Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4853

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
20-11-2008
Zaaknummer
13/847005-08
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BU7292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is een BV met groothandel in oa. schoonmaakmiddelen; men verkoopt ook à contant aan een balie. Chemicaliën die ook kunnen worden gebruikt voor de produktie van drugs, zoals aceton, zout- en zwavelzuur, vallen onder het assortiment. Voor deze chemicaliën geldt ingevolge de Wet voorkoming misbruik chemicaliën en de Verordening EG 273/2004 een meldingsplicht in het geval van verdachte voorvallen (d.w.z. verkopen die wel eens het vermoeden van een verband met drugsproduktie zouden kunnen doen ontstaan). In het verleden was de direktie van verdachte al eens op het matje geroepen bij de ovj n.a.v. verdachte leveringen. Men kreeg toen een transactie aangeboden. Volgens het OM ontving verdachte bij die gelegenheid tevens instructies hoe te handelen in voorkomende gevallen, maar daarvan is in de onderhavige zaak niet gebleken. N.a.v. een drugsvangst doken jerrycans met etiketten van verdachte op. De transacties met een bepaalde afnemer werden vervolgens onderzocht. Verdachte zei gemotiveerd deze afnemer bij ontstaan van de handelsrelatie te hebben gescreernd. Wel waren er niet alledaagse afnames geweest, bleek retrospectief. Verdachte klaagde niet precies te weten waar men zich aan heeft te houden, waar men op moet letten, wanneer is een transactie "verdacht", zodat hij moet worden gemeld. Niet is gebleken van duidelijke schriftelijke of mondelinge instructies terzake door de handhavende autoriteiten. Vgl. bijv. de zgn. indicatorenlijst die hoort bij de (vroegere) wet MOT. Zodoende weet de burger niet waar hij zich aan heeft te houden en is geen sprake van een "lex certa" (een duidelijke wet). Dat is in het strafrecht wel van belang. Om die reden geen schuld aangenomen, beslissing derhalve: ontslag van rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/847005-08

Datum uitspraak: 31 oktober 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de economische politierechter in de rechtbank Amsterdam in de strafzaak tegen

[bedrijf b.v.],

gevestigd te [adres] Amsterdam.

De economische politierechter heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is te laste gelegd dat

zij op een of meerdere tijdstippen in de periode 14 oktober 2005 tot en met 21 februari 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, als deelnemer aan het handelsverkeer en/of een persoon als bedoeld in artikel 1 tweede lid onder e van de verordening, de minister (van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) opzettelijk niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorval(len) die doen vermoeden dat (een) geregistreerde stof(fen), te weten zwavelzuur en/of zoutzuur, in de handel zal/zullen worden gebracht en/of die voor de invoer is/zijn bestemd, misbruikt zal/zullen worden of kan/kunnen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen;

en/of

zij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 22 februari 2006 tot en met 30 augustus 2006 te Amsterdam, althans in Nederland, als marktdeelnemer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, de bevoegde instantie (telkens) opzettelijk niet onverwijld in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot (een) geregistreerde stof(fen) die/dat er op wijst/wijzen

of kan/kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stof(fen) wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, namelijk heeft/hebben zij verdachte en/of haar mededader(s) meermalen, althans eenmaal, (een) hoeveelhe(i)d(en) zwavelzuur en/of zoutzuur voorhanden gehad en/of opgeslagen en/of verkocht en/of overgedragen aan (een) ander(en);

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het te lastegelegde bewezen.

3.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit overeenkomstig zijn ter terechtzitting overgelegde pleitaantekeningen.

3.3. Het oordeel van de economische politierechter

Er wordt van de volgende feiten en omstandigheden uitgegaan:

a. [bedrijf b.v.] is een groothandel op het gebied van de im- en export van chemische producten en reinigingschemicaliën;

b. [persoon 1] en [persoon 2] zijn - indirect, via persoonlijke vennootschappen - de eigenaren en bestuurders van [bedrijf b.v.].

c. [bedrijf b.v.] verkoopt en levert via balieverkopen onder meer aceton, zoutzuur en salpeterzuur, stoffen die voorkomen op Bijlage I, Geregistreerde stoffen in de zin van art. 2, onder a. van Verordening (EG) Nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren, categorie 3;

d. Blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal van 18 september 2001 heeft [persoon 3], rechercheur Belastingdienst/FIOD-ECD, naar aanleiding van het aantreffen van 150 jerrycans à 20 liter aceton met stickers vermeldend “[bedrijf b.v.]” in een huurauto, [persoon 2] gewezen op de verplichting onder de Wet voorkoming misbruik chemicaliën (Wvmc) tot melding van “verdachte transacties”; bij die gelegenheid werd een brochure betreffende de Wet en regelgeving aan [persoon 2] afgegeven.

e. In ieder geval sedert november 2003 was [bedrijf b.v. 3] te Drunen (“[bedrijf b.v. 3]”) klant van [bedrijf b.v.]; [bedrijf b.v. 3] exploiteerde een bunkerschip en bevoorraadde binnenschepen met olie- en gasproducten en schoonmaakmiddelen.

