Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG7427

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-12-2008
Datum publicatie
18-12-2008
Zaaknummer
13/525388-07(A), 13/451620-06(B) en 13/021358-04(TUL) PROMIS
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Amsterdamse rechtbank heeft vandaag de 20 jarige verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar omdat hij op 10 november 2007 op het Koningsplein te Amsterdam een 19-jarige jongen heeft doodgestoken.

Hoewel verdachte steeds heeft ontkend is hij op basis van getuigenverklaringen en technisch bewijs (op het mes van verdachte is bloed van het slachtoffer aangetroffen) door de rechtbank veroordeeld. Anders dan de eis van de officier van justitie heeft de rechtbank geen TBS opgelegd. Het Pieter Baan Centrum had mede door gebrek aan medewerking van verdachte ook niet tot een dergelijke maatregel geadviseerd.

Bij de strafmotivering is opgenomen dat er voor verdachte geen enkele aanleiding bestond om het slachtoffer te steken. Een langdurige gevangenisstraf is mede opgelegd om de maatschappij tegen verdachte te beschermen. Er zijn immers aanwijzingen voor zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsproblematiek, maar verdachte weigert mee te werken aan rapportage over zijn persoonlijkheid. Daardoor frustreert hij een mogelijke behandeling voor die problematiek.

De door de nabestaanden ingediende vordering benadeelde partij is bijna geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525388-07(A), 13/451620-06(B) en 13/021358-04(TUL) PROMIS

Datum uitspraak: 18 december 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], gedetineerd in Penitentiaire Inrichting “Almere Binnen” te Almere.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 december 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

Ten aanzien van zaak A:

hij op of omstreeks 10 november 2007 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voowerp gestoken en/of gesneden in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van zaak B:

1.

hij op of omstreeks 23 februari 2006 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] (met kracht) heeft vastgegrepen en/of (vervolgens) tegen haar lichaam heeft geduwd (waardoor die [slachtoffer 2] ten val kwam) en/of bij haar keel heeft vestgegrepen en/of in/op haar gezicht heeft geslagen en/of gestompt en/of met een mes in haar (voor) hoofd en/of wang heeft gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2006 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (brood)mes ter hand genomen en/of (vervolgens) dat mes met de punt in de richting van die [slachtoffer 2] gehouden en/of getoond en/of (daarbij) voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd : "Oprotten, nu mijn huis uit", althans woorden van gelijke

dreigende aard of strekking.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Het bewijs en de bewijsoverwegingen

3.1 Ten aanzien van zaak A:

3.1.1 De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd ten aanzien van het telastegelegde. De officier van justitie baseert haar conclusie dat verdachte het telastegelegde feit heeft begaan op een aantal belastende verklaringen van getuigen en op technisch bewijs. Als belastende verklaringen noemt de officier van justitie de verklaringen van de vrienden van het slachtoffer ([persoon 1], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4]), de vrienden van verdachte ([persoon 5] en [persoon 6]) en de “onafhankelijke” getuige [persoon 7]. Als technisch bewijs noemt de officier van justitie de gerechtelijke sectie waaruit blijkt dat het slachtoffer is overleden door verbloeding, ontstaan door beschadiging aan de lichaamsslagader als gevolg van een steekverwonding. Ander technisch bewijs dat de officier van justitie noemt, zijn 2 NFI-rapporten waaruit blijkt dat er bloed van het slachtoffer op het mes van verdachte is aangetroffen en dat er bloed van het slachtoffer op de broek van verdachte is aangetroffen. Ten slotte noemt de officier het tapgesprek van 10 november 2007 waaruit blijkt dat verdachte tegen zijn vriendin heeft gezegd dat hij “iemand gehit heeft, ik moest rennen.”

Het standpunt van de verdediging:

De raadsman van verdachte heeft op grond van het volgende bepleit dat verdachte van het telastegelegde dient te worden vrijgesproken.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat de waarneming van de getuigen mogelijk negatief is beïnvloed door de slechte licht- en weersomstandigheden, het gebruik van alcohol en/of drugs, het feit dat de getuigen een nacht niet hebben geslapen en de vele overeenkomsten in de signalementen van de aanwezige personen. Dit zou kunnen verklaren waarom een opvallende duwende beweging zoals verdachte heeft gemaakt wel is opgevallen, terwijl een wellicht minder opvallende beweging waarbij het slachtoffer met het mes is geraakt, niet is opgevallen.

