Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1696

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
28-10-2008
Zaaknummer
AWB 08-354 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang voor vaartuigen in de voormalige ADM-haven Amsterdam. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt connex geacht met de aanvraag om terug te komen op het besluit tot toepassing van bestuursdwang. Verweerder heeft terecht gelast dat de illegaal liggende vaartuigen werden verwijderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

Voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 08/354 GEMWT

tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. F.J. Jacobs.

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. J.E. Panneman.

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 25 januari 2008 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hing samen met het beroepschrift van verzoeker van 12 juni 2007 gericht tegen het besluit van verweerder van 25 juli 2007. Bij brief van 11 februari 2008 is het verzoek aangevuld in die zin dat het mede moet worden geacht samen te hangen met het bezwaarschrift van 15 november 2007 gericht tegen de brief van verweerder van 11 oktober 2007.

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 12 februari 2008.

2. OVERWEGINGEN

2.1. Verzoeker is rechthebbende van een aantal vaartuigen (8 à 9 objecten van verschillende aard) gelegen in het westelijk havengebied in de voormalige ADM-haven aan de strekdam die de scheiding met het Noordzeekanaal vormt. De vaartuigen nemen aldaar ligplaats in zonder vergunning.

De gemeente Amsterdam, gebruiksgerechtigde van het ADM-water, heeft de voormalige ADM-haven bestemd als wachtplaats voor binnenvaartschepen en duwbakken, ingegeven door het in het havengebied heersende tekort aan dergelijke wachtplaatsen.

Verweerder heeft bij brief van 21 juni 2006 aan verzoeker het voornemen tot het aanzeggen van bestuursdwang aangezegd. Verzoeker heeft zijn zienswijze ingediend.

Bij verschillende besluiten van 2 februari 2007 heeft verweerder de bestuursdwang aangezegd ten aanzien van verzoekers vaartuigen: verzoeker dient de vaartuigen voor 1 juni 2007 uit het beheersgebied te verwijderen en verwijderd te houden om bestuursdwang te voorkomen.

Verzoeker heeft bij brief van 27 maart 2007 bezwaar gemaakt.

Gevraagd naar de oorzaak van het te laat indienen van het bezwaarschrift, heeft verzoeker verklaard dat zulks te wijten is aan - kort gezegd - een fout van een door hem ingeschakelde vertegenwoordiger.

Bij besluit van 25 juli 2007 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder dat dit verschoonbaar is.

In juli 2007 is de gemeente Amsterdam met de vereniging Krakend ADM overeengekomen dat de leden van deze vereniging die - zonder vergunning - ligplaats innemen in het ADM-water tot begin 2010 in het ADM-water in de zogenoemde ‘kom’ (de op de - ter zitting overgelegde - tekeningen en foto’s in paars aangegeven watervlakte) ligplaats mogen innemen (hierna ook: de Vaststellingsovereenkomst). Een voorwaarde bij de overeenkomst is dat elk lid met slechts één vaartuig ligplaats mag innemen. De gemeente heeft deze overeenkomst gesloten omdat zij de betekenis van de hechte culturele gemeenschap - thans dus verenigd in Krakend ADM - die zich de afgelopen decennia op het ADM-terrein en -water heeft gevormd en aldaar heeft genesteld voor Amsterdam van zodanig gewicht vindt dat zij bereid is om een minnelijke regeling te treffen. In eerste instantie heeft verzoeker zich - met succes - bij de vereniging aangemeld om ook gebruik te kunnen maken van de minnelijke regeling. Verzoeker heeft zich later echter teruggetrokken.

Op 12 juni 2007 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van 25 juli 2007.

Bij brief van 19 september 2007 heeft verzoeker de gemeente verzocht om met hem een aparte overeenkomst te sluiten in afwijking van de Vaststellingsovereenkomst. Verzoeker heeft daarbij aangegeven bereid te zijn om zijn vaartuigen te verplaatsen, maar wenst met al zijn vaartuigen in de ‘kom’ ligplaats in te nemen. Verzoeker acht het niet rechtmatig dat hem niet wordt toegestaan om met alle vaartuigen in de ‘kom’ ligplaats in te nemen. Uit een koopovereenkomst ter zake van het ADM-water langs de strekdam tussen de Staat (verkoper) en de gemeente Amsterdam (koper) kan worden opgemaakt dat verzoekers vaartuigen worden gedoogd omdat - kort gezegd - het water met inbegrip van de vaartuigen aan de gemeente wordt overgedragen. Dit gedogen blijkt ook uit het feit dat in de zes jaar na het sluiten van die overeenkomst geen regeling met verzoeker is getroffen.

