Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1983

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-08-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
772528 DX EXPL 06-193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zorgplicht; categoriemodel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis

Zorgplicht; categoriemodel

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

Zaak- en rolnummer: 772528 DX EXPL 06-193

Vonnis van: 20 augustus 2008

F.no.: 641

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eisende partij],

nader te noemen eisende partij,

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

gemachtigde: mr. G. van Dijk,

t e g e n

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.,

nader te noemen Dexia,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,

gemachtigde: [gemachtigde gedaagde].

Procedure

Het volgende processtuk is ingediend:

- de dagvaarding van 8 maart 2006, met producties.

Daarna heeft Dexia bij akte schorsing van de procedure aangezegd krachtens de Wet collectieve afwikkeling massaschade (WCAM). Bij rolmededeling van 23 mei 2006 is vastgesteld dat de procedure is geschorst. Na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam heeft eisende partij een afschrift overgelegd van de opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), waarin hij verklaart niet aan de verbindendverklaring gebonden te willen zijn. Naar aanleiding daarvan is beslist dat de onderhavige procedure wordt hervat.

Vervolgens is ingediend:

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, van Dexia, met producties.

Bij tussenvonnis van 16 april 2008 is een comparitie bepaald die heeft plaatsgevonden op 23 juli 2008. Ter comparitie zijn verschenen eisende partij in persoon, bijgestaan door diens gemachtigde mr. E.R.A. Roos en van de zijde van Dexia [vertegenwoordiger Dexia], bijgestaan door mr. C. van den Brink, advocaat te Amsterdam. Voorafgaand aan deze comparitie zijn door eisende partij op 16 juli 2008 een conclusie van antwoord in reconventie tevens akte uitlating na tussenvonnis met producties en door Dexia per fax van 23 juni 2008 aanvullende stukken ingediend, welke stukken thans tot de gedingstukken behoren. Van hetgeen besproken is ter comparitie heeft de griffier aantekening gehouden.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

1. Feiten

In conventie en in reconventie

Als gesteld en onvoldoende weersproken staat vast:

1.1. Dexia is de rechtsopvolgster onder algemene titel van Bank Labouchere N.V. (hierna: Labouchere). Waar hierna sprake is van Dexia wordt haar rechtsvoorgangster daaronder mede begrepen.

1.2. Eisende partij verkeerde ten tijde van het aangaan van de hieronder bedoelde overeenkomst in de volgende omstandigheden:

eisende partij

Leeftijd: 28

Beroep: beveiligingsbeambte

Opleiding: MBO

Netto (gezins)inkomen per jaar: € 17.364,61,--

Relevante beleggings- of beroepservaring: geen

Vermogen (na aftrek van schulden): geen

1.3. Eisende partij heeft de volgende lease-overeenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij Labouchere (hierna: de lease-overeenkomst):

Nr. Contractnr. Datum Naam overeenkomst Leasesom Looptijd Termijnbedrag

I [nummer] 06-09-2000 AEX Plus Effect Maandbetaling € 10.980,72 240 mnd € 45,38

De lease-overeenkomst is tot stand gekomen via Vuysters Financiële Diensten B.V. (hierna: de tussenpersoon). Eisende partij heeft vervolgens op 2 augustus 2001 via de tussenpersoon een kredietovereenkomst onder contractnummer [nummer] gesloten (hierna: de kredietovereenkomst) met als wederpartij kredietmaatschappij VOLA B.V..

1.4. Dexia heeft wegens betalingsachterstanden de lease-overeenkomst beëindigd en een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:

Nr. Datum eindafrekening Resultaat Aan Dexia voldaan op:

I 11-07-2006 -/- € 731,88 Niet voldaan

1.5. Voor wat betreft het in totaal aan Dexia betaalde bedrag, het totaalbedrag aan ontvangen en/of verrekende dividenden en andere gegevens van de lease-overeenkomst wordt verwezen naar de aan dit vonnis gehechte bijlage (hierna: de bijlage).

