Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG6526

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
02-12-2008
Datum publicatie
11-12-2008
Zaaknummer
AWB 08-4488 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijdering van een leerling van een middelbare school. Verweerder was bevoegd verzoekster van de school te verwijderen. Van deze bevoegdheid heeft verweerder, gelet op de betrokken belangen, in redelijkheid gebruik kunnen maken. Als gevolg van het handelen van verzoekster is vlak voor de school een dreigende situatie ontstaan. Door haar handelen heeft verzoekster de veiligheid op school in gevaar gebracht en het gevoel van veiligheid bij de leerlingen aangetast.

Wetsverwijzingen
Wet op het voortgezet onderwijs
Wet op het voortgezet onderwijs 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 08/4488 BESLU

uitspraak van de voorzieningenrechter

in de zaak tussen

[verzoekster],

verzoekster,

wettelijk vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoekster 1] en [vertegenwoordiger verzoekster 2],

gemachtigde mr. E. El Assrouti,

tegen

Stichting Amarantis Onderwijsgroep,

verweerder,

gemachtigde: [gemachtigde verweerder 1] en [gemachtigde verweerder 2].

1. Procesverloop

Met het besluit van 3 november 2008 heeft verweerder verzoekster verwijderd van het [middelbare school 1] in Amsterdam (hierna: het bestreden besluit).

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bij brief van 12 november 2008 bezwaar gemaakt. Op 13 november 2008 is namens haar een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

De voorzieningenrechter (hierna: de rechter) heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 november 2008. Het onderzoek in de zaak is vervolgens gesloten.

2. Overwegingen

1.1. Verzoekster is leerling van het [middelbare school 1] te Amsterdam. Dit lyceum maakt onderdeel uit van de Amarantis Onderwijsgroep.

1.2. De rechter heeft wat betreft de vaststelling van de feitelijke gebeurtenissen op

7 oktober 2008 in het bijzonder betrokken de verklaring van 17 november 2008 van de rector van de school, de heer [gemachtigde verweerder 2]. Hierin is een uitgebreide opsomming van de gebeurtenissen weergegeven. Deze verklaring is opgesteld na gesprekken met 4 à 5 klasgenoten van verzoekster alsmede met drie functionarissen van de school. Deze functionarissen ([pe[persoon 1], mentor van de verzoeksters klas, [persoon 2], conciërge en [persoon 3], afdelingsleider) zijn getuige geweest van een schermutseling tussen [persoon 4], een klasgenoot van verzoekster, en de broer van verzoekster vlak voor de ingang van de school. De rector heeft daarbij ook betrokken de camerabeelden die van verzoekster, haar broer en [persoon 4] op 7 oktober 2008 zijn gemaakt. De rechter heeft geen reden om aan te nemen dat de verklaring geen juiste weergave bevat van de feiten. Voorts heeft verzoekster de juistheid daarvan, een en ander zoals onder 1.3. is weergegeven, niet bestreden. De rechter gaat derhalve uit van de volgende feiten.

