Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3861

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
30-01-2008
Datum publicatie
10-11-2008
Zaaknummer
350499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letselschade.

Eiseres raakt arbeidsongeschikt nadat zij haar hoofd heeft gestoten tegen wandmeubel in meubelwinkel.De rechtbank oordeelt dat sprake is van aansprakelijkheid en causaal verband en kent diverse gevorderde schadeposten toe, waaronder smartengeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2009, 47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 350499 / HA ZA 06-2899

Vonnis van 30 januari 2008

in de zaak van

A,

wonende te,

eiseres,

procureur mr. B.F. Nuijens,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CORONET INVESTMENTS B.V. (de rechtsopvolgster van P INTERIEURS B.V),

gevestigd te Laren,

gedaagde,

procureur mr. J.W. van Rijswijk.

Partijen zullen hierna A en P Interieurs B.V. genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 11 juli 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het proces-verbaal van comparitie van 2 november 2007 en de daarin vermelde processtukken en/of -handelingen.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. P Interieurs B.V. exploiteert een winkel in woninginrichtingsartikelen in Laren. In deze winkel bevindt zich een trap (hierna: de trap) van 1.20 meter breed die de eerste etage verbindt met een tussenbordes in de opgang naar de bovenste etage. Ter hoogte van dit tussenbordes bevindt zich een tegen de linkerwand gemonteerd wandmeubel (hierna: het wandmeubel). Naast de trap is zowel links als rechts een leuning.

2.2. Op 2 juni 1998 liep A met haar echtgenoot tijdens het winkelen in deze winkel langs de linkerleuning van de trap omhoog. Daarbij stootte zij haar hoofd tegen het wandmeubel waardoor haar hoofd achterover sloeg en zij bijna het evenwicht verloor (hierna: het ongeval). Zij is niet bewusteloos geraakt. Zij was wel meteen misselijk. Zij had een bloedende hoofdwond die ter plekke is verzorgd.

2.3. A heeft terzake van de door haar gevoelde gezondheidsklachten sinds het ongeval diverse (para)medische behandelingen, (neuro)psychologische en verzekeringsgeneeskundige onderzoeken ondergaan.

2.4. Ten tijde van het ongeval was A 45 jaar oud en werkte zij fulltime als afdelings-assistente bij KPN. Twee dagen na het ongeval heeft A zich ziek gemeld bij KPN. Per 2 juni 1999 is zij 80-100% arbeidsongeschikt verklaard in het kader van de WAO. Op 30 oktober 2000 heeft KPN het ontslag van A aangevraagd wegens voormelde arbeidsongeschiktheid en na mislukte pogingen tot reïntegratie .

2.5. Sinds haar ontslag bij KPN ontvangt A tot op heden een WAO-uitkering op basis van de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100%. Op 7 februari 2001 heeft B, arbeidsdeskundige van Gak Nederland B.V. (hierna: het UWV), het volgende gerapporteerd met betrekking tot A:

“(…)

Medische gegevens

Voor de belastbaarheid van cliënt verwijs ik naar de rapportage van verzekeringsarts C van 29 maart 2000 en het bijbehorende belastbaarheidspatroon. Uit deze rapportage blijkt dat cliënt geschikt is voor maximaal halve dagen (4 uur per dag) passend werk. De meest relevante beperkingen zijn: klimmen/klauteren, knielen/kruipen/hurken, gebruik van de nek, bovenhands werken, tillen, duwen/trekken en dragen. De psychische belastbaarheid is beperkt op punt: werken onder tijdsdruk, dwingend werktempo, conflicterende functie-eisen, conflicthantering en lawaai. Er worden eisen aan de werkomgeving gesteld ten aanzien van de vibratiebelasting.

(…)

Verdiencapaciteit

(…) Ik concludeer dat (de rechtbank begrijpt: voor) cliënt onvoldoende passende functies te duiden zijn.

Mate van Arbeidsongeschiktheid

Omdat voor cliënt geen passende functies zijn te duiden, is voor haar de arbeidsongeschiktheidsklasse 80-100% van toepassing.(…)”

2.6. In opdracht van D Assuradeuren, ongevallenverzekeraar van de werkgever van A, heeft dr. E, neuroloog, A medisch onderzocht op 13 juni 2000. In zijn rapport van 30 juni 2000 (hierna: het rapport van E) wordt, voor zover van belang, het volgende, vermeld:

“(…)

Samenvatting en conclusie

(…) Betrokkene is gezien door de neuroloog die op zijn gebied geen afwijkingen kon vinden. Betrokkene is behandeld door het revalidatieinstituut De Trappenberg. Echter e.e.a. heeft niet geleid tot het verdwijnen van de klachten. Momenteel klaagt betrokkene nog over: concentratiezwakte, geen twee dingen tegelijk kunnen doen, overgevoeligheid voor licht en geluid, nekpijn en een beperkte beweeglijkheid van de nek en soms hoofdpijn. Bij gericht neurologisch onderzoek vind ik formeel neurologisch geen afwijkingen. De nekbeweeglijkheid is intact en de nekmusculatuur is normotoon. Gebaseerd op bovenstaande kom ik tot de conclusie dat er bij betrokkene sprake is van een a-typisch trauma capitis et cervicalis met daarna klachten en bevindingen die passen binnen het kader van een bij het ongeval opgelopen post whiplash syndroom. De geweldsinwerking van het bovenbeschreven trauma op de nek is niet geheel duidelijk. Bij uitsluiting van andere oorzaken voor de genoemde klachten is het aannemelijk dat de klachten post traumatisch van aard zijn en aanleiding geven tot beperkingen.

Beantwoording van uw vragen

Vraag 1.Welke diagnose stelt u ten aanzien van de gevolgen van het ongeval dd 2-6-1998?

Antwoord: mijn diagnose ten aanzien van de gevolgen van het ongeval zoals bovengenoemd luidt atypisch veroorzaakt post whiplash syndroom van milde aard.

Vraag 2. Zijn de huidige klachten en afwijkingen, welke u op uw vakgebied vaststelt rechtstreeks en uitsluitend een gevolg van het ongeval dd 2-6-1998 of spelen daarbij nog andere factoren, geheel of ten dele, een rol. (…)

Antwoord: de huidige klachten zijn mijns inziens direct en indirect een gevolg van voornoemd ongeval. Gezien de blanco voorgeschiedenis en het ontbreken van klachten voorafgaand aan het ongeval zijn er op grond van mijn anamnese geen andere factoren aanwijsbaar.

Vraag 3.Acht u thans ten aanzien van de ongevalsgevolgen een eindtoestand bereikt of verwacht u nog veranderingen in gunstige dan wel ongunstige zin, al dan niet na therapeutische maatregelen?

Antwoord: ik acht thans, ruim 2 jaar na het voornoemde ongeval, een eindtoestand aanwezig.

Vraag 4. Welke beperkingen ondervindt betrokkene naar uw oordeel tengevolge van de door u op uw vakgebied vastgestelde ongevalsgevolgen voor de loonvormende arbeid in het algemeen? Zijn deze belemmeringen van blijvende aard?

Antwoord: ten gevolge van de gevolgen van bovengenoemd ongeval bestaan er momenteel lichte beperkingen voor zowel de arbeid in het algemeen, de activiteiten van het dagelijks leven in het algemeen, de zelfverzorgingsactiviteiten of huishoudelijke bezigheden, alsook de eventuele hobby’s, recreatie en sportbeoefening. Op grond daarvan is betrokkene minder geschikt voor het verrichten van werkzaamheden waarbij de nek- en schoudergordel worden belast. Daaronder versta ik in haar geval het meer dan incidenteel tillen van gewichten zwaarder dan 15 kilogram, het verrichten van werkzaamheden waar het uitvoeren van repeterende bewegingen van de halswervelkolom een integrerend deel van uitmaakt, het meer dan incidenteel verrichten van belastende werkzaamheden boven schouderhoogte en het gedurende enkele uren achtereen aannemen van min of meer dezelfde houding met de nek. In hoeverre deze beperkingen leiden tot een vermindering van verdiencapaciteit dient te worden uitgemaakt door een arbeidsdeskundige. Ik acht de belemmeringen van blijvende aard.

