Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1904

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
AWB 08-2257 VEROR, AWB 08-2258 VEROR en AWB 08-2368 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ruimtelijke ordening. Verzoek om voorlopige voorziening. Besluiten voor het verwijderen van asbesthoudend materiaal worden geschorst totdat de ABRvS uitspraak zal hebben gedaan in de door verzoeksters ingestelde hoger beroepen respectievelijk het verzet, danwel tot de opschortende werking is opgeheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nrs. AWB 08/2257 VEROR, AWB 08/2258 VEROR en AWB 08/2368 VEROR

tussen:

de vereniging Jordanese Buurtgroep Schievink, statutair gevestigd te Amsterdam,

verzoekster 1,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoekster 1],

de vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad (VVAB), gevestigd te Amsterdam,

verzoekster 2,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verzoekster 2].

en:

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Amsterdam-Centrum van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. L. van Elewoud en [vertegenwoordiger verweerder].

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

woningbouwvereniging Eigen Haard (EH), statutair gevestigd te Amsterdam,

belanghebbende, vertegenwoordigd door mr. C.J. Visser en mr. D. Valerio Mesquita.

1. PROCESVERLOOP

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft op 6 juni 2008 het verzoek van verzoekster 1 ontvangen een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 6 juni 2008 gericht tegen het uitblijven van handhavend optreden tegen de bijna aangevangen sloop (asbestverwijdering) van de panden [adres 1] 68-76 en [adres 2] 69-75 en het daartussen gelegen binnenterrein.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft op 8 juni 2008 het verzoek van verzoekster 1 ontvangen een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 8 juni 2008 gericht tegen twee sloopvergunningen van 30 mei 2008 voor het verwijderen van asbesthoudende materialen uit de gebouwen [adres 1] 68, 70, 72, 74 en 76 ([nummer]) en de gebouwen [adres 2] 69, 71, 73 en 75 ([nummer]).

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft op 17 juni 2008 het verzoek van verzoekster 2 ontvangen een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van 17 juni 2008 gericht tegen het uitblijven van handhavend optreden tegen het wijzigen van het pand [adres 1] 72 zonder te beschikken over een monumentenvergunning met rechtskracht.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 4 juli 2008.

2. OVERWEGINGEN

2.1.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.2. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoeker dat onverwijld een voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang. Voor zover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure, heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing in de bodemprocedure.

feiten

2.2.1. De bij besluit van 30 mei 2008 verleende vergunningen zijn verleend in het kader van het project Schievink. Dit project is geprojecteerd in het gebied tussen de [adres 1] 64 tot en met 76 en de [adres 2] 69 tot en met 75 te Amsterdam. Het plan voorziet in de restauratie en renovatie van de panden aan de [adres 2] en de sloop van de panden aan de [adres 1] en de bebouwing op het tussenliggende binnenterrein, waarna nieuwbouw zal worden gerealiseerd.

2.2.2. Deze rechtbank heeft eerder -onder andere bij uitspraken van 26 november 2007- op beroepen van verzoeksters ten aanzien van besluiten met betrekking tot de onderhavige panden beslist.

2.2.3. Ten aanzien van de besluiten om de panden [adres 2] 69, [adres 2] 75, [adres 1] 68, [adres 1] 70, [adres 1] 74 en [adres 1] 76 niet aan te wijzen als rijksmonument en niet te plaatsen op de gemeentelijke monumentenlijst heeft verzoekster 1 hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Dit geldt eveneens voor de besluiten voor het gedeeltelijk slopen van de zich aan de achterzijde bevindende aan- en uitbouwen op het binnenterrein van de panden [adres 2] 69, 71, 73 en 75 en het slopen van het pand aan de [adres 1] 72.

De hoger beroepen van verzoekster 1 zijn bij uitspraken van 14 april 2008 niet-ontvankelijk verklaard. Op het verzet van verzoekster 1 is nog niet beslist.

2.2.4. Verzoekster 2 heeft hoger beroep ingesteld ten aanzien van de verleende vergunning voor het slopen van het pand aan de [adres 1] 72.

2.2.5. Bij uitspraak van 3 juni 2008 heeft de voorzitter van de Afdeling het verzoek van verweerder om bij wijze van voorlopige voorziening de schorsing van de verleende vergunning voor het slopen van het pand aan de [adres 1] 72 te Amsterdam op te heffen, afgewezen (Voorzitter Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 03-06-2008, 200708573/3, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJN: BD3577,.).

2.2.6. De verleende vergunningen van 30 mei 2008 zien op het verwijderen van asbesthoudend materiaal.Verzoekster 1 heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt.

2.2.7. Bij brief van 5 juni 2005 heeft verzoekster 1 verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de voorgenomen werkzaamheden. Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek.

2.3.1. Verzoeksters stellen dat verweerder niet kan overgegaan tot deze werkzaamheden tot door de Afdeling is beslist op de hoger beroepen.

2.3.2. Verweerder stelt dat voor het verwijderen van asbest geen monumentenvergunning is vereist.

Overwegingen

2.4.1. Het stadsdeel voert aan dat met de intrekking van twee hoger beroepen op 7 april 2008 en de niet-ontvankelijkverklaring van vier hoger beroepen op 14 april 2008, alle voor de restauratie, renovatie en sloop van de van het project Schievink deel uitmakende panden benodigde vergunningen in rechte onaantastbaar zijn geworden, met uitzondering van de vergunning voor het slopen van het pand aan de [adres 1] 72.