Bij brief van 11 oktober 2007 heeft de gemeente Amsterdam het verzoek om een andere overeenkomst afgewezen.

Bij brief van 15 november 2007 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen de afwijzing.

Bij brief van 25 januari 2008 heeft verweerder het volgende aan verzoekster medegedeeld. Er is geconstateerd dat de vaartuigen nog niet zijn verwijderd. Na 10 februari 2008 zullen de vaartuigen door de gemeente worden verwijderd.

2.2. Op 25 januari 2008 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker wordt toegestaan om met zijn vaartuigen ligplaats in te nemen in de ’kom’. Het verzoek hing in eerste instantie samen met het beroepschrift gericht tegen het besluit van 25 juli 2007. Bij brief van 11 februari 2008 is het verzoek aangevuld in die zin dat het mede moet worden geacht samen te hangen met het bezwaarschrift van 15 november 2007 gericht tegen de afwijzing van het verzoek om een andere overeenkomst te sluiten.

2.3. De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) overweegt het volgende.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Gelet op de brief van verweerder van 25 januari 2008 heeft verzoeker een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening.

Voor zover de toetsing meebrengt dat een oordeel wordt gegeven over het geschil in de bodemprocedure(s), heeft dit oordeel een voorlopig karakter en is dit niet bindend voor de beslissing(en) in de bodemprocedure(s).

2.3.2. Het verzoek voor zover dat samenhangt met het beroepschrift van 12 juni 2007

Artikel 6:10 van de Awb luidt:

“1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand was gekomen, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

2. De behandeling van het bezwaar of beroep kan worden aangehouden tot het begin van de termijn.”.

De rechter kan thans niet beoordelen of niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, dat is ingediend voordat de beroepstermijn op 26 juli 2007 ging lopen, op grond van artikel 6:10, eerste lid en onder b, van de Awb achterwege moet blijven. Immers, eiser is niet in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat hij redelijkerwijs kon menen dat het besluit van 25 juli 2007 wel reeds tot stand was gekomen.. In de hoofdzaak zal de rechtbank hierover een oordeel moeten geven.

Wat het oordeel van de rechtbank op dit punt ook zal zijn, naar voorlopig oordeel van de rechter is het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk verklaard ,omdat het bezwaarschrift na het einde van de bezwaartermijn is ingediend en de door verzoeker daarvoor opgegeven oorzaak volgens vaste jurisprudentie geen grond oplevert om het te laat gemaakte bezwaar desondanks ontvankelijk te achten.

Gelet op de verwachtingen aangaande het verloop van de bodemprocedure concludeert de rechter dat het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat samenhangt met het beroepschrift van 12 juni 2007 niet voor toewijzing in aanmerking komt.

2.3.3. Het verzoek voor zover dat samenhangt met het bezwaarschrift van 15 november 2007

Formeel

De rechter overweegt vooreerst dat dit verzoek, nu het samenhangt met een andere bodemprocedure, volgens de Awb-systematiek als een apart verzoek om voorlopige voorziening dient te worden aangemerkt. Gelet echter op de spoedeisendheid en de betrokken belangen in deze zaak zal de rechter het als onderdeel van het in dit geding aan de orde zijnde verzoek om voorlopige voorziening aanmerken.

De rechter is van oordeel dat het bezwaarschrift van 15 november 2007 is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daartoe is het volgende overwogen. Verzoekers aanvraag om met hem de aparte overeenkomst te sluiten dat verzoeker wordt toegestaan om met meerdere vaartuigen voor onbepaalde tijd in de ‘kom’ ligplaats in te nemen, is naar het voorlopig oordeel van de rechter op te vatten als een verzoek om terug te komen op het besluit tot aanzegging van bestuursdwang van 2 februari 2007. De afwijzing van dat verzoek is een appellabel besluit (artikel 1:3, tweede lid, van de Awb).

