Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3704

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-10-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
13.497.256.2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft interlocutoire uitspraak vervolgingsoverlevering Litouwen.

OP is EU-onderdaan. In licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de EG van 17 juli 2008 in de zaak Kozlowski (C-66/08, RvdW 2008, 885), sluit de rechtbank niet uit dat de beantwoording van de prejudiciële vraag in de zaak met parketnummer 13.497.413.2006 ook van belang kan zijn voor de beslissing op dit verzoek tot overlevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.497.256.2008

RK nummer: 08/4644

Datum uitspraak: 17 oktober 2008

TUSSEN UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 augustus 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 7 mei 2008 door de Deputy Prosecutor General te Vilnius, Litouwen. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Litouwen) op [geboortedatum] 1982,

wonende op het adres [adres],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 oktober 2008. Daarbij zijn de offi¬cier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. M.A.M. Pijnenburg, advocaat te Amsterdam gehoord.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

Aan het EAB ligt een ruling van de 2nd District Court of Vilnius City van 19 april 2008 ten grondslag.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Litouwen strafbare feiten. Deze aanduiding heeft betrekking op de twee strafrechtelijke kwalificaties waaronder het feit valt, waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht.

De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Litouwse nationaliteit heeft.

4. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens en van de overgelegde tekst van de wettelijke bepalingen heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit naar het recht van Litouwen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten, is niet gebleken.

6. Verweren

6.1 De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren.

Allereerst heeft hij gesteld dat, nu de aan verdachte verweten feiten geheel op Nederlands grondgebied hebben plaatsgevonden, de weigeringsgrond van artikel 13 van de OLW van toepassing is.

Voorts heeft de raadman zich op het standpunt gesteld dat aan de opgeëiste persoon een terugkeergarantie dient toe te komen. Gelet op zijn verblijfsstatus als EU-onderdaan dient hij in de zin van artikel 6, vijfde lid van de OLW gelijk te worden gesteld aan een Nederlander.

Indien aan de opgeëiste persoon een terugkeergarantie wordt ontzegd, zo stelt de raadsman, wordt inbreuk gemaakt op het verbod op discriminatie zoals valt af te leiden uit de richtlijn 2004/38/EG.

Gelet op de aan de opgeëiste persoon verweten feiten bestaat daarnaast, aldus de raadsman, niet de verwachting dat de opgeëiste persoon na veroordeling in Litouwen zijn verblijfsrecht in Nederland zal verliezen.

De rechtbank dient de overlevering te weigeren nu een terugkeergarantie ontbreekt, terwijl de opgeëiste persoon aanspraak moet kunnen maken op deze terugkeergarantie.

Subsidiair verzoekt de raadsman aanhouding van de behandeling van deze zaak in afwachting van de antwoorden op de prejudiciële vragen die zijn gesteld in de zaak met parketnummer 13.497.431.2006 (LJN-nummer BC9789)

6.2 De officier van justitie heeft gevorderd dat de overlevering zal worden toegestaan. De opgeëiste persoon is weliswaar EU-onderdaan en heeft daarom geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd nodig om hier rechtmatig verblijf te hebben, maar de stelling dat om die reden automatisch recht op een terugkeergarantie ontstaat biedt naar het oordeel van de officier van justitie geen juist uitgangspunt. Er zal in ieder individueel geval onder meer moeten worden gekeken naar de duur, de aard en de voorwaarden van het verblijf. In het onderhavige geval is, naar het oordeel van de officier van justitie, een verblijf van twee jaar te kort om aanspraak te kunnen maken op een terugkeergarantie. Zij is van oordeel dat de intentie van de opgeëiste persoon om in Nederland te willen blijven en zijn, tot nu toe, goede studieresultaten geen objectieve elementen zijn die op die aanspraak van invloed kunnen zijn.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 van de OLW.

6.3 De rechtbank overweegt als volgt.

6.3.1. Feiten

De opgeëiste persoon is, volgens de informatie van de Immigratie en naturalisatiedienst (verder IND) van 5 september 2008, vanaf 7 augustus 2006 - en volgens het GBA-overzicht vanaf 7 juli 2006 - ingeschreven in de Gemeentelijke Basisadministratie te Den Haag. In voornoemd schrijven wijst de IND erop dat de opgeëiste persoon zijn verblijfsrecht als EU-onderdaan vanaf het moment van inschrijving rechtstreeks ontleent aan het EU-verdrag (De rechtbank begrijpt: EG-verdrag). Daarnaast is de opgeëiste persoon vanaf september 2007 ingeschreven als student aan de Haagse Hogeschool, waar hij een Engelstalig bachelor programma volgt.

