Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF9220

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2008
Datum publicatie
15-10-2008
Zaaknummer
13-524228-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57, 282a, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

Bewezen verklaard is de eendaadse samenloop van gijzeling en mishandeling, en diefstal, en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/524228-07

Datum uitspraak: 21 maart 2008

op tegenspraak

VERKORT VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het [adres] gedetineerd in het Huis van Bewaring “Zwaag” te Zwaag.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2. Voorvragen

3. Waardering van het bewijs

3.1. De rechtbank acht, met verdachte en de officier van justitie, niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen onder 1, 2 en 3 is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank acht op grond van het dossier wettig en overtuigend bewezen dat het voorval op 6 juni 2007, telastegelegd onder 1, 2 en 3, en het voorval op 3 april 2007, telastegelegd onder 4, 5, en 6, hebben plaatsgevonden. Verder acht de rechtbank, gelet op de modus operandi van de daders en de beweegredenen voor hun handelen zoals verklaard door de aangevers, aannemelijk dat er een samenhang bestaat tussen beide voorvallen. Zoals hierna onder 3.2 aangegeven en nader gemotiveerd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het voorval op 3 april 2007. In het dossier ontbreekt echter het bewijs op grond waarvan de daadwerkelijke betrokkenheid van verdachte bij het voorval op 6 juni 2007 kan worden aangenomen. Hierbij merkt de rechtbank op dat er bijvoorbeeld geen sprake is van technisch bewijs dat wijst op betrokkenheid van verdachte. Zo stelt de rechtbank vast, hierbij in het midden latend wat dit onderzoek aan resultaten zou opleveren, dat er geen technisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de bij verdachte in beslag genomen boor en hamers. Het enkele gegeven dat er samenhang bestaat tussen beide voorvallen acht de rechtbank onvoldoende om tot bewezenverklaring van de betrokkenheid van verdachte bij het voorval op 6 juni 2007 te komen.

3.2. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het onder 4 telastegelegde,

op 3 april 2007 te Amsterdam in een woning gelegen aan de [adres 1] opzettelijk één persoon, genaamd [gedupeerde 1], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten [gedupeerde 1], te dwingen iets te doen, immers heeft hij verdachte,

- die [gedupeerde 1] meermalen tegen het hoofd en tegen het gezicht geslagen en

- meermalen een pistool op (het hoofd van) die [gedupeerde 1] gericht en

- de woning van binnenuit afgesloten en

- tegen die [gedupeerde 1] geroepen: “houd je kop, anders knal ik je neer” en “maak je voeten (met tape) vast”, althans woorden van gelijke aard of strekking en

- die [gedupeerde 1] meermalen met een hamer tegen het/de be(e)n(en) en de rug geslagen en

- zichtbaar voor die [gedupeerde 1] een videocamera en een boormachine gepakt en

- meermalen tegen die [gedupeerde 1] geroepen: “ik ga opnames maken en je moet zeggen dat je het gedaan hebt”, althans woorden van gelijke aard of strekking en

- een boor tegen de wang van die [gedupeerde 1] gehouden en

- die [gedupeerde 1] gefilmd en

- een mes bij het gezicht van die [gedupeerde 1] geopend en

- tegen die [gedupeerde 1] geroepen: “ik maak je los, maar als je naar de politie gaat, dan gaat eerst je gezin dood, daarna jij, en vervolgens de rest van de familie” en “je moet minimaal tien minuten boven blijven en als je eerder gaat maak ik je alsnog dood”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

ten aanzien van het onder 5 telastegelegde,

op 3 april 2007 te Amsterdam in een woning gelegen aan de [adres 1] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een huurcontract en een kopie van een paspoort en een uittreksel van de kamer van koophandel en een telefoon, toebehorende aan [gedupeerde 1],

ten aanzien van het onder 6 telastegelegde,

op 3 april 2007 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [gedupeerde 1] meermalen tegen het hoofd en/of tegen het gezicht heeft geslagen en gestompt en meermalen met een hamer tegen het/de be(e)n(en) en tegen de rug heeft geslagen, waardoor voornoemde [gedupeerde 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden,

ten aanzien van het onder 7 telastegelegde,

op 15 september 2007 te Amsterdam voorhanden heeft gehad drie busjes traangas/pepperspray, zijnde een voorwerp dat bestemd is voor het treffen van personen met een verstikkende, weerloosmakende en/of traanverwekkende stof, in elke geval een wapen in de zin van de Wet Wapens en Munitie van Categorie II, genoemd onder 6.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 4, 5 en 6 telastegelegde

De raadsman van verdachte heeft zich ter terechtzitting op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 4 en 5 telastegelegde, dat hij gedeeltelijk dient te worden vrijgesproken van het onder 6 telastegelegde.