2.7. In opdracht van C, verzekeringsarts van UWV, heeft F, psychiater, A op 28 augustus 2000 onderzocht. In het rapport (hierna: het rapport van F) van 1 oktober 2000 staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Bespreking en advies

(…) Het grootste probleem lijkt me echter te liggen op het gebied van de cognitieve vermogens die, zoals uit neuropsychologisch testonderzoek is gebleken, duidelijk zijn verminderd. Daarnaast klaagt betrokkene over hoofdpijn. Al deze klachten zijn uitgebreid in de literatuur beschreven als gevolg van whiplash-laesies. (…) Ik wijs erop dat er bij betrokkene premorbide in het geheel geen neurotiserende ontwikkelingsfactoren konden worden geïdentificeerd. Ook op dit moment is er in wezen geen sprake van neurotische of ambivalente problematiek. Er is geen aanwijzing dat betrokkene lijdt of heeft geleden aan een persoonlijkheidsstoornis. Vanuit psychiatrisch oogpunt is het meest waarschijnlijk dat het klachtenpatroon (vrijwel) volledig op het conto geschreven moet worden van het trauma capitis. Gelet op de duur van de klachten, alsmede de reeds verstrekte revalidatiebehandeling lijkt me dat de prognose niet al te gunstig kan worden afgegeven.(…)”

2.8. Bij brief van 8 maart 2004 van G Expertises B.V. aan de advocaat van A wordt de volgende melding gedaan van de reactie van drs. I, medisch adviseur van de aansprakelijkheidsverzekeraar van P Interieurs B.V. met betrekking tot een voorstel tot een nieuwe neurologische expertise:

“(…) Hij deelde mee kennis te hebben genomen van de inhoud van de concept-brief/ vraagstelling bestemd voor neuroloog dr. J. Voorts heeft hij de inhoud van het medisch dossier nog eens op zich laten inwerken, op grond waarvan hij tot de conclusie komt dat een hernieuwde neurologische expertise geen enkele toegevoegde waarde heeft. (…) Het neurologisch rapport van dr. E d.d. 30 juni 2002 resulteerde naar zijn mening in een overzichtelijk verslag van de anamnese, de bevindingen bij onderzoek en de consequenties voor de schaderegeling. Ook is in het medisch dossier beschikbaar het resultaat van het onderzoek door psychiater F d.d. 28 augustus 2000, welk onderzoek werd verricht op verzoek van de verzekeringsarts C. (…) Het in de hiervoor geformuleerde (de rechtbank begrijpt: concept-brief/vraagstelling) kan in de onderhavige zaak ter zijde worden gelegd, immers is drs. I niet akkoord met een herexpertise op medisch gebied. (…) ”

2.9. A heeft P Interieurs B.V. aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden en nog te lijden schade ten gevolge van het ongeval.

2.10. Op 4 juli 2006 heeft P Interieurs B.V. aan A een bedrag van EUR 4.014,07 betaald.

3. Het geschil

3.1. A vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, P Interieurs B.V. te veroordelen:

I. tot vergoeding aan A van een bedrag van EUR 189.122,00 als voorschot op hetgeen P Interieurs B.V. A verschuldigd is ten gevolge van het ongeval, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

2 juni 1998, althans vanaf de datum waarop de verschillende schadeposten zijn opgetreden, althans vanaf de dag der dagvaarding;

II. tot vergoeding aan A van een bedrag van EUR 24.712,00, ter zake buitengerechtelijke kosten ten gevolge van het ongeval, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

III. tot vergoeding van de overige schade van A ten gevolge van het ongeval, op te maken bij staat en te vereffenenen volgens de wet;

IV. om binnen veertien dagen na dit vonnis over te gaan tot afgifte aan A van een zogenoemde belastinggarantie over het gehele door P Interieurs B.V. uitgekeerde en uit te keren bedrag aan verlies arbeidsvermogen;

met veroordeling van P Interieurs B.V. in de kosten van deze procedure.

3.2. Het gevorderde voorschot van EUR 189.121,71 betreft de volgende gestelde schadeposten:

verlies van arbeidsvermogen EUR 95.971,00

kosten van huishoudelijke hulp 40.673,00

verlies aan zelfwerkzaamheid (tuin) 39.313,00

kosten i.v.m. uitgestelde verhuizing 2.178,00

diverse medische kosten 2.510,88

diverse reiskosten 648,83

porto en lidmaatschap whiplash stichting 327,00

Smartengeld 7.500,00

Totaal gevorderd als voorschot EUR 189.121,71

3.3. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten ad EUR 24.712,00 specificeert A als volgt:

- EUR 21.290,00: kosten betreffende werkzaamheden van twee opeenvolgende advocaten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade, te weten 88 gedeclareerde uren ad EUR 190,00 per uur, exclusief 7% kantoorkosten en 19% BTW;

- EUR 3.422,00: kosten betreffende de werkzaamheden van de medisch adviseur van deze advocaten, het opvragen van medische informatie en van de werkzaamheden van K Expertisebureau.

3.4. P Interieurs B.V. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. aansprakelijkheid

4.1.1. A stelt dat P Interieurs B.V. volledig aansprakelijk is voor de door haar geleden schade op grond van onrechtmatige daad en voert hiertoe het volgende aan.

Het wandmeubel was op een hinderlijke en gevaarlijke (hoofd)hoogte bevestigd en het belemmerde de vrije doorgang wanneer men de trap opliep. Bovendien was de punt van het wandmeubel scherp. Het wandmeubel was ook niet goed zichtbaar omdat het was geschilderd in de kleur van de muur. Het wandmeubel had elders of hoger geplaatst kunnen worden. A verwijst naar een overgelegd rapport met foto’s van de situatie ter plaatse ten tijde van het ongeval van Achmea Rechtsbijstand Adviesdienst Verkeer en Techniek (hierna: het rapport van Achmea) van 26 januari 2000.

4.1.2. P Interieurs B.V. betwist haar aansprakelijkheid als volgt. Het bevestigen van een meubelstuk aan een muur is geen (abnormaal) gevaarlijke situatie die een bezoeker van een interieurzaak redelijkerwijs niet behoeft te verwachten. Het wandmeubel bevond zich niet op een zo ongebruikelijke plaats dat het winkelpubliek hiermee in het geheel geen rekening behoefde te houden, te meer nu P Interieurs B.V. een winkel betrof waar onder meer meubels werden verkocht. Bij het betreden van de trap was het wandmeubel goed zichtbaar. De trap was 1.20 meter breed zodat er meer dan voldoende ruimte was om het wandmeubel te passeren. P Interieurs B.V. heeft derhalve geen groter gevaar in het leven geroepen dan waarop een normaal mens bedacht hoeft te zijn. Het was geen optie om het wandmeubel hoger te plaatsen omdat dit esthetisch niet verantwoord was.

4.1.3. De rechtbank stelt voorop dat, zoals - onweersproken - is opgemerkt in het rapport van Achmea, het ongeval zich heeft voorgedaan op een trap in een winkel en derhalve in een voor publiek toegankelijk gebied. Voorts is niet in geding dat de trap in de winkel is aangebracht teneinde het winkelend publiek van en naar de bovengelegen winkelverdiepingen te leiden. Dit brengt mee dat in het kader van de in acht te nemen algemene veiligheidsmaatregelen ten behoeve van bezoekers aan P Interieurs B.V. als eigenaar/exploitant van de winkel hogere eisen moeten worden gesteld dan wanneer het een privé-omgeving zou betreffen.

4.1.4. Als onweersproken staat vast dat, zoals is opgemerkt in het rapport van Achmea, het wandmeubel in de looprichting van de trap hing en slechts met bijzondere aandacht en voorzichtigheid kon worden gepasseerd bij het oplopen van de trap. Voorts is niet betwist dat het wandmeubel was geschilderd in de kleur van de muur. Daarbij is niet gesteld of gebleken dat het wandmeubel, althans de punt daarvan, op zichtbare wijze was aangemerkt bij wijze van waarschuwing aan het publiek. Dit is temeer van belang nu er aan de linkerzijde, tegen de wand waaraan ook het wandmeubel was bevestigd, een leuning was aangebracht. Aldus werd het winkelend publiek als het ware uitgenodigd om zich - ook - langs die zijde van de trap naar boven te begeven, waardoor de kans op een botsing met het wandmeubel werd vergroot. De rechtbank is van oordeel dat P Interieurs B.V. aldus een situatie in het leven heeft geroepen die voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk was.

