Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG5683

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2008
Datum publicatie
01-12-2008
Zaaknummer
AWB 08/1991 WMO en AWB 08/1990 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag voor een traplift afgewezen omdat bij de verhuizing was te voorzien dat verzoekster (94 jaar) geen normaal gebruik van de woning zou kunnen maken. De rechtbank is anders dan verweerder van oordeel dat de woning moet worden aangemerkt als de meest geschikte woning nu verzoekster is verhuisd naar de woning van haar dochter omdat zij intensieve verzorging behoeft. Verweerder heeft miskend dat het belang dat de wetgever aan de verlening van mantelzorg hecht een grote rol dient te spelen bij de door verweerder in het kader van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d van de Verordening WMO te verrichten belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 08/1991 WMO en AWB 08/1990 WMO

van:

[verzoekster], wonende te [woonplaats],

verzoekster,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoekster],

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam

verweerder,

vertegenwoordigd door [gemachtigde verweerder].

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 23 mei 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het beroepschrift van verzoekster van

23 mei 2008, gericht tegen verweerders besluit van 14 april 2008 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 18 juni 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belan¬genafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Ingevolge artikel 8:86 van de Awb is de voorzieningenrechter bevoegd onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de feiten en omstandigheden in de hoofdzaak, geen nader onderzoek vergen. Nu partijen in de uitnodiging voor de zitting zijn gewezen op de mogelijkheid dat gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:86, van de Awb, bestaat er geen beletsel voor toepassing van dat artikel.

Feiten.

Bij de beoordeling van de zaak gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten.

Verzoekster is 94 jaar en was woonachtig in Groningen. Omdat zij daar niet langer zelfstandig kon wonen is zij bij haar dochter in Amsterdam gaan wonen. Haar dochter is woonachtig in een woning op de eerste verdieping die alleen via een buitentrap te bereiken is. Verzoekster is lichamelijk beperkt en niet in staat om trap te lopen. Om die reden heeft zij aan verweerder verzocht om haar in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een woonvoorziening in de vorm van een traplift toe te kennen.

Bij primair besluit van 10 december 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat bij de verhuizing te voorzien was dat verzoekster geen normaal gebruik van de woning zou kunnen maken.

Tegen dit besluit heeft verzoekster tijdig bezwaar gemaakt.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Daarbij is onder meer, onder verwijzing naar artikel 24, eerste lid, aanhef, en onder d van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning (hierna: de Verordening) het volgende overwogen:

“Uw moeder kon al niet traplopen toen zij bij u kwam inwonen. Daarom is de afwijzingsgrond dat het te voorzien was dat uw moeder geen normaal gebruik zou kunnen maken van de woning [adres] terecht gehanteerd. Dat wordt helaas niet anders doordat u zich genoodzaakt voelde uw moeder in huis te nemen. Alleen hierom al kan de gevraagde traplift niet worden verstrekt.

In het afwijzingsbesluit wordt uw moeder verder nog tegengeworpen dat zij niet over een individueel huurcontract beschikt en is verhuisd naar een onzelfstandige woonruimte. Ik merk op dat er van onzelfstandige woonruimte geen sprake is. De woning [adres] is een zelfstandige woonruimte. Wel is uw moeder bij u komen inwonen, en heeft zij daarmee geen zelfstandige woonruimte ter beschikking. Of dit op zichzelf genomen in dit geval een doorslaggevende reden kan zijn om de traplift te weigeren kan in het midden blijven, omdat het, zoals ik u hierboven heb aangegeven, voorzienbaar was dat de woning [adres] niet geschikt zou zijn voor uw moeder.

Uw voorkeur om uw moeder zelf te verzorgen verdient respect. Dit vormt echter geen reden tot toepassing van de hardheidsclausule, omdat daardoor van een vast beleid zou worden afgeweken in een niet uitzonderlijke situatie. Zoals wij op 7 april 2008 telefonisch hebben besproken lijkt de beste oplossing dat u tracht te verhuizen naar een woning die bereikbaar is zonder dat van een trap gebruik moet worden gemaakt, en die binnen ook geen trap heeft” .

