Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6962

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-12-2008
Datum publicatie
15-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/3099 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Koppelingswet. Vernietiging. Doorkruising vreemdelingenrecht?

Eiser, geboren in 1999, is niet verzekerd voor de AWBZ op grond van zijn verblijfstitel. Verweerder weigert om die reden hem in aanmerking te brengen voor de door het CIZ geïndiceerde zorg. Naar het oordeel van de rechtbank is deze weigering niet in strijd met een aantal bepalingen van internationaal recht, waaronder de artikelen 3, 8 en 14 van het EVRM. De rechtbank vernietigt het besluit uiteindelijk alsnog, omdat verweerder onvoldoende is ingegaan op eisers recht op onderwijs op grond van het IVRK. Bij het nieuw te nemen besluit dient verweerder een aantal in dat verband door de rechtbank geformuleerde vragen in aanmerking te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2009, 13 met annotatie van mr. J. Hallie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/3099 AWBZ

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser]

eiser,

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. E.C. Weijsenveld

en

Agis Zorgverzekeringen,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Wood.

1. Procesverloop

1.1 Eiser is geboren in Nederland op [geboortedatum] 1999. Zijn moeder, [naam moeder], is circa tien jaar geleden vanuit [woonplaats buitenland] naar Nederland gekomen.

1.2 Namens eiser is op 11 april 2008 een aanvraag ingediend voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Bij besluit van 28 april 2008 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) eiser geïndiceerd voor zorg. Bij besluit van 26 mei 2008 heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen.

1.3 Het namens eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij beslissing op bezwaar van 4 juli 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.4 Namens eiser is tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

1.5 De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting op 9 oktober 2008. Eiser is daar niet in persoon verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn moeder, [naam moeder], bijgestaan door mr. E.C. Weijsenveld. Namens verweerder is mr. M.A. Wood verschenen.

2. Overwegingen

2.1 De standpunten van partijen

2.1.1 Verweerder heeft zich in het besluit van 28 april 2008 op het standpunt gesteld dat eiser niet verzekerd is ingevolge de AWBZ en daarom niet in aanmerking kan komen voor zorg ten laste van de AWBZ.

2.1.2 In bezwaar is namens eiser – kort gezegd – aangevoerd dat hij de geïndiceerde zorg nodig heeft om naar school te kunnen gaan en dat hij ook recht heeft op die zorg zolang hij in Nederland verblijft. In dit verband is namens eiser een beroep gedaan op bepalingen van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en het Europees Sociaal Handvest (ESH). Voorts is gewezen op een aanhangig wetsvoorstel met betrekking tot AWBZ-zorg voor mensen in de positie van eiser.

2.1.3 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de verblijfstitel van eiser hem niet binnen de kring der verzekerden op grond van de AWBZ brengt. De door eiser ingeroepen internationale bepalingen zetten de bepalingen met betrekking tot de kring der verzekerden op grond van de AWBZ ook niet ter zijde, aldus verweerder.

2.1.4 In beroep heeft eiser in essentie de reeds eerder geformuleerde bezwaren herhaald. Ter verdere onderbouwing daarvan is een brief van [naam school] (de school waarop eiser zit) en een rapportage van Defence for Children International overgelegd.

2.2 Het wettelijk kader

2.2.1 Artikel 5, eerste lid, van de AWBZ bepaalt dat verzekerd is overeenkomstig de bepalingen van deze wet, degene die ingezetene is, of geen ingezetene is, doch ter zake van in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

2.2.2 In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat in afwijking van het eerste lid, vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, niet verzekerd zijn.

2.2.3 Het derde lid van dit artikel bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking kan worden gegeven aan de kring der verzekerden.

2.3 De beoordeling door de rechtbank

2.3.1 Kring der verzekerden AWBZ

2.3.1.1 De rechtbank stelt als eerste vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser op grond van artikel 5 van de AWBZ en de daarop rustende bepalingen niet tot de kring der verzekerden AWBZ behoort. Eiser houdt immers niet rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000.