De raadsman heeft bepleit dat op grond van diverse getuigenverklaringen kan worden vastgesteld dat verdachte niet de enige is geweest die het slachtoffer heeft aangeraakt en ook niet de enige is geweest die hem heeft geduwd. Dit maakt het aannemelijker dat het slachtoffer door iemand anders is neergestoken.

Voorts heeft de raadsman bepleit dat het mes waarmee het slachtoffer is gestoken niet het mes van verdachte is. Ten eerste heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat het in beslag genomen mes geen afbeeldingen vertoont, die het mes van verdachte zoals verdachte heeft verklaard wel heeft. Ten tweede heeft de raadsman aangevoerd dat uit de verklaringen van verdachte, getuige [persoon 8] en getuige [persoon 5] blijkt dat het mes van verdachte een stiletto is, een mes dat automatisch openklapt wanneer op een knopje wordt gedrukt, terwijl de politie op pagina 304 van het dossier relateert dat het op de plaats delict aangetroffen mes geen stiletto is, maar een mes dat, na te zijn ontgrendeld, met de hand zijdelings uit het heft moet worden gebracht.

De raadsman heeft aangevoerd dat het dodelijke letsel niet correspondeert met de beschrijving die het merendeel van de getuigen geeft van de duw die verdachte het slachtoffer heeft gegeven. Hij noemt hierbij ondermeer de verklaringen van [persoon 5] bij de politie en van [persoon 4], die beiden verklaren over een ‘duw’. De raadsman noemt getuige [persoon 6] als enige getuige die een beschrijving geeft van de steek die zou kunnen kloppen met het letsel. Deze getuige liegt echter over zijn eigen betrokkenheid. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat [persoon 6] heeft verklaard dat het slachtoffer op de dader afkwam. Dat klopt bij het moment van de door het slachtoffer uitgedeelde kopstoot en de duw, maar niet bij het moment dat verdachte heeft geduwd.

De raadsman stelt dat uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat niemand van de getuigen verdachte daadwerkelijk heeft zien steken. De raadsman merkt hiertoe ondermeer het volgende op:

Uit de verklaring van [persoon 5] blijkt dat hij niets relevants heeft gezien. Hij heeft kennelijk de duw gezien die verdachte aan het slachtoffer heeft gegeven. Die duw was tegen de linkerschouder, terwijl het steekletsel rechts zat.

Getuige [persoon 6] heeft kennelijk leugenachtig verklaard. Hij heeft naar eigen zeggen uitvoerig overleg gehad met [persoon 9] voordat hij naar de politie ging. Daarbij heeft hij wisselende verklaringen heeft afgelegd om [persoon 9] te helpen. Het is onduidelijk wie [persoon 6] heeft zien steken. [persoon 6] beschrijft de dader als een persoon met een ‘bondpetje’ en ‘twee gouden tanden’, een signalement waaraan [persoon 5] zou kunnen voldoen. [persoon 6] liegt over zijn betrokkenheid en positie. Hij heeft zichzelf op enkele meters afstand van het incident geplaatst, terwijl hij bovenop het slachtoffer heeft gestaan en fysiek contact met hem heeft gehad.

[persoon 2] beschrijft de dader als een neger met een donkere huidskleur. Hij herkent verdachte niet in de FOSLO. [persoon 2] kan weinig details geven over het uiterlijk van de dader, met uitzondering van de tatoeage op de hand. Het signalement klopt niet met het signalement van verdachte, tenminste als [persoon 2] de duw en niet de steek zou hebben gezien. [persoon 2] weet bij de politie niet welke kleur het petje van de dader had en hij maakt geen melding van gouden tanden. Bij de rechter-commissaris weet hij de kleur van het petje wel en maakt hij melding van de gouden tanden. [persoon 2] heeft deze details mogelijk gehoord. Bij de rechter-commissaris verklaart [persoon 2] dat hij over de tatoeage misschien details heeft gehoord die hij zelf niet heeft gezien. Uit de verklaringen van getuigen [persoon 10] en [persoon 1] bij de rechter-commissaris blijkt dat [persoon 2] geen mes heeft gezien, maar een uitleg heeft gegeven aan de plotselinge duw die verdachte aan het slachtoffer heeft gegeven.

Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat het opsporingsonderzoek ten aanzien van de kleding van betrokkenen onvolledig is geweest.

3.1.2 De redengevende feiten en omstandigheden

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden af.

Op 10 november 2007 staan [persoon 5], [persoon 8], verdachte, [persoon 9] en [per[persoon 6] op de tramhalte van het Koningsplein.

Een ander groepje jongens onder wie [persoon 2] staat ook op de tramhalte van het Koningsplein. Er ontstaat contact tussen de groepjes. Op een gegeven moment ziet [persoon 2] dat een jongen van het andere groepje, die hij omschrijft als een neger met een donkere huidskleur die een pet draagt en een tatoeage met letters op zijn hand heeft, een steekbeweging naar zijn vriend [slachtoffer] maakt. Op het moment dat deze jongen zijn hand terugtrekt, ziet [persoon 2] dat die jongen een mes in zijn hand heeft.

[persoon 5] ziet dat verdachte een stekende beweging maakt. Hij ziet een mes in de hand van verdachte op het moment dat hij zijn hand, nadat hij die stekende beweging heeft gemaakt, terugtrekt. [persoon 5] verklaart dat verdachte op die avond een rode pet op heeft.

[persoon 6] omschrijft de jongen die heeft gestoken als een Surinaamse jongen met een rood bontpetje. Hij ziet een mes in de rechterhand van deze jongen. Met een zijwaartse snelle beweging steekt de dader het mes in de rechterkant van de borst van de jongen. De jongen wordt geraakt en valt voorover op de grond. [persoon 2] ziet ook dat [slachtoffer] na de steekbeweging een paar stappen naar achteren doet, weer twee stappen terugloopt en op de stoep bij de tramhalte op zijn gezicht valt. Getuige [persoon 4] staat naar eigen zeggen op ongeveer 20 meter van de tramhalte. Hij ziet dat een jongen een stoot geeft aan [slachtoffer]. Hij ziet dat [slachtoffer] naar achter loopt, vervolgens weer naar voren loopt en voorover valt in de tramhalte. [persoon 4] verklaart ter plaatse dat hij weet wie de verdachte is. Hij vertelt dat het een vuilnisman is. Later verklaart [persoon 4] tegenover de politie dat hij samen met de dader bij een vuilnisdienst in de buurt van Sloterdijk heeft gewerkt. Bij de fotoconfrontatie herkent [persoon 4] verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bij de reinigingsdienst in de buurt van Sloterdijk heeft gewerkt.

Op 10 november 2007 omstreeks 5.50 uur ziet verbalisant [persoon 11] een persoon, die later blijkt te zijn genaamd [naam slachtoffer], op het Koningsplein op de grond liggen. Hij voelde geen hartslag of ademhaling bij [slachtoffer]. Hij ziet aan de rechterzijde van het borstbeen een steekwond zitten. Per ambulance wordt [slachtoffer] naar het OLVG vervoerd.

Op 10 november 2007 om 9.20 uur overlijdt [slachtoffer] . Het overlijden van [slachtoffer] wordt volledig verklaard door verbloeding ontstaan door de beschadiging aan de lichaamslagader in het kader van een steekverwonding en de daardoor opgetreden weefselschade.

Op 10 november 2007 is een mes in beslag genomen. Het was aangetroffen op de tramhalte, niet al te ver van waar het slachtoffer op de grond had gelegen. Het mes is veiliggesteld en meegenomen voor forensisch onderzoek. Op het lemmet en het heft van het mes zijn bloedsporen aangetroffen, die van het slachtoffer afkomstig kunnen zijn; de berekende frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

3.1.3 De bewijsoverwegingen en de bespreking van de verweren

Gelet op genoemde redengevende feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte met opzet [slachtoffer] met het inbeslaggenomen mes heeft gestoken ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende:

Uit de genoemde bewijsmiddelen komt duidelijk naar voren dat verdachte fysiek contact met het slachtoffer heeft gemaakt en dat het slachtoffer vrijwel direct daarna voorover is gevallen. De rechtbank heeft als bewijsmiddelen met name de in de vorige rubriek weergegeven getuigenverklaringen gebruikt waarin een duidelijk beeld wordt gegeven van de steekbeweging en de dader. De rechtbank merkt op dat andere getuigenverklaringen het geschetste beeld van de steekpartij niet weerspreken maar eerder ondersteunen.