1.3. Verzoekster heeft op 7 oktober 2008 in de namiddag op school in het leslokaal een woordenwisseling gehad met haar klasgenoot [persoon 4]. [persoon 4] had kort daarvoor een pet in haar gezicht gegooid. Daarop is verzoekster kwaad het leslokaal uitgelopen. Daarbij heeft verzoekster de woorden uitgesproken: ”Jij gaat dood”. Verzoekster is vervolgens naar het naastgelegen lokaal gelopen waar haar mentor [persoon 1] zich bevond om hem van het gebeuren in de klaslokaal op de hoogte te stellen. Nadat verzoekster haar verhaal bij de mentor had gedaan, heeft de mentor [persoon 4] uit het klaslokaal gehaald om met hem een onderhoud te hebben over het voorval. Verzoekster heeft vervolgens haar 19-jarige broer gebeld. Nadat de schoollessen waren geëindigd, is de broer van verzoekster het schoolgebouw binnengelopen en is hij naar het lokaal gelopen waar verzoekster haar laatste les heeft gehad. Daar hebben verzoekster en haar broer elkaar getroffen. Vervolgens zijn verzoekster en haar broer gezamenlijk naar het lokaal gelopen waar op dat moment [persoon 4] nog met mentor [persoon 1] in gesprek was. Kort daarop zijn verzoekster en haar broer het schoolgebouw uitgelopen. Nadat [persoon 4] het gesprek met mentor [persoon 1] had beëindigd en het schoolgebouw was uitgelopen, is hij door verzoeksters broer vlak voor de ingang van de school aangesproken. Vervolgens heeft een woordenwisseling plaatsgevonden waarbij de broer van verzoekster aan [persoon 4] heeft gevraagd waarom hij verzoekster heeft geslagen. [persoon 4] heeft daarop geantwoord “Wie is je zus?”. Daarop heeft verzoeksters broer [persoon 4] weggeduwd en tevens geprobeerd [persoon 4] een klap te geven. Conciërge [persoon 2], die deze schermutseling zag plaatsvinden, is daarop vanuit de school naar buiten gekomen en heeft [persoon 4] weggetrokken. Vervolgens heeft afdelingsleider [persoon 3] die de schermutseling eveneens zag plaatsvinden, [persoon 4] naar binnen (de school in) gestuurd. Mentor [persoon 1] heeft [persoon 4] vervolgens binnen de school gehouden en aangegeven [persoon 4] niet alleen naar huis te willen laten gaan in verband met de dreigende situatie. Na afloop van het hele gebeuren, tegen vier uur ’s middags, hebben verzoekster en een vriendin zich bij de heer [persoon 3] gemeld en hem medegedeeld dat deze vriendin toevallig ene ‘T.’ was tegengekomen die hem vervolgens naar school had meegenomen om samen verzoekster van school op te halen. Verzoekster heeft daarbij aangegeven deze ‘T.’ vagelijk te kennen.

1.4. De volgende dag, 8 oktober 2008, heeft de schoolleiding verzoekster en haar moeder medegedeeld dat verzoekster hangende het onderzoek naar de gebeurtenissen op

7 oktober voorlopig niet welkom was op school.

1.5. Op 13 oktober 2008 heeft de schoolleiding aan de vader van verzoekster medegedeeld dat de school voornemens is verzoekster over te plaatsen naar een andere school ([middelbare school 2]) nu deze school bereid is gevonden verzoekster na de herfstvakantie over te nemen. Daarop heeft de vader te kennen gegeven dit niet te accepteren om reden dat de school zich te ver van huis bevindt en zijn advocaat te zullen raadplegen. Op de avond van 13 oktober 2008 heeft de vader de rector gebeld met het verzoek of verzoekster kon worden geplaatst op het [middelbare school 3]. Navraag door de rector heeft geleerd dat er op die school geen plaats meer is.

1.6. Bij brief van 15 oktober 2008 heeft verweerder de ouders van verzoekster op de hoogte gesteld van het voornemen verzoekster van school te verwijderen.

1.7. Op 27 oktober 2008 hebben de ouders van verzoekster, bijgestaan door haar advocate en vergezeld door een zus van verzoekster, een gesprek gehad met [gemachtigde verweerder 1], voornoemd. Daarbij was ook aanwezig de rector van de school.

