Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1777

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
awb 06-3504 wwb
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Verweerder heeft ervoor gekozen om beleid te ontwikkelen waarin is opgenomen dat uitsluitend ten aanzien van de actieve sollicitatieplicht tijdelijk ontheffing kan worden verleend. In deze constatering ligt besloten dat het beleid van verweerder tevens inhoudt dat geen tijdelijke ontheffing wordt verleend van de overige in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen. Het beleid van verweerder is in zoverre strijdig met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de WWB.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/3504 WWB

tussen:

[eiser] wonende te [woonplaats], eiser,

vertegenwoordigd door mr. J. Singh,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verweerder].

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 7 juli 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 1 juni 2006 (hierna: bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 17 april 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser ontvangt bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Eiser is de verplichting opgelegd om te solliciteren naar arbeid in deeltijd (20 uur per week).

Op 3 april 2006 is eiser verschenen bij de Dienst Werk en Inkomen voor een activeringsgesprek. Naar aanleiding van dit gesprek heeft verweerder bij besluit van 4 april 2006 de verplichting aan de voortzetting van de bijstand verbonden dat eiser zich houdt aan het opgestelde trajectplan. Dit plan bevat de doelstelling en de namen van twee bedrijven waarbij eiser is aangemeld om die doelstelling te realiseren.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 4 april 2006 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Verweerder heeft overwogen dat eiser is aangemeld bij Partners en Werk BV voor een sociaal activeringstraject, waarbij de nadruk op zorg zal liggen. Eiser is verplicht om aan het trajectplan mee te werken. Verweerder heeft hieraan toegevoegd dat geen tijdelijke ontheffing wordt verleend van de verplichting tot meewerken.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat hij wegens gezondheidsproblemen niet in staat is om zich aan het trajectplan te houden. Verweerder heeft geen acht geslagen op de medische toestand van eiser. Eiser verwijst daarbij naar de door hem overgelegde medische verklaring.

De rechtbank overweegt het volgende.

De omvang van het geding

In geschil is de verplichting tot meewerken aan het opgestelde trajectplan en voorts de weigering om tijdelijke ontheffing te verlenen van het trajectplan. Gelet op het bestreden besluit alsmede het verhandelde ter zitting, is de rechtbank van oordeel dat deze medewerkingverplichting niet verder strekt dan dat eiser gehoor geeft aan de oproep van Partners aan het Werk BV en voorts dat eiser zijn medewerking verleent aan de totstandkoming van een concreet sociaal activeringstraject waarbij de nadruk op zorg ligt.

Het trajectplan

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

Het aangeboden traject is een voorziening als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB. Naar het oordeel van de rechtbank worden met het hier aan de orde zijnde traject zelfstandig rechtsgevolgen in het leven geroepen. Er is sprake van een concrete, op eiser toegespitste, invulling van de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB opgenomen verplichting.

De rechtbank stelt voorts vast dat het sociale activeringstraject nog nader moet worden uitgewerkt. Deze uitwerking zal geschieden door één of beide in het trajectplan genoemde bedrijven. Eiser zal daartoe worden opgeroepen door (één van) die bedrijven. Niet valt in te zien dat eiser vanwege zijn lichamelijke klachten niet in staat zou zijn om gevolg te geven aan een dergelijke oproep en zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van een op maat geneden sociaal activeringstraject. De overgelegde medische verklaring van 18 april 2006 brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Die verklaring biedt onvoldoende inzicht op grond waarvan de huisarts tot de slotsom is gekomen dat eiser niet kan deelnemen aan dit trajectplan.

De tijdelijke ontheffing

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de WWB kan, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van een verplichting als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de Reïntegratieverordening WWB (hierna: de Verordening) van de gemeente Amsterdam van 1 januari 2004 kan het College met inachtneming van artikel 9, tweede lid, van de WWB bepalen dat aan belanghebbende tijdelijk, geheel of gedeeltelijk, ontheffing wordt verleend van de in artikel 4, eerste lid, en artikel 4, derde lid, van deze verordening genoemde verplichtingen, op basis van in beleidsvoorstellen vast te leggen criteria, (onder meer) indien belanghebbende om psychische dan wel medische redenen niet in staat is om te werken. Daarbij gaat het om zowel de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen (artikel 4, eerste lid, van de Verordening) als de verplichting gebruik te maken van een aangeboden voorziening (artikel 4, derde lid, van de Verordening).

Ingevolge het tweede lid van artikel 6 wordt ontheffing van de arbeidsplicht slechts voor een door het College vast te stellen periode verleend.

In artikel 3.2 van de Beleidsregels Reïntegratieverordening WWB (hierna: de Beleidsregels) van 1 januari 2004 is het volgende bepaald:

1. Van zeer dringende redenen om te besluiten ontheffing te verlenen van de verplichting om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen is sprake als de belanghebbende:

a) blijkens medisch advies volledig arbeidsongeschikt is,

b) volledig in beslag wordt genomen door sociale omstandigheden, tenzij het zorgtaken betreft waarmee rekening kan worden gehouden door middel van kinderopvang, en/of

c) naar verwachting vooralsnog geen kans maakt op inschakeling in niet-gesubsidieerde arbeid.

2. De duur van de ontheffing hangt af van de periode waarin de zeer dringende redenen naar verwachting van toepassing zijn, doch in beginsel niet langer dan 36 maanden.

3. Bij het aanbieden van een voorziening houdt het College van Burgemeester en Wethouders rekening met de medische en sociale omstandigheden zoals bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

Zowel uit het bestreden besluit alsook uit de werkvoorschriften, (paragraaf 7.1.3., geldend in 2006) blijkt dat verweerder er bewust voor heeft gekozen om beleid te ontwikkelen waarin is opgenomen dat uitsluitend ten aanzien van de actieve sollicitatieplicht tijdelijk ontheffing kan worden verleend. In deze constatering ligt besloten dat het beleid van verweerder tevens inhoudt dat geen tijdelijke ontheffing wordt verleend van de overige in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen.

Het beleid van verweerder voor zover daarbij is uitgesloten tijdelijk ontheffing te verlenen van de overige in artikel 9, eerste lid, van de WWB genoemde verplichtingen is strijdig met het bepaalde in artikel 9, tweede lid, van de WWB. Immers, het maakt de in de WWB neergelegde bevoegdheid van verweerder om van die verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen illusoir. Het beleid gaat in zoverre dan ook een redelijke beleidsbepaling te buiten.

Verweerder heeft zijn weigering om tijdelijk ontheffing te verlenen gemotiveerd door te verwijzen naar zijn beleid. Gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat het bestreden besluit voor zover het deze weigering betreft in aanmerking komt om te worden vernietigd wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde motiveringsbeginsel. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven. Gelet op de aard en inhoud van de hier aan de orde zijnde verplichting tot medewerking kan niet worden staande gehouden dat sprake is van dringende redenen in de zin van artikel 9, tweede lid, van de WWB, de Verordening of de Beleidsregels.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep. Deze worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten begroot op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Voorts zal de gemeente Amsterdam op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffiegeld ad € 38,- dienen te vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het betrekking heeft op de weigering om tijdelijk ontheffing te verlenen;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 644,- (zegge: zeshonderdenvierenveertig euro) te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het in beroep betaalde griffierecht van € 38,- (zegge: achtendertig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 5 juni 2008 door mr. T. van Muijden, voorzitter, en

mrs. L.H. Waller en G.M. Beunk, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.A.M. van der Heijden, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, de voorzitter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B