Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF7117

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
13/477005-08 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze wettelijke bepalingen zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/477005-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Venezuela) op [geboortedatum] 1960,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “Den Haag (unit 1)” te ‘s Gravenhage.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 en 10 juni 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december 2007 tot en met 22 januari 2008 te IJmuiden en/of Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) (ongeveer) 151,07 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

artikel 2 jo. 1 lid 4 Opiumwet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van het telastegelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Omstreeks oktober 2007 benadert [persoon 1] [persoon 2] om een bus op [persoon 2]s naam te huren en duikers op te halen en af te zetten voor € 6.000. [persoon 3] is bij dit gesprek aanwezig.

Op 3 januari 2008 ontvangt de Dienst Internationale Politiesamenwerking schriftelijke informatie van de Engelse opsporingsautoriteiten, inhoudende dat het schip genaamd Grand Ocean op 28 december 2007 is vertrokken vanuit Colombia naar Amsterdam. Het schip zal midden januari 2008 aankomen in Amsterdam. Vermoed wordt dat 200 tot 300 kilogram cocaïne onder het schip wordt vervoerd. Naar aanleiding van deze informatie start de FIOD/ECD een onderzoek naar het genoemde schip.

Vanaf 4 januari 2008 rijdt [persoon 3] [persoon 1] rond, onder andere naar IJmuiden en de haven van Amsterdam. Doordat [persoon 3] als chauffeur optreedt, brengt hij veel tijd met [persoon 1] door. [persoon 3] is hierdoor bij gesprekken tussen [persoon 1] en [persoon 2] over het huren van auto’s.

In de eerste week van januari 2008 stelt [persoon 4] in Venezuela aan verdachte voor om

een klus te doen, waarmee hij tussen € 30.000 en € 50.000 kan verdienen. [persoon 4] heeft hem toen meteen verteld wat voor een klus het was. Alleen over de hoeveelheden heeft hij niet gesproken.

Vanaf 11 januari 2008 huren [persoon 2] en [persoon 3] auto’s bij Autoverhuurbedrijf Kuperus. [persoon 1] gaat met hen mee, maar blijft buiten wachten. Hij heeft [persoon 2] € 1.000 voor het huren van de auto’s gegeven. Op 11 januari 2008 huren [persoon 2] en [persoon 3] een Fiat Panda. [persoon 3] betaalt hiervoor de borg. De Fiat Panda ruilen zij op 15 januari 2008 in voor een groene Mercedes Vaneo. [persoon 2] ruilt de groene Mercedes vervolgens op 19 januari 2008 in voor een grijze Mercedes Vaneo. Bovendien huurt [persoon 2] op 19 januari 2008 bij Diks autoverhuur een Citroën Jumpy. De bij Autobedrijf Kuperus gehuurde auto’s gebruikt [persoon 3] om [persoon 1] in rond te rijden. [persoon 2] gebruikt de Citroën Jumpy.

Op 13 januari 2008 komt verdachte aan in Nederland. Hij verblijft vervolgens in het appartement op de [adres 1] (hierna: het appartement). Hier biedt [persoon 4] verdachte € 60.000 aan voor het duiken onder een boot en het zoeken naar de plek waar de verdovende middelen verborgen zitten. Verdachte dient vier zakken met drugs naar de oever te brengen.

De Grand Ocean ligt op 18 januari 2008 in de haven van IJmuiden en op zondag 20 januari 2008 komt het schip aan in de Amerikahaven te Amsterdam (verder: de haven).

Zondag 20 januari 2008 gaan verdachte en [persoon 6] het water van de haven in, ieder voorzien van een duikuitrusting, en zwemmen richting het schip. Verdachte krijgt het koud en gooit zijn duikbril weg. [persoon 2] en [persoon 5] halen beide duikers op met de Citroën Jumpy die de duikplek met gedoofde lampen oprijdt. De Citroën Jumpy rijdt hierna naar het appartement en verdachte, [persoon 6], [persoon 2] en [persoon 5] gaan het appartement binnen. De Mercedes Vaneo rijdt met gedoofde lampen bij de duikplek rond en rijdt hierna ook naar het appartement te Amsterdam. [persoon 3] en [persoon 1] gaan ook het appartement binnen. De Mercedes Vaneo rijdt later naar Zaandam en wordt daar op de hoek van de Bootsmanstraat en de Jonge Arnoldusstraat, waar [persoon 3] woont, geparkeerd.

