Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG2126

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-10-2008
Datum publicatie
31-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/2145 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wegens het vermoeden dat een vijftal panden strijd diverse regelgeving op bedrijfsmatige wijze als hotel/pension/kamer werden geëxploiteerd en voorts dat personen in deze panden stonden ingeschreven die daar niet (meer) woonden, hebben medewerkers van verschillende gemeentelijke diensten in een gecoördineerde actie de panden bezocht. Bij dit onderzoek is vastgesteld dat eiser daar niet woonde. Daarom heeft verweerder eisers inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) gewijzigd. Op basis van de Wet GBA bestaat geen bevoegdheid tot binnentreden. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente gebruik kan maken van gegevens die rechtmatig zijn verkregen bij een onderzoek in een woning in het kader van een andere wet. In dit geval is de machtiging tot binnentreden gebaseerd op de Woningwet. De bevindingen in het kader van de Woningwet kon verweerder gebruiken in het kader van de Wet GBA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 07/2145 BESLU

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde mr. J.C. Arendse,

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

gemachtigde [vertegenwoordiger gemachtigde].

1. Procesverloop

Verweerder heeft de inschrijving van eiser in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) op [adres 1] per 1 augustus 2006 gewijzigd in: “vertrokken naar onbekend”.

Bij besluit van 11 april 2007 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit). Daarbij heeft verweerder de registratie “vertrokken naar onbekend” gewijzigd in een zogeheten puntadres.

Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:64, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting van 3 maart 2008 geschorst en het vooronderzoek hervat.

De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van de meervoudige kamer op 11 september 2008.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J.C. Arendse.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde [vertegenwoordiger gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. De van belang zijnde feiten en omstandigheden

2.1.1. Naar aanleiding van langer bij verweerder bestaande vermoedens dat een vijftal panden in de [straat] te Amsterdam in strijd met het bestemmingsplan en de Bouwverordening op bedrijfsmatige wijze als hotel/pension/kamer werden geëxploiteerd en voorts dat personen in deze panden stonden ingeschreven die daar niet (meer) woonden, heeft verweerder een onderzoek ter plaatse gestart. Het gaat hierbij om de panden met de huisnummers 16, 18, 20, 28 en 30, en in totaal 12 etages. Op 26 juli 2006 zijn de panden vanaf ’s morgens 7:00 uur door medewerkers van de Dienst Wonen, afdeling Bouw- en Woningtoezicht en de Dienst Persoonsgegevens (DPG) bezocht. Vastgesteld is dat in diverse kamers mensen kortdurend verbleven.

2.1.2. De bevindingen van de actie van 26 juli 2006 zijn voor verweerder aanleiding geweest om de inschrijving van eiser in de GBA op [adres 1] per 1 augustus 2006 te wijzigen in “vertrokken naar onbekend”, welke registratie bij het bestreden besluit is gewijzigd in een zogeheten puntadres.

2.2. Standpunten van partijen

2.2.1 Eiser stelt dat de medewerker van de DPG, [persoon 3], die het pand nr [nummer] heeft bezocht, niet over een machtiging beschikte om binnen te treden. Omdat eiser hem evenmin toestemming heeft gegeven om de woning te betreden, is volgens eiser sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. De Wet GBA geeft verweerder geen bevoegdheid tot binnentreden. Eiser betoogt dat [persoon 3] ten onrechte mee naar binnen is gekomen met de medewerkers van de Dienst Wonen, afdeling Bouw- en Woningtoezicht, die evenmin over een geldige machtiging tot binnentreden beschikten. Voorts is eiser van mening dat de bevindingen van 26 juli 2007 niet de conclusie rechtvaardigen dat eiser niet op het betreffende adres woont. Eiser stelt uitsluitend op het adres [adres 1] te wonen. Hij betoogt dat verweerder op grond van de bepalingen van de Wet GBA niet bevoegd was hem uit daar uit te schrijven.

2.2.2 Verweerder stelt dat de voor het binnentreden op 26 juli 2006 aanwezige machtiging voor het hele onderzoeksteam en dus ook voor de medewerker [persoon 3] van de DPG gold. Subsidiair voert verweerder aan dat eiser toestemming heeft verleend voor het binnentreden. Meer subsidiair stelt verweerder dat de twee medewerkers van de andere gemeentelijke diensten toezichthoudend ambtenaar voor de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening waren. Omdat deze toezichthouders volgens verweerder op grond van de machtiging bevoegd waren om binnen te treden, kunnen de resultaten van het huisbezoek aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd.