4.1.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of en in hoeverre aan P Interieurs B.V. de eis kan worden gesteld dat zij rekening had gehouden met de mogelijkheid dat de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid niet zouden worden betracht en zij met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen zou hebben genomen. Daarbij dient niet alleen te worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.

4.1.6. Onder voormelde omstandigheden mocht P Interieurs B.V. naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet van het winkelend publiek - en daarmee van A - verwachten dat zij bij het oplopen van de trap de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid betrachtten teneinde het wandmeubel te ontwijken. De stelling van P Interieurs B.V. dat in de winkel onder meer meubels werden verkocht en aldus van het winkelend publiek een bijzondere oplettendheid mocht worden verwacht ten aanzien van te ontwijken meubelstukken, zoals het wandmeubel bij het oplopen van de trap, kan in het licht van het vorenstaande niet slagen.

4.1.7. Daarbij is niet weersproken dat de punt van het wandmeubel onafgerond en scherp was en bij aanraking door het hoofd lelijke verwondingen kon veroorzaken, temeer omdat juist op het moment dat kracht wordt gezet om vanaf de laatste trede van de trap het bordes te bereiken ook het hoofd de punt van het wandmeubel bereikt waardoor het hoofd met krachtinwerking hiermee in aanraking kan komen. Mede in het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat derhalve de kans aanzienlijk was dat het winkelend publiek bij het passeren van de trap op deze plek het hoofd zou stoten tegen het wandmeubel en zich hierdoor zou verwonden op de wijze zoals is gebeurd bij A. Dat, zoals aangevoerd door P Interieurs B.V., de trap breed genoeg was om te kunnen uitwijken doet hieraan in de gegeven situatie niet af. Dit geldt tevens voor de ter comparitie door P Interieurs B.V. aangevoerde omstandigheid dat het wandmeubel vóór het ongeval reeds twee jaar op deze plek hing en daar is blijven hangen tot 2000, alsmede voor de - door A betwiste - stelling van P Interieurs B.V. dat er voorts nimmer meldingen zijn gedaan dat iemand zijn hoofd tegen het wandmeubel had gestoten.

4.1.8. Hieruit volgt dat het redelijkerwijs voorzienbaar was voor P Interieurs B.V. dat iemand zou handelen op de wijze als A heeft gedaan, zodat van P Interieurs B.V. mocht worden verwacht dat zij adequate maatregelen ter voorkoming of beperking van dit gevaar had getroffen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft P Interieurs B.V. onvoldoende gesteld om te kunnen aannemen dat zulks in doorslaggevende mate bezwaarlijk was voor P Interieurs B.V. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de door P Interieurs B.V. aangevoerde esthetische argumenten hiervoor niet voldoende. Gelet op het vorenstaande kan evenmin worden gezegd dat P Interieurs B.V. voldoende maatregelen heeft genomen ter voorkoming of beperking van dit gevaar.

4.1.9. In het licht van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat P Interieurs B.V., nu zij een gevaarzettende situatie in het leven heeft geroepen en het gevaar zich heeft verwezenlijkt doordat het ongeval zich heeft voorgedaan, aansprakelijk is voor de door A ten gevolge van het ongeval geleden schade op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

4.1.10. Bij deze stand van zaken behoeft het twistpunt tussen partijen of sprake is van aansprakelijkheid voor opstallen ex artikel 6:174 BW geen bespreking meer. Dit geldt tevens voor de vraag of P Interieurs B.V. - zoals gesteld door A en betwist door P Interieurs B.V. - voorafgaand aan onderhavige procedure reeds aansprakelijkheid heeft erkend.

4.2. eigen schuld

Uit het vorenstaande volgt tevens dat het - betwiste - beroep van P Interieurs B.V. op eigen schuld van A ex artikel 6:101 BW niet kan slagen. Het hiervoor overwogene brengt immers mee dat niet gezegd kan worden dat A - omdat zij het wandmeubel niet heeft gezien - zich op een wijze heeft gedragen die ver af ligt van het gedrag van een gemiddelde bezoeker van een interieurzaak of dat zij niet voldoende heeft opgelet.

4.3. causaal verband

4.3.1. Met betrekking tot het geschil of A door P Interieurs B.V. te vergoeden schade lijdt als gevolg van het ongeval dient thans te worden beoordeeld of, zoals A stelt en P Interieurs B.V. betwist, haar klachten en beperkingen als ongevalsgevolg zijn aan te merken.

4.3.2. A beschrijft de gestelde klachten en beperkingen sinds het ongeval als volgt: Pijn- en zwellingsklachten in de nek, pijn in schouders en armen, diverse hoofd/schedelpijnklachten, lome benen, oogklachten, snelle vermoeidheid en duizelingen. Cognitieve klachten zoals concentratie- en geheugenstoornissen, leer- en rekenproblematiek, overgevoeligheid voor licht en geluid en (soms) oriëntatieproblematiek. De klachten zijn ondanks vele (para)medische behandelingen niet verdwenen en - zoals A ter comparitie heeft verklaard - tot op heden nog steeds aanwezig.

A stelt onder verwijzing naar het onder 2.5. vermelde rapport van E dat haar klachten en beperkingen als ongevalsgevolg zijn aan te merken.

4.3.3. P Interieurs B.V. betwist het causale verband tussen het ongeval en de door A gestelde klachten als volgt.

P Interieurs B.V. betwist de juistheid van het rapport van E. Het rapport van E kan niet als basis worden gebruikt voor het aannemen van causaal verband omdat het niet voldoet aan de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie (NVvN). Indien die richtlijnen juist zouden zijn toegepast, zou uitgekomen moeten zijn op 0% invaliditeit.

P Interieurs B.V. verwijst naar het rapport van I, medisch adviseur, (hierna: het rapport van I) van 5 januari 2007. Daarin wordt geconcludeerd, samengevat, dat feitelijk geen sprake is van een brain injury en dat dit dus ook niet de oorzaak kan zijn voor eventueel later optredende cognitieve en/of neurovegetatieve klachten zoals concentratieverlies en/of duizeligheid. In het rapport van I wordt ook geconcludeerd, samengevat, dat er geen reden is om de klachten te bestempelen als een whiplash associated disorder omdat het ongevalsmechanisme niet specifiek te noemen is. Bovendien wordt opgemerkt in het rapport van I, samengevat, dat er de nodige onduidelijkheden en discrepanties bestaan in de consistentie van het klachtenpatroon en de klachtenpresentatie met betrekking tot het letsel. Voorts wordt in het rapport van I vermeld dat A vanaf medio 2002 niet langer medisch werd behandeld, hetgeen volgens I de ernst van de klachten doet relativeren. Daarbij komt dat A niet direct na het ongeval medische hulp heeft gezocht maar pas op 9 juni 1998.

4.3.4. Indien wel wordt uitgegaan van het rapport van E stelt P Interieurs B.V. zich op het standpunt dat in dit rapport geen causaal verband wordt aangenomen. Voorts voert P Interieurs B.V. aan dat dan ook het in opdracht van het UWV opgestelde rapport van L, revalidatiearts, van 26 mei 2000 (hierna: het rapport van L) en het in opdracht van D Assuradeuren opgestelde rapport van M, neuropsycholoog, van 12 mei 2000 (hierna: het rapport van M) - beide overgelegd - dienen te worden meegenomen in de beoordeling omdat hieruit volgt dat er geen sprake is van objectiveerbare klachten en beperkingen bij A.

Eventueel zou een nieuwe neurologische expertise moeten worden verricht door een door de rechtbank te benoemen deskundige. Nu het mogelijk reeds vóór het ongeval bestaande en bovendien subjectieve klachten betreft, is het van evident belang dat A inzage geeft in haar gehele medische verleden teneinde de eventuele preëxistentie en predispositie goed in kaart te kunnen brengen.