2.4.2. De rechter wijst er op dat, gelet op de brief van de bank omtrent het terstond overschrijven van het betaalde griffierecht op de bankrekening van de Raad van State, niet kan worden uitgesloten dat het verzet van verzoekster 1 tegen de eerder genoemde niet-ontvankelijkverklaringen van de hoger beroepen gegrond wordt verklaard en het onderzoek met betrekking tot de hoger beroepen van verzoekster 1 wordt voortgezet. Daarnaast is het verzoek van verweerder aan de voorzitter van de ABRS om de schorsing van de verleende vergunning voor het slopen van het pand aan de [adres 1] 72 te Amsterdam op te heffen, afgewezen. Ook om die reden kan –zoals verweerder ook erkent- vooralsnog niet worden overgegaan tot de algehele sloop van het pand aan de [adres 1] 72 en – omdat het één cluster betreft- evenmin tot sloop van de overige panden in het project Schievink.

2.4.3. De rechter is van oordeel dat een redelijke belangenafweging er in deze situatie toe leidt dat moet worden uitgegaan van een opschortende werking van alle ingestelde beroepen, dus ook de beroepen waarin nog niet op het verzet is beslist, hetgeen tot gevolg heeft dat, zoals de opschortende werking niet door de Voorzitter van de Afdeling is opgeheven, geen werkzaamheden aan alle panden mogen worden verricht. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 16, zesde lid, in samenhang met artikel 11 respectievelijk 5 van de Monumentenwet.

2.4.4. Ook de afweging van de overige belangen leidt tot het voorlopig oordeel dat er aan de zijde van verweerder nog geen zwaarwegend belang is bij het alvast verrichten van de in geding zijnde sloopwerkzaamheden. Ter zitting is gebleken dat onderhavige panden (weer) zijn bewoond. Bij asbestverwijdering moeten de panden weer worden ontruimd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het niet denkbeeldig dat na de verwijdering van asbest opnieuw bewoning noodzakelijk zal zijn om kraak tegen te gaan tot onherroepelijk op hoger beroepen is beslist.

2.4.5. Bij brief 13 juni 2008 heeft verweerder hen die wonen en/of werken in de omgeving van het project Schievink meegedeeld dat de werkzaamheden pas worden hervat als in zowel de verzetsprocedure van verzoekster 1 als in de hogerberoepszaak van verzoekster 2 uitspraak is gedaan. Met verzoeksters is de rechter van oordeel dat verweerder hiermee de verwachting heeft gewekt te wachten met alle werkzaamheden tot de uitspraken in hoger beroep.

2.4.6. Gelet op de nog lopende procedures bij de Afdeling hebben verzoeksters er belang bij dat de onderhavige panden niet worden gewijzigd tot onherroepelijk op de hoger beroepen is beslist. Het belang van verweerder om zo spoedig mogelijk met het project aan te vangen kan naar het oordeel van de rechter, gelet op doel en strekking van de Monumentenwet, geen doorslaggevend gewicht in de schaal leggen. Bovendien heeft verweerder onvoldoende duidelijk gemaakt welk specifiek belang er mee wordt gediend dat thans al tot verwijdering van asbesthoudende materialen wordt overgegaan.

Conclusie

2.5.1. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster 1 in zoverre voor toewijzing in aanmerking dat de besluiten van 30 mei 2008 worden geschorst totdat de Afdeling uitspraak zal hebben gedaan in de door verzoeksters ingestelde hoger beroepen respectievelijk het verzet, danwel tot de opschortende werking bij voorlopige voorziening is opgeheven. Nu de verleende vergunningen van 30 mei 2008 worden geschorst kan verweerder niet langer aanvangen met de werkzaamheden die zien op het verwijderen van asbesthoudend materiaal. Dat betekent dat er als gevolg van deze uitspraak geen aanleiding meer is tot het treffen van een voorlopige voorziening ten aanzien van het verzoek om handhaving. De daarop betrekking hebbende verzoeken van verzoekster 1 en 2 worden dan ook afgewezen.

2.5.2. De rechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van

verzoekster 1, nu zij zich niet door een professionele rechtshulpverlener heeft laten bijstaan. De rechter ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van verzoekster 2, aangezien ten tijde van de indiening van dit verzoek en tot aan de onderhavige uitspraak daarbij een spoedeisend belang was. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand. Verweerder dient het door verzoeksters betaalde griffierecht aan hen te vergoeden.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening van verzoekster 1 toe;

- schorst de bestreden besluiten van 30 mei 2008;

- wijst de overige verzoeken af;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Centrum) het betaalde griffierecht ten bedrage van twee maal € 288,- aan verzoekster 1 vergoedt;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Centrum) het betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,- aan verzoekster 2 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten van het geding, aan de zijde van verzoekster 2 begroot op € 644,- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de gemeente Amsterdam (stadsdeel Amsterdam-Centrum) aan verzoekster 2.

Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2008 door mr. Y.A.A.G. de Vries, voorzieningenrechter,

in tegenwoordigheid van B.O. Schaafsma, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B