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd dat er alternatieven zijn: verzoekster kan op redelijk korte termijn een aanleunwoning betrekken op korte afstand van het huis van de dochter gelegen. De dochter kan dan vanuit de eigen woning de zorg bieden die zij wenst. Daarnaast is verzoekster in het bezit van een aanvullend openbaar vervoerpas ”kamer tot kamer”, wat betekent dat zij zich door een chauffeur de trap kan laten afdragen. Ook is het voor de dochter mogelijk dat zij een medische indicatie vraagt voor haar huishouden, en samen met verzoekster en haar man verhuist naar een gelijkvloerse woning. Gelet op de woonduur van verzoekster, in combinatie met een medische indicatie is het goed mogelijk om binnen redelijk korte termijn aan passende woonruimte te komen.

Eiseres heeft in beroep –kort samengevat- gesteld dat het standpunt van verweerder zich niet verdraagt met het in artikel 4 van de Wmo neergelegde compensatiebeginsel en het belang dat de wetgever hecht aan het verlenen van mantelzorg.

Wettelijk kader

Per 1 januari 2007 is de Wet voorzieningen gehandicapten ingetrokken en is de Wet maatschappelijk ondersteuning (Wmo) in werking getreden.

In artikel 4 Wmo is het volgende bepaald:

1.Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen:

a. een huishouden te voeren;

b. zich te verplaatsen in en om de woning;

c. zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel;

d. medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

2. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorzieningen, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wmo stelt de gemeenteraad met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet bij verordening regels vast over de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen individuele voorzieningen en de voorwaarden waaronder personen die aanspraak hebben op dergelijke voorzieningen recht hebben op het ontvangen van die voorziening in natura, het ontvangen van een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget.

In artikel 24, eerste lid, aanhef, en onder d van de Verordening is bepaald dat een individuele woonvoorziening wordt geweigerd indien ten tijde van het betrekken van de woonruimte door de persoon met beperkingen te voorzien was dat in deze woonruimte beperkingen bij het normale gebruik van de woonruimte zouden worden ondervonden.

In de toelichting op de Verordening is onder meer ten aanzien van dit artikellid vermeld dat bij een verhuizing van een persoon met beperkingen worden verwacht dat deze rekening houdt met de omstandigheden. Dat betekent dat gezocht moet worden naar een woning die adequaat is. Het is mogelijk dat in de nieuwe woonruimte toch ook woningruimteaanpassingen worden gedaan, namelijk als verhuisd is naar de meest geschikte beschikbare woning maar deze desondanks nog niet geheel geschikt is voor de persoon met beperkingen.

De wetgever hecht bijzonder belang aan de inzet van mantelzorgers, wat onder meer blijkt uit een brief van 23 april 2004 (kamerstukken II 2003-4, 29538, nr. 1) aan de Tweede Kamer. Daarin heeft de regering kort samengevat als een van de uitgangspunten voor een nieuw zorgstelsel geformuleerd dat mensen zoveel mogelijk zelf verantwoordelijk zijn. Dit betekent dat gestimuleerd moet worden dat mensen verantwoordelijkheid voor zichzelf en de eigen omgeving dragen, onder meer door zorg voor hun naasten, omdat anders in de toekomst als gevolg van de vergrijzing de uitgaven aan langdurige zorg onbetaalbaar zullen worden. Deze nieuwe benadering is samengevat in de zinsnede “niet leunen maar steunen”. Het nieuwe zorgstelsel moet een krachtige impuls geven aan de extramuralisering in de zorg, en daarmee tegemoet komen aan de wensen van mensen om zo lang mogelijk in hun eigen omgeving zelfstandig te functioneren.

Overwegingen ten aanzien van het geschil.

De rechter stelt allereerst vast dat gelet op de hiervoor weergegeven toelichting op artikel 24 van de Verordening, de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, aanhef, en onder d, een belangenafweging van verweerder vergt.

Verder is de rechter van oordeel dat in het kader van deze belangenafweging het belang dat de wetgever aan de verlening van mantelzorg hecht een grote rol dient te spelen.

Nu verzoekster is verhuisd naar de woning van haar dochter omdat zij –zoals uit de stukken blijkt- intensieve verzorging nodig heeft, is de rechtbank van oordeel dat deze woning moet worden aangemerkt als de meest geschikte beschikbare woning in de zin van de toelichting op artikel 24 van de Verordening.