Uit een brief van Unique Multilingual Services blijkt dat de opgeëiste persoon sinds 10 maart 2008 werkzaam is bij dat bedrijf als travel consultant.

De opgeëiste persoon zelf heeft ter zitting verklaard dat hij in Nederland zijn studie af wil ronden en dat hij daarna bij Europol in Den Haag wil gaan werken. De opgeëiste persoon heeft, volgens zijn raadsman, een ziektekostenverzekering bij zorgverzekeraar DSW.

6.3.2 Recht

Artikel 5 van het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna: Kaderbesluit) bepaalt:

“De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel door de uitvoerende rechterlijke autoriteit kan door het recht van de uitvoerende lidstaat afhankelijk worden gesteld van een van de volgende voorwaarden:

3) Indien de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel ter fine van strafvervolging is uitgevaardigd onderdaan of ingezetene van de uitvoerende lidstaat is, kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de garantie dat de persoon, na te zijn berecht, wordt teruggezonden naar de uitvoerende lidstaat om daar de vrijheidsstraf of de tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel te ondergaan die hem eventueel wordt opgelegd in de uitvaardigende lidstaat.”

In de overleveringswet heeft voornoemd artikel zijn uitwerking gevonden in artikel 6 van de OLW.

Artikel 6, eerste lid, van de OLW luidt:

Overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

In artikel 6, vijfde lid, van de OLW is voorts het volgende bepaald:

Het eerste tot en met het vierde lid is eveneens van toepassing op een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel.

6.3.3. Toepassing

De rechtsmacht van Nederland staat in ieder geval vast nu de opgeëiste persoon wordt verdacht van feiten die gedeeltelijk op Nederlands grondgebied zijn gepleegd.

In de onderhavige zaak is sprake van een gemeenschapsonderdaan, die niet beschikt over een vergunning voor verblijf voor onbepaalde tijd, de eerste voorwaarde die artikel 6, vijfde lid, OLW stelt. De opgeëiste persoon ontleent zijn verblijfsrecht als EU-onderdaan rechtstreeks aan het EG-verdrag. In de hiervoor door de raadsman genoemde zaak met parketnummer 13.497.431.2006, heeft deze rechtbank bij tussenuitspraak van 28 december 2007 aanleiding gezien onder meer de volgende prejudiciële vraag te stellen.

“Levert artikel 6, tweede en vijfde lid, OLW een door artikel 12 EG verboden discriminatie op, doordat de in die bepaling opgenomen gelijkstelling niet eveneens geldt voor onderdanen van andere lidstaten met een verblijfsrecht op grond van artikel 18, eerste lid, EG die dat verblijfsrecht niet zullen verliezen als gevolg van de opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf, maar die niet beschikken over een Nederlandse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd?”

Mede in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europeese Gemeenschappen van 17 juli 2008 in de zaak [naam] (C-66/08, RvdW 2008, 885), sluit de rechtbank niet uit dat de beantwoording van deze prejudiciële vraag ook van belang kan zijn voor de beslissing op het verzoek van overlevering van de opgeëiste persoon in de onderhavige zaak.

In dat verband is nog het volgende van belang

In het kader van de voorwaarden, gesteld in artikel 6, vijfde lid, van de OLW, dient duidelijk te zijn dat de opgeëiste persoon naar verwachting zijn verblijfsrecht in Nederland niet verliest ten gevolge van de hem in Litouwen opgelegde straf waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd. De stukken in het dossier geven hierover geen uitsluitsel.

6.3.4. De rechtbank zal het onderzoek heropenen en de behandeling van de zaak aanhouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen, opgenomen in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 december 2007.

De rechtbank zal de officier van justitie opdragen in de tussentijd bij de IND te informeren of de opgeëiste persoon naar verwachting zijn verblijfsrecht zal verliezen naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van de hem in Litouwen eventueel op te leggen straf voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

7. Beslissing

De rechtbank:

- heropent het onderzoek en schorst dit voor onbepaalde tijd in afwachting van de beantoording van de prejudiële vragen, opgenomen in de tussenuitspraak van deze rechtbank van 28 december 2007 in de zaak met parketnummer 13.497.431.2006;

- draagt de officier van justitie op om bij de IND te informeren of de opgeëiste persoon naar verwachting zijn verblijfsrecht zal verliezen indien hij in Litouwen wordt veroordeeld voor de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht;

- beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman;

- beveelt tevens de oproeping van een tolk voor de Litouwse taal tegen die datum en dat tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. J.W. Vriethoff en N. Rozemond, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van mr. A.B. Boukema, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 oktober 2008.