Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6585

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
AWB 07-818 WW44
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning verleend voor container als opvangplek voor jongeren. Geen strijd met het bestemmingsplan, aangezien ‘rondhangen’ als vorm van vrijetijdsbesteding kan worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/818 WW44

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen,

verweerder,

gemachtigde mr. R.E. van ’t Hof.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 18 september 2006 aan de gemeente Diemen een bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een container voor een jongerenopvangplek op het perceel [perceel] te Diemen. Eiser heeft hiertegen op 13 oktober 2006 bezwaar gemaakt.

Eiser heeft op 23 februari 2007 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn bezwaar.

Bij besluit van 27 februari 2007 heeft verweerder alsnog een beslissing genomen op eisers bezwaar (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2008. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar

2.1 Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het bestuursorgaan binnen zes weken na ontvangst van het bezwaarschrift. In het onderhavige geval is na ommekomst van deze termijn een beslissing op bezwaar genomen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige procedure voornoemde beslistermijn is overschreden.

2.2 Op grond van artikel 6:20, zesde lid, van de Awb kan in een situatie als de onderhavige, waarin nadat beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit, dat besluit alsnog wordt genomen, het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond worden verklaard, indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Nu met het nemen van het thans bestreden besluit het (proces)belang aan het ingestelde beroep is komen te ontvallen, is de rechtbank van oordeel dat eiser geen belang heeft bij gegrondverklaring van zijn beroepschrift. Hierbij merkt de rechtbank op dat een dergelijk belang niet is gelegen in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van de proceskosten of vergoeding van het griffierecht. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.3 Bij de toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door eiser betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen de thans bestreden beslissing. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het niet tijdig beslissen op de bezwaarschriften heeft moeten maken. Die kosten zijn begroot op een bedrag van € 80,50 (1 punt x € 322,00 x factor 0,25) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft daarbij 1 punt toegekend voor het indienen van het beroepschrift. De wegingsfactor is, gelet op het gewicht van de zaak, gesteld op 0,25.

Ten aanzien van de hoofdzaak

Ontvankelijkheid

2.4 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep tegen het bestreden besluit niet ontvankelijk moet worden geacht, omdat het beroep prematuur, voordat verweerder het bestreden besluit heeft genomen, is ingediend.

2.5 De rechtbank stelt echter vast dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op grond van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb wordt geacht mede te zijn gericht tegen het bestreden besluit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende gronden heeft aangevoerd tegen het bestreden besluit. Het beroep is dan ook ontvankelijk.

Standpunten van partijen

2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 18 september 2006 gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat niet in geschil is dat het inmiddels opgetrokken bouwwerk voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, de voorschriften van de bouwverordening en aan de redelijke eisen van welstand. Voorts staat vast dat het bouwwerk niet in strijd is met het bestemmingsplan of de krachtens dit plan gestelde eisen. Verweerder was dan ook gehouden de bouwvergunning te verlenen, waarbij een belangenafweging niet aan de orde is.

2.7 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij de besluitvorming onvoldoende oog heeft gehad voor de belangen van eiser. Er heeft geen overleg met eiser en de buurt plaatsgevonden. De container veroorzaakt veel overlast en zal worden gebruikt door hangjongeren om te hangen, dealen en vervelen. De locatie is niet per auto te bereiken en dus niet door de politie per auto te controleren. Spelende kinderen zullen zich bedreigd voelen. De container is een ideale plek voor het afsteken van vuurwerk en het stichten van brand, waarbij de plek niet is te bereiken voor de brandweer. Verder wordt er geluidsoverlast verwacht van party’s en scooters.

2.8 Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat de container in strijd is met het bestemmingsplan.

Beoordeling

2.9 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

2.10 Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet mag alleen en moet een bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de voorschriften van het Bouwbesluit, het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zo’n plan zijn gesteld, het bouwwerk naar het oordeel van de burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand of indien voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

2.11 Gelet op de tekst van artikel 44 van de Woningwet is dwingend voorgeschreven in welke gevallen verweerder tot verlening dan wel tot weigering van de bouwvergunning moet besluiten. De opsomming is limitatief. Verweerder komt ter zake dan ook geen vrije bevoegdheid toe. Indien het bouwplan niet in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, bouwbesluit of bouwverordening, redelijke eisen van welstand of enige andere bepaling, genoemd in artikel 44 van de Woningwet, dan is verweerder gehouden die bouwvergunning te verlenen.

2.12 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Diemen-Noord 1988. Ingevolge de plankaart behorende bij dit bestemmingsplan rust op de betrokken gronden de bestemming “G1: Groenvoorzieningen I”.

2.13 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de bestemmingsplanvoorschriften (hierna: de planvoorschriften) zijn de op de plankaart als zodanig aangegeven gronden bestemd voor openbaar groen, fiets- en voetpaden, speelplaatsen, sportbeoefening en andere vormen van vrijetijdsbesteding, een tuincentrum en dergelijke. Ingevolge het tweede lid zijn op deze gronden onder meer gebouwen toegestaan.

2.14 Dat eiser eerst ter zitting heeft aangevoerd dat er sprake is van strijd met het bestemmingsplan, acht de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde. Verweerder heeft immers ter zitting hierover zijn standpunt kunnen geven.

2.15 De container is bedoeld als opvangplek voor hangjongeren. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat ‘rondhangen’ kan worden aangemerkt als een vorm van vrijetijdsbesteding. Gelet op artikel 13, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften is de container niet in strijd met het bestemmingsplan. Verweerder was dan ook gehouden de bouwvergunning te verlenen nu niet gebleken is van andere weigeringsgronden.

2.16 De overige door eiser aangevoerde gronden met betrekking tot zijn belangen kunnen, gelet op het limitatieve stelsel van de van toepassing zijnde regelgeving, niet slagen.

2.17 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond is. Voor een vergoeding van het griffierecht of een veroordeling van verweerder in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

De rechtbank beslist als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van eiser begroot op een bedrag van € 80,50 (zegge: tachtig euro en vijftig eurocent), te betalen door de gemeente Diemen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan op 5 december 2008 door mr. H.P. Kijlstra, voorzitter, en

mrs. R.B. Kleiss en A.E.J.M. Gielen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier,en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B