Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1812

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-10-2008
Datum publicatie
29-10-2008
Zaaknummer
13/467446-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

bewezenverklaard is:

- Zware mishandeling

- Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/467446-07

Datum uitspraak: 3 oktober 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1971,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres 1]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 september 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging telastelegging zijn kopieën als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis gehecht. De gewijzigde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1 primair.

op 08 juli 2007 te Hilversum aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, namelijk meerdere snijwonden in het gelaat, door voornoemde [slachtoffer] met dat opzet met een stuk glas, tegen het gezicht te slaan.

2.

op 08 juli 2007 te Hilversum opzettelijk aanwezig heeft gehad 0,24 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

3.2 Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Aan verdachte is telastegelegd dat hij opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht met een stuk glas.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte alvorens met een glas tegen het gezicht van aangever [slachtoffer] te slaan, dit glas kapot heeft geslagen. Het slachtoffer [slachtoffer] heeft in zijn aangifte van 8 juli 2007 vermeld, dat hij een klap kreeg. Op het moment dat hij de klap voelde, hoorde hij glas breken. Getuige [getuige 1] heeft op 7 april 2008 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij vlak achter verdachte stond ten tijde van het incident en dat het glas heel was voordat verdachte ermee sloeg. Verbalisant [verbalisant] is de enige die - in het proces-verbaal van aanhouding van verdachte – heeft verklaard te hebben gezien dat verdachte een glas tegen de deurstijl van de buitendeur van [horecagelegenheid] kapot sloeg en dit meteen in het gezicht van het slachtoffer duwde. Tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 23 januari 2008 heeft hij verklaard zich nog slechts te herinneren dat hij buiten voor het café stond, dat hij glasgerinkel hoorde bij de deur van het café en de hand van verdachte bij de deurstijl vandaan zag komen Hij kan zich niet meer herinneren een stuk glas in de hand van verdachte te hebben gezien. Volgens de situatieschets die getuige [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft gemaakt, stond verbalisant [verbalisant] ten tijde van het incident achter de openstaande buitendeur. De bovenste helft van deze buitendeur is, volgens verdachte, weliswaar grotendeels van helder glas, maar al bij al kan de rechtbank niet uitsluiten dat verbalisant [verbalisant] zich heeft vergist.

De rechtbank acht – anders dan de raadsman - opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel wettig en overtuigend bewezen. Door met een zo breekbaar voorwerp als een drinkglas [slachtoffer] een klap in het gezicht te geven heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit glas op het gezicht van [slachtoffer] zou breken en [slachtoffer] daardoor ernstige snijwonden in het gezicht zou bekomen met blijvende littekens als gevolg.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar onder 1 primair en 2 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen, met aftrek van voorarrest en een werkstraf voor de duur van 40 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 dagen.

De officier van justitie vordert de afwijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich onder invloed van veel drank en cocaine schuldig gemaakt aan zware mishandeling van [slachtoffer], door hem, onverhoeds en zonder aanleiding, met een glas tegen het gezicht te slaan waardoor dit glas is gebroken. Weliswaar heeft verdachte beweerd dat hij eerder klappen had gekregen van die [slachtoffer], maar dat is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. De klap met het glas in het gezicht van [slachtoffer] heeft dusdanig letsel veroorzaakt dat die [slachtoffer] blijvende littekens in zijn gelaat heeft opgelopen. De rechtbank rekent dit verdachte zeer aan. Verdachte heeft tevens pijn en angsten bij [slachtoffer] veroorzaakt en diens sociale leven belemmerd, zoals blijkt uit het voegingsformulier van [slachtoffer].

De rechtbank houdt bij het opleggen van de straf rekening met het Uittreksel Justitiële Documentatieregister d.d. 11 juli 2007 betreffende verdachte, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld. De rechtbank houdt voorts rekening met de oprechte spijt die verdachte getoond heeft ter terechtzitting en met het feit dat hij de door [slachtoffer] gevorderde schadevergoeding, reeds voorafgaand aan de terechtzitting in zijn geheel heeft betaald.

De rechtbank heeft kennis genomen van de voorlichtingsrapportage van de Jellinek Justitiële Verslavingszorg, afdeling Reclassering d.d. 18 september 2008.

De eis van de officier van justitie wijkt zodanig af van hetgeen een gebruikelijke straf is voor zware mishandeling met blijvend letsel, dat de rechtbank er niet aan ontkomt hoger te straffen dan door de officier van justitie is gevorderd. Het gaat hier om een zo ernstig feit, dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur op zijn plaats is..

Gelet op het feit dat verdachte niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld en dat verdachte een eenmanszaak runt, alsmede gelet op de door verdachte betoonde spijt en de reeds betaalde schadevergoeding, zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf beperken tot het aantal dagen die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een hogere werkstraf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partij

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] wordt afgewezen omdat verdachte de gevorderde schade reeds heeft vergoed.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57 en 302 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Zware mishandeling.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C van de opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 37 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren. Beveelt dat, als de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen.

Beveelt dat van deze straf het gedeelte van 80 uren niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij de rechter later anders mocht gelasten als de verdachte zich voor het einde van de op 2 jaren gestelde proeftijd opnieuw aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer].

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M.J. Lommen – van Alphen, voorzitter,

mrs. A.R.P.J. Davids en C.P. Lunter, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. Heijnen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 oktober 2008.