2.3.1.2 De rechtbank dient in dit geschil de vraag te beantwoorden of eiser desondanks een recht op AWBZ-zorg kan doen gelden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

2.3.2 Het ESH en het IVESCR

2.3.2.1 Voor zover het beroep van eiser ziet op artikelen uit het ESH en het IVESCR wijst de rechtbank op vaste jurisprudentie van de CRvB (vgl. CRvB 11 november 2007, www.rechtspraak.nl, LJN: BB5687), waaruit naar voren komt dat deze bepalingen niet kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd geen aanleiding om dienaangaande een van de CRvB afwijkend standpunt in te nemen.

2.3.3 Artikel 3 EVRM

2.3.3.1 Voorts heeft eiser een beroep gedaan op artikel 3 EVRM. In dit artikel is bepaald dat niemand onderworpen mag worden aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.3.3.2 De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) naar voren komt dat een zeer hoge drempel wordt opgeworpen voor het kunnen vaststellen van schending van artikel 3 EVRM (vgl. EHRM 6 februari 2001, www.rechtspraak.nl, LJN: AD4236 (Bensaid) en EHRM 2 mei 1997, www.rechtspraak.nl, LJN: AB8007 (D. vs United Kingdom)). Zonder afbreuk te willen doen aan de situatie van eiser, is de rechtbank van oordeel dat deze drempel door eiser niet wordt gehaald.

De verwijzing namens eiser naar een uitspraak van de voorzieningenrechter (LJN: BB6733) treft naar het oordeel van de rechtbank geen doel, omdat in die procedure een ander beoordelingskader dan in de onderhavige beroepsprocedure van toepassing was. Eiser heeft voorts geen andere jurisprudentie genoemd die zijn standpunt met betrekking tot artikel 3 EVRM zou kunnen ondersteunen. Het beroep van eiser op artikel 3 EVRM wordt daarom door de rechtbank verworpen.

2.3.4 Artikel 8 EVRM

2.3.4.1 Eiser heeft een beroep gedaan op artikel 8 EVRM, in relatie met artikel 14 EVRM. In het eerste lid van artikel 8 EVRM is bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid is bepaald dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.3.4.2 De rechtbank stelt voorop dat het in het geval van eiser niet gaat om de situatie waarin inbreuk wordt gemaakt op of inmenging plaatsvindt in het gezinsleven, maar hooguit om het al dan niet bestaan van een positieve verplichting voor de overheid om maatregelen te treffen die de beleving van het recht op het gezinsleven bevorderen. Reeds hierom kan het beroep van eiser op EHRM 21 september 2006 (12643/02, Moser, www.rechtspraak.nl, LJN: AZ1538) niet slagen. In die zaak ging het om het maken van een (verboden) inbreuk op het gezinsleven vanwege het uit huis plaatsen van het kind, en derhalve om een andere situatie dan in de onderhavige zaak aan de orde is.

2.3.4.3 Voorts volgt uit vaste jurisprudentie van het EHRM dat de Staat een “certain margin of appreciation” (lees: een zekere mate van beoordelingsvrijheid) moet worden toegekend. In dat verband merkt de rechtbank nogmaals op dat de CRvB al diverse malen heeft geoordeeld dat het doel dat de wetgever met de Koppelingswet wenste te bereiken aanvaardbaar is te achten. De rechtbank ziet vervolgens niet in dat verweerder op grond van artikel 8 EVRM zorg had dienen te verlenen aan eiser, in weerwil van het feit dat de wetgever hem niet onder de kring van verzekerden AWBZ heeft willen brengen.

Daarbij laat de rechtbank tevens meewegen dat volgens vaste jurisprudentie van het EHRM uit artikel 8 EVRM geen algemeen recht voor vreemdelingen voortvloeit om in Nederland domicilie te kiezen en dat voor Nederland derhalve niet de verplichting bestaat om de domiciliekeuze voor Nederland te respecteren. Daaruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat uit artikel 8 EVRM evenmin een keuzerecht voortvloeit om in Nederland zorg te verkrijgen en dat voor Nederland dan ook geen verplichting bestaat om een dergelijke keuze te respecteren.

