Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1766

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
Parketnummer 13-525262-06
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BM0118, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/525262-06

Datum uitspraak: 29 april 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres 1]

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

De rechtbank leest het in de 6e en 7e regel van het onder 1. telastegelegde vermelde “(telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad en/of (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd” als “(telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervaardigd en/of (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

Voorts leest de rechtbank het in de 25ste regel van het onder 2. telastegelegde vermelde “[bedrijf 1] te Amstelveen” als “[bedrijf 2] te Amsterdam”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De raadsvrouw heeft allereerst aangevoerd dat verdachte met de buisjes acaciamixture, bevattende DMT, een legaal natuurproduct in bezit had en heeft verkocht. Verdachte erkent dit ook. Verdachte ontkent echter het acaciablad te hebben “bewerkt” in de zin die de Hoge Raad daaraan geeft. Op dit punt zal naar de mening van de verdediging vrijspraak moeten volgen.

Het verweer dat het plantaardige product, de acaciamixture, niet zodanig is bewerkt dat het daarmee valt onder de strafbaarstelling van de Opiumwet, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij van een Australische jongen 2 ons acaciamixture heeft gekocht. Verdachte heeft voorts verklaard dat zijn bedrijf de acaciabladen zelf heeft vermengd met passiebloem in de verhouding 1 op 3. Verdachte heeft verklaard dat een en ander is gemixt en is vermalen. Er zijn ongeveer 800 buisjes met het product gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat de oorspronkelijke acaciabladen zijn vermalen en gemixt met passiebloem, er in casu wel degelijk sprake is van bewerken, zoals volgt uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Door de bewerking is de DMT van de acaciaplant – die wel op lijst I staat vermeld – gereedgemaakt dan wel aangewend voor het doel dat door de Opiumwet wordt bestreden. Immers, de passiebloem was bedoeld als zogenaamde MAO-remmer, waardoor de aanwezige DMT beter in het spijsverteringsstelsel zou worden opgenomen en aldus een betere/effectievere werking zou hebben.

Gelet op hetgeen de rechtbank ten aanzien van het eerste verweer heeft overwogen, zal de rechtbank niet ingaan op de overige, door de raadsvrouw aangevoerde verweren.

Geheel ten overvloede overweegt de rechtbank dat overigens uit het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen niet voortvloeit dat de uitleg van het Verdrag door de United Nations International Narcotics Control Board (waaruit zou blijken volgens de raadsvrouw dat natuurlijke substanties die van nature psychotrope stoffen bevatten, van strafbaarstelling worden uitgesloten) als authentiek en bindend moet worden aangemerkt.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 1. telastegelegde

in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Amsterdam, als eigenaar van [bedrijf van verdachte] via holding genaamd [holding bedrijf verdachte], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bewerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine, DMT;

Ten aanzien van het onder 2. telastegelegde

in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 30 oktober 2006 te Amsterdam, telkens als eigenaar van [bedrijf van verdachte] via holding genaamd [holding bedrijf verdachte], telkens opzettelijk heeft verkocht aan de hieronder te noemen bedrijven en/of shops en/of via internet, telkens een hieronder te noemen hoeveelheid buisjes Acacia Mixture bevattende telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine, DMT:

- [bedrijf 3] te ’s-Gravenhage 25 buisjes en

- [bedrijf 4] te Haarlem totaal 18 buisjes en

- [bedrijf 5] totaal 7 buisjes en

- [bedrijf 6] totaal 150 buisjes en

- [bedrijf 7] totaal 43 buisjes en

- [bedrijf 8] totaal 60 buisjes en

- [bedrijf 9] totaal 20 buisjes en

- [bedrijf 10] totaal 5 buisjes en

- [bedrijf 11] te Sluis totaal 10 buisjes en

- [bedrijf 12] te Amsterdam totaal 10 buisjes en

-[bedrijf 2] te Amsterdam totaal 6 buisjes en

- [bedrijf 13] totaal 10 buisjes en

- [bedrijf 14] totaal 20 buisjes en

- [bedrijf 15] totaal 15 buisjes en

- [bedrijf 16] totaal 60 buisjes en

- [persoon 1] te Amsterdam totaal 5 buisjes en

- [bedrijf 17] totaal 100 buisjes en

- [bedrijf 18] totaal 2 buisjes en

- via het internet 13 buisjes;

Ten aanzien van het onder 3. telastegelegde

in de periode van 1 augustus 2006 tot en met 13 oktober 2006 te Amsterdam, telkens als eigenaar van [bedrijf van verdachte] via holding genaamd [holding bedrijf verdachte], opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, te weten Groot-Brittannië, heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, een hoeveelheid buisjes Acacia Mixture bevattende een hoeveelheid van een materiaal bevattende N,N-Dimethyltryptamine, DMT.

Voor zover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1., 2. en 3. bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, een geldboete ter hoogte van € 5000,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 55 dagen, en een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, doch deze geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 (twee) jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de inbeslaggenomen stickers en gebruiksaanwijzingen verbeurd dienen te worden verklaard.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een hoeveelheid van een materiaal bevattende DMT bewerkt en aanwezig gehad, verkocht en naar het buitenland geëxporteerd. DMT komt voor op lijst I van de Opiumwet en is daarmee verboden. Verdachte dient daarvoor ook een straf opgelegd te krijgen.

De rechtbank neemt in overweging dat blijkens het uittreksel justitiële documentatie d.d.

1 november 2006 verdachte eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

De rechtbank houdt daarnaast bij het bepalen van de strafmaat rekening met het feit dat onderhavige zaak inmiddels bijna twee jaar oud is. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat het bedrijf van verdachte, [bedrijf van verdachte], failliet is gegaan en verdachte thans in loondienst is.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank zal volstaan met het opleggen van een werkstraf van na te melden duur. Een geldboete zal niet aan verdachte worden opgelegd, gelet op voornoemd faillissement. Voorts ziet de rechtbank voor een voorwaardelijke gevangenisstraf geen aanleiding.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: elf rollen stickers met de opdruk acacia mixture en een doos blaadjes gebruikersaanwijzingen acacia mixture, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het 2. bewezen geachte is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 22c, 22d, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2. is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1. bewezenverklaarde

Eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod en

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 2. bewezenverklaarde

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3. bewezenverklaarde

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Verklaart verbeurd: elf rollen stickers met de opdruk acacia mixture en een doos blaadjes gebruikersaanwijzingen acacia mixture.

Gelast de teruggave aan [verdachte] van vier zakken met administratie [bedrijf van verdachte].

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.P.H.I. Cleerdin, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en R.M. Troost, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.M. Noomen en D. Riani el Achhab, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2008.