Maandag 21 januari 2008 betreft een soortgelijke gang van zaken. [persoon 2] brengt verdachte en [persoon 6] met de Citroën Jumpy naar de duikplek om te duiken. Zij gaan wederom het water in op de duikplek. Verdachte krijgt het koud en [persoon 2] en [persoon 5] halen de duikers op. Ze rijden vervolgens naar het appartement. Verdachte, [persoon 2], [persoon 6] en [persoon 5] gaan weer het appartement binnen. [persoon 2] krijgt in het appartement ruzie met [persoon 1], omdat [persoon 2] zijn € 6.000 wil krijgen die hem door [persoon 1] beloofd is. [persoon 3] is bij deze ruzie aanwezig en weet de ruzie te sussen. Afgesproken wordt dat [persoon 2] de volgende dag na het brengen en halen van de duikers zijn geld krijgt van [persoon 1].

Dinsdag 22 januari 2008 brengt [persoon 2] wederom verdachte en [persoon 6] naar de duikplek. Beide duikers gaan het water in. Verdachte en [persoon 6] worden bijna overvaren in het water van de haven en rusten uit bij de oever aan de overkant van de duikplek. Zij zwemmen vervolgens terug. [persoon 2] en [persoon 5] halen de duikers na het duiken op. Op het moment dat [persoon 5] bij [persoon 2] in de auto stapt om de duikers te gaan halen, plakt [persoon 5] het dashboard af met een stuk zwart tape. [persoon 5] helpt hierna met het inladen van duikspullen.

Op de duikplek worden naast verdachte tevens [persoon 2], [persoon 5] en [persoon 6] aangehouden. Rond het schip bevindt de Mercedes Vaneo zich in het Westelijk Havengebied en rijdt van daaruit naar het appartement. Daarna rijdt de Mercedes Vaneo naar de Postjesweg. [persoon 3] en [persoon 1] worden vervolgens aangehouden in de directe nabijheid van de Mercedes Vaneo.

In de nacht van 23 januari 2008 duikt een team van de FIOD-ECD naar de Grand Ocean en vindt aan dat schip bevestigd vier pakketten omwikkeld met zeil en touw. Uit onderzoek blijken de pakketten 151,07 kilogram cocaïne te bevatten.

3.2 Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft - zakelijk weergegeven - betoogd dat cliënt geen enkele bemoeienis heeft gehad met het transport van de cocaïne vanuit Colombia naar Amsterdam. Het is ook de vraag of cliënt is betrokken bij het verder vervoeren van de cocaïne in Nederland. Voorts kan geen sprake zijn van een voltooid delict. Immers, cliënt is bij de eerste duik uit zichzelf teruggetreden, en hierna werd het hem onmogelijk gemaakt om vrijwillig terug te treden doordat [persoon 4] hem bedreigde met represailles tegen hemzelf en zijn gezin. Voorts is er nooit gedoken – de duikers hebben slechts gezwommen – en de pakketten met cocaïne zijn nooit op de kade gebracht door cliënt. Tot slot is er in casu sprake van een ondeugdelijke poging aangezien zijn cliënt een onervaren duiker is – hij heeft geen duikbrevet en kent de duikerstaal niet – en de omstandigheden niet toelieten de pakketten aan de oever te krijgen door handelingen van cliënt. De vorengenoemde feiten en omstandigheden dienen te leiden tot vrijspraak.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 2 onder A Opiumwet stelt dat het verboden is een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Artikel 1 lid 4 Opiumwet geeft een ruime aanduiding van het begrip ‘binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen’. Hieronder is onder meer begrepen, voor zover relevant, elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht.