2.3. Wettelijk kader

2.3.1. Ingevolge artikel 1 van de Wet GBA, voorzover hier van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonadres:

a. het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres waar, bij het ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten. Ingevolge dit artikel wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder adres: het woonadres.

2.3.2. Ingevolge artikel 47, tweede lid, eerste volzin, van de Wet GBA, draagt, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Artikel 48, tweede lid, eerste volzin, van de Wet GBA, geeft eenzelfde bepaling voor een ingezetene die naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derden van de tijd buiten Nederland zal verblijven.

2.3.3. Ingevolge artikel 66 lid 1 van de Wet GBA is de ingezetene die zijn adres wijzigt, verplicht binnen vijf dagen na de wijziging van het adres bij het college van B&W van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft, schriftelijk aangifte van adreswijziging te doen.

2.3.4. Bij de aanleg en bijhouding van de registraties in de gemeentelijke basisadministratie hanteren gemeenten de Handleiding Uitvoeringsprocedures (HUP).

2.3.5. Blijkens paragraaf 6.3 van de HUP dient in de situatie dat een persoon in de basisadministratie is ingeschreven op een bepaald adres en vervolgens is vertrokken zonder een nieuw adres op te geven, alvorens een actualisering uit te voeren een gedegen onderzoek te zijn ingesteld naar het feitelijke nieuwe adres van betrokkene. De uitkomst van dit onderzoek kan volgens de Handleiding - voorzover hier van belang - zijn dat de persoon min of meer voortdurend in de gemeente verblijft, maar geen adres of briefadres is vast te stellen. Wel zijn deze personen op enigerlei wijze bereikbaar. In dat geval wordt bij de registratie vermeld: "puntadres".

2.4. grondslag van het bestreden besluit

2.4.1. Blijkens het bestreden besluit en het verhandelde ter zitting heeft verweerder de registratie van een puntadres gebaseerd op artikel 47, tweede lid, eerste volzin, van de Wet GBA. De aanvankelijke registratie “vertrokken naar onbekend” heeft verweerder gebaseerd op artikel 48, tweede lid, eerste volzin, van de Wet GBA.

2.4.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het bestreden besluit de registratie “vertrokken naar onbekend” heeft gewijzigd in een puntadres. Daarmee heeft verweerder de rechtsgrondslag van het besluit tot wijziging van de registratie - ten gunste van eiser - gewijzigd. Verweerder had het bezwaar dan ook gegrond moeten verklaren.

2.4.3. Het bestreden besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking en het beroep zal gegrond worden verklaard. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

2.5. rechtmatigheid binnentreden

2.5.1. Vaststaat dat de betreffende panden op 26 juli 2006 door onder anderen [persoon 1] van de afdeling Bouw- en Woningtoezicht, [persoon 2] van de afdeling Handhaving en [persoon 3] van de DPG zijn bezocht. Dezen hebben van hun onderzoeksbevindingen verslagen opgesteld. In het verslag van [persoon 3] van 4 augustus 2006 zijn echter geen bevindingen opgenomen ten aanzien van het onderzoek in de woning [adres 1]. De bevindingen van [persoon 3] kunnen dan ook niet redengevend worden geacht voor het bestreden besluit, zodat de vraag of [persoon 3] rechtmatig is binnengetreden voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet relevant is.

2.5.2. Uit het verslag van [persoon 1] en [persoon 2] van 31 juli 2006 blijkt dat deze ambtenaren de woning [adres 1] hebben bezocht. Met betrekking tot de vraag of de onderzoeksgegeven uit hun verslag van dit bezoek aan het bestreden besluit ten grondslag kunnen worden gelegd overweegt de rechtbank het volgende.

2.5.3. De rechtbank acht niet aannemelijk dat eiser vrijwillig toestemming aan [persoon 1] en [persoon 2] heeft gegeven voor het binnentreden. Eiser heeft van meet af aan betwist dat hij vrijwillig toestemming heeft gegeven, terwijl de gedingstukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor verweerders standpunt dat een dergelijke toestemming wel is gegeven. Uit het proces-verbaal van bevindingen van [persoon 4] en [persoon 5] van 27 juli 2006 blijkt veeleer dat eiser toegang heeft gegeven tot de woning nadat was aangekondigd dat desnoods met geweld toegang zou worden verschaft.

