Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG4436

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
17-11-2008
Zaaknummer
403121
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het instellen van een moratorium (gedwongen woningontruiming). Verzoekster is de afgelopen zeven jaar tot vijf maal toe veroordeeld door de rechtbank tot betaling van achterstallige huurpenningen, de laatste keer met bevel tot ontruiming. Verzoekster betaalt sinds twee maanden de lopende huurpenningen en lost af op de achterstallige huurpenningen.

Woningbouwvereniging is primair van mening dat er geen rechtsgrond bestaat om verzoekster in de woning te laten blijven, omdat de huurovereenkomst is ontbonden. Subsidiair voert zij aan dat er sprake is van een betalingsachterstand met een terugkerend karakter.

Rechtbank: het standpunt dat tussen partijen geen rechtsverhouding meer bestaat omdat de huurovereenkomst is ontbonden druist in tegen de strekking van artikel 305 Fw (verbod tot ontruiming woning) en is daarmee niet te verenigen.

Er is sprake van ernstige terugkerende wanbetaling die bij afweging van de belangen in dit geval niet rechtvaardigt dat het ontruimingsvonnis opzij wordt gezet.

Veroordeling van verzoekster in de kosten van het geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 403121/ FT RK 08.1090

Vonnis van 20 augustus 2008

in de zaak van

A,

geboren op,

wonende te,

hierna te noemen: A.

is door A tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een moratorium als bedoeld in artikel 287b Faillissementswet (Fw).

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 19 augustus 2008 door mr. K.D. van Ringen, rechter, bijgestaan door mr. R. Mons, als griffier.

A is ter terechtzitting verschenen. Zij is bijgestaan door mevrouw B, schuldhulpverleenster bij Doras, en de heer C, partner van A (hierna te noemen: C). Namens de schuldeiser woningbouwvereniging Stadgenoot (voorheen: Het Oosten, hierna te noemen: Stadgenoot) zijn ter terechtzitting verschenen mr. N. Vos, gemachtigde van Stadgenoot, en de heer D, senior medewerker van de afdeling Incasso van Stadgenoot.

1. Het verzoek

De gevraagde voorziening houdt in het van toepassing verklaren van artikel 305 Fw.

A heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij poogt een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers overeen te komen. Zij stelt dat sprake is van een bedreigende situatie. De gevraagde voorziening is volgens A noodzakelijk om rust te creëren, zodat de minnelijke schuldregeling kans van slagen heeft.

Door dan wel namens A zijn de navolgende omstandigheden aangevoerd.

A woont sinds 2004 samen met C en zij hebben samen twee kinderen, één van 2 jaar en één van 4 maanden. De bijstandsuitkering van A is stopgezet nadat zij met C was gaan samenwonen. C heeft tot 2002 een onderneming gehad en daaruit zijn schulden ontstaan. A en C hebben nu beiden een inkomen uit arbeid. A werkt parttime, C fulltime. Door gebrek aan inkomsten en als gevolg van overbesteding zijn de schulden opgelopen. Nu is er een huurschuld van € 6.659,80. Ten overstaan van de kantonrechter hebben A en Stadgenoot op 2 november 2007 een betalingsregeling afgesproken, inhoudende eenmalige betaling van € 2.000,- en vervolgens

aflossing op de huurschuld van € 200,- per maand. A heeft deze regeling niet kunnen nakomen.

A heeft zich op 21 april 2008 - na doorwijzing door het schuldhulpbureau Zuidweg & Partners - gemeld bij schuldhulpbureau Doras om een oplossing te zoeken voor haar

financiële problemen. In overleg met Doras is een plan van aanpak opgesteld voor de schuldenlast. Er is een betalingsregeling voorgesteld aan de verhuurder van € 80,- per maand. De verhuurder heeft niet met dit voorstel ingestemd, maar desondanks heeft A dit bedrag de afgelopen twee maanden naast de lopende huur betaald. A is thans afgesloten van gas en elektra. Zij heeft met haar partner inkomensbeheer aangevraagd, hetgeen naar verwachting volgende maand zal beginnen. Zij is van plan een minnelijke regeling aan te bieden via de Gemeentelijke Kredietbank Amsterdam (GKA). Bij afwijzing van het onderhavige verzoek zal de kans van slagen van dit minnelijke traject aanzienlijk worden verkleind.

2. Het verweer

Namens Stadgenoot is aan de hand van schriftelijke aantekeningen bepleit dat het verzoek moet worden afgewezen met veroordeling van A als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding.

