Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG3654

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-10-2008
Datum publicatie
06-11-2008
Zaaknummer
AWB 06-4977 WRO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling bestemmingsplan voor te verhalen boot. Eisers woonboot moest wegens een nautisch onveilige situatie zijn ligplaats verlaten. Voor de nieuwe en na onderzoek meeste geschikt gebleken alternatieve ligplaats, was eisers boot te groot. Verweerder heeft een vrijstellingsbesluit ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen, waarbij de afmetingen van de nieuwe ligplaats zijn vergroot, zodat van strijd met het bestemmingsplan geen sprake meer was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 06/4977 WRO

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser 1] en anderen volgens aangehechte lijst, allen wonende te [woonplaats],

eisers,

en

het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam-Centrum,

verweerder,

gemachtigde mr. H.D. Hosper.

Tevens heeft aan het geding deelgenomen:

De Dienst Binnenwaterbeheer Amsterdam, houder van de vrijstelling,

vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Jacobs.

1. Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 30 augustus 2006 een vrijstellingsbesluit op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) genomen voor het vergroten van de ligplaats voor een woonboot, gelegen in de Prinsengracht ter hoogte van huisnummer [nummer] (het bestreden besluit).

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 september 2008.

Eisers [eiser 1], [eiser 2] en [eiser 3] zijn in persoon verschenen.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. H.D. Hosper.

De Dienst Binnenwaterbeheer is verschenen bij gemachtigde mr. M.J.M. Jacobs.

2. Overwegingen

Feiten

2.1. Verweerder heeft in 2000 geconstateerd dat op de Prinsengracht ter hoogte van het Anne Frankhuis een nautisch onveilige situatie was ontstaan. Dit bracht mee dat onder meer de woonboot “[naam woonboot]” (eigendom van [persoon 1]) die tegenover huisnummer [nummer] lag, een alternatieve ligplaats diende in te nemen. Verweerder heeft besloten dat de “[naam woonboot]” ligplaats kon innemen tegenover huisnummer [nummer], waar op dat moment nog een dekschuit (eigendom van [eiser 2], met afmetingen 4x9m) lag. De voor de dekschuit verleende (fictieve) ontheffing werd ingetrokken, en de eigenaar Visser werd aangeschreven om over te gaan tot verwijdering van dit vaartuig. Voor de “[naam woonboot]” werd een vergunning verleend voor de ligplaats tegenover huisnummer [nummer]. Verweerder heeft [persoon 1] voorts bij besluit van 30 augustus 2000 vergunning verleend om de “[naam woonboot]” (16x3.3m) te vervangen door de “[naam woonboot 2]” (later genoemd: [naam woonboot 2], met afmetingen 28,4x4,55m). In november 2002 vond uitvoering van de besluiten plaats, is de dekschuit verwijderd en heeft de [naam woonboot 2] ligplaats ingenomen tegenover huisnummer [nummer].

Standpunten van partijen

2.2.1. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit onderzoek naar een alternatieve ligplaats voor de [naam woonboot] en de [naam woonboot 2] is gebleken dat er in de binnenstad geen andere geschikte ligplaats,is, waarbij is uitgegaan van de criteria: bereikbaarheid, nabijheid en vergelijkbaarheid van de nieuwe ligplaats. Omdat de afmetingen van de [naam woonboot 2] passen binnen de oorspronkelijke bedoeling van het bestemmingsplan en voldoen aan de Richtlijnen bij vervanging van woonboten 1996. Heeft verweerder het verlenen van vrijstelling opportuun geacht. Ook heeft de Welstandscommissie positief geadviseerd.

2.2.2. Eisers stellen in beroep dat de afwijking van het bestemmingsplan aanzienlijk is

(480%) en de vergrote ligplaats niet alleen de breedte van de gevel van huisnummer [nummer] beslaat, maar ook die van de nummers [nummers]. Het bestemmingsplan Jordaan 1999 geeft aan het gebruik van het openbaar water een conserverend karakter. De inmiddels door de stadsdeelraad vastgestelde “Visie op het Water van de Binnenstad” heeft als één van de belangrijkste uitgangspunten dat gestreefd dient te worden naar meer open water door middel van het verplaatsen van woonboten. Voorts zijn er alternatieve locaties zonder planologische belemmeringen beschikbaar, zoals aan de Kattenburgervaart en de Oostenburgervaart.