Verdachte heeft eerst ter terechtzitting, derhalve na kennisneming van het gehele strafdossier, een verklaring willen afleggen ten aanzien van het voorval op 3 april 2007. Deze verklaring komt er op neer, kort samengevat, dat er - als gevolg van een door verdachte niet voorziene escalatie - een vechtpartij heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [gedupeerde 1]. Verdachte heeft ontkend dat er sprake is geweest van de telastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving en diefstal. Verder heeft hij ten aanzien van de telastegelegde mishandeling ontkend dat hij [gedupeerde 1] heeft geslagen met een hamer.

De verklaring die verdachte heeft afgelegd, weerspreekt de verklaring van de aangever

[gedupeerde 1] ten aanzien van het voorval op 3 april 2007. Zoals blijkt uit hetgeen de rechtbank hiervoor bewezen heeft verklaard, acht de rechtbank de verklaring van [gedupeerde 1], in tegenstelling tot de verklaring van de verdachte, geloofwaardig. Hiertoe is redengevend dat de verklaring van [gedupeerde 1] wordt ondersteund door technisch bewijs. Zo is er in de woning gelegen aan de [adres 1] tape gevonden met, zoals blijkt uit technisch onderzoek, bloedsporen van [gedupeerde 1]. Tevens zijn in de woning (bloed)sporen aangetroffen die passen in de verklaring van [gedupeerde 1] en waarvoor verdachte een onvoldoende verklaring heeft gegeven. Verder bevindt zich bij de stukken een letselverklaring van 3 april 2007 betreffende [gedupeerde 1], afgegeven door een arts-assistent verbonden aan het Slotervaartziekenhuis, waaruit blijkt dat [gedupeerde 1] kort na het incident reeds onder meer heeft verklaard dat hij is geslagen met een hamer, terwijl die verklaring ook inhoudt dat bij hem letsel wordt geconstateerd dat past bij de blijkens zijn verklaring hem overkomen mishandeling. Voorts heeft de samenhang tussen de voorvallen op 6 juni 2007 en 3 april 2007 bijgedragen aan de overtuiging bij de rechtbank dat de verklaring van [gedupeerde 1] geloofwaardig is. Zo hebben de aangevers ten aanzien van het voorval op 6 juni 2007 onder meer verklaard dat er sprake was van bedreiging met een pistool, dat er een boor en hamer werd gebruikt en dat er sprake was van het dwingen tot het afleggen van een verklaring op camera, hetgeen overeenkomt met de verklaring van [gedupeerde 1] ten aanzien van wat hem is overkomen op 3 april 2007. Daar komt bij dat één van de daders van de op 6 juni 2007 voorgevallen feiten bij het tonen van de gebruikte martelwerktuigen het slachtoffer waarschuwt hetzelfde, en erger, te zullen doen als wat aan [gedupeerde 1] is aangedaan.

Overigens ziet de rechtbank geen aanleiding aan te nemen dat [gedupeerde 1], die eerst op

7 juni 2007 aangifte heeft gedaan, zijn verklaring heeft aangepast onder invloed van het voorval op 6 juni 2007, zoals gesuggereerd door de raadsman van verdachte. De rechtbank acht hierbij - naast de reeds gememoreerde letselverklaring die van kort na het vooral dateert - tevens van belang dat [persoon 1] en [persoon 2] hebben verklaard, zakelijk weergegeven, dat [gedupeerde 1] kort na het voorval op 3 april 2007 aan hen heeft verteld dat hij was mishandeld door [verdachte] en dat hij heel bang was voor deze man.