Aldus steeds P Interieurs B.V.

4.3.5. De rechtbank stelt voorop dat aan het bewijs van het causale verband in een geval als het onderhavige geen al te hoge eisen worden gesteld. Het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten en beperkingen hoeft niet in de weg te staan aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Het oordeel dat het vereiste oorzakelijke verband bestaat, behoort niet uitsluitend te worden gebaseerd op het bestaan van klachten die naar hun aard subjectief zijn, maar mede op de objectieve vaststelling dat zij aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn.

4.3.6. De rechtbank acht het standpunt van P Interieurs B.V. dat het rapport van E niet voldoet aan de richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie, tardief. P Interieurs B.V. had haar bezwaren destijds na kennisneming van het rapport van E kenbaar kunnen maken waarna - zoals destijds ook was voorgesteld door A - met instemming van beide partijen een nieuwe deskundige benoemd had kunnen worden. In de onder 2.7. vermelde brief van de zijde van P Interieurs B.V. is echter geconcludeerd dat een hernieuwde neurologische expertise geen enkele toegevoegde waarde had boven het rapport van E en het rapport van F. De stelling van P Interieurs B.V. ter comparitie dat het standpunt van haar medisch adviseur I in die brief wellicht niet helemaal juist is verwoord, kan P Interieurs B.V. niet baten omdat dit een omstandigheid is die voor haar rekening moet blijven. De stelling ter comparitie dat I moeite heeft met het fenomeen van whiplash en dat hij zo snel mogelijk het schadetraject wilde starten doet aan de inhoud van deze brief niet af.

4.3.7. Ook inhoudelijk acht de rechtbank de bezwaren van P Interieurs B.V. tegen het rapport van E onvoldoende steekhoudend. De rechtbank acht het rapport van E inzichtelijk, logisch, begrijpelijk en consistent. De conclusies zijn op overtuigende wijze onderbouwd, waarbij E gebruik heeft gemaakt van zijn bijzondere kennis en ervaring. De bezwaren die P Interieurs B.V. hiertegen heeft ingebracht zijn onvoldoende concreet. Dat niet is voldaan aan de richtlijnen van de NVvN is onvoldoende onderbouwd, nu neuroloog E in zijn rapport uiteen heeft gezet dat hij deze richtlijnen heeft toegepast.

4.3.8. Onweersproken is dat uit het rapport van E - grotendeels - de hiervoor onder 4.3.2. weergegeven klachten en beperkingen van A blijken. In antwoord op de vraag of hij nog veranderingen in gunstige zin verwacht geeft E aan dat hij een eindtoestand aanwezig acht. Voorts geeft hij aan dat hij de belemmeringen van blijvende aard acht. Ter comparitie heeft A onweersproken verklaard dat de klachten en beperkingen zich nog steeds voordoen. De rechtbank acht dit in het licht van voormelde conclusies van E en van de overige overgelegde deskundigenrapporten ook aannemelijk.

4.3.9. In het rapport van E wordt voorts geconcludeerd dat de klachten en beperkingen direct en indirect een gevolg zijn van het ongeval en dat er geen andere factoren aanwijsbaar zijn. De rechtbank leidt uit dit rapport af dat de door E objectief aanwezig geachte klachten en beperkingen van A reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, en niet overdreven zijn. De rechtbank vindt ondersteuning voor dit standpunt in het onder 2.6. vermelde rapport van F.

De door P Interieurs B.V. gestelde onduidelijkheden en discrepanties in de consistentie van het klachtenpatroon en de klachtenpresentatie met betrekking tot het letsel zijn, wat daarmee ook wordt bedoeld, in het licht van het vorenstaande onvoldoende. De stelling van P Interieurs B.V. dat de klachten gerelativeerd moeten worden omdat A niet direct medische hulp heeft gezocht kan reeds niet slagen nu A hierop op haar beurt ter comparitie - onweersproken - heeft verklaard dat zij de dag na het ongeval de huisarts heeft gebeld. Ook de stelling in dit verband dat A vanaf medio 2002 niet meer behandeld is, treft geen doel, nu in het rapport van E - bevestigd door onder meer de rapporten van M en L - reeds is aangenomen dat een eindtoestand is bereikt. Uit de overgelegde - nadien opgestelde - rapporten kan geen andersluidende conclusie worden getrokken. Hieruit volgt dat niet aannemelijk is dat medische behandeling vanaf medio 2002 nog zinvol zou zijn geweest.

Hieruit volgt dat het door P Interieurs B.V. onder verwijzing naar het rapport van I gevoerde verweer dat geen sprake is van causaal verband, faalt.

4.3.10. De stelling van P Interieurs B.V. dat uit de rapporten van L en M blijkt dat de klachten niet objectiveerbaar zijn doet, gelet op het vorenstaande, aan dit oordeel niet af. Daarbij overweegt de rechtbank voorts als volgt met betrekking tot deze rapporten. In het rapport van L luidt de diagnose: a-specifieke hoofd- en nekpijnklachten, klachten van algehele malaise en overprikkelbaarheid. Voorts wordt hierin opgemerkt dat er enige beperkingen zijn te duiden ten aanzien van nekbelasting. In het rapport wordt vermeld dat A niet voldoet aan de criteria van de NVvN voor het stellen van een postwhiplashsyndroom maar dat wel gesproken zou kunnen worden van een posttraumatisch cervicaal syndroom. In het rapport wordt vervolgens vermeld dat er geen lichamelijke verklaring voor het voortbestaan van de aangegeven beperkingen is, zodat een aanvullend psychiatrisch dan wel psychologisch onderzoek van belang is.

4.3.11. Deze onderzoeken hebben vervolgens plaatsgevonden. Uit het rapport van F blijkt dat het vanuit psychiatrisch oogpunt het meest waarschijnlijk is dat het klachtenpatroon (vrijwel) volledig op het conto geschreven moet worden van het ongeval. In het rapport van M wordt vermeld dat de huidige klachten op zijn vakgebied niet te objectiveren zijn en lijken samen te hangen met de somatische klachten en de psychische reactie op de somatische problemen en de mede ten gevolge hiervan ontstane situatie na het ongeval. Hierin wordt echter tevens vermeld dat die klachten opgevat kunnen worden als een indirect gevolg van het ongeval.

4.3.12. Hieruit volgt dat, anders dan P Interieurs B.V. meent, ook na kennisneming van de rapporten van M en L niet geconcludeerd kan worden dat er geen causaal verband tussen de klachten en beperkingen en het ongeval kan worden aangenomen.

4.3.13. De rechtbank ziet, anders dan P Interieurs B.V., gelet op het vorenstaande geen aanleiding een nieuwe neurologisch deskundige te benoemen.

4.3.14. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat het bewijs is geleverd dat de klachten en beperkingen van A aan te merken zijn als ongevalsgevolg. Daarom is P Interieurs B.V. gehouden de schade van A die voortvloeit uit deze klachten en beperkingen te vergoeden. De rechtbank komt daarmee toe aan de beoordeling van de - door A gestelde en door P Interieurs B.V. betwiste - schadeposten.

4.4. verlies van arbeidsvermogen

4.4.1. arbeidsongeschiktheid en schadebeperkingsplicht

A stelt dat zij ten gevolge de klachten en beperkingen sinds het ongeval volledig arbeidsongeschikt is. Hiertoe voert zij onder verwijzing naar 2.4. aan dat zij een WAO-uitkering ontvangt op basis van een arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.

4.4.2. P Interieurs B.V. betwist dat de 80-100% arbeidsongeschiktheidsverklaring betekent dat A in het geheel geen loonvormende werkzaamheden kan verrichten. P Interieurs B.V. voert aan dat het sociaal-verzekeringsrechtelijke criterium “gangbare arbeid” minder veeleisend is dan het civielrechtelijke criterium in het kader van de schadebeperkingsplicht. A is in verband met de schadebeperkingsplicht gehouden andere dan gangbare loonvormende werkzaamheden te verrichten voor zover zij hiertoe in staat moet worden geacht, aldus P Interieurs B.V.

