Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1544

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
24-10-2008
Zaaknummer
AWB 07/782 ANW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekerdenbegrip Anw. Eiseres, wonende te Turkije, ontvangt geen nabestaandenuitkering uit Nederland omdat haar echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de Anw. Dit besluit is niet in strijd met bepalingen van internationaal recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/782 ANW

van:

[eiseres] wonende te Turkije

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. N. Türkkol,

tegen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. P.C.J. van de Nes.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 11 april 2003 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 17 maart 2003 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 20 december 2007.

2. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 13 november 2001 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) is afgewezen, omdat haar echtgenoot op de datum van zijn overlijden – te weten 6 augustus 2001 – niet verzekerd was ingevolge de Anw en op deze datum evenmin verzekerd was ingevolge de wettelijke regelingen van Turkije.

Het door eiseres tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Deze rechtbank heeft het door eiseres tegen het bestreden besluit ingestelde beroep bij uitspraak van 1 februari 2005 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 19 januari 2005 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) deze uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen. Daartoe heeft de CRvB overwogen dat de rechtbank het bezwaar van eiseres ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank door deze benadering niet is toegekomen aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.

De rechtbank zal daartoe thans overgaan.

Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat onduidelijk is wanneer verweerder informatie met betrekking tot de mogelijkheid tot vrijwillig verzekeren heeft verzonden en dat het bestreden besluit in strijd is met diverse bepalingen van internationaal recht.

De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 14 van de Anw is bepaald dat de nabestaande – onder bepaalde voorwaarden – recht heeft op een nabestaandenuitkering. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Anw wordt onder nabestaande verstaan de echtgenoot van degene die op de dag van overlijden verzekerd is ingevolge de Anw.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Anw is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van de Anw degene die ingezetene is of die geen ingezetene is, doch terzake van in Nederland in dienstverband verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen.

Aangezien niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres op de dag van zijn overlijden niet in Nederland woonachtig was – hij was ten tijde van zijn overlijden woonachtig in Turkije – en op de dag van zijn overlijden geen arbeid in Nederland verrichtte, was de echtgenoot van eiseres op de dag van zijn overlijden niet verzekerd ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Anw.

De echtgenoot van eiseres ontving tot aan zijn overlijden een pensioen ingevolge de Algemene ouderdomswet (AOW). Hij ontleende aan zijn AOW-pensioen verzekering ingevolge de Anw op grond van artikel 26 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 (Stb. 1998, 746). Dit artikel is blijkens het zesde lid daarvan met ingang van 1 januari 2000 komen te vervallen, zodat de echtgenoot van eiseres met ingang van 1 januari 2000 aan zijn AOW-pensioen geen verzekering ingevolge de Anw meer kon ontlenen.

Ingevolge artikel 63, eerste lid, van de Anw – zoals dat luidde tot 1 januari 2001 – en artikel 2 van het Besluit vrijwillige verzekering AOW en Anw (Stb. 1990, 38) bestond de mogelijkheid om, nadat de verplichte verzekering ingevolge de Anw was geëindigd, deze op vrijwillige basis voort te zetten. Die mogelijkheid bestond gedurende de periode van één jaar na het eindigen van de verplichte verzekering.

De rechtbank stelt vast dat de echtgenoot van eiseres op de dag van zijn overlijden niet vrijwillig was verzekerd ingevolge de Anw. De rechtbank constateert echter tevens dat zich in het dossier een brief van de echtgenoot van eiseres van 20 juni 2001 bevindt, waaruit kan worden afgeleid dat hij zich wenste aan te melden voor deelname aan de vrijwillige verzekering. Met betrekking tot een mogelijke deelname van de echtgenoot van eiseres aan de vrijwillige verzekering heeft verweerder ter zitting verklaard dat hieromtrent een nader onderzoek zal plaatsvinden. Voor zover eiseres beoogd heeft gronden aan te voeren tegen het niet deelnemen van haar echtgenoot aan de vrijwillige verzekering, overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit daarop niet ziet zodat deze buiten de omvang van het geding vallen.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op bepalingen van internationaal recht overweegt de rechtbank het volgende.

Het Verdrag tussen Nederland en Turkije inzake sociale zekerheid

Ingevolge artikel 22, derde lid, van het Verdrag tussen Nederland en Turkije inzake sociale zekerheid wordt een werknemer, wanneer hij op het tijdstip van zijn overlijden verzekerd is geweest krachtens de Turkse wettelijke regeling, geacht op de datum van zijn overlijden verzekerd te zijn geweest ingevolge de Anw.

Nu uit informatie van het Sosyal Sigortal Kurumu (SSK) blijkt – en door eiseres niet wordt weersproken – dat de echtgenoot van eiseres op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was krachtens de Turkse wetgeving, kan hij op de datum van zijn overlijden ook geen verzekering ingevolge de Anw ontlenen aan artikel 22, derde lid, van het Verdrag.

Het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)

Ingevolge artikel 14 van het EVRM moet het genot van de rechten en vrijheden die in dat Verdrag zijn vermeld, worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Dit artikel verbiedt niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die waarvoor een redelijke en objectieve rechtvaardiging ontbreekt (zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 september 1996 (Gaygusuz), gepubliceerd in AB 1997,179).

In dat verband wijst de rechtbank erop, dat de verplichte verzekering van de echtgenoot van eiseres is geëindigd als gevolg van het vervallen van artikel 26 van KB 746 met ingang van 1 januari 2000. Uit de nota van toelichting bij KB 746 en een beleidsnotitie van 29 mei 1996 (Kamerstukken II, 1995/1996, nr. 1) blijkt dat de beëindiging van de verzekeringsplicht van in het buitenland wonende postactieven is ingegeven door de wens van de regelgever om strakker vast te houden aan de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren. Door in een ander land te gaan wonen, onderwerpt men zich aan de verantwoordelijkheden die de overheid van dat land zich tot doel heeft gesteld en derhalve ook aan de wet- en regelgeving van dat land, aldus de regelgever.