2. Conventie

Vordering

2.1. Eisende partij vordert op gronden als vermeld in de processtukken bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat de lease-overeenkomst is of wordt vernietigd, althans ontbonden, althans dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld, en dat eisende partij recht heeft op terugbetaling van € 2.722,80 althans van al hetgeen in het kader van de onderhavige lease-overeenkomst aan Dexia is betaald vermeerderd met de wettelijke rente over die betalingen vanaf de dag van de betalingen tot aan de dag van algehele terugbetaling door Dexia.

2.2. Voorts vordert eisende partij Dexia te bevelen om binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te bewerkstelligen dat de registratie van eisende partij bij het BKR te Tiel, althans de aan die registratie gekoppelde achterstandcodering ongedaan wordt gemaakt, zulks op straffe van een dwangsom.

2.3. Tenslotte vordert eisende partij Dexia te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten.

Verweer

2.4. Dexia voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen van eisende partij.

3. Reconventie

Vordering

3.1. In reconventie vordert Dexia eisende partij te veroordelen tot betaling van € 731,88, zijnde het saldo van de door Dexia opgestelde eindafrekening, vermeerderd met de contractuele rente, althans met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2006, althans de datum van de conclusie van antwoord in conventie, stellende dat eisende partij in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit de lease-overeenkomst.

Verweer

3.2. Eisende partij voert gemotiveerd verweer tegen de vorderingen in reconventie.

4. Beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie

4.1. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Daarbij zal de eisende partij in conventie in alle gevallen worden aangemerkt als ‘eisende partij’. Geoordeeld wordt als volgt.

4.2. In het vonnis van deze rechtbank van 27 april 2007, LJN BA3914, en het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2008, LJN BC2837 zijn voor soortgelijke geschillen een aantal rechtsvragen beantwoord en beoordelingsmaatstaven gegeven, die de kantonrechter overneemt. In essentie komt dit in de onderhavige zaak neer op het volgende:

- Een lease-overeenkomst als de onderhavige wordt aangemerkt als huurkoop. De kantonrechter is derhalve bevoegd.

- Een effecteninstelling (als Dexia) is aansprakelijk voor gedragingen van een tussenpersoon.

- De toepasselijkheid van de WCK en de andere door de eisende partij genoemde wetten en regelingen kan in het midden blijven. Ook indien Dexia in strijd daarmee zou hebben gehandeld zou zulks niet tot een ander oordeel leiden omtrent de door elk van partijen te dragen gevolgen van het aangaan van de betreffende lease-overeenkomst, dan zou hebben te gelden zonder een zodanig beroep.

- Er wordt niet voldaan aan de maatstaf voor misleidende reclame.

- Er wordt niet voldaan aan de maatstaf voor dwaling.

- Dexia was bij het aanbieden van het onderhavige product gehouden aan de in de NR gecodificeerde zorgplichten.

Voorts wordt geoordeeld dat geen sprake is van misbruik van omstandigheden, nu niet is gebleken dat Dexia, wetende of moetende begrijpen dat de eisende partij door bijzondere omstandigheden bewogen werd tot het aangaan van de lease-overeenkomst, het tot stand komen daarvan heeft bevorderd, ofschoon hetgeen Dexia wist of moest begrijpen haar daarvan had behoren te weerhouden.

4.3. Tevens wordt geoordeeld dat Dexia niet in voldoende mate heeft voldaan aan haar zorgplichten voortkomende uit het ‘know your customer’-principe. Dat brengt mee dat de lease-overeenkomst niet tot stand had behoren te komen en dat een causaal verband bestaat tussen deze tekortkoming en de door de eisende partij geleden schade. Toepassing van het bepaalde in artikel 6:101 BW leidt uiteindelijk niet tot een ander resultaat dan het gevolg zal zijn van de hierna volgende nadeelverdeling, zodat deze tekortkoming hierna buiten beschouwing zal blijven.

4.4. Dexia heeft in onvoldoende mate voldaan aan haar zorgplicht om de eisende partij op niet mis te verstane wijze te wijzen op de risico’s die verbonden zijn aan de lease-overeenkomst. Dexia is derhalve aansprakelijk voor de als gevolg van dit tekortschieten opgetreden nadelige gevolgen.