Hoewel de rechtbank zich bewust is van het feit dat getuigen na afloop van het incident met elkaar hebben gesproken, waardoor delen van hun verklaringen omtrent eigen waarneming mogelijk minder betrouwbaar zijn geworden, acht de rechtbank de gebruikte bewijsmiddelen voldoende betrouwbaar om het telastegelegde wettig en overtuigend bewezen te achten. Zowel de vrienden/bekenden van verdachte als de vrienden/bekenden van het slachtoffer geven in hun verklaring in grote lijnen hetzelfde beeld van wat er is gebeurd. Bovendien heeft getuige [persoon 4] niet met andere betrokkenen gesproken over het incident voordat hij zijn eerste verklaring aflegde, terwijl deze getuige wel hetzelfde beeld bevestigt.

Verdachte wordt door vrijwel alle getuigen, waaronder ook vrienden/bekenden van verdachte, beschreven als een jongen met een tatoeage op zijn hand en een rode pet. Uit de verklaringen blijkt dat geen van de andere jongens een tatoeage op zijn hand heeft of een rode pet droeg die avond. Dat er omstandigheden aanwezig waren die de waarneming van de getuigen kunnen hebben bemoeilijkt, maakt dit niet anders. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat diverse getuigen, in ieder geval de getuigen wiens verklaringen in de vorige rubriek zijn weergegeven, dicht bij de verdachte en het slachtoffer stonden of in ieder geval op redelijk korte afstand. Bovendien blijkt uit het dossier dat de tramhalte, waar de verdachte, het slachtoffer en diverse getuigen stonden, is verlicht. Een aantal getuigen heeft verklaard alcohol en/of drugs te hebben gebruikt. De rechtbank is echter van oordeel dat uit het dossier niet blijkt dat het gebruik van deze middelen zodanig was dat dit de verklaringen van getuigen onbetrouwbaar maakt. Bovendien hebben de getuigen [persoon 2] en [persoon 4] verklaard niet of nauwelijks alcohol en/of drugs te hebben gebruikt. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat door bepaalde omstandigheden de waarneming van getuigen minder betrouwbaar was waardoor mogelijk een steekbeweging van een ander dan verdachte door getuigen niet zou zijn waargenomen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het slachtoffer door iemand anders kan zijn gestoken. Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat het slachtoffer vrijwel direct nadat hij is gestoken door verdachte een paar passen naar achteren doet, vervolgens een paar passen naar voren doet en op de grond valt. Geen van de getuigen heeft verklaard dat er nog fysiek contact is geweest tussen een andere persoon en het slachtoffer nadat verdachte het slachtoffer heeft aangeraakt.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman ten aanzien van het mes. De rechtbank stelt vast dat de beschrijvingen van getuige [persoon 8] en getuige [persoon 5] van het mes van verdachte overeenkomen met de foto’s van het mes waarmee is gestoken op pagina 349 en 350 van het dossier.

Daarbij is de rechtbank van oordeel dat de beschrijving van verdachte van zijn eigen mes ook overeenkomt met de foto’s van het mes waarmee het slachtoffer is gestoken op pagina 349 en 350 van het dossier. Verdachte heeft verklaard dat aan één zijde van zijn mes een deel van het handvat ontbreekt. De rechtbank ziet dit zeer specifieke uiterlijke kenmerk terug op de genoemde foto’s. Verdachte heeft verklaard dat er zich op het nog aanwezige deel van het handvat een afbeelding of versiering bevindt. Deze afbeelding of versiering wordt echter niet door de getuigen [persoon 8] en [persoon 5] omschreven, zodat de rechtbank het betoog verwerpt dat het inbeslaggenomen mes op die grond niet van verdachte zou kunnen zijn. De foto’s zijn in overeenstemming althans in ieder geval niet in strijd met het mes van verdachte zoals verdachte en de getuigen dat hebben beschreven. Daarbij merkt de rechtbank op dat verdachte meerdere malen bij de politie heeft verklaard dat het zijn mes was dat op de grond werd gegooid. De rechtbank acht hiermee voldoende wettig en overtuigend bewezen dat het mes waarmee is gestoken van verdachte is.