Tot slot overweegt de rechtbank dat uit medische informatie van het Bureau Medische Advisering van 25 februari 2008 naar voren komt, dat het niet te verwachten is dat er op korte termijn sprake is van een medische noodsituatie, waardoor eisers moeder niet meer voor eiser zou kunnen zorgen. In dit licht bezien is er des te minder reden om binnen het kader van artikel 8 EVRM een positieve verplichting voor de Staat aan te nemen.

2.3.5 Artikel 14 EVRM

2.3.5.1 In artikel 14 EVRM is bepaald dat het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook.

2.3.5.2 Naar vaste jurisprudentie van het EHRM is een verschil in behandeling op grond van artikel 14 EVRM discriminerend, wanneer er geen objectieve en redelijke rechtvaardiging voor bestaat. Van een schending van artikel 14 EVRM is in het geval van eiseres geen sprake, nu – zoals de rechtbank onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB al meerdere malen heeft overwogen – voor het verschil in behandeling op grond van verblijfsstatus een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.

Het beroep van eiser op EHRM 25 oktober 2005 (58453/00, Niedzwiecki, www.rechtspraak.nl, LJN: AU9914) kan hem niet baten, omdat dit arrest ziet op een andere feitelijke situatie dan thans ter beoordeling voorligt.

2.3.6 Het IVRK

2.3.6.1 Namens eiser is voorts een beroep gedaan op het IVRK, en dan met name op het hierin neergelegde recht op onderwijs.

2.3.6.2 De rechtbank constateert dat namens eiser reeds in bezwaar is aangevoerd dat het onthouden van zorg er in zijn specifieke geval toe leidt dat hij, in strijd met onder andere het IVRK, geen onderwijs kan volgen. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder dit in zijn heroverweging van het primaire besluit heeft meegenomen. Ook ter zitting is verweerder daarop naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inhoudelijk ingegaan. Dit gegeven is voor de rechtbank aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen wegens een ondeugdelijke motivering.

2.3.6.3 De rechtbank ziet voorts geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder nader onderzoek te verrichten naar de vraag of het onthouden van de geïndiceerde zorg aan eiser strijd oplevert met het recht op onderwijs. In het te verrichten onderzoek zal verweerder onder meer de volgende deelvragen dienen te betrekken:

• Bestaat er in het onderhavige geschil aanleiding om met een beroep op het IVRK, in het bijzonder op de artikelen 28 en 29 van het IVKR, af te wijken van het tweede lid van artikel 5 van de AWBZ?

• Is de verlening van de geïndiceerde zorg noodzakelijk voor het uitoefenen van het recht op onderwijs door eiser, of ziet deze slechts op het kunnen volgen van onderwijs aan [naam school]? In het verlengde van deze vraag: Impliceert het onthouden van de in het onderhavige geval geïndiceerde zorg dat eiser ook elders in Nederland zijn recht op onderwijs niet kan effectueren / geen onderwijs zal kunnen volgen?

• Brengt het toekennen van zorg in dit specifieke geval een doorkruising van het koppelingsbeginsel met zich mee, mede gelet op het feit dat ook niet rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarige vreemdelingen leerplichtig zijn?

2.4 Conclusie

2.4.1 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en verweerder opdragen binnen zes weken een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.4.2 De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten bedragen in totaal € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van eisers gemachtigde).

2.4.3 Verweerder dient tot slot het door eiser betaalde griffierecht ad € 39,- te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen, met inachtneming van al hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, begroot op in totaal 644,- en te betalen door verweerder aan eiser;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaald griffierecht ad € 39,- dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 3 december 2008 door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. N.M. van Waterschoot en mr. C.W.M. Giesen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B