. Bunjes en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.M.E. Leyten griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 december 2008.