Dat de verdachte ter terechtzitting voor de eerste keer heeft verklaard dat het mes op de foto’s op pagina 349 en 350 van het dossier niet zijn mes is, maakt dit niet anders. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten de verklaringen van getuige [persoon 8] en [persoon 5] niet uit dat het mes van verdachte nog met de hand uit het heft moet worden gebracht, zoals de politie heeft gerelateerd ten aanzien van het aangetroffen mes.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat het dodelijke letsel niet correspondeert met de beschrijving die het merendeel van de getuigen geeft over de duw die verdachte het slachtoffer heeft gegeven. Dit standpunt is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende onderbouwing, bijvoorbeeld door middel van een deskundigenrapport met betrekking tot de precieze insteek, voorzien.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van de getuigen blijkt dat niemand verdachte daadwerkelijk heeft zien steken. De rechtbank heeft een aantal verklaringen van getuigen gebruikt als bewijsmiddel en merkt hiertoe het volgende op.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van [persoon 5] blijkt dat hij een steekbeweging en een mes in de hand van verdachte heeft gezien. De rechtbank volgt getuige [persoon 5] ten aanzien van de steekbeweging en het mes in zijn verklaring die hij bij de rechter-commissaris heeft afgelegd. Hij heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat zijn verklaringen daarover bij de politie niet juist zijn. Als reden daarvoor heeft hij aangegeven dat hij misschien bang was of dat hij verdachte misschien wilde helpen. De rechtbank acht deze uitleg aannemelijk; [persoon 5] was immers een vriend van verdachte en werd bij de politie bovendien zelf nog als verdachte verhoord.

De rechtbank acht, anders dan de raadsman, de verklaring van getuige [persoon 6] bij de politie ten aanzien van de steekbeweging wel betrouwbaar. Uit de verklaring van [persoon 6] is naar oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk gebleken wie volgens [persoon 6] de dader is. Dat [persoon 6], zoals hij heeft verklaard, in eerste instantie heeft gelogen over zijn aanwezigheid omdat hij had gehoord dat zijn vriend [persoon 9] vast zat, hij hem wilde helpen en bang was om zelf te worden gearresteerd, acht de rechtbank aannemelijk. Dat [persoon 6] mogelijk enkele meters dichter bij de verdachte stond dan hij heeft verklaard, maakt zijn verklaring over de steekbeweging nog niet onbetrouwbaar.

Zoals uit de bewijsmiddelen blijkt, is [persoon 2] niet de enige die verdachte een stekende beweging heeft zien maken. Zoals de raadsman heeft opgemerkt, heeft [persoon 2] bij de politie verklaard dat de dader een tatoeage met letters op zijn hand heeft. Dit is een opvallend uiterlijk kenmerk van verdachte. Dat [persoon 2] weinig andere kenmerken van verdachte kan noemen, maakt niet dat hij verdachte niet heeft gezien. Gelet op zijn verklaring bij de politie en de omschrijving die hij daarbij heeft gegeven van het groepje jongens, stelt de rechtbank vast dat [persoon 2] verdachte niet heeft verward met één van de andere jongens met een getinte of donkere huidskleur, wat er ook zij van het feit dat [persoon 2] de foto van verdachte bij de meervoudige fotoconfrontatie niet heeft aangewezen. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat uit de verklaringen van andere getuigen niet is af te leiden dat [persoon 2] geen mes heeft gezien.

De rechtbank merkt ten slotte op dat het verweer van de raadsman ten aanzien van het opsporingsonderzoek met betrekking tot de kleding van betrokkenen buiten beschouwing wordt gelaten nu de raadsman hieraan geen onderzoeksvraag heeft gekoppeld.

3.2 Ten aanzien van zaak B:

3.2.1 De standpunten

Het standpunt van de officier van justitie:

De officier van justitie heeft de veroordeling van verdachte gevorderd ten aanzien van het onder 1 en 2 telastegelegde. De officier van justitie baseert haar conclusie dat verdachte de telastegelegde feiten heeft begaan op de verklaring van verdachte, waarin hij heeft bekend zijn vriendin te hebben geduwd en haar dreigend een mes te hebben voorgehouden, de aangifte en een foto in het dossier waarop de snijverwondingen bij aangeefster zijn te zien.

