Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF7606

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
10-10-2008
Zaaknummer
AWB 06/514 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie bepaalt artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW dwingendrechtelijk dat de werknemer die buiten Nederland verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht heeft op een WW-uitkering en dat het dientengevolge de rechter niet vrij staat om in afwijking daarvan in het individuele geval van eiser tot een daarmee strijdig oordeel te komen. Voorts overweegt de rechtbank dat in de parlementaire stukken geen duidelijke aanwijzingen zijn te vinden dat de wetgever bij het gebruik van de term “verblijf houden” een zekere minimumduur voor ogen heeft gestaan. De rechtbank begrijpt weliswaar dat het bovenstaande wellicht tot onbevredigende resultaten zou kunnen leiden, maar in dit verband zal een oplossing echter van de wetgever dienen te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 06/514 WW

van:

[eiser], wonende te [woonplaats] (Groot Brittannië),

eiser,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

gevestigd te Amsterdam,

verweerder I,

vertegenwoordigd door mr. D.R. Abdoelhak

en

Deloitte MKB Accountancy & Advies B.V.,

gevestigd te Voorhout,

verweerder II.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 25 januari 2006 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 12 januari 2006 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 31 januari 2008.

2. OVERWEGINGEN

Bij een drietal besluiten van 28 november 2005 heeft verweerder I eiser medegedeeld dat hij met ingang van 31 oktober 2005 geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) en een bovenwettelijke uitkering omdat hij met ingang van 29 oktober 2005 in Groot Brittannië verblijft, dat zijn uitkering wordt herzien met ingang van 31 oktober 2005 en dat de ten onrechte verstrekt WW-uitkering van hem zal worden teruggevorderd.

Het door eiser tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft verweerder I bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft vervolgens tijdig beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de beëindiging van het recht op WW-uitkering het volgende.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW, zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit, heeft geen recht op uitkering de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie.

Niet in geschil is dat eiser met ingang van 29 oktober 2005 (een zaterdag) in [woonplaats] (Groot Brittannië) is gaan wonen omdat hij aldaar met ingang van 1 november 2005 (een dinsdag) met een baan zou gaan starten. Evenmin is in geschil dat het in dit geding gaat om de vraag of eiser nog recht heeft op een WW-uitkering en een bovenwettelijke uitkering over slechts één dag, te weten 31 oktober 2005.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het beëindigen van zijn WW-uitkering op grond van het ter voorbereiding op een aldaar geaccepteerde baan verhuizen naar het buitenland tegen de geest van de WW-wetgeving ingaat en dat artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW derhalve niet op hem van toepassing behoort te zijn.

De rechtbank deelt dit standpunt van eiser niet. Daartoe overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie (verwezen wordt onder meer naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AS1902) artikel 19, eerste lid, aanhef en onder f, van de WW dwingendrechtelijk bepaalt dat de werknemer die buiten Nederland verblijf houdt anders dan wegens vakantie geen recht heeft op een WW-uitkering en dat het dientengevolge de rechter niet vrij staat om in afwijking daarvan in het individuele geval van eiser tot een daarmee strijdig oordeel te komen. Voorts overweegt de rechtbank dat in de parlementaire stukken met betrekking tot wetsontwerp 19 261 (Kamerstukken II 1985/86, 19261) geen duidelijke aanwijzingen zijn te vinden dat de wetgever bij het gebruik van de term “verblijf houden” een zekere minimumduur voor ogen heeft gestaan. In dit verband verwijst de rechtbank tevens naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 mei 1990, gepubliceerd in RSV 1990/375. De rechtbank begrijpt weliswaar dat het bovenstaande wellicht tot onbevredigende resultaten zou kunnen leiden, maar in dit verband zal een oplossing echter van de wetgever dienen te komen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat eisers WW-uitkering terecht is beëindigd met ingang van 31 oktober 2005.

Met betrekking tot de herziening van het recht op WW-uitkering overweegt de rechtbank het volgende.

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de WW herziet verweerder I een besluit tot toekenning van uitkering en terzake van weigering van uitkering of trekt het dat in, indien – voor zover hier relevant – de uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend. Ingevolge het tweede lid kan verweerder I indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

Nu verweerder I naar het oordeel van de rechtbank terecht heeft besloten om eisers WW-uitkering met ingang van 31 oktober 2005 te beëindigen, staat daarmee vast dat ten onrechte WW-uitkering aan eiser is verstrekt. Verweerder I was derhalve bevoegd om tot herziening over te gaan. Nu voorts gesteld noch gebleken is dat er sprake zou zijn van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien, is de rechtbank van oordeel dat verweerder I in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot herziening van het recht op WW-uitkering over 31 oktober 2005 gebruik heeft kunnen maken.

Met betrekking tot de bovenwettelijke uitkering overweegt de rechtbank als volgt.

Verweerder I was tot 1 januari 2007 bevoegd inzake de Bovenwettelijke regeling Werkloosheid personeel Onderzoek Instellingen (hierna: B-Woi). Dit betekent dat het primaire besluit en het bestreden besluit door verweerder I bevoegd zijn genomen. Met ingang van 1 januari 2007 is verweerder II echter bevoegd inzake de B-Woi, zodat verweerder II bevoegd is voor zover het onderhavige beroep ziet op de bovenwettelijke uitkering.

In artikel 4, eerste lid, van de B-Woi is bepaald dat de betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de WW, met uitzondering van een uitkering op grond van Hoofdstuk IV van die wet, recht heeft op een aanvulling op de WW-uitkering.

De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat eisers WW-uitkering terecht is beëindigd met ingang van 31 oktober 2005. Nu het recht op een bovenwettelijke uitkering is gekoppeld aan het recht op een WW-uitkering, is het recht op een bovenwettelijke uitkering naar het oordeel van de rechtbank dan ook eveneens terecht beëindigd met ingang van dezelfde datum.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.

Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 1 februari 2008 door mr. C.G. Meeder, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C