Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BG1036

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
21-10-2008
Zaaknummer
AWB 07-4942 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Spullen van anderen in berging voldoende voor twijfel aan woonsituatie

De omstandigheid dat in de berging van verzoeker spullen met – doorgaans - persoonlijke betekenis zijn aangetroffen zoals (recente) post, pinpassen en identiteitsbewijzen en mobiele telefoons van mensen die verzoeker voor een deel niet zegt te kennen en zonder dat verzoeker daarvan weet heeft, bieden voldoende aanleiding voor twijfel aan verzoekers woonsituatie. Verzoeker heeft deze twijfel versterkt door verklaringen af te leggen die niet stroken met de aangetroffen situatie. Onder deze omstandigheden is verweerder naar voorlopig oordeel op goede gronden tot de conclusie gekomen dat verzoeker niet volledige openheid van zaken heeft gegeven en zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het recht op bijstand niet met zekerheid is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

voorlopige voorzieningen

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/4942 WWB

van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats],

verzoeker,

vertegenwoordigd door mr. B.P. Kuhn,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger verweerder].

1. PROCESVERLOOP

Ter griffie van de rechtbank is op 19 december 2007 een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvangen. Dit verzoek hangt samen met het bezwaarschrift van verzoeker van 14 december 2007, gericht tegen het besluit van verweerder van 10 december 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 23 januari 2008.

2. OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van de verzoeker dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.

Verzoeker heeft op 5 oktober 2007 een aanvraag in gediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB). Verzoeker heeft bij de aanvraag aangegeven alleenwonend te zijn. Bij besluit van 10 december 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Daartoe is overwogen dat uit het huisbezoek van 26 november 2007 is gebleken dat verzoekers woonsituatie niet overeenkomt met zijn opgave. Verweerder heeft als bijlage bij het besluit ingesloten (een gedeelte van het rapport) van bevindingen van het huisbezoek van 26 november 2007. De conclusie van dit rapport is dat het niet aannemelijk is dat [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) niet meer zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verzoeker, nu in de berging bezittingen van [persoon 1] zijn aangetroffen. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus verweerder. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeker heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Verzoeker is van mening dat hij een juiste opgave van zijn woonsituatie heeft verstrekt, zodat het recht op bijstand had kunnen worden vastgesteld. [persoon 1] heeft geen vaste verblijfplaats en heeft verzoeker maanden geleden verzocht of hij een kleine tas met persoonlijke eigendommen, waaronder een Surinaams paspoort en werkbriefjes, in de berging van verzoeker mocht bewaren. Verzoeker had hier geen bezwaar tegen. Verzoeker heeft de aanwezigheid van de tas in de berging bij zijn woning tijdens het huisbezoek uitgelegd. Deze tas lag tijdens een eerder huisbezoek in mei 2007 ook al in de berging. Verder bevonden zich in de berging tassen en koffers met oude kleding bestemd voor verzending naar Ethiopië. Van [persoon 1] is slechts een tasje met wat persoonlijke spullen aangetroffen. In de woning zelf is niets van hem aangetroffen. Deze bevinding rechtvaardigt niet de conclusie dat het aannemelijk is dat [persoon 1] zijn hoofdverblijf heeft op het adres van verzoeker. [persoon 1] heeft nooit zijn hoofdverblijf gehad op het adres van verzoeker, maar heeft, zoals hij heeft verklaard, er slechts een aantal dagen per maand gelogeerd en heeft er wat spullen opgeslagen. Verzoeker heeft alle informatie verstrekt voor het vaststellen van het recht op bijstand. Inmiddels is er niet meer van [persoon 1] in de berging en is deze sinds half december onvindbaar. Er was geen redelijke grond voor het huisbezoek en ook is niet voldaan aan de eis van “informed consent”, zodat sprake is van een niet gerechtvaardigde inbreuk op het huisrecht van verzoeker als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

Volgens verweerders gemachtigde ter zitting kloppen de hoeveelheid en de aard van de in de berging aangetroffen spullen, in het bijzonder van [persoon 1] en een heer Mho, niet met verzoekers verklaring dat hij alleen in zijn woning woonachtig is. Het is niet duidelijk wie er verder in de woning van verzoeker woont en wat de relatie tussen verzoeker en de inwonende(n) is (was), waardoor het recht op bijstand niet valt vast te stellen.