4.5. Dexia is echter niet voor het volledige nadeel aansprakelijk, nu zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het voor rekening van Dexia komende nadeel dient te worden verminderd in evenredigheid met de, op een gemotiveerde schatting berustende, mate waarin aan de eisende partij toe te rekenen omstandigheden tot het nadeel hebben bijgedragen. Dit overeenkomstig hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in zijn arrest van 31 maart 2006, RvdW 2006, 328 LJN AU6092. Een en ander zal tot uitdrukking worden gebracht door toepassing van de hierna bedoelde maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Grondslag voor de hiervoor bedoelde schatting vormen de persoonlijke omstandigheden van de eisende partij die van invloed zijn op de waarschijnlijkheid dat de onderhavige lease-overeenkomst tot stand zou zijn gekomen indien Dexia haar zorgplicht afdoende was nagekomen, mede gelet op de leasesom en op de overige verplichtingen uit de onderhavige rechtsverhouding met Dexia. Dit betreft met name (maar niet uitsluitend) de financiële omstandigheden, de beleggingsdoelstellingen en de kennis en ervaring van de eisende partij.

4.6. Ten aanzien van hetgeen onder nadeel wordt begrepen oordeelt de kantonrechter als volgt. In de arresten van het gerechtshof te Amsterdam van 1 maart 2007, LJN AZ9722, 16 augustus 2007, LJN BB1855, en 15 november 2007, LJN BB7971, alsmede in het arrest van het gerechtshof te Arnhem van 1 april 2008, LJN BC9484, ziet de kantonrechter onvoldoende aanleiding om ten aanzien van de door eisende partij betaalde rente anders te oordelen dan tot nu toe is gedaan. Voorop staat dat de lease-overeenkomst wordt gekenmerkt door het gegeven dat de eisende partij een belegging aangaat die met geleend geld wordt gefinancierd. De lening wordt uitsluitend aangegaan met het oog op die financiering; het staat de eisende partij niet vrij om het geleende geld aan een ander doel te besteden. De lening maakt onlosmakelijk deel uit van het door Dexia aangeboden product. Indien de lease-overeenkomst niet tot stand zou zijn gekomen, zou de eisende partij dus ook het deel daarvan dat uit de rentedragende lening bestaat niet zijn aangegaan. De zorgplicht ziet mede op het in niet mis te verstane bewoordingen waarschuwen voor de mogelijkheid dat de over de lening te betalen rente met de opbrengst van de belegging niet zal worden terugverdiend en dus verloren zal gaan, althans op het verifiëren of de eisende partij het product zodanig heeft doorgrond dat deze zich bewust was van die mogelijkheid. Dat uit de over het product verstrekte informatie wel kan worden afgeleid dat (ook) sprake is van geleend geld, maakt nog niet dat de eisende partij het risico van het verloren gaan van de (al dan niet vooruitbetaalde) rente zonder meer had kunnen of behoren te begrijpen. Hieruit volgt dat de kantonrechter blijft bij het oordeel dat de rente in beginsel als nadelig gevolg van het aan Dexia verweten handelen in aanmerking dient te worden genomen bij de vaststelling van het totale nadeel. Bevestiging van dit oordeel vindt de kantonrechter in de uitspraak van de Commissie van Beroep DSI van 27 januari 2005 en in het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 24 mei 2007, LJN BA5684.