Het standpunt van de verdediging:

De raadsman heeft verzocht om verdachte van het onder 1 en 2 telastegelegde vrij te spreken.

Hij heeft hiertoe aangevoerd dat het dossier geen letselverklaring bevat maar alleen een verklaring van aangeefster en een verklaring van verdachte. Uit deze verklaringen kan slechts worden afgeleid dat verdachte aangeefster heeft geduwd en dat aangeefster toen is gevallen. Aangezien aangeefster niet heeft verklaard dat ze hierdoor letsel en pijn heeft ondervonden, kan volgens de raadsman mishandeling niet bewezen worden verklaard. Voorts merkt de raadsman op dat het gezien de aard van het mes de vraag is of het tonen van het mes een bedreiging oplevert.

3.2.2 De redengevende feiten en omstandigheden

[slachtoffer 2] is op 23 februari 2006 bij haar vriend [verdachte] (hierna te noemen: verdachte) in Amsterdam. Ze krijgen ruzie. Ze hoort verdachte tegen haar zeggen dat hij haar dood zal maken. Verdachte heeft haar wel vaker geslagen en zij heeft hiervan ook aangifte gedaan bij de politie. [slachtoffer 2] ziet dat verdachte vlak bij haar gaat staan en begint te schreeuwen. Ze hoort hem meerdere malen tegen haar zeggen dat hij haar zal vermoorden en dat hij haar in elkaar gaat slaan. Ze wordt bang van verdachte en merkt dat hij steeds agressiever wordt. [slachtoffer 2] ziet en voelt dat verdachte haar vastpakt. Ze voelt dat ze een duw krijgt. Ze vermoedt dat verdachte dit met opzet doet en met kracht. Ze voelt dat ze op de grond van de badkamer terechtkomt.

[slachtoffer 2] ziet later dat verdachte in haar richting loopt en een mes voor haar gezicht houdt. Ze voelt dat verdachte het mes tegen haar voorhoofd zet en een zijwaartse beweging maakt. Ze voelt dat het scherpe mes in haar huid snijdt en dat ze een snee in haar voorhoofd krijgt door het mes. Ze voelt pijn door het mes.

Het dossier bevat een foto van het gezicht van aangeefster met rode vlekken op haar wang en voorhoofd. De foto is bij de aangifte gemaakt door verbalisant. De verbalisant constateert dat aangeefster een kras op haar voorhoofd en een andere kras op haar linkerwang heeft.

Verdachte verklaart later bij de politie dat hij zijn vriendin heeft geduwd. Voorts verklaart verdachte dat hij een mes in zijn hand heeft gehouden en dat zijn vriendin schrok. Terwijl hij dat mes in zijn handen had, heeft hij gezegd: “ Oprotten nu mijn huis uit!”

3.2.3 De bewijsoverwegingen en de bespreking van de verweren

Op grond van bovengenoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer 2] heeft mishandeld en bedreigd.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] bij haar keel heeft gegrepen, haar in haar gezicht heeft geslagen of gestompt en haar met een mes in haar wang heeft gesneden. Hiervoor is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij [slachtoffer 2] heeft geduwd waardoor ze is gevallen. Naast de verklaringen van verdachte en aangeefster, acht de rechtbank de foto van het gezicht van aangeefster bruikbaar als bewijs. De rechtbank constateert dat op de foto, die bij de aangifte door verbalisant is gemaakt, is te zien dat [slachtoffer 2] een snee op haar voorhoofd heeft. Op de foto is verder slechts een klein rood vlekje op de wang te zien. De rechtbank volgt aangeefster dan ook in haar verklaring dat verdachte haar met een mes in het voorhoofd heeft gesneden. Uit de verklaring van aangeefster blijkt bovendien dat de snee op het voorhoofd pijn heeft veroorzaakt. Anders dan de raadsman acht de rechtbank mishandeling dan ook bewezen.