f. [persoon 2] heeft bij het aangaan van de klantrelatie met [bedrijf b.v. 3] het bunkerschip bezocht en bij die gelegenheid kennis gemaakt met de eigenaar, [persoon 4], en diens zoon, teneinde zich een beeld te vormen omtrent de bedrijfsvoering en - zo begrijpt de economische politierechter de ter terechtzitting door [persoon 2] afgelegde verklaring - het inschatten van de morele risico’s van het zakendoen met [bedrijf b.v. 3], ook met het oog op het feit dat aan [bedrijf b.v. 3] geregistreerde stoffen als bedoeld in van Bijlage I, categorie 3 (de “geregistreerde stoffen”) zouden kunnen worden geleverd; aan [bedrijf b.v. 3] werd door [bedrijf b.v.] het debiteuren/klantnr. 154399 verleend;

g. In de loop van 2003 zijn in een drugslaboratorium plastic jerrycans met geregistreerde chemicaliën aangetroffen met daarop een sticker van [bedrijf b.v.]; dit resulteerde op 19 november 2003 in een OM-transactie met [bedrijf b.v.] wegens het niet onverwijld doen van een melding als bedoeld in art. 8 lid 1 van de Verordening 273/2004 EG (“art. 8 lid 1”).

h. Sedertdien heeft [bedrijf b.v.] van tijd tot tijd lijsten gestuurd aan de belastingdienst/FIOD-ECD - het meldpunt voor voorvallen als bedoeld in art. 8 lid 1 - met daarin vermeld door [bedrijf b.v.] verrichte transacties m.b.t geregistreerde stoffen;

i. Blijkens facturen met documentcode D001 t/m D019 werden op 14 oktober 2005 hoeveelheden van 60 resp. 1089 kg. zwavelzuur geleverd; de factuur betreffende de 60 kg. was tenaamgesteld aan [bedrijf b.v. 3]; de factuur betreffende de 1089 kg. vermeldde eveneens [bedrijf b.v. 3] als tenaamstelling, met vermelding van “Afleveradres [bedrijf b.v. 2] in St. Niklaas, België; op 20 oktober 2005 werd 90 kg. zwavelzuur geleverd aan [bedrijf b.v. 3]; alle andere 17, daarop volgende, leveringen op klantennr. 154399 van wisselende gewichtshoeveelheden zoutzuur geschiedden op naam van aan [bedrijf b.v. 2];

j. In 2006 is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [bedrijf b.v. 3] c.q. [bedrijf b.v. 2] wegens onder meer de vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. In dat onderzoek kwamen sommige van de leveranties als bedoeld onder j. naar voren;

k. Op grond van de bevindingen van het onderhavige onderzoek en afgelegde verklaringen kan worden aangenomen dat de leveringen door [bedrijf b.v.] aan [bedrijf b.v. 3]/[bedrijf b.v. 2] plaatsvonden bij wijze van balieverkoop, à contant, aan iemand die bestelde op naam van [bedrijf b.v. 3]; bij de transactie werd men bij gelegenheid vergezeld van een derde persoon met een busje; ongeveer ten tijde van de tenaamstelling van de fakturen op [bedrijf b.v. 2] kwam een zekere [persson 6] mee; deze zou de relatie zijn van [persoon 5], broer van [persoon 4], die zich ook wel zou hebben uitgegeven voor “meneer Wong”; ter gelegenheid van een van de balieverkopen is door balieverkoper [persoon 7] van [bedrijf b.v.] gezien dat [persoon 5] met een stanleymes de bedrijfsnaam van [bedrijf b.v.] van de het etiket verwijderde; er is nimmer enig bedrag voor emballage (“statiegeld”) door [bedrijf b.v. 3] en/of [bedrijf b.v. 2] geïncasseerd.

Kennelijk op grond van hetgeen hierboven is opgesomd onder i. en k. verwijt de officier van justitie [bedrijf b.v.] dat zij “voorvallen” met betrekking tot geregistreerde stoffen niet onverwijld heeft gemeld (en - in connexe strafzaken - [persoon 2] en [persoon 1] dat zij daaraan feitelijk leiding, dan wel daartoe opdracht hebben gegeven.)

3.4. De economische politierechter acht, nu opzet niet kan worden bewezen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

in de periode 14 oktober 2005 tot en met 21 februari 2006 te Amsterdam als deelnemer aan het handelsverkeer de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet onverwijld in kennis heeft gesteld van een of meer voorvallen die doen vermoeden dat geregistreerde stoffen, te weten zwavelzuur en zoutzuur, in de handel zullen worden gebracht en misbruikt kan worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen

en

in de periode 22 februari 2006 tot en met 30 augustus 2006 te Amsterdam als marktdeelnemer de bevoegde instantie (telkens) niet onverwijld in kennis heeft gesteld van (een) voorval(len) met betrekking tot (een) geregistreerde stof(fen) die/dat er op wijst/wijzen of kan/kunnen wijzen dat deze in de handel te brengen geregistreerde stof(fen) wellicht misbruikt zullen worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen of psychotrope stoffen, namelijk heeft zij verdachte meermalen hoeveelheden zwavelzuur en/of zoutzuur verkocht en overgedragen aan (een) ander(en).