1.8. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het verzoekster ernstig valt te verwijten dat zij op 7 oktober 2008 ter beslechting van een ruzie haar broer, die geen leerling is van de school, naar de school heeft laten komen en naar het lokaal heeft geleid waar [persoon 4] zich bevond. Vervolgens heeft zich vlak voor de school een confrontatie tussen [persoon 4] en verzoeksters broer plaatsgevonden waardoor een dreigende situatie is ontstaan. Het is uitsluitend het gevolg van het ingrijpen door een aantal schoolfunctionarissen dat een verdere escalatie is uitgebleven. Volgens verweerder is uit de videobeelden af te leiden dat de komst van verzoeksters broer niet alleen was bedoeld om haar veilig naar huis te begeleiden. Voorts heeft verweerder verzoekster ernstig aangerekend dat zij niet de waarheid heeft gesproken over de identiteit van haar broer (verzoekster verklaarde aanvankelijk dat het om ‘T.’ ging die zij vagelijk kende) en dat zij geen spijt heeft betuigd van haar aandeel in de gebeurtenissen. Verzoekster heeft hierdoor de veiligheid in de school en van de leerlingen op het spel gezet en tevens heeft zij het vertrouwen van verweerder in haar ernstig geschaad, aldus verweerder.

1.9. Verzoekster voert in de kern aan dat zij ruzie had met [persoon 4] over snoep. [persoon 4] heeft vervolgens een pet in haar ogen gegooid. Hierop heeft verzoekster haar broer gebeld om [persoon 4] aan te spreken en om haar op te halen van school. Verzoekster wenst op het [middelbare school 1] te blijven. Verzoekster acht de verwijdering gelet op de feiten en omstandigheden in strijd met het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Verzoekster wijst er op zij en [persoon 4] de ruzie inmiddels hebben bijgelegd. Verzoekster verzoekt onverwijld toegelaten te worden tot de school en tot het volgen van de lessen.

2. De rechter overweegt als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden

nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

2.2. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor elke soort van scholen of voor afdelingen van die scholen onder meer voorschriften omtrent verwijdering worden vastgesteld. Definitieve verwijdering van een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten.

2.3. Artikel 14, eerste lid, van het op artikel 27 van de WVO gebaseerde Inrichtingsbesluit W.V.O. (hierna: het Inrichtingsbesluit) bepaalt, voor zover van belang, dat het bevoegd gezag kan besluiten tot definitieve verwijdering van een leerling nadat deze en, indien de leerling nog geen 18 jaar is, ook diens ouders, in de gelegenheid is onderscheidenlijk zijn gesteld hierover te worden gehoord. Ingevolge het tweede lid geschiedt de definitieve verwijdering van een leerling slechts na overleg met de inspectie. Hangende dit overleg kan de leerling worden geschorst. Het overleg strekt er mede toe, na te gaan op welke andere wijze de betrokken leerling onderwijs zal kunnen volgen.

Ingevolge het derde lid stelt het bevoegd gezag de inspectie van een definitieve verwijdering schriftelijk en met opgave van redenen in kennis.

2.4. Tussen partijen is niet in geschil dat een andere school bereid is gevonden verzoekster toe te laten, zodat aan het bepaalde daarover in artikel 27, eerste lid, van de WVO is voldaan. Evenmin is tussen partijen in geschil dat de ouders van verzoekster door verweerder zijn gehoord en dat de onderwijsinspectie door verweerder in kennis is gesteld en geraadpleegd. Aan artikel 14 van het Inrichtingsbesluit is dus voldaan.

2.5. Gelet hierop komt aan verweerder op grond van artikel 27, eerste lid, van de WVO in samenhang met artikel 14, eerste lid, van het Inrichtingsbesluit de bevoegdheid toe om verzoekster van school te verwijderen. Gegeven de tekst van deze bepalingen is de rechterlijke toets beperkt tot de vraag of verweerder in redelijkheid, gelet op de betrokken belangen, van deze bevoegdheid gebruik kon maken.