4.7. Zoals nader is toegelicht in het vonnis van 27 april 2007 onderscheidt de kantonrechter voor de toerekening van het nadeel aan ieder van partijen in het hiervoor genoemde kader een aantal categorieën van afnemers. Op basis van de omstandigheden zoals die hiervoor onder 1.2. bij de feiten zijn vermeld, is voor eisende partij in principe categorie 3 van toepassing. Eisende partij heeft ter comparitie echter gesteld dat hij aanvankelijk naar de tussenpersoon is toegegaan met het oogmerk zijn krediet bij IDM Bank N.V. over te sluiten en zo iets aan zijn schuldenlast te doen. In plaats van zijn krediet over te sluiten heeft eisende partij de onderhavige lease-overeenkomst met Dexia afgesloten. Een klein jaar later heeft eisende partij alsnog de kredietovereenkomst afgesloten. Eisende partij heeft gesteld dat er een samenhang bestaat tussen de lease-overeenkomst en de kredietovereenkomst. Hiertoe heeft eisende partij gewezen op een bijlage bij de kredietovereenkomst waarin is overeengekomen dat eisende partij geen aflossing maar slechts rente op het krediet zou betalen. De reden hiervan was volgens eisende partij gelegen in de veronderstelling dat de opbrengst uit de lease-overeenkomst voldoende zou zijn om het krediet af te lossen.

4.8. Ofschoon Dexia deze stellingen onbetwist heeft gelaten, ziet de kantonrechter geen aanleiding categorie 3 niet toe te passen. Immers, de stellingen van eisende partij volgend, heeft hij eerst de lease-overeenkomst afgesloten en heeft hij pas een klein jaar later de kredietovereenkomst afgesloten. Daarmee kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de kredietovereenkomst de kans dat de lease-overeenkomst ook zou zijn gesloten indien Dexia haar zorgplichten niet zou hebben geschonden, heeft beïnvloed.

4.9. Op grond van de feiten en omstandigheden als hierboven onder 1.2. weergegeven dient naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid 65% van het nadeel voor rekening van eisende partij komen, als vermeld in de bijlage, en het resterende deel voor rekening van Dexia. Voor zover sprake is van fiscaal voordeel is dat in deze verdeling verdisconteerd.

4.10. Als nadeel wordt in aanmerking genomen het bedrag dat in de bijlage onder ‘totaal nadeel’ staat vermeld. Dit is het resultaat van de berekening die als volgt tot stand komt: het bedrag dat in de bijlage onder ‘in aanmerking te nemen termijnen’ staat vermeld (zijnde de oorspronkelijke looptijd van de lease-overeenkomst met een maximum van 60 maanden), vermeerderd met het daarachter onder ‘restant hoofdsom’ vermelde restant van de hoofdsom van de geldlening en verminderd met de vervolgens onder ‘waarde/opbrengst’ vermelde waarde van de geleasete effecten alsmede met het onder ‘in eerste 5 j. ontvangen + verrekende dividenden’ vermelde bedrag wegens in verband met de lease-overeenkomst (althans in de eerste 60 maanden) ontvangen en (eventueel) verrekende dividenden.

4.11. Van dit nadeel dient, gelet op het in 4.7. bedoelde percentage, een bedrag voor rekening van de eisende partij te blijven gelijk aan daarachter onder ‘voor rekening afnemer’ genoemde bedrag.

4.12. Door of ten behoeve van de eisende partij is in het kader van de lease-overeenkomst een bedrag betaald gelijk aan het in de bijlage onder ‘betaald’ vermelde bedrag. Hierop dienen in mindering te worden gebracht alle (ook na 60 maanden) ontvangen dividenden als vermeld onder ‘totaal ontvangen dividenden’ en het hiervoor bedoelde bedrag dat voor rekening van de eisende partij dient te blijven, zodat Dexia per saldo aan de eisende partij dient te voldoen het onder ‘te ontvangen’ vermelde bedrag.

4.13. Hetgeen de eisende partij terug zal ontvangen wordt aan alle betalingen aan Dexia toegerekend. Dit brengt mee dat de betalingen aan Dexia voor de berekening van de wettelijke rente niet geheel, maar voor een deel in aanmerking worden genomen. Het in aanmerking te nemen deel is een breuk, waarbij de teller wordt gevormd door het bedrag dat de eisende partij dient terug te ontvangen en de noemer door het bedrag dat ter zake van de lease-overeenkomst aan Dexia is betaald. Wettelijke rente wordt derhalve toegekend over een percentage van elke betaling aan Dexia, gelijk aan het (afgeronde) percentage als vermeld in de bijlage onder ‘% rente’, telkens vanaf de betaaldatum.