Hierbij tekent de rechter aan dat het in het bestreden besluit en ter zitting genoemde alternatief van verhuizing van verzoekster en haar dochter naar een andere (gelijkvloerse) woning niet als reëel kan worden aangemerkt. Allereerst heeft verweerder “de redelijk korte termijn” waarbinnen dit alternatief zou kunnen worden gerealiseerd niet gespecificeerd. Daarnaast zou een dergelijke verhuizing voor de dochter zeer bezwarend zijn, gelet op de daaraan verbonden kosten van verhuizing en herinrichting. Ook de suggestie dat verzoekster naar een aanleunwoning zou kunnen verhuizen acht de rechtbank niet reëel. Ook hier is de termijn waarbinnen dat zou kunnen door verweerder niet gespecificeerd. Los daarvan zouden de taken van de dochter aanmerkelijk verzwaard worden indien verzoekster elders verzorgd zou worden, mede gelet op het feit dat uit het indicatierapport van 19 september 2007 blijkt dat verzoekster in hoge mate hulpbehoevend is bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen. De bedoeling van de uitvoering van de Wmo is niet dat de taken van mantelzorgers verzwaard worden. Afgezien daarvan is zeker niet uitgesloten dat de (maatschappelijke) kosten van een dergelijke verhuizing en bewoning van een aanleunwoning aanmerkelijk hoger zijn dan de verstrekking van een traplift.

De stelling dat verzoekster zich door een chauffeur de trap op en af zou kunnen laten dragen, biedt –daargelaten de juistheid ervan- evenmin een adequate oplossing. Het ter zitting ingenomen standpunt van eiseres dat het op die wijze de trap bestijgen en afdalen op zijn minst risicovol kan worden genoemd acht de rechtbank aannemelijk. Bovendien zouden de mogelijkheden van verzoekster ernstig worden beperkt indien eiseres voor elke verplaatsing buitenshuis een beroep zou moeten doen op het aanvullend openbaar vervoer. Dit verdraagt zich niet met de zorgplicht die verweerder volgens het bepaalde in artikel 4 van de Wmo heeft ten aanzien van de mogelijkheid tot verplaatsing in en om de woning.

Op grond van het voorgaande is de rechter van oordeel dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd. Daarom zal het beroep gegrond worden verklaard, en het bestreden besluit worden vernietigd.

Verweerder heeft ter zitting enkele praktische problemen genoemd die zijn verbonden aan het plaatsen van een traplift. Er zijn geen fabrikanten te vinden die buitenshuis een traplift willen plaatsen vanwege de onderhoudsgevoeligheid. Hergebruik van de traplift zou niet mogelijk zijn, en de plaatsingskosten zijn in relatie tot de leeftijd van eiseres erg hoog.

De rechter wijst er allereerst op dat deze geschetste problemen niet ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit. Verder ziet de rechter in deze argumenten geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Uiteraard is een bestuursorgaan niet tot het onmogelijke gehouden, maar uit de stukken blijkt niet dat in de onderhavige zaak pogingen zijn gedaan om tot een aanbesteding van de aanleg van een traplift te komen. In het kader van de in artikel 4 van de Wmo neergelegde zorgplicht zal verweerder zich de nodige inspanningen moeten getroosten om de voorziening tot stand te brengen.

Voor wat betreft de levensverwachting van verzoekster in relatie tot de kosten van de

voorziening volstaat de rechter met de opmerking dat uit de Wmo niet blijkt dat dit een

relevant toetsingscriterium is.

Nu verzoekster en haar dochter al vanaf medio september 2007 doende zijn met de verkrijging van een traplift ziet de rechter aanleiding om na te melden voorziening te treffen op de voet van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen, nu verzoekster gelet op de beslissing in de hoofdzaak daar geen belang meer bij heeft.

Verweerder zal op na melden wijze worden veroordeeld in de proceskosten, en vergoeding van het griffierecht.

De rechter beslist als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? herroept het primaire besluit;

? draagt verweerder op om binnen twee weken nadat deze uitspraak rechtens onaantastbaar is geworden een (buiten)traplift te plaatsen bij de woning [adres], te Amsterdam;

? wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

? veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,- te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

? bepaalt dat verweerder het door verzoekster betaalde griffierecht ad. € 78,- vergoedt, te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2008 door mr. T.P.J. de Graaf, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I.I. Blom, griffier,

En bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan -voor zover het een onderdeel in de hoofdzaak (AWB 08/1990 WMO) betreft- gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B