2.6. Naar het voorlopige oordeel van de rechter is dit het geval.

De rechter neemt daartoe allereerst in aanmerking de inhoud en aard van verzoeksters jegens [persoon 4] geuite uitlating “Jij gaat dood”. Deze uitlating draagt een uiterst bedreigend karakter en is bovendien geuit in een school tijdens een lesuur zodat deze voor kinderen hoorbaar kon zijn. De rechter is voorts met verweerder van oordeel dat het verzoekster zwaar valt aan te rekenen dat zij haar broer heeft gebeld met de bedoeling hem naar school te laten komen om [persoon 4] op zijn gedrag aan te spreken. Ook nadat zij bij mentor [persoon 1] over het voorval in de klas haar verhaal had gedaan, heeft verzoekster het toch nog nodig gevonden haar broer te bellen. Van een impulsieve reactie van verzoekster was dan ook geen sprake. Voorts staat voor de rechter voldoende vast dat verzoekster haar broer naar school heeft laten komen om [persoon 4] ‘een lesje te leren’. De rechter is er niet van overtuigd geraakt dat het verzoekster enkel om te doen was dat [persoon 4] door haar broer op zijn gedrag zou worden aangesproken. Verzoekster had de kwestie kunnen laten rusten nadat de schoolleiding [persoon 4] had aangesproken. Echter, verzoekster heeft samen met haar broer [persoon 4] daarna juist opgewacht. Ook heeft zij geen actie ondernomen om de gemoederen tot bedaren te brengen, ook niet toen vlak voor de school de situatie uit de hand dreigde te lopen.

Bovendien heeft verzoekster door haar broer de school binnen te laten een huisregel van de school overtreden (nummer 8). Deze huisregel staat vermeld in de schoolgids zodat verzoekster daarmee bekend was, althans bekend kon zijn. Het valt verzoekster voorts te verwijten dat zij heeft gelogen, ook na het zien van de camerabeelden, over de identiteit van haar broer. Eerst na de hoorzitting op 27 oktober 2008 heeft verzoekster in een telefoongesprek met de rector toegegeven te hebben gelogen. Verzoekster heeft door haar handelen de veiligheid op school op het spel gezet en het gevoel van veiligheid bij de leerlingen aangetast in die zin dat als gevolg van haar handelen er vlak voor de school een dreigende situatie is ontstaan waarbij de schoolleiding zich gedwongen heeft gevoeld een leerling in bescherming te nemen tegen (dreigend) fysiek geweld.

2.7. Verweerder heeft bij zijn besluit voorts mogen betrekken dat verzoekster tijdens de verschillende gesprekken met de schoolleiding er geen blijk van heeft gegeven doordrongen te zijn geraakt van de ernst van de situatie en de mate waarin haar handelen haar valt te verwijten. De rechter heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting niet de overtuiging gekregen dat hierin bij verzoekster inmiddels verandering is gekomen.

2.8. De rechter komt tot de slotsom dat verweerder het belang van veiligheid op school en het belang om voorvallen als de onderhavige te voorkomen zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang van verzoekster om op het [middelbare school 1] te mogen blijven. De rechter heeft hierbij betrokken dat verzoekster toegang heeft tot het onderwijs op een andere school en dat verweerder, door toezending van studiewijzers en huiswerk, zich ondertussen inspanningen (heeft) getroost om een lesachterstand voor verzoekster zo beperkt mogelijk te houden.

2.9. De rechter heeft bij zijn oordeelsvorming buiten beschouwing gelaten het door de rector in zijn verklaring van 17 november 2008 beschreven handgemeen tussen verzoeksters broer en een andere klasgenoot van verzoekster, [persoon 5], op enige afstand van de school waarbij lichamelijk letsel is toegebracht. Hoewel dit handgemeen zich voordeed onmiddellijk na het voorval vlak voor de school, bestaat er onvoldoende, aan verzoeksters handelen toe te rekenen, verband tussen beide incidenten.

2.10. Gelet op voorgaande overwegingen zal het bestreden besluit naar verwachting in bezwaar stand houden. Er is dan ook geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

2.11. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Evenmin is grond aanwezig om te bepalen dat het griffierecht dient te worden vergoed.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 2 december 2008 door mr. C.F. de Lemos Benvindo, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Bouwmeester, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B