2.5.4. Aan [persoon 1] en [persoon 2] is op 26 juli 2006 ten behoeve van het uitoefenen van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschriften, een machtiging afgegeven om zonder toestemming van de bewoners de woning [adres 1] binnen te treden. Deze machtiging is door de burgemeester afgegeven in plaats van door de – middels delegatie bevoegde – voorzitter van het stadsdeel ZuiderAmstel. Naar het oordeel van de rechtbank is dit echter niet een zodanig gebrek aan de machtiging dat van de bevindingen van [persoon 1] en [persoon 2] bij de besluitvorming geen gebruik had mogen worden gemaakt.

2.5.5. Eiser heeft terecht opgemerkt dat op basis van de Wet GBA geen bevoegdheid tot binnentreden bestaat. Dit neemt echter niet weg dat verweerder gebruik kan maken van gegevens die rechtmatig zijn verkregen bij een onderzoek in een woning in het kader van een andere wet. In dit geval is de machtiging tot binnentreden gebaseerd op de Woningwet. De bevindingen van [persoon 1] en [persoon 2] in het kader van de Woningwet kon verweerder gebruiken in het kader van de Wet GBA. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juli 2006 (LJN: AY3662). In het in die uitspraak aan de orde zijnde geval werden gegevens die waren verkregen tijdens een huisbezoek in het kader van de Algemene bijstandwet ten grondslag gelegd aan een besluit op grond van de Wet GBA.

2.6. Woonsituatie huisnummer [nummer]

2.6.1. Op basis van de bij het huisbezoek aangetroffen situatie kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank concluderen dat eiser niet woonde op het adres [adres 1]. Zo waren de drie ruimtes weliswaar compleet voor bewoning ingericht, maar ontbraken tekenen van feitelijke en permanente bewoning nagenoeg geheel. Er zijn geen persoonlijke bezittingen waargenomen, de koelkasten waren leeg. Daarbij komt dat de kamers identiek aan de andere kamers in het pand waren ingericht met uniforme meubilairstukken, kooktoestellen, magnetrons en stapelbedden, hetgeen voeding geeft aan de gedachte dat het pensionkamers zijn. Ook in de zich onder de gedingstukken bevindende foto’s ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling dat de ruimtes bewoond werden. Het is dan ook onaannemelijk dat eiser daar op dat moment zijn hoofdverblijf had. De rechtbank acht het voorts onaannemelijk dat eiser, die enkele panden op deze locatie bezit en daaruit inkomsten verwerft, op een met stapelbedden ingerichte zolderverdieping zou wonen. De stelling van eiser, dat er wel persoonlijke spullen van hem aanwezig waren en - zoals ter zitting uiteengezet - dat zijn wijze van bewonen atypisch is en op anderen mogelijk eigenaardig overkomt, beschouwt de rechtbank bij het ontbreken van objectieve aanwijzingen in deze richting, onvoldoende om het overtuigende beeld dat eiser er niet woonde aan te tasten. De rechtbank overweegt hierbij dat eiser na het huisbezoek van 26 juli 1006 ruimschoots in de gelegenheid is geweest om zijn bewoning van dit adres met nader bewijs te staven maar dit heeft nagelaten.

2.6.2 Nu eiser niet woonde op de [adres 1] en hij in gebreke is met het doen van aangifte waar hij wel woont, was verweerder op grond van artikel 47, tweede lid, van de Wet GBA gehouden de gegevens in het GBA betreffende het adres van eiser ambtshalve aan te passen. Omdat eiser nog wel bereikbaar was binnen de gemeente Amsterdam, heeft verweerder zijn registratie op dit adres terecht conform het HUP gewijzigd in “puntadres”.

2.6.3. Nu de rechtbank het beroep van eiser, gelet op het onder 2.4 overwogene, gegrond verklaart, dient op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht van € 143,- te worden vergoed door de gemeente Amsterdam.

2.6.4. Ten slotte ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,-.

3. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan eiser;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiser betaalde griffierecht van

€ 143,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 9 oktober 2008 door mr. J.J. Bade, voorzitter, en

de mrs. C.G. Meeder en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B