De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet een belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Indien de belanghebbende deze verplichting niet of in onvol¬doende mate nakomt en in gebreke blijft dit verzuim te her¬stellen, is dat blijkens vaste jurisprudentie (onder andere de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 4 oktober 2005, LJN: AU4072), in samenhang bezien met voornoemd artikel 11, eerste lid, van de WWB, een rechts¬grond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastge¬steld.

De rechter stelt voorop dat de afwijzing van de bijstandsaanvraag van verzoeker is gebaseerd op het geven van verkeerde (of niet volledige) informatie, dus de schending van de inlichtingenplicht.

Het ligt in geval als dit op de weg van verweerder om aan te tonen dat verzoeker onjuiste informatie heeft verschaft en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld (zie de uitspraken van de CRvB van 26 juni 2007, LJN: BA8367 en 28 januari 2004, LJN: AF6274).

Uit de rapportage van bevindingen van het huisbezoek op 26 november 2007 aan de woning van verzoeker op het adres [adres 1] te Amsterdam komt onder meer het volgende naar voren.

Voorafgaand aan het huisbezoek heeft verzoeker – kort gezegd – verklaard alleen in de woning te wonen en dat alle spullen in de woning van hem zijn. In de woning bevinden zich geen spullen van anderen, aldus verzoeker. De heer [persoon 1] slaapt nu gemiddeld eens per maand een nacht bij verzoeker. Verder slapen er wel eens mensen uit Groningen of elders uit Nederland op het adres van verzoeker maar dat is dan meestal voor een weekend. Verzoeker verklaarde niet te weten of er kleding en spullen van zijn kinderen in de woning aanwezig waren.

In de berging bevonden zich meerdere koffers, vuilniszakken, plastic tassen, een ijskast en een televisie. Verzoeker verklaarde desgevraagd dat in de berging geen spullen van andere mensen aanwezig waren. De koffers zijn volgens verzoeker gevuld met oude kleding bestemd voor Ethiopië en de televisie en de ijskast zijn van zijn zoon, die binnenkort op zichzelf gaat wonen. Verzoeker heeft de handhavingsmedewerkers toestemming gegeven de inhoud van de koffers en tassen te bekijken. Verzoeker vermeldde daarbij expliciet dat dat mocht omdat het allemaal toch van hem was.

In de koffers en tassen hebben de handhavingsmedewerkers – onder andere – het volgende aangetroffen:

- post geadresseerd op het adres [adres 2] te Arnhem op naam van [persoon 2]. Het betroffen recente poststukken van verzekeraars, een aanzegging van een op 14 september 2007 geplande ontruiming, een pas met daarop een foto van een man en teksten in het Arabisch en een stuk gericht aan [persoon 4], geadresseerd op hetzelfde adres in Arnhem;

- post geadresseerd op het adres [adres 4] te Amsterdam gericht aan [persoon 2]. Het betrof een loonspecificatie van Tence uitzendbureau (datum in dienst 26-09-2007), een kopie van een verblijfsdocument, een schoonmaakrooster van het Boven IJ ziekenhuis voor de maand november 2007;

- familiefoto’s, kleding, een hoeslaken en een Certificaat voor autocad te Cairo;

- een bankpas van de ABN-AMRO bank op naam van [persoon 4];

- drie mobiele telefoons;

- post geadresseerd aan de [adres 5] te Amsterdam gericht aan [persoon 1]. Het betrof post van Adecco uitzendbureau gedateerd 18-10-2007, een werkbriefje van Adecco gedateerd op 02-11-2007, een Surinaams paspoort, een zorgpas en een inschrijving in het bevolkingsregister van Paramaribo vanaf 19-08-1999

Verder is in de tassen oude kleding aangetroffen.