De rechtbank is van oordeel dat het driemaal in het water gaan om te duiken onder een boot, telkens kennelijk met de bedoeling van verdachte om vier pakketten met daarin drugs naar de oever te brengen en aldaar af te geven, handelingen zijn die vallen onder het begrip binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen zoals hiervoor bedoeld. Daarbij is niet van belang of er al dan niet is gedoken door verdachte en of de pakketten al dan niet naar de oever zijn gebracht. Er is sprake van een voltooid misdrijf.

De rechtbank overweegt dat als sprake is van vrijwillige terugtred, ontslag van alle rechtsvervolging van verdachte dient te volgen. Art. 46b Sr luidt: “Voorbereiding noch poging bestaat indien het misdrijf niet is voltooid tengevolge van omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk.” Vrijwillige terugtred bestaat als de niet voltooiing van het delict een gevolg is van omstandigheden die van de wil van de dader afhankelijk zijn, en derhalve niet van externe factoren. De rechtbank is van oordeel dat, nu zij oordeelt dat het misdrijf is voltooid, het beroep op vrijwillige terugtred dient te worden verworpen.

Ook het beroep op de absoluut ondeugdelijke poging wordt verworpen daar het misdrijf voltooid is en bovendien poging niet telaste is gelegd.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden onder 3.1, sprake is van een zo bewuste en nauwe samenwerking van verdachte met zijn mededaders bij het invoeren van cocaïne in Nederland, dat sprake is van medeplegen van het telastegelegde.

Eveneens ten overvloede merkt de rechtbank op dat verdachte, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden onder 3.1, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht. Hierbij is in het bijzonder van belang dat verdachte wist dat zijn handelingen waren gericht op het opduiken van drugs.

3.3. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 28 december 2007 tot en met 22 januari 2008 te IJmuiden en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 151,07 kilogram cocaïne.

(artikel 2 jo. 1 lid 4 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van vrijwillige terugtred van verdachte in de zin van artikel 46b Wetboek van Strafrecht. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is vrijwillige terugtred nu het misdrijf is voltooid.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat hij de gerequireerde straf door de officier van justitie te hoog acht. Zijn cliënt is slechts een uitvoerder geweest. Hij heeft de meeste openheid van zaken gegeven en zijn verklaring wordt door niemand betwist. Bovendien heeft cliënt een blanco strafblad.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een zeer aanzienlijke – voor verdere verspreiding geschikte – hoeveelheid cocaïne Nederland ingevoerd. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen gevaarlijke stof en daarom verboden bij de Opiumwet. De handel in en het gebruik van cocaïne brengen, zo leert de ervaring, criminaliteit en overlast mee.

De oriëntatiepunten straftoemeting en afspraken van het LOVS van 10 december 2004 onderscheiden bij artikel 2 onder A Opiumwet naar hoeveelheid verdovende middelen en de rol van verdachte. In de onderhavige casus is sprake van een zeer grote hoeveelheid cocaïne, te weten 151,07 kilogram, en vallen de gedragingen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank onder de tweede categorie daders, te weten de standaardcategorie. Hierbij past volgens de oriëntatiepunten een straf van ten minste 60 maanden.

Niet is gebleken dat verdachte onderdeel was van een organisatie die zich reeds enige tijd bezighield met het binnenbrengen van verdovende middelen in het grondgebied van Nederland. Ook is niet gebleken dat de structuur van het samenwerkingsverband van de zes verdachten en hun werkwijze zodanig professioneel zijn dat die de hoogte van de straf zoals het LOVS die vooropstelt, kunnen dragen.

De lange tijd waarin verdachte in beperkingen heeft gezeten is eveneens meegewogen. Overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen niet rechtmatig waren.

Tot slot houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij een blanco strafblad in Nederland heeft.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden bestaat geen aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze wettelijke bepalingen zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H. van Zutphen, voorzitter,

mrs. A.J.R.M. Vermolen en E.M.L.J. Dosker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leepel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2008.