Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF7619

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
AWB 06-5078 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De brief waarin het dagelijks bestuur van het stadsdeel buurtbewoners meedeelt dat vanaf een bepaalde datum geen verkeer meer mogelijk is in de straat in verband met het vernieuwen van de leidingen voor riolering, gas, water en elektriciteit, is een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De weigering de schade te vergoeden die is geleden als gevolg van het afsluiten van de weg, is een zuiver schadebesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/5078 BELEI

tussen:

Vomar Voordeelmarkt BV, gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. J. Hoogland,

en:

het Dagelijks Bestuur van het Stadsdeel Oud-West,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A. Dirkse.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 18 oktober 2005 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 5 september 2006 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 19 december 2007.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres exploiteert een supermarkt aan de Kinkerstraat te Amsterdam. Deze winkel is op ongeveer tien meter afstand van de kruising met de Da Costakade gesitueerd. In de periode van 14 april 2003 tot eind augustus 2003 heeft verweerder diverse werkzaamheden laten verrichten in de Da Costastraat, waaronder het vervangen van kabels en leidingen en het opnieuw bestraten van het wegdek. Eiseres heeft op 26 juli 2003 aan verweerder gevraagd het door haar geleden nadeel van de werkzaamheden te compenseren. Bij besluit van 6 april 2006 heeft verweerder dit verzoek afgewezen omdat de hinder en omzetdaling die eiseres zou hebben ondervonden tot het normaler ondernemersrisico behoort. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat er geen sprake is van een schadeveroorzakend besluit. Eventuele schade is het gevolg van de feitelijk werkzaamheden, aldus verweerder.

Eiseres stelt, onder verwijzing naar artikel 37 van het Besluit administratieve bepalingen wegverkeer (BABW), dat verweerder heeft nagelaten een (verkeers)besluit te nemen over de (voortzetting van) de werkzaamheden, nu deze langer dan vier maanden duurden, zodat het besluit tot afwijzing van de schadevergoeding moet worden aangemerkt als een zuiver schadebesluit. Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat de noodzakelijke connexiteit bovendien bestaat met de brief van 7 april 2003 waarbij verweerder het besluit om de straat af te sluiten bekend heeft gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij brief van 7 april 2003 heeft de portefeuillehouder Stadsdeelwerken van verweerders stadsdeel aan omwonenden van de Da Costastraat meegedeeld dat in verband met het vernieuwen van de leidingen voor riolering, gas, water en elektriciteit, de bestrating en andere verharding van de weg wordt verwijderd en vanaf 14 april 2003 het gedeelte van de

Da Costastraat tussen de Kinkerstraat en de Potgieterstraat is gesloten voor alle verkeer. Nu eiseres stelt schade te hebben geleden als gevolg van het afsluiten van de straat, ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de brief van 7 april 2003 moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank beantwoordt die vraag positief en overweegt op de voet van de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 25 februari 2005 (LJN: AS9599) het volgende.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Blijkens de wetsgeschiedenis is met het woord ‘rechtshandeling’ in dit artikellid bedoeld aan te geven dat het moet gaan om een rechtshandeling die is gericht op rechtsgevolg. Daarvan is sprake indien is beoogd om een bevoegdheid, recht of verplichting voor een of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel om de juridische status van een persoon of zaak vast te stellen. Het is derhalve niet beslissend of een bepaald besluit rechtsgevolgen voortvloeien; de rechtshandeling moet zijn gericht op het ontstaan van die rechtsgevolgen.

Met betrekking tot de vraag of de brief 7 april 2003 op rechtsgevolg is gericht, constateert de rechtbank dat van de zijde van het stadsdeel een verkeersmaatregel is genomen. De getroffen maatregel behelst onder meer het plaatsen van verkeersborden. Bij deze verkeersmaatregel gaat het om het dwingend reguleren van de verkeersstroom door een verbod dat kan worden gehandhaafd met behulp van de sterke arm. Het betreft hier dan ook een maatregel die op rechtsgevolg is gericht. De brief van 7 april 2003 behelst een beslissing tot het instellen van deze maatregel door of namens het bevoegde gezag en is dan ook te beschouwen als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Daarmee is deze brief te beschouwen als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, waartegen eiseres bezwaar kon maken. Tegen het besluit waarbij het verzoek tot schadevergoeding van eiseres is afgewezen staat bezwaar en beroep open omdat er connexiteit bestaat tussen de gestelde schade en het besluit tot afsluiting van de straat. Verweerder heeft eiseres dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het bestreden besluit dient daarom te worden vernietigd. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van eiseres te beslissen.

De vraag welke gevolgen verbonden zijn aan het feit dat verweerder ten onrechte zou hebben nagelaten een verkeersbesluit als bedoeld in artikel 37 BABW te nemen omdat de werkzaamheden langer dan vier maanden hebben geduurd, kan gelet op het voorgaande onbeantwoord blijven.

Nu het beroep gegrond is dient het door eiseres gestorte griffierecht van € 281,- op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, door verweerder te worden vergoed.

Ten slotte ziet de rechter aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door eiseres in verband met de behandeling van dit verzoek gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1).

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

? bepaalt dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 281,- vergoedt, te betalen door het Stadsdeel Oud West aan eiseres;

? veroordeelt verweerder in de hiervoor omschreven proceskosten, begroot op € 644,-, te betalen door het Stadsdeel Oud West aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan op 28 januari 2008 door mr. B.E. Mildner, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de rechter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B