4.4.3. A heeft hierop ter comparitie verklaard dat zij aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan. Daartoe heeft zij onder meer - onweersproken - aangevoerd dat zij verschillende revalidatietrajecten heeft doorlopen en met haar voormalige werkgever KPN meerdere pogingen heeft ondernomen tot reïntegratie, hetgeen niet heeft geresulteerd in enige werkhervatting.

4.5. De rechtbank overweegt dat uit de onder 2.4. vermelde rapportage van het UWV blijkt dat A in staat wordt geacht tot werkzaamheden gedurende vier uur per dag waarbij rekening gehouden dient te worden met het voor haar opgestelde belastbaarheidspatroon. Omdat deze functies niet te duiden zijn is A door het UWV 80-100% arbeidsongeschikt geacht. Met P Interieurs B.V. is de rechtbank van oordeel dat zulks onverlet laat dat A in staat moet worden geacht genoemde werkzaamheden te verrichten en dat zij in zoverre haar schade als gevolg van verlies van arbeidsvermogen zou kunnen beperken. De rechtbank stelt echter vast - bij gebreke aan nader gespecificeerde andersluidende stellingen van P Interieurs B.V. - dat de inkomsten die uit deze werkzaamheden zouden voortvloeien naar redelijke verwachting de WAO-uitkering van A niet zullen overstijgen maar daarop zullen worden gekort, zodat deze inkomsten geen invloed zullen hebben op haar verlies aan verdienvermogen.

4.6. De rechtbank acht niet aannemelijk dat A in de toekomst wèl loonvormende werkzaamheden zal kunnen verrichten die haar schade beperken omdat, zoals overwogen onder 4.3.9, uit diverse deskundigenrapporten blijkt dat de medische toestand van A een eindtoestand heeft bereikt. Bovendien blijkt uit het meest recente overgelegde rapport van het UWV - het rapport van 21 april 2004 van N, verzekeringsarts bij het UWV- dat er in het kader van een zogenoemde vijfde jaars herbeoordeling geen aanleiding is voor wijziging van voormeld UWV-standpunt met betrekking tot de WAO-uitkering. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat A niet aan haar schadebeperkingsplicht heeft voldaan.

4.6.1. periodieke afhandeling van de schade

Uit het hiervoor overwogene volgt tevens dat de rechtbank P Interieurs B.V. niet volgt in haar standpunt dat de schade periodiek afgewikkeld dient te worden op de grond dat A in het kader van haar schadebeperkingsplicht loonvormende werkzaamheden dient te verrichten en jaarlijks dient te worden getoetst of en in hoeverre dit het geval is geweest.

4.6.2. de uitgangspunten van het rapport van K

A vordert een schadebedrag van EUR 95.971,00 wegens verlies van arbeidsvermogen en verwijst daartoe naar de berekening in het rapport van K Expertisebureau (hierna: het rapport van K) van 2 maart 2005.

P Interieurs B.V. betwist diverse - na te noemen - uitgangspunten van de schadeopstelling in het rapport van K.

4.6.3. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de vraag of als gevolg van het ongeval schade is geleden door verlies van toekomstige inkomsten uit arbeid, moet worden beantwoord door vergelijking van de feitelijke inkomenssituatie na ongeval met de hypothetische situatie bij wegdenken van het ongeval (hierna: zonder ongeval). Bij het begroten van deze schade moet rekening worden gehouden met de redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen. Het is aan de rechtbank voorbehouden om goede en kwade kansen met betrekking tot de loopbaan te schatten.

4.6.4. de eindleeftijd van 65 jaar

In het rapport van K wordt uitgegaan van een eindleeftijd van 65 jaar. P Interieurs B.V. voert aan dat dit uitgangspunt niet realistisch, niet redelijk en bovendien met geen enkel objectief verifieerbaar bewijsstuk onderbouwd is. Ten onrechte wordt bij de begroting van de toekomstschade slechts uitgegaan van de goede kansen en wordt geen rekening gehouden met feiten van algemene bekendheid dat veel beroepsgroepen worden geconfronteerd met uitval, er veelvuldig parttime wordt gewerkt en zeer veelvuldig vroegtijdig met pensioen wordt gegaan. Uit statistische gegevens blijkt dat slechts een zeer klein deel van de beroepsbevolking ouder dan 55 jaar nog werkzaam is, hetgeen in het bijzonder geldt voor vrouwen, zodat de kans dat A tot 65 jaar werkzaam zou zijn geweest zeer klein is en derhalve niet als uitgangspunt kan dienen voor de berekening van de inkomensschade. Ook het in kaart brengen van het arbeidsverleden is van belang voor de bepaling van de goede en kwade kansen betreffende het toekomstige loopbaanverloop van A. Steeds aldus P Interieurs B.V.

4.6.5. Dit verweer faalt. De rechtbank overweegt dat als onvoldoende betwist vast staat dat A tot het ongeval vrijwel altijd fulltime heeft gewerkt en dat van ziekteverzuim niet of nauwelijks sprake was, zoals ook blijkt uit de door A overgelegde stukken. Voorts staat vast dat A werkzaam was als afdelings-assistente bij KPN. Dat beroep staat niet bekend als fysiek zwaar of anderszins dermate belastend dat daarmee de verwachting is dat er eerder uit dienst zal worden getreden. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank het arbeidsverleden van A voldoende in kaart gebracht. Daarnaast speelt een rol dat A geen kinderen heeft en een echtgenoot die eveneens fulltime werkt. Ter comparitie heeft A onweersproken verklaard dat zij niet de intentie had om eerder dan op 65-jarige leeftijd te stoppen met werken en dat zij dus geen gebruik zou hebben gemaakt van de VUT-regeling van haar werkgever, KPN. Naar het oordeel van de rechtbank heeft P Interieurs B.V. in dit licht bezien onvoldoende aangevoerd en bieden ook overigens de te berde gebrachte persoonlijke omstandigheden van A geen aanknopingspunten om aannemelijk te achten dat A in de hypothetische situatie zonder ongeval in de toekomst parttime zou zijn gaan werken, zou zijn uitgevallen, dan wel eerder dan per de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar zou zijn gestopt met werken. Een verwijzing naar feiten van algemene bekendheid en statistische gegevens zonder meer is hiervoor naar het oordeel van de rechtbank niet genoeg. Gelet op het voorgaande is het naar het oordeel van de rechtbank redelijk om te verwachten dat A zonder ongeval tot de 65-jarige leeftijd fulltime zou zijn blijven werken. De berekeningen terzake in het rapport van K zullen derhalve worden gevolgd.

4.6.6. de primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden

In het rapport van K wordt uitgegaan van een laatstverdiend bruto-jaarsalaris van

EUR 24.634,73. Voorts wordt uitgegaan van deelname aan een premiespaarregeling waarvoor iedere maand NLG 75,00 van het netto salaris op een spaarrekening werd gestort, van een tot en met 2000 jaarlijks verstrekte feestdagenuitkering alsmede van een jaarlijkse winstuitkering die in 1998 EUR 102,10 (NLG 225,00) respectievelijk EUR 639,48

(NLG 1.409,22) bedroegen.

4.6.7. Ter comparitie heeft P Interieurs B.V. verklaard niet langer te betwisten dat moet worden uitgegaan van een laatstverdiend bruto jaarsalaris van EUR 24.634,73. P Interieurs B.V. heeft ter comparitie voorts - na kennisneming van de nagezonden onderbouwing van de stelling van A met schriftelijke stukken waaronder rekeningafschriften - niet volhard in haar betwisting dat de premiespaarregeling en de feestdagenuitkering bij het salaris van A dienen te worden opgeteld. De rechtbank volgt aldus de berekening terzake in het rapport van K.

4.6.8. P Interieurs B.V. betwist wel de gestelde winstuitkering door aan te voeren dat deze schadepost opnieuw moet worden berekend omdat de winstuitkering afhankelijk is van de jaarlijks behaalde winst en derhalve aangetoond zal moeten worden wat de winstuitkering over de verschillende jaren is geweest.

