Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF7113

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-06-2008
Datum publicatie
07-10-2008
Zaaknummer
13-477003-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze wettelijke bepalingen zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan.Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/477003-08 (PROMIS)

Datum uitspraak: 24 juni 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres 1], gedetineerd in het Huis van Bewaring “Midden Holland” te Haarlem. Feitelijk wonend op Dijkwater 179, 1025 CW te Amsterdam.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 en 10 juni 2008.

1. Telastelegging

Aan verdachte is telastegelegd dat

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 december 2007 tot en met 22 januari 2008 te IJmuiden en/of Amsterdam, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet) (ongeveer) 151,07 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

artikel 2 jo. 1 lid 4 Opiumwet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1 De rechtbank gaat bij de beoordeling van het te laste gelegde uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Omstreeks oktober 2007 benadert [persoon 1] verdachte om een bus op verdachtes naam te huren en duikers op te halen en af te zetten voor € 6.000.

Op 3 januari 2008 ontvangt de Dienst Internationale Politiesamenwerking schriftelijke informatie van de Engelse opsporingsautoriteiten, inhoudende dat het schip genaamd Grand Ocean op 28 december 2007 is vertrokken vanuit Colombia naar Amsterdam. Het schip zal midden januari 2008 aankomen in Amsterdam. Vermoed wordt dat 200 tot 300 kilogram cocaïne onder het schip wordt vervoerd. Naar aanleiding van deze informatie start de FIOD/ECD een onderzoek naar het genoemde schip.

Vanaf 4 januari 2008 rijdt [persoon 2] [persoon 1] rond, onder andere naar IJmuiden en de haven van Amsterdam. Doordat [persoon 2] als chauffeur optreedt, brengt hij veel tijd met [persoon 1] door. Hij is hierdoor bij gesprekken tussen [persoon 1] en verdachte over het huren van auto’s en duikspullen.

Op 10 en