Verzoeker heeft desgevraagd verklaard niet te weten van wie de post is in zijn berging. Hij denkt dat zijn zoon uit [woonplaats] deze spullen daar heeft neergelegd. De personen op de foto’s kent verzoeker niet. Verzoeker heeft als enige een sleutel van de berging. Hij heeft [persoon 1] toestemming gegeven er wat spullen neer te zetten, maar heeft niet gekeken wat hij er heeft neergelegd. De spullen in de berging zijn niet afkomstig uit zijn woning. Verzoeker weet niet wie [persoon 4] is. Hij denkt dat dit pasje van [persoon 1] is. Verzoeker blijft bij zijn verklaring dat er buiten hemzelf niemand op de woning woonachtig is. Hij stelt geen reden te hebben om tegen de handhavingsmedewerkers te liegen.

Bovenstaande bevindingen bieden naar voorlopig oordeel van de rechter grond voor twijfel aan de woonsituatie van verzoeker. Verweerder mocht die twijfel gronden op de omstandigheid dat in de berging van verzoeker spullen met – doorgaans - persoonlijke betekenis zijn aangetroffen zoals (recente) post, pinpassen en identiteitsbewijzen en mobiele telefoons van mensen die verzoeker voor een deel niet zegt te kennen en zonder dat verzoeker daarvan weet heeft. Verzoeker heeft deze twijfel voorts versterkt door verklaringen af te leggen die niet stroken met de aangetroffen situatie. Verder legt verzoeker wisselende verklaringen af ten opzichte van zijn verklaringen bij vorige huisbezoeken, zoals blijkend uit het dossier, over wie [persoon 1] is en hoe vaak hij bij verzoeker verblijft.

Bij deze stand van zaken is van belang dat de bevindingen bij het onderzoek van de woning zelf de twijfel aan het standpunt dat verzoeker alleen in de woning met drie slaapkamers verblijft, niet wegnemen. In dit verband mocht verweerder betekenis toekennen aan onder meer de aanwezigheid van voedsel en een gebruikt bord met bestek in het dressoir op een verder kennelijk niet door verzoeker gebruikte slaapkamer. De verklaring die verzoeker hiervoor heeft gegeven tegenover de medewerkers van verweerder, namelijk dat hij denkt dat zijn zoon deze dingen daar in het weekend had neergelegd, mocht verweerder als onvoldoende beschouwen.

Met verweerder is de rechter voorts eens dat er conform de eisen van de jurisprudentie van de CRvB een redelijke grond was voor het afleggen van een huisbezoek, reeds gelegen in de – ook voor de rechter in stand gebleven - afwijzingen van eerdere aanvragen van verzoeker op dezelfde grond van twijfel aan de woonsituatie. De bevindingen van het huisbezoek konden dan ook directe gevolgen hebben voor de verlening van bijstand. Uit de rapportage blijkt voorts voldoende dat verzoeker op basis van voldoende informatie (“informed consent”) zijn toestemming voor het huisbezoek heeft gegeven. Van strijd met artikel 8 van het EVRM is dan ook niet gebleken.

Onder deze omstandigheden is verweerder naar voorlopig oordeel op goede gronden tot de conclusie gekomen dat verzoeker ook in het kader van deze aanvraag niet volledige openheid van zaken heeft gegeven en zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, zodat het recht op bijstand nog immer niet met zekerheid is vast te stellen. Naar verwachting zal het bestreden besluit in bezwaar stand kunnen houden.

Gezien het voorgaande ziet de rechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen. De rechter ziet voorts geen aanleiding een der partijen te veroordelen in de proceskosten of te bepalen dat het griffierecht aan verzoeker dient te worden vergoed.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af

Deze uitspraak is gedaan op 5 februari 2008 door mr. J.J. Bade, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. S. Leijen, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier, de voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Coll.:

D:B