4.6.9. Dit verweer kan niet slagen. Niet in geding is dat A jaarlijks een winstuitkering ontving en bij voortduring van haar arbeidscontract zou hebben ontvangen, en evenmin dat deze winstuitkering in 1998 EUR 639,48 bedroeg. In aanmerking genomen dat deze uitkering afhankelijk is van de jaarlijks gemaakte winst en dat deze dus ook lager of hoger kan uitvallen dan in 1998, schat de rechtbank in - zonder dat hiervoor een nadere berekening nodig is - dat er een redelijke kans bestaat dat A jaarlijks een winstuitkering zou hebben ontvangen van gemiddeld EUR 639,48.

4.6.10. de salarisstijging door promotie

In het rapport van K wordt ervan uitgegaan dat A, indien zij enkele met het oog op promotie geplande cursussen zou hebben afgerond, met ingang van 1 juli 1999 een salarisstijging naar NLG 4.600,00 per maand zou hebben gerealiseerd en vervolgens periodiek per jaar de resterende drie stappen naar het maximum van de bijbehorende salarisschaal zou hebben gerealiseerd. A heeft ter comparitie verklaard dat zij zonder het ongeval verschillende cursussen zou hebben gevolgd, hetgeen vrijwel zeker zou hebben geleid tot een promotie en een beter salaris.

4.6.11. P Interieurs B.V. heeft ter comparitie dit uitgangspunt betwist door aan te voeren dat de omstandigheid dat A zonder ongeval cursussen zou hebben gevolgd niet zonder meer tot de conclusie leidt dat zij promotie zou hebben gemaakt.

4.6.12. De rechtbank overweegt terzake als volgt.

In een overgelegde beoordeling over 1 oktober 1996 tot 15 augustus 1997 staat onder meer met betrekking tot A vermeld: “A heeft zich in de materie van TIM dusdanig verdiept en ingewerkt dat zij geheel zelfstandig het gehele proces kon afwikkelen. De achterstand (geen geringe) werd door haar geheel weggewerkt. De doorlooptijd werd ondanks haar jagen buiten haar schuld niet gerealiseerd. (…)A is loyaal naar het bedrijf; heeft een positieve uitstraling/ attitude; is rustig en heeft inzet. E.e.a. heeft ertoe geleid dat zij voor I&AT als gastvrouw heeft gefunctioneerd bij de internationale conferentie van ETIS; die rol heeft zij tot zeer grote tevredenheid ingevuld. (…)A heeft getoond te kunnen werken boven het niveau van schaal 5." Deze beoordeling geeft als samenvattend oordeel: "zeer goed".

In een overgelegde beoordeling getekend 23 maart 1998 scoort A telkens “goed” tot “zeer goed”. Hierin staat voorts vermeld: "door A wordt in 1998 een opleiding gevolgd waarmee haar expertise met betrekking tot projectmatig werken wordt vergroot", en: "Ten behoeve van verdere verdieping en verbreding van werkzaamheden zal A zich oriënteren binnen het hoofdkantoor van Telesolutions."

In een overgelegde fax van O - blijkbaar een leidinggevende - uit 1999 met daarachter een functie-omschrijving “projectassistent, schaal 7” staat onder meer vermeld: "A geeft aan geïnteresseerd te zijn om zich de functie van projectassistent eigen te maken. Afgesproken is dat ik haar de functieomschrijvingen zal toefaxen en dat zij samen met de revalidatie- en bedrijfsarts zal bekijken wat wel en niet haalbaar is". Uit deze fax valt niet af te leiden dat KPN niet positief stond tegenover een promotie van A

Gelet op deze (zeer) goede beoordelingen, de genoemde opleiding en de in de fax vermelde afspraak, is de rechtbank van oordeel dat de door A gestelde promotie met ingang van 1 juli 1999 aannemelijk is. Tegenover voormelde feiten en omstandigheden heeft P Interieurs B.V. onvoldoende ingebracht om de rechtbank tot een ander oordeel te kunnen brengen.

4.6.13. de rekenrente

Ter comparitie heeft P Interieurs B.V. verklaard het eens te zijn met een rekenrente van 3%, maar er niet van overtuigd te zijn dat in het rapport van K 3% is aangehouden bij de berekeningen zodat dit zou moeten worden nagerekend. Nu in het rapport van K uitdrukkelijk staat vermeld dat een rekenrente van 3% wordt gehanteerd en uit niets is gebleken dat dit feitelijk niet het geval is geweest, is de rechtbank van oordeel dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd om te kunnen slagen.

4.6.14. schatting van het totale (gekapitaliseerde) verlies van arbeidsvermogen

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de uitgangspunten in het rapport van K gevolgd kunnen worden en dat overeenkomstig het rapport van K de gevorderde schade betreffende het totale (gekapitaliseerde) verlies van arbeidsvermogen van EUR 95.971,00 toewijsbaar is.

4.6.15. de gevorderde belastinggarantie

P Interieurs B.V. heeft ter comparitie toegezegd de door A gevorderde belastinggarantie over het gehele terzake van het verlies van arbeidsvermogen uit te keren bedrag aan haar af te zullen geven. Deze vordering is derhalve toewijsbaar.

4.7. huishoudelijke hulp

4.7.1. A stelt dat zij als gevolg van haar klachten en beperkingen (zwaardere) huishoudelijke werkzaamheden niet meer kan uitvoeren. Zij verwijst naar een indicatiestelling van het Lokaal Indicatieorgaan Almere, de berekening in het rapport van K waarin wordt uitgegaan van een eindleeftijd van 70 jaar, een overgelegde verklaring van A en haar echtgenoot terzake en de omstandigheid dat zij geen hulp via Thuiszorg heeft maar een particuliere hulp ad EUR 9,00 per uur te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Ter comparitie heeft A verklaard dat het bij dagvaarding gevorderde bedrag van EUR 40.673,00 dient te worden gehalveerd, aangezien zij recht heeft op vijf uur huishoudelijke hulp per twee weken in plaats van - zoals eerder vermeld - vijf uur per week, maar niet helemaal gelet op het feit dat zij thans een iets hoger uurloon b en incidenteel meer huishoudelijke klussen laat uitvoeren.

4.7.2. P Interieurs B.V. betwist deze vordering door - meest verstrekkend - ter comparitie aan te voeren dat het onduidelijk is hoe de situatie was vóór het ongeval en of A toen ook al huishoudelijke hulp had.

4.7.3. A heeft hierop ter comparitie verklaard dat zij vóór het ongeval ook af en toe hulp had en zij, indien het ongeval niet had plaatsgevonden en zij was blijven werken, ook een hulp in de huishouding had willen hebben. Hieruit volgt dat naar het oordeel van de rechtbank het causaal verband tussen de gevorderde kosten van huishoudelijke hulp en de klachten en beperkingen onvoldoende is komen vast te staan. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

4.8. verlies aan zelfwerkzaamheid (tuinwerkzaamheden)

4.8.1. A stelt dat zij door haar ongevalsgerelateerde klachten beperkingen ondervindt bij werkzaamheden in de tuin, hetgeen de grootste hobby was van A, en dat zij daardoor is aangewezen op hulp waarvoor zij jaarlijks EUR 2.255,00 betaalt. A vordert terzake een totaalbedrag van EUR 39.313,00 en verwijst daartoe naar de berekening in het rapport van K waarin wordt uitgegaan van een eindleeftijd van 70 jaar en de bij dat rapport bijgevoegde twee facturen betreffende tuinonderhoud over het eerste respectievelijk derde kwartaal van 2004 van ieder EUR 563,90 inclusief BTW.

4.8.2. P Interieurs B.V. betwist dat A de tuinwerkzaamheden niet zelfstandig en zonder beperkingen kan uitvoeren en voert daartoe aan dat zij bij gebreke aan loonvormende werkzaamheden de tuinwerkzaamheden op haar gemak kan verrichten en verdelen over de gehele week. Voor het geval wel schadeplichtigheid wordt vastgesteld, betwist P Interieurs B.V. de gestelde eindleeftijd van 70 jaar op de grond dat A naar alle waarschijnlijkheid vanaf 65 jaar hoe dan ook hulp voor het verrichten van tuinwerkzaamheden nodig zou hebben gehad. Voorts voert P Interieurs B.V. aan dat niet bekend is of het tuinonderhoud na de verhuizing naar Almere ook zonder het ongeval zou zijn uitbesteed en of de partner van A voor het ongeval tuinwerkzaamheden verrichtte aangezien alsdan in zoverre geen sprake is van schade. Ter comparitie heeft P Interieurs B.V. nog betoogd dat het een statistisch gegeven is dat mensen naarmate zij ouder worden een kleinere tuin hebben en dat de tuin in Almere onderhoudsvriendelijk(er) moet worden gemaakt. Tot slot betwist P Interieurs B.V. de hoogte van het gestelde bedrag.