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in haar verdediging geschaad.

De economische politierechter grondt zijn beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Ook al zijn er geen op specifieke data te herleiden verkooptransacties aan te wijzen die als op zichzelf staand geval hadden moeten worden gemeld, in ieder geval kon het totaal van de transacties met [bedrijf b.v. 3]/[bedrijf b.v. 2] op enig moment in de bewezen geachte periodes als ongebruikelijk in de zin van “verdacht” worden bestempeld. [persoon 2] en [persoon 1] hebben dit beiden blijkens de door hen afgelegde verklaringen achteraf ingezien. Verdachte kan zich er niet op beroepen de algemene lijsten met transacties te hebben ingestuurd aan de FIOD/ECD, reeds omdat die lijsten geen verkooptransacties met [bedrijf b.v. 3]/[bedrijf b.v. 2] in de bewezen geachte periode(s) vermelden.

4. De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Niettegenstaande de bewezenverklaring zal verdachte niet worden veroordeeld. Verdachte zal worden ontslagen van rechtsvervolging wegens de afwezigheid van alle schuld.

Wat zich wreekt is het feit dat, zoals de raadsman terecht bij pleidooi heeft aangevoerd (par. 45-52 pleitnota), de wijze van strafbaarstelling via art. 2 Wvmc jo. art 8 lid 1 (de economische politierechter voegt toe: en, voor wat betreft de als eerste bewezen geachte periode, art. 2 Wvmc, oud), aan verdachte als normadressaat geen aanknopingspunten biedt om haar handelwijze ter zake van de meldingsplicht op af te stemmen. Met name ontbreekt het aan zowel formele als materiële, of zo men wil: zowel objectieve als subjectieve, duidelijke en bekendgemaakte zogenoemde “indicatoren”, zoals dat bijvoorbeeld is gebeurd in de Indicatorenlijst, als Bijlage behorend bij de Wet MOT (per 1 augustus 2008 vervangen door de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme, Wwft). Het feit dat er sedert 2000 verschillende contacten van verdachte met uitvoerings- en opsporingsinstanties zijn geweest teneinde verdachte haar verantwoordelijkheden onder de Wvmc in te prenten, doet daar niet aan af. In het kader van die contacten is niet gebleken dat aan verdachte concrete instructies en/of suggesties aan de hand zijn gedaan teneinde haar verkooptransacties met betrekking tot de onderhavige chemicaliën (beter) te beoordelen. Met name de brochure die op 18 september 2001 aan [persoon 2] ter hand is gesteld, houdt dienaangaande niets ter zake doende in, behalve de algemene informatie:

“De belastingdienst/Economische Controle Dienst (…) is aangewezen als toezichthouder op de naleving van de wet en als meldpunt voor verdachte transacties. Volgens artikel 2 van de WVMC is een ieder verplicht verdachte transakties te melden. Overtredingen van de bepalingen in de WVMC zijn strafbaar gesteld in de Wet Economische Delicten.”

Daarbij geldt dat in de processtukken niet exact wordt gerelateerd wat in mondelinge contacten tussen verdachte en de instanties is besproken omtrent de wijze waarop verdachte aan haar meldingsplicht moest voldoen. De behandeling ter terechtzitting heeft daarover ook geen duidelijkheid verschaft.

De raadsman heeft er voorts terecht op gewezen dat (nog) geen uitvoering lijkt te zijn gegeven aan art. 9 van Verordening 273/2004, dat de Commissie voorschrijft richtsnoeren op te stellen, met name omvattende informatie over manieren om verdachte transacties te herkennen en te melden.

Het voorgaande betekent dat met de wijze waarop het niet voldoen aan de meldingsplicht van art. 2 Wvmc (oud) en art. 2 Wvmc jo. art 8 lid 1 strafbaar is gesteld niet wordt voldaan aan de vereisten van het zogenaamde “lex certa”-beginsel. De eisen van rechtszekerheid brengen mee dat de burger moet weten waar hij aan toe is als overtreding van wetsvoorschriften met straf wordt bedreigd. De Europese en/of nationale wetgever dient in het formuleren van delictsomschrijvingen zo bepaald mogelijk te zijn. Is er niettemin sprake van strafbaarstelling via een vage norm als de onderhavige dan dient de normadressaat adequaat te worden voorgelicht omtrent zijn verplichtingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat dat is gebeurd, kan verdachte van het bewezen geachte geen verwijt worden gemaakt, hetgeen moet leiden tot ontslag van rechtsvervolging.

De economische politierechter komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

6. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, onder c, van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte voor het bewezene niet strafbaar en ontslaat haar van alle rechtsvervolging ter zake daarvan.

Dit vonnis is gewezen door

mr. W.M. van den Bergh, economische politierechter,

in tegenwoordigheid van J.B. Tubbing, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 oktober 2008.