4.14. De door de eisende partij gevorderde ontbinding van de lease-overeenkomst wordt afgewezen nu het schenden van de zorgplicht door Dexia in de precontractuele fase niet als een tekortkoming in de nakoming kan worden aangemerkt.

4.15. De vordering met betrekking tot de BKR-registratie zal worden toegewezen met matiging en maximering van de dwangsom.

4.16. De overige stellingen van partijen in conventie behoeven geen behandeling meer.

4.17. De overigens door de eisende partij ingestelde vorderingen worden afgewezen. De in verband daarmee gestelde feiten en omstandigheden, de negatieve financiële gevolgen voor de eisende partij daaronder begrepen, zijn verdisconteerd in het oordeel omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

4.18. De gevorderde proceskosten worden toegewezen conform het gebruikelijke liquidatietarief. Voor zover buitengerechtelijke kosten zijn gevorderd worden deze afgewezen nu onvoldoende is gesteld of gebleken dat werkzaamheden zijn verricht anders dan ter voorbereiding van processtukken en instructie van de zaak. Voor zover eisende partij vergoeding vordert van kosten voor het bij derden opvragen van bescheiden behoren deze tot de in artikel 241 Rv bedoelde kosten, en derhalve tot de proceskosten.

4.19. Uit het voorgaande volgt dat de door Dexia ingestelde reconventionele vordering dient te worden afgewezen. De in verband daarmee gestelde gronden, feiten en omstandigheden zijn verdisconteerd in het oordeel in conventie omtrent de verplichtingen die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid thans tussen partijen hebben te gelden.

4.20. Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie en in reconventie dient Dexia te worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie en in reconventie. De kosten in reconventie zullen evenwel worden begroot op nihil nu het debat in conventie (vrijwel) geheel samenvalt met dat in reconventie.

4.21. Er is bij afweging van de belangen van beide partijen bij de onderhavige uitspraak onvoldoende aanleiding het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.22. Nadat aan dit vonnis is voldaan zullen partijen geen verplichtingen meer jegens elkaar hebben uit de onderhavige rechtsverhouding. De eigendom van de in het kader van de lease-overeenkomst gekochte effecten is bij Dexia verbleven.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie

I. veroordeelt Dexia om aan eisende partij te betalen € 26,30, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend over 1 % van elke betaling, telkens vanaf de betaaldatum, tot aan de dag der algehele voldoening;

II. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisende partij gevallen, tot op heden begroot op:

voor verschuldigd griffierecht € 196,--

voor salaris van gemachtigde € 75,--

totaal € 271,--

een en ander, voor zover verschuldigd, inclusief btw;

III. veroordeelt Dexia om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het Bureau Kredietregistratie te Tiel te berichten dat eisende partij geen verplichtingen uit de lease-overeenkomst meer heeft, op straffe van een dwangsom van € 100,-- voor elke dag dat Dexia niet aan deze veroordeling voldoet tot een maximum van € 10.000,--;

IV. verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

V. wijst af het meer of anders gevorderde;

in reconventie

VI. wijst de vordering af;

VII. veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van eisende partij gevallen, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. W.A.J.P. van den Reek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 augustus 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

BIJLAGE

Behoort bij vonnis d.d. 20-08-08

Rolnummer DX 06-193

Overzicht van de gegevens per overeenkomst

Voor rekening van de afnemer blijvend percentage van het in aanmerking genomen nadeel: 65

Categorie 3

Alle bedragen zijn vermeld in euro's. in eerste 5 j.

in aanmerking ontvangen + totaal

te nemen restant waarde/ verrekende totaal voor rekng ontvangen te %

nr. contractnr termijnen hoofdsom opbrengst dividenden nadeel afnemer betaald dividenden ontvangen rente

1 [nummer] 2.722,80 3.884,55 2.458,89 4.148,46 2.696,50 2.722,80 26,30 1,0