4.8.3. Ter comparitie heeft A naar aanleiding van het verweer het volgende verklaard. Vóór het ongeval deed zij alles zelf in de tuin. Haar echtgenoot verricht(te) geen tuinwerkzaamheden omdat hij daar geen tijd voor heeft in verband met zijn werk. Zij hebben het huis in Almere juist gekocht vanwege de grootte van de kavel - circa 800 m2 - omdat tuinieren haar hobby was. De tuin is inmiddels onderhoudsvriendelijker gemaakt.

De rechtbank is, gezien de vastgestelde klachten en beperkingen van A en uitgaande van haar voormelde - onweersproken - verklaring, van oordeel dat P Interieurs B.V. onvoldoende heeft betwist dat zij door haar ongevalsgerelateerde klachten en beperkingen geen - zwaardere - tuinwerkzaamheden kan verrichten, daarvoor betaalde hulp nodig heeft en dat het redelijk is om voor de duur daarvan uit te gaan van een eindleeftijd van 70 jaar.

4.8.4. Het gestelde bedrag aan kosten van EUR 2.255,00 per jaar op basis van voornoemde twee facturen komt de rechtbank evenwel hoog voor, mede gelet op de schadebeperkingsplicht die op A rust. Gezien de door het Nederlands Rekencentrum voor Letselschade (NRL) gehanteerde normen voor verlies aan zelfwerkzaamheid en rekening houdend met de grootte van de tuin, schat de rechtbank de kosten van de tuinwerkzaamheden op een bedrag van EUR 1.000,00 per jaar. Op basis van een berekening met behulp van het rekenprogramma van het NRL komen de gekapitaliseerde kosten - uitgaande van de in rapport K gehanteerde kapitalisatiedatum van 1 maart 2005 - neer op EUR 19.591,00. Dit bedrag is derhalve toewijsbaar.

4.9. de voorgestelde benoeming van een arbeidsdeskundige

P Interieurs B.V. heeft, ook ter comparitie, aangevoerd dat het benoemen van een arbeidsdeskundige noodzakelijk is ten behoeve van het vaststellen van voormelde schadeposten te weten het verlies van arbeidsvermogen, de behoefte aan huishoudelijke hulp en het verlies aan zelfwerkzaamheid. A heeft ter comparitie hiermee - indien nodig - ingestemd. Nu de rechtbank, zoals hiervoor overwogen, genoemde schadeposten zonder deskundigenbericht adequaat heeft kunnen waarderen, zal de rechtbank van de voorgestelde benoeming afzien.

4.10. de uitgestelde verhuizing

4.10.1. A stelt dat zij in februari 1998, dus enkele maanden voorafgaand aan het ongeval, samen met haar partner een woning in Almere heeft gekocht, dat de verhuizing gepland stond op 24 juli 1998maar dat vanwege haar klachten sinds het ongeval de verkoop van de oude woning is uitgesteld, en daarmee de verhuizing tot uiteindelijk eindoktober 1988. Na wijziging van eis vordert A een bedrag van EUR 2.178,00 aan dientengevolge geleden schade, zijnde doorlopende kosten van de oude woning.

4.10.2. P Interieurs B.V. betwist deze vordering door - meest verstrekkend - aan te voeren dat onvoldoende is onderbouwd dat het ongeval de oorzaak is van het uitstellen van de verhuizing.

4.10.3. A heeft vervolgens ter comparitie verklaard dat de oude woning uiteindelijk is verkocht in november 1998 en dat niet gezegd kan worden dat zij en haar partner geen dubbele lasten hadden moeten dragen indien het ongeval niet had plaatsgevonden.

De rechtbank oordeelt dat, gelet op voormelde verklaring van A, het causaal verband tussen de gevorderde kosten van de uitgestelde verhuizing en de klachten en beperkingen onvoldoende is komen vast te staan, zodat deze vordering zal worden afgewezen.

4.11. medische (behandel)kosten

A stelt, na wijziging van eis en onderbouwd met schriftelijke stukken, dat zij met betrekking tot haar klachten en beperkingen diverse medische (behandel)kosten heeft gemaakt ad EUR 2.510,88. Deze - ter comparitie niet langer betwiste - vordering is naar het oordeel van de rechtbank toewijsbaar.

4.12. reiskosten

A vordert, na wijziging van eis en schriftelijk onderbouwd, een bedrag van EUR 648,83 aan reiskosten. Deze - ter comparitie eveneens niet langer weersproken - vordering is toewijsbaar.

4.13. overige kosten

A vordert bij akte overlegging producties tevens wijziging van eis een bedrag van EUR 327,00 aan portokosten en de kosten van het lidmaatschap van de Whiplashstichting. De rechtbank is, anders dan P Interieurs B.V. ter comparitie, op grond van hetgeen onder 4.3. is overwogen met betrekking tot de aard van de klachten van A van oordeel dat een vergoeding van de kosten van het lidmaatschap van de Whiplashstichting niet onredelijk is. Het gevorderde is derhalve, als zijnde overigens niet bestreden, toewijsbaar.

4.14. smartengeld

4.14.1. Op grond van de ernst van de klachten en beperkingen maakt A aanspraak op een bedrag van EUR 7.500,00 aan smartengeld. Zij wijst erop dat ondanks vele (para)medische behandelingen haar klachten en beperkingen niet zijn verdwenen en zij als gevolg daarvan gehinderd wordt tijdens vele activiteiten, onder meer in het dagelijks leven, zij haar werkzaamheden heeft moeten staken en zij wordt belet om een studie of cursussen te volgen.

4.14.2. P Interieurs B.V. betwist deze vordering en voert aan dat niet ieder voorval het toekennen van smartengeld rechtvaardigt alsmede dat A bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld heeft nagelaten aansluiting te zoeken bij vergelijkbare gevallen terwijl vergelijkbare uitspraken in de Smartengeldgids op aanzienlijk lagere bedragen uitkomen.

4.14.3. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat A door het ongeval klachten en beperkingen heeft overgehouden die haar in aanzienlijke mate belemmeren in haar functioneren. Zij heeft niet alleen haar werk en carrièreperspectieven moeten opgeven, maar kan ook haar belangrijkste hobby - tuinieren - niet langer als voorheen uitoefenen. Bovendien wordt zij, zoals zij ook ter comparitie heeft toegelicht, vanwege de aard daarvan, dagelijks met deze klachten en beperkingen geconfronteerd. Aannemelijk is dat vanwege met name de hoofdpijn- en vermoeidheidsklachten ook het sociale leven van A aan kwaliteit heeft ingeboet. Zulks klemt te meer nu, naar A onbetwist heeft gesteld, zij voor het ongeval een (kern)gezonde, goed functionerende vrouw was.Alles afwegend stelt de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid vast op een bedrag van EUR 4.000,00. Het gevorderde smartengeld zal dan ook tot dit bedrag worden toegewezen.

4.15. buitengerechtelijke kosten

4.15.1. A vordert bij dagvaarding een bedrag van EUR 24.712,00 aan buitengerechtelijke kosten.

4.15.2. P Interieurs B.V.betwist deze vorderingen voert hiertoe het volgende aan.

De gevorderde kosten doorstaan niet de dubbele redelijkheidstoets ex artikel 6:96 BW. Uit het door A overgelegde urenoverzicht betreffende de werkzaamheden van haar raadslieden blijkt een honorarium van EUR 17.061,03 in plaats van EUR 21.290,00 inclusief kantoorkosten en BTW. De kosten van het werken met verschillende advocaten, hetgeen dubbel en overbodig werk oplevert, kunnen niet voor rekening van P Interieurs B.V. komen. Dit geldt ook voor de kosten verbonden aan de correspondentie met het GAK. Nu A kennelijk op kosten van Stichting Achmea Rechtsbijstand is bijgestaan heeft zij geen schade en kan zij de door haar gestelde buitengerechtelijke kosten niet verhalen.