Uitgaande van de verklaring van [gedupeerde 1] en gelet op het aanwezige steunbewijs, zoals hiervoor aangegeven, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de onder 4, 5 en 6 telastegelegde feiten. Met betrekking tot de onder 5 telastegelegde diefstal met (bedreiging met) geweld overweegt de rechtbank dat de telastegelegde handelingen waaruit het geweld dan wel de bedreiging met geweld hebben bestaan, naar het oordeel van de rechtbank als uitvoeringshandelingen van de gijzeling en de mishandeling hebben te gelden en niet zijn gepleegd met het oogmerk om de gepleegde diefstal gemakkelijk te maken of anderszins als instrumenteel voor de diefstal kunnen worden aangemerkt. De rechtbank heeft ten aanzien van dit feit dan ook enkel de diefstal bewezen verklaard.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezengeachte feiten, te weten de onder 4, 5, 6 en 7 telastegelegde feiten, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Verder heeft de officier van justitie zich ten aanzien van de in beslaggenomen voorwerpen op het standpunt gesteld dat de op de beslaglijst (een afschrift hiervan is aan dit vonnis gehecht) onder 1, 4 en 5 genoemde voorwerpen verbeurd dienen te worden verklaard, dat de onder 9, 10 en 11 genoemde voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer, dat de onder 3 en 6 genoemde voorwerpen dienen te worden bewaard voor de rechthebbende en dat de onder 7, 8, 21, 22, 23, 24, 25 en 26 genoemde voorwerpen dienen te worden teruggegeven aan de verdachte. Tot slot heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2000, - aan slachtoffer [gedupeerde 1] middels oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich op 3 april 2007 schuldig gemaakt aan gijzeling van [gedupeerde 1], met wie hij een zakelijke relatie had vanwege de verhuur van een woning. In die woning heeft verdachte [gedupeerde 1] onverhoeds bedreigd en hem belet die woning te verlaten. Tevens heeft hij geweld gebruikt jegens het slachtoffer, onder meer door hem met een hamer te slaan. Daarnaast heeft hij hem op ernstige wijze bedreigd met een pistool, een boor en een mes. Tevens heeft hij het slachtoffer in een weerloze positie gebracht door het slachtoffer zichzelf de benen te laten vast tapen. Zodoende heeft hij het slachtoffer letsel toegebracht, een grove inbreuk gemaakt op zijn bewegingsvrijheid en hem vrees aangejaagd, waarbij het slachtoffer op een gegeven moment zelfs doodsangsten heeft uitgestaan. Een dergelijk feit heeft een grote impact op (het leven van) het slachtoffer, onder meer in de vorm van gevoelens van angst en onveiligheid. De verdachte heeft zich op voornoemde datum tevens schuldig gemaakt aan diefstal; een ergerlijk feit dat zorgt voor schade en overlast bij het slachtoffer.

Op 15 september 2007 zijn drie busjes met pepperspray dan wel traangas aangetroffen, in de woning aan de [adres 2] te Amsterdam, waar verdachte zijn verblijfplaats heeft, die toebehoren aan de verdachte. Het voorhanden hebben van wapens kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met het gegeven dat de verdachte, zoals blijkt uit het hem betreffende uittreksel justitiële documentatie van 17 september 2007, eerder is veroordeeld tot een aanzienlijke gevangenisstraf in verband met poging tot afpersing.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank oplegging van een forse gevangenisstraf van hierna te noemen duur passend.

De rechtbank ziet aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. In de eerste plaats ziet de rechtbank daartoe aanleiding in het volgende. De officier van justitie heeft zijn eis mede gebaseerd op de samenhang tussen de zijns inziens door verdachte begane feiten en het zeer ernstige incident op 6 juni 2007. De rechtbank acht weliswaar aannemelijk dat die samenhang er is, maar nu dat incident enige tijd ná de onderhavige feiten heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat dat voorval niet van invloed kan zijn op een voor de bewezen geachte feiten op te leggen straf. In de tweede plaats heeft de rechtbank onder 5 een minder ernstig strafbaar feit bewezenverklaard dan waarop de officier van justitie zijn eis heeft gebaseerd.

Verbeurdverklaring

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de onder 4 en 5 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het onder 4 bewezen geachte is begaan.

Onttrekking aan het verkeer

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de onder 9, 10 en 11 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het onder 7 bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet geen aanleiding de verdachte te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer [gedupeerde 1] door oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, zoals gevorderd door de officier van justitie. In dit verband acht de rechtbank van belang dat noch uit de stukken noch uit een door [gedupeerde 1] ingediende vordering tot schadevergoeding noch anderszins blijkt dat hij vergoeding wenst van eventueel door hem geleden schade.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55, 57, 282a, 300 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 1, 2 en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 4, 5, 6 en 7 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 4 en 6 bewezenverklaarde:

de eendaadse samenloop van gijzeling en mishandeling,

ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

diefstal,

ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd: de onder 4 en 5 op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer: de onder 9, 10 en 11 op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van: de onder 7, 8, 21, 22, 23, 24, 25 en 26 op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van: de onder 1, 3 en 6 op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.P.C. Janssen, voorzitter,

mrs. C.P.E. Meewisse en F.P. Geelhoed, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R.R. Eijsten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 maart 2008.