Naar de CRvB in diverse uitspraken heeft geoordeeld (zie onder meer CRvB 24 december 2003, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AO2909) kan het streven van de regelgever om terug te gaan naar de oorspronkelijke bedoeling van de volksverzekeringen om alleen ingezetenen te verzekeren als een gerechtvaardigd doel worden gekwalificeerd. Het daartoe door de regelgever gekozen middel, beëindiging van de verzekeringsplicht, is geschikt en proportioneel. In navolging van de CRvB is de rechtbank dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 14 van het EVRM .

In aanvulling hierop overweegt de rechtbank ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM dat personen wier verplichte verzekering is geëindigd, in de gelegenheid zijn gesteld zich aansluitend vrijwillig te verzekeren. Voor zover de verzekering ingevolge de Anw reeds kan worden gekwalificeerd als een eigendomsrecht, is voor het ontnemen hiervan op deze wijze een alleszins toereikende compensatie geboden, terwijl ook overigens is voldaan aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol gestelde voorwaarden. Van een schending van dit artikel is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de CRvB van 9 december 2005 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AU8520).

Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG/Turkije (hierna: Besluit 3/80)

In artikel 3, eerste lid, van Besluit 3/80 is bepaald dat personen die op het grondgebied van een der Lid-Staten wonen en op wie de bepalingen van dit besluit van toepassing zijn, de rechten en verplichtingen hebben, voortvloeiende uit de wetgeving van elke Lid-Staat, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die Staat, behoudens bijzondere bepalingen van dit besluit.

Ten aanzien van het beroep van eiseres op deze bepaling overweegt de rechtbank dat, nu deze bepaling uitdrukkelijk spreekt van “personen die op het grondgebied van een Lid-Staat wonen”, eiseres reeds hierom tevergeefs een beroep op deze bepaling doet.

In artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 is bepaald dat, tenzij in dit besluit anders is bepaald, de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen alsmede de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze kunnen worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende in Turkije woont of op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is.

Met betrekking tot artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 van de Associatieraad EEG/Turkije overweegt de rechtbank dat deze bepaling niet van toepassing is, nu het bestreden besluit niet ziet op het verminderen, wijzigen, schorsen of intrekken van een uitkering waarop aanspraak is ontstaan maar op een weigering van een toekenning wegens het niet verzekerd zijn van de echtgenoot van eiseres.

De Associatieovereenkomst EEG/Turkije

In artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije is bepaald dat de Overeenkomstsluitende Partijen erkennen, dat binnen de werkingssfeer van de Overeenkomst en onverminderd de bijzondere bepalingen die krachtens artikel 8 zouden kunnen worden vastgesteld, elke vorm van discriminatie uit hoofde van nationaliteit is verboden.

In dit verband overweegt de rechtbank dat het beroep dat eiseres doet op het verbod op discriminatie naar nationaliteit, voor zover de hantering van ingezetenschap als criterium voor verzekering ingevolge de Anw ongelijke behandeling oplevert, het hier volgens de reeds eerdergenoemde jurisprudentie van de CRvB een gerechtvaardigd onderscheid betreft, aangezien dit onderscheid noodzakelijk is om alleen die personen verzekerd te achten voor de Nederlandse volksverzekeringen die ook daadwerkelijk een band met Nederland hebben.

Het Verdrag betreffende gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962, Trb. 1962, 122 (hierna: ILO-Conventie 118)

In artikel 3, eerste lid, van ILO-Conventie 118 is bepaald dat elk Lid ten aanzien waarvan dit Verdrag van kracht is, op zijn grondgebied aan de onderdanen van ieder ander Lid ten aanzien waarvan dit Verdrag eveneens van kracht is, dezelfde behandeling ingevolge zijn wettelijke regeling verlenen als zijn eigen onderdanen krachtens die wettelijke regeling ontvangen, zowel wat betreft het verzekerd zijn als wat betreft het recht op uitkering, in alle takken van sociale zekerheid ten aanzien waarvan het de verplichtingen van dit Verdrag heeft aanvaard.

Ten aanzien van artikel 3, eerste lid, van ILO-Conventie 118 overweegt de rechtbank dat, nu deze bepaling uitdrukkelijk spreekt van het verlenen van dezelfde behandeling “op zijn grondgebied”, eiseres reeds hierom tevergeefs een beroep op deze bepaling doet.

Ingevolge het bepaalde in het eerste lid van artikel 5 van ILO-Conventie 118 is Nederland verplicht aan Nederlanders en aan onderdanen van landen die ILO-Conventie 118 hebben bekrachtigd de betaling te waarborgen van uitkeringen, waaronder de betaling van een nabestaandenuitkering, wanneer zij in het buitenland verblijven.

Met betrekking tot artikel 5 van ILO-Conventie 118 overweegt de rechtbank dat het waarborgen van de betaling van een uitkering slechts eerst dan kan plaats vinden als er een recht bestaat op een uitkering. Bovenstaande bepaling strekt er, naar het oordeel van de rechtbank, niet toe een recht te creëren, maar een bestaand recht te waarborgen. Aangezien er in het onderhavige geval, naar het oordeel van de rechtbank, geen recht bestaat op een nabestaandenuitkering valt er ook geen recht te waarborgen.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor een nabestaandenuitkering omdat haar echtgenoot op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was ingevolge de Anw. De rechtbank zal het beroep dan ook ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten en voor het vergoeden van het door eiseres betaalde griffierecht ziet de rechtbank tot slot geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 21 februari 2008 door mr. J.F.A.M. Graafland, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B