De rechtbank volgt aangeefster in haar verklaring. Uit de genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat aangeefster bang was voor verdachte, verdachte haar eerder heeft geslagen en haar tijdens de ruzie meerdere malen met de dood heeft bedreigd. Deze omstandigheden bezien in combinatie met het tonen van mes, maken dat bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte haar daadwerkelijk met het mes zou aanvallen. Gelet hierop acht de rechtbank bewezen dat verdachte aangeefster heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

4. Waardering van het bewijs

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van zaak A:

op 10 november 2007 te Amsterdam opzettelijk [slacht[slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes gestoken in de borst van die [slachtoffer] tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Ten aanzien van zaak B:

1.

op 23 februari 2006 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [slachtoffer 2] met kracht heeft vastgegrepen en heeft geduwd waardoor die [slachtoffer 2] ten val kwam en met een mes in haar voorhoofd heeft gesneden, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

op 23 februari 2006 te Amsterdam [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes ter hand genomen en vervolgens dat mes getoond en daarbij voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden toegevoegd: "Oprotten, nu mijn huis uit".

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar in zaak A bewezengeachte feit en de door haar in zaak B onder 1 en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot terbeschikkingstelling (TBS) in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek van het voorarrest. Subsidiair heeft de officier van justitie een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar gevorderd, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tevens afwijzing van de vordering tenuitvoerlegging gevorderd.

De officier van justitie heeft de vordering van de benadeelde partij [persoon 12], de moeder van het slachtoffer, geheel toewijsbaar geacht en voor het toe te wijzen deel toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft na het uitgaan op de openbare weg een jongen doodgestoken zonder dat daartoe aanleiding bestond. Verdachte heeft hiermee op brute wijze een einde gemaakt aan het leven van een negentienjarige jongen die nog een toekomst voor zich had. Bovendien heeft hij de nabestaanden van het slachtoffer hun dierbare ontnomen en daarmee onherstelbaar leed toegebracht. Ter terechtzitting heeft een zus van het slachtoffer in een mondelinge slachtofferverklaring verteld wat de gevolgen voor de familie van het slachtoffer zijn. Verdachte heeft door dit feit te plegen een grote schok en veel angst bij de vele omstanders, maar ook in de gehele samenleving veroorzaakt. De rechtbank rekent bovenstaande verdachte zeer zwaar aan.

Voorts heeft verdachte in 2006 zijn toenmalige vriendin bedreigd en mishandeld door haar met een mes in het voorhoofd te snijden. Het slachtoffer heeft hierdoor pijn en letsel bekomen en heeft grote angst voor verdachte gevoeld. Dergelijke feiten zijn zeer ernstig.

De rechtbank maakt zich grote zorgen om de ontwikkeling van verdachte nu uit het NIFP rapport van 19 september 2008 van het Pieter Baan Centrum is gebleken dat verdachte zich zeer snel gekrenkt voelt en hierop op een agressieve en buitenproportionele wijze kan reageren. Verdachte heeft in zijn jonge leven al vaker iemand met een mes gesneden dan wel gestoken, waarvoor aan hem een langdurige (deels voorwaardelijke) jeugddetentie is opgelegd. Verdachte lijkt zich niet bewust van de ernst van zijn handelen en legt alle verantwoordelijkheid voor zijn daden buiten zichzelf. De rechtbank acht de kans op recidive bij verdachte dan ook hoog.

De rechtbank deelt de grote zorgen van de officier van justitie ten aanzien van de ontwikkeling van verdachte en de kans op recidive van verdachte. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat geen TBS kan worden opgelegd, in dit verband heeft de rechtbank acht geslagen op voormeld NIFP rapport.

In het rapport wordt geconcludeerd dat sprake is van een gebrekkige ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid en persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte. Uit de conclusie van dit rapport blijkt dat het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte te beperkt is geweest om te kunnen bepalen of de narcistische persoonlijkheidsproblematiek die tijdens het onderzoek naar voren is gekomen, voldoet aan de criteria van de persoonlijkheidstoornis. Ook de onrijpheid van verdachte vormt een beletsel om tot de conclusie van een persoonlijkheidsstoornis te komen, zo blijkt uit de conclusie.