4.15.3. A heeft ter comparitie haar (deel)vordering ad EUR 21.290,00 betreffende de kosten van haar raadslieden in die zin gewijzigd dat de kantoorkosten worden beperkt tot 6% en dat de gemaakte uren inzake de correspondentie met het GAK niet langer worden gevorderd. De rechtbank begrijpt deze wijziging als volgt:

88 uren x EUR 190,00 EUR 16.720

minus kosten inzake GAK 225-

sub-totaal 16.495

plus kantoorkosten 6% en BTW 19% 4.124+

te vorderen na wijziging (afgerond) EUR 20.619

A heeft ter comparitie erkend dat zij een rechtsbijstandsverzekering heeft maar - onweersproken - onder verwijzing naar paragraaf 16.1 van het rapport Voorwerk II aangevoerd dat zij verplicht is de buitengerechtelijke kosten te verhalen.

4.15.4. De rechtbank stelt het volgende voorop. In een geval waarin niet of nog niet in rechte is komen vast te staan dat schade is geleden, biedt art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW geen grondslag voor een verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt om vast te stellen of als gevolg van een gebeurtenis schade is geleden en, zo ja, of daarvoor iemand aansprakelijk kan worden gehouden. Omdat degene die aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van een door hem veroorzaakt ongeval in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk is voor alle schade die de benadeelde als gevolg van die gebeurtenis heeft geleden, kunnen evenwel de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid ook voor vergoeding in aanmerking komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. Wel moeten die kosten als gevolg van het ongeval zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en dienen zij tevens in een zodanig verband met het ongeval te staan dat zij aan de daarvoor aansprakelijke persoon, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als gevolg van deze gebeurtenis kunnen worden toegerekend.

4.15.5. Met A is de rechtbank van oordeel dat gelet op het - onweersproken - lange schaderegelingstraject de opgegeven 88 uren aan werkzaamheden van haar raadslieden betreffende de vaststelling van aansprakelijkheid en schade niet onredelijk kunnen worden geacht. Dat A achtereenvolgens twee verschillende raadslieden heeft ingeschakeld doet hieraan - zonder nadere adstructie, die ontbreekt - niet af. Verder oordeelt de rechtbank - onder verwijzing naar artikel 16.1 van het Rapport Voorwerk II - dat de vraag of de buitengerechtelijke kosten van A al dan niet (uiteindelijk) door haar rechtsbijstandsverzekeraar worden gedragen, buiten beschouwing dient te blijven. Hieruit volgt dat de verweren van P Interieurs B.V. in dit verband falen.

4.15.6. Met inachtneming van voormelde maatstaf is de rechtbank van oordeel dat de - na wijziging overigens niet langer bestreden - kosten ad EUR 20.619,00 voor advocatenkosten alsmede de overige - onvoldoende weersproken - buitengerechtelijke kosten ad EUR 3.422,00 met betrekking tot de kosten voor het opvragen van medische informatie, de medisch adviseur en Expertise Bureau K - voor vergoeding in aanmerking komen. Dit komt neer op een toewijsbaar bedrag van totaal EUR 24.041,00.

4.16. toewijsbare schadebedragen

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank de volgende schadebedragen toewijsbaar acht:

verlies aan arbeidsvermogen EUR 95.971,00

kosten van huishoudelijke hulp ---

verlies aan zelfwerkzaamheid (tuin) 19.591,00

kosten i.v.m. uitgestelde verhuizing ---

diverse medische kosten 2.510,88

diverse reiskosten 648,83

porto en lidmaatschap whiplash stichting 327,00

smartengeld 4.000,00

Totaal EUR 123.048,71

4.17. wettelijke rente

4.17.1. A stelt dat voormelde gevorderde schadeposten vermeerderd dienen te worden met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval, althans vanaf de datum waarop de diverse schadeposten zijn ingetreden.

4.17.2. P Interieurs B.V. erkent dat de wettelijke rente over het smartengeld verschuldigd is vanaf de datum van het ongeval. P Interieurs B.V. voert evenwel aan dat deze wettelijke rente reeds verdisconteerd is in het door P Interieurs B.V. aan A betaalde bedrag. De overige wettelijke rente is eerst verschuldigd vanaf de datum dat de kosten werkelijk zijn gemaakt dan wel de datum waarop P Interieurs B.V. kennis heeft genomen van de - op de juiste uitgangspunten gebaseerde - schadeberekening maar in gebreke is gebleven om binnen redelijke termijn daaraan te voldoen, aldus P Interieurs B.V. Voorts betwist P Interieurs B.V. dat wettelijke rente verschuldigd is over toekomstschade.

4.17.3. De rechtbank is van oordeel dat wettelijke rente over schade vanwege onrechtmatige daad is verschuldigd vanaf het moment dat de schade is ontstaan. Dit betekent volgens vaste jurisprudentie dat wettelijke rente over het smartengeld verschuldigd is vanaf het moment van het ongeval, over geleden schade vanaf het moment dat die schade is ontstaan, en over de gekapitaliseerde toekomstschade vanaf de kapitalisatiedatum.

4.18. het reeds betaalde bedrag van EUR 4.014,07

Nu als onweersproken vaststaat dat P Interieurs B.V.aan A reeds een bedrag van EUR 4.014,07 heeft betaald is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag op de verschuldigde wettelijke rente en voor wat betreft het eventuele meerdere op de toegewezen hoofdsom in mindering moet worden gebracht.

4.19. de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure

4.19.1. Naast vergoeding van voormelde schadeposten vordert A verwijzing naar de schadestaatprocedure en voert daartoe aan dat het aannemelijk althans mogelijk is dat zij door het ongeval in de toekomst nog meer schade zal lijden, zoals behandelkosten, reiskosten en schade aan verlies van arbeidsvermogen voor het geval haar uitkering zou verminderen of vervallen.

4.19.2. P Interieurs B.V. betwist deze vordering door aan te voeren dat de schade ook in de onderhavige procedure kan worden begroot nu het ongeval reeds in 1998 heeft plaatsgevonden en dat hieraan niet afdoet dat A mogelijk nog schade zal lijden.

4.19.3. De rechtbank is van oordeel dat A tegenover de betwisting haar voormelde stelling onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft gestaafd. Derhalve is de gestelde mogelijkheid dat zij in de toekomst nog schade zal lijden die niet reeds in de onderhavige procedure gevorderd dan wel begroot kan worden niet is komen vast te staan. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding partijen naar de schadestaatprocedure te verwijzen.

4.20. de proceskosten

P Interieurs B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de

kosten van het geding. De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- explootkosten EUR 84,87

- vast recht 4.667,00

- salaris procureur 4.973,50 (3,5 punten x tarief EUR 1.421,00)

Totaal EUR 9.725,37

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt P Interieurs B.V. om aan A te betalen een bedrag van EUR 123.048,71 (honderddrieëntwintig duizend achtenveertig euro en een en zeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente - over het toegekende smartengeld verschuldigd vanaf het moment van het ongeval, over de vergoeding van de overigens geleden schade vanaf het moment dat die schade is ontstaan, en over de toegekende gekapitaliseerde toekomstschade vanaf de kapitalisatiedatum -, waarbij een bedrag van

EUR 4.014,07 in mindering dient te worden gebracht op de te betalen wettelijke rente respectievelijk de toegewezen hoofdsom;

5.2. veroordeelt P Interieurs B.V. om aan A te betalen een bedrag van EUR 24.041,00 (vierentwintig duizend eenenveertig euro), ter zake buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der dagvaarding;

5.3. veroordeelt P Interieurs B.V.in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 9.725,37;

5.4. verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.1. veroordeelt P Interieurs B.V. om binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis over te gaan tot afgifte aan A van een zogenoemde belastinggarantie over het gehele door P Interieurs B.V. aan A te vergoeden bedrag aan verlies arbeidsvermogen;

5.5. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Wijngaart, mr. C.N. Dalebout en mr. P.J. van Eekeren en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2008.?