Nu het bezwaarschrift van 15 november 2007 is gericht tegen een appellabel besluit, overigens niet van beletselen voor verweerder om het bezwaar inhoudelijk te behandelen is gebleken, en, zoals hierboven overwogen, het verzoek om voorlopige voorziening als samenhangend met dit bezwaar wordt aangemerkt, zal thans worden overgegaan tot inhoudelijke behandeling van dit onderdeel van het verzoek.

Inhoudelijk

De rechter is van oordeel dat onderhavig onderdeel van het verzoek niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daartoe is het volgende overwogen.

Niet in geschil is dat verzoeker met zijn vaartuigen illegaal ligplaats inneemt daar hij niet beschikt over de op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater (2006) vereiste ligplaatsvergunningen.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien. (Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 7 februari 2007, LJN: AZ7975, gepubliceerd op rechtspraak.nl).

Naar het oordeel van de rechter heeft verweerder er belang bij dat verzoekers vaartuigen van hun ligplaats aan de strekdam verdwijnen.

Aan de orde is vraag of verweerder dient af te zien van bestuursdwang en aan verzoeker dient toe te staan om met de vaartuigen in de ‘kom’ of elders in het ADM-water ligplaats in te nemen.

Naar het oordeel van de rechter dient deze vraag ontkennend te worden beantwoord.

Daartoe is ten eerste overwogen dat van concreet uitzicht op legalisatie geen sprake is. Verweerder is immers een handhavingstraject gestart aangaande de in het ADM-water gelegen vaartuigen en is niet voornemens om ligplaatsvergunningen te verstrekken. Daartoe is verweerder op grond van de voorliggende regelgeving niet gehouden. Uit de koopovereenkomst tussen de Staat en de gemeente Amsterdam kan voorts niet worden geconcludeerd dat de gemeente verklaart dat de illegaal ligplaats innemende vaartuigen zullen worden gedoogd; de betreffende onderdelen uit de overeenkomst dienen naar het oordeel van de rechter te worden beschouwd als niet meer dan een tussen de partijen bij de overeenkomst overeengekomen vaststelling van de feitelijke situatie en een verdeling van de verantwoordelijkheden/aansprakelijkheden. Het feit voorts dat verzoeker lange tijd illegaal ligplaats heeft kunnen innemen zonder consequenties impliceert niet dat verweerder daarmee het recht op handhaving heeft verspeeld.

Ten tweede is daartoe overwogen dat geen sprake is van onevenredigheid als bedoeld in voornoemde jurisprudentie. De enkele omstandigheid dat er mogelijk op dit moment feitelijk wel plaats is voor de vaartuigen in de ‘kom’, levert onvoldoende grond op om van verweerder te vergen af te zien van bestuursdwang. De gemeente heeft er belang bij dat het aantal vaartuigen dat - slechts tijdelijk - in de ‘kom’ kan blijven liggen zo beperkt mogelijk blijft. Daarom is in de Vaststellingsovereenkomst bepaald dat elk lid slechts één vaartuig mag meenemen naar de ‘kom’. De rechter acht deze restrictieve benadering niet onredelijk, gegeven het feit dat ook in de ‘kom’ zonder vergunning, illegaal, ligplaats wordt ingenomen. De rechter acht bij zijn oordeel van belang dat verzoeker, naar uit de gedingstukken en ter zitting is gebleken, in eerste instantie partij is geweest bij de onderhandelingen voorafgaande aan het totstandbrengen van de Vaststellingsovereenkomst, maar dat hij zich hieruit op eigen initiatief heeft teruggetrokken.

De rechter concludeert dat het besluit van 11 oktober 2007 inhoudende de afwijzing van de aanvraag van 19 september 2007, naar verwachting rechtens is. Gelet hierop zal het verzoek om voorlopige voorziening voor zover dat samenhangt met het bezwaarschrift van 15 november 2007 niet worden toegewezen.

2.3.4. Conclusie

Het verzoek om voorlopige voorziening komt niet voor toewijzing in aanmerking.

Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en een veroordeling in de proceskosten ziet de rechter geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan op 19 februari 2008 door mr. J.F.A.M. Graafland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. van Bremen, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

DOC: B