Voorts luidt de conclusie: “De onderzoeksmogelijkheden zijn te beperkt geweest om een verantwoorde inschatting te maken van de mate en de wijze waarop de beschreven problematiek heeft doorgewerkt in het telastegelegde, indien bewezen. Wij onthouden ons daarom van een advies over de toerekeningsvatbaarheid.”

Op grond van deze conclusie kan de rechtbank niet vaststellen dat bij verdachte op het moment dat hij het in zaak A bewezengeachte feit pleegde, sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De deskundigen hebben hierover immers geen verantwoorde inschatting kunnen maken en geen uitspraak kunnen doen. De rechtbank ziet dan ook geen mogelijkheid om TBS op te leggen.

De rechtbank vindt het zeer spijtig dat verdachte heeft geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar zijn geestvermogens. Hiermee worden mogelijke behandelingen voor verdachte door hem zelf gefrustreerd.

De rechtbank heeft voorts nog gelet op de inhoud van het voorlichtingsrapport van M.C. de Vries van Reclassering Nederland van 30 juli 2008 en het in het kader van zaak B opgemaakte rapport van de psycholoog D. IJland van 14 mei 2007.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van lange duur noodzakelijk om de samenleving tegen verdachte te beschermen. De rechtbank is voorts van oordeel dat gelet op bovengenoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de duur van de straf af te wijken van de oriëntatiepunten die de rechtbank Amsterdam voor doodslag hanteert. Immers, de omstandigheid dat verdachte weigert om zijn medewerking te verlenen aan onderzoek en aldus behandelingen frustreert, maakt het belang om de maatschappij tegen verdachte in bescherming te nemen door verdachte langdurig zijn vrijheid te ontnemen naar het oordeel van de rechtbank groter.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De moeder van het slachtoffer, mevrouw [persoon 12], heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een totaalbedrag van € 2667,55 aan materiële schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een deel van de vordering van de benadeelde partij [persoon 12], van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Dit betreft alle posten met uitzondering van de post: stoeptegel: StichtingTegenZinloosGeweld. Tevens is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor in zaak A bewezengeachte feit, rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.597,55 (vijfentwintighonderdzevenennegentig euro en vijfenvijftig cent). De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 12] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

In het overige deel van de vordering van de benadeelde partij, zijnde de post ‘stoeptegel: StichtingTegenZinloosGeweld’, zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren, nu niet is gebleken dat deze schade rechtstreeks aan de benadeelde partij is toegebracht door het in zaak A bewezengeachte feit.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 13/021358-04, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis d.d. 6 december 2004 van de meervoudige kamer te Amsterdam, waarbij verdachte is veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 wetboek van Strafrecht, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 5 maanden niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of zich niet heeft gehouden aan de gestelde bijzondere voorwaarde: dat veroordeelde zich onverwijld dient te stellen en gedurende de proeftijd te blijven onder toezicht van en zich dient te gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen van: Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, zolang deze instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt het volgen en voltooien van de Individuele Training Agressie Beheersing van De WAAG, met opdracht aan die instelling HULP en steun te verlenen (ex artikel 14d Wetboek van Strafrecht).

Tevens bevindt zich bij de stukken een akte waaruit blijkt dat de kennisgeving, bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering, op 28 november 2006 aan verdachte is uitgereikt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, aangezien deze vordering niet opportuun is gezien haar strafeis.

De raadsman heeft verzocht om de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen, daar deze vordering volgens de raadsman niet opportuun is.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat de vordering tenuitvoerlegging niet opportuun is en ziet hierin aanleiding de vordering tenuitvoerlegging af te wijzen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van zaak A:

doodslag.

Ten aanzien van zaak B:

1.mishandeling;

2.bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

? Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 JAREN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

? Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 12], domicilie kiezende op het adres: [adres] toe tot een bedrag van € 2.597,55 (vijfentwintighonderdzevenennegentig euro en vijfenvijftig cent).

Veroordeelt verdachte aan [persoon 12] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [persoon 12], te betalen de som van € 2.597,55 (vijfentwintighonderdzevenennegentig euro en vijfenvijftig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 42 dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voorzover verdachte heeft voldaan aan een van voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

? Wijst de vordering tenuitvoerlegging af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.W. Moors, voorzitter,

mrs. J.P.C. van Dam van Isselt en K. Boukema, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Verkaik, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2008.