Verweerder heeft niet aangetoond dat de voor de [naam woonboot 2] afgegeven vervangingsvergunning verantwoord is binnen het beschermde stadsgezicht. Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat verweerder de noodzaak om een verklaring van geen bezwaar te vragen bij Gedeputeerde staten heeft omzeild, door de gevraagde vrijstelling te baseren op het tweede lid van artikel 19 van de WRO in plaats van op het eerste lid.

Beoordeling van de ontvankelijkheid

2.3.1. Eiser [eiser 1] heeft in zijn inleidend beroepschrift van 7 oktober 2006 meegedeeld

namens de op een bijlage genoemde andere personen beroep in te stellen. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor zaken als de onderhavige ter beoordeling van de vraag of een persoon een rechtstreeks belang heeft in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), een afstands- en zichtcriterium.

2.3.2. [eiser 4], wonende op het adres Prinsengracht [nummer], en [eisers 5 en 6], beiden wonende op het adres Elandstraat [nummer], hebben geen zicht op de in geding zijnde ligplaats, zodat zij niet als belanghebbende kunnen worden aangemerkt en het beroep namens hen niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.3.3. Verder stelt de rechtbank vast dat van [eisers 7 t/m17] geen machtigingen aanwezig zijn om namens hen beroep in te stellen, zodat het namens genoemde personen ingestelde beroep eveneens niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.3.4. Het beroep namens [eiser 18] dient ten slotte ook niet-ontvankelijk te worden verklaard, aangezien niet bekend is namens welke eigenaren/bewoners hij optreedt en er evenmin een machtiging van hem aanwezig is.

Wettelijk kader

2.4.1. Op 1 juli 2008 is de WRO ingetrokken en is de Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Ingevolge artikel 9.1.10 van de Invoeringswet Wro (Staatsblad 2008, 180) is op dit beroep het recht, zoals dat gold tot 1 juli 2008, van toepassing.

2.4.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan verweerder vrijstelling verlenen

van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten, dat geen bezwaar is tegen het verlenen van vrijstelling, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid van artikel 19 van de WRO met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

2.4.3. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO wordt onder een goede ruimtelijke

onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of inter-gemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.4.4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de vrijstelling terecht heeft gebaseerd op het tweede lid van artikel 19 van de WRO. Gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) hebben bij besluit van 27 juni 2000, bekendgemaakt op 21 augustus 2000, een notitie vastgesteld over de wijze waarop zij invulling geven aan artikel 19 van de WRO. Bij besluit van 19 juli 2005, bekendgemaakt op 2 augustus 2006, hebben gedeputeerde staten deze notitie laatstelijk gewijzigd. Ingevolge deze notitie, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders zonder verklaring van geen bezwaar vrijstelling verlenen krachtens artikel 19, tweede lid, van de WRO voor projecten die niet afwijken van vastgesteld provinciaal ruimtelijk beleid of van vastgesteld ruimtelijk rijksbeleid en die geen speerpunten van beleid, zoals aangegeven in de notitie, betreffen, alsmede voor projecten die geringe uitbreidingen betreffen van bestaande bouwwerken.

2.4.5. De rechtbank stelt vast dat het vergroten van een woonbootligplaats niet valt onder de speerpunten zoals genoemd in het besluit van gedeputeerde staten. Dit betekent dat voor de vrijstelling geen voorafgaande verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten vereist was.

De vrijstelling

2.5.1. Ter beoordeling van de rechtbank staat de vraag of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. De rechtbank stelt voorop dat verweerder een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de afweging of medewerking wordt verleend aan vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan. Verweerders beslissing moet daarom terughoudend te worden getoetst.