Primair heeft Stadgenoot daartoe aangevoerd dat er geen rechtsverhouding meer bestaat tussen Stadgenoot en A, omdat de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 17 juni 2008 de huurovereenkomst heeft ontbonden. Er resteert daarom geen rechtsgrond op basis waarvan de lopende huurpenningen kunnen worden voldaan. Stadgenoot is van mening dat het verzoek daarom niet kan worden toegewezen.

Subsidiair heeft Stadgenoot opgeworpen dat zij er geen vertrouwen meer in heeft dat A van nu af aan gedurende een langere periode de huurpenningen zal voldoen. A is door de rechtbank Amsterdam bij vonnissen van 18 maart 2002, 5 februari 2004, 10 oktober 2006, 19 december 2006 en 17 juni 2008 veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen. Stadgenoot is van mening dat sprake is van een betalingsachterstand met een terugkerend karakter.

Ook in 2007 is Stadgenoot een procedure bij de kantonrechter begonnen tot betaling van achterstallige huur. Die procedure heeft geleid tot afspraken ter zitting van 2 november 2007. Daarbij is de schuld van A vastgesteld op € 5.100,- (inclusief rente en kosten). Afgesproken is toen dat A uiterlijk binnen twee weken na die behandeling € 2.000,- contant zou betalen en vervolgens vanaf medio december 2007 € 200,- per maand zou aflossen op de huurschuld, dit laatste in ieder geval totdat een verzoek van A tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou zijn toegewezen. Stadgenoot heeft haar daarmee een laatste kans gegeven om aan haar verplichtingen te voldoen. A heeft zich echter niet aan deze afspraken gehouden.

4. Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat schuldenaren, die met een gedwongen woningontruiming worden bedreigd, door de per 1 januari 2008 ingetreden wetswijziging een rustperiode kunnen verzoeken in afwachting van een aanbod tot minnelijke schuldregeling. Daartoe kan

een schuldenaar verzoeken artikel 305 Fw van toepassing te verklaren, hetgeen een verbod tot gedwongen woningontruiming behelst.

Mede gegeven de inhoud daarvan is de strekking van dit artikel dat de tenuitvoerlegging van het vonnis tot ontruiming kan worden opgeschort, zo lang de lopende huurpenningen tijdig

worden betaald. Het standpunt dat tussen partijen geen rechtsverhouding meer bestaat omdat de huurovereenkomst is ontbonden, druist in tegen die strekking en is daarmee niet te verenigen.

De toewijzing van een verzoek tot het instellen van een moratorium is afhankelijk van de afweging van de belangen van partijen over en weer. Het belang van A is om vanuit de huidige status quo te kunnen werken aan het oplossen van haar schulden. Het belang van Stadgenoot is om de relatie met een huurder te kunnen beëindigen indien deze herhaaldelijk huurschulden laat ontstaan.

In dit geval wegen naar oordeel van de rechtbank de belangen van Stadgenoot zwaarder dan die van A. Deze is in de afgelopen zeven jaar tot vijf maal toe veroordeeld tot betaling van achterstallige huurpenningen, de laatste keer met bevel tot ontruiming. Er is dan ook sprake van ernstige terugkerende wanbetaling van haar kant. Zij had eerder moeten beseffen dat haar financiële situatie serieus moest worden aangepakt en op orde gebracht, zeker nadat zij daartoe nog een kans had gekregen tijdens de zitting van 2 november 2007. Het feit dat zij inmiddels budgetbeheer heeft aangevraagd, maakt deze situatie niet wezenlijk anders. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden de mate van verwijtbaarheid van de betalingsachterstand aan de zijde van A zodanig groot dat het niet gerechtvaardigd is om het ontruimingsvonnis van 17 juni 2008 thans ten gunste van haar opzij te zetten.

Het verzoek wordt derhalve afgewezen. Daarbij dient A als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten te dragen, die in dit geval aan de zijde van Stadgenoot worden begroot op € 452,- (1 punt tarief II).

A heeft zich er niet over uitgelaten of zij haar verzoek tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling wenst te handhaven in geval van afwijzing van dit verzoek tot moratorium.

A zal bij afzonderlijke brief worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Deze behandeling zal plaatsvinden op 12 september 2008 te 10:50 uur. Daarop zal vervolgens bij afzonderlijk vonnis worden beslist.

Indien A het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling niet wenst te handhaven, dient zij dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank mee te delen en dat verzoek in te trekken.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5. Beslissing

De rechtbank

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt A in de kosten dit geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Stadgenoot begroot op € 452,- aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.D. van Ringen en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2008.