2.5.2. Op de bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan behorende plankaart staat aan de

Prinsengracht ter hoogte van huisnummer [nummer] een vak ingetekend, waarin woonboten zijn toegestaan. Hoewel bij deze ligplaats geen afmetingen zijn vermeld, heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: RvS) in zijn uitspraak van 30 juli 2003 geoordeeld dat de afmetingen van zowel de [naam woonboot] als de [naam woonboot 2] groter zijn dan de op de plankaart aangegeven ligplaats en dat daarom sprake was van strijd met het bestemmingsplan. Hier gaat de rechtbank dan ook van uit.

2.5.3. Met betrekking tot de vraag of sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing

zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO overweegt de rechtbank dat de ruimtelijke onderbouwing niet in alle gevallen even omvangrijk hoeft te zijn. De aan de ruimtelijke onderbouwing te stellen eisen zijn - onder meer - afhankelijk van de aard en de omvang van de activiteit, de mate van ingrijpendheid, de actualiteit van het gemeentelijk ruimtelijk beleid, de relevantie voor het ruimtelijk beleid van de andere overheden en de aard van de eventueel ingebrachte bedenkingen. Gelet hierop kan worden gesteld dat bij een meer ingrijpend project zowel qua omvang, als qua inhoud zwaardere eisen kunnen worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

2.5.4. Verweerder heeft een ruimtelijke onderbouwing gegeven, waarin – onder meer –

is aangegeven dat de oppervlakte van de [naam woonboot 2] past binnen de richtlijnen voor de vervanging van woonboten. De uitgangspunten van deze vervangingsregels passen binnen de aanwijzing van het grootste gedeelte van de binnenstad van Amsterdam tot beschermd stadsgezicht. De [naam woonboot 2] is een authentiek schip, dat past in het als beschermd stadsgezicht aangewezen gebied. Vanuit historisch perspectief bezien zijn de grachten in Amsterdam van oudsher gebruikt voor bewoning in woonschepen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat is beoordeeld of de vergrote ligplaats past in de stedelijke contouren en dat bij de beoordeling de “Visie op het water van de binnenstad” is betrokken. In genoemde Visie zijn de kaders voor het gebruik van het water in de binnenstad aangegeven. Uit de gedingstukken blijkt voorts dat in verband met de vervangingsvergunning voor de [naam woonboot 2] een positief welstandsadvies is afgegeven. Ten slotte is de verkeerssituatie bezien en is geconcludeerd dat de verkeersveiligheid niet nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de [naam woonboot 2]. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee heeft voldaan aan de eis van een goede ruimtelijke onderbouwing.

2.5.5. Bij de beslissing om al dan niet vrijstelling te verlenen van de voorschriften van het bestemmingsplan moeten in beginsel alle daarbij betrokken belangen, dus ook die van omwonenden, in aanmerking worden genomen. Uit verweerders reactie van 19 juli 2005 op de ingediende zienswijzen blijkt dat bij de besluitvorming mede het belang van het vrije zicht op het water is betrokken. Verweerder heeft overwogen dat het water door de aanwezigheid van de [naam woonboot 2] niet méér aan het zicht wordt onttrokken dan door een andere (kleinere) woonboot en dat het vrije zicht op het water vooral wordt ontnomen door geparkeerde auto’s.

2.5.6. De omstandigheid dat de vergroting van betreffende ligplaats percentueel aanzienlijk is, is op zich juist. Dit houdt echter niet in dat verweerder daarom geen vrijstelling mag verlenen. In dit verband is van mede belang dat niet is gebleken dat de “Visie op het Water van de Binnenstad” in de weg staat aan het bestreden besluit.

Conclusie

2.6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging

van alle betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde

vrijstelling te verlenen. De rechtbank zal het beroep daarom ongegrond verklaren.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht ziet de

rechtbank geen aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep van [eisers 4 t/m 18]

- verklaart het beroep van de overige eisers ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 31 oktober 2008 door mr. J.J. Bade, voorzitter, en mrs. J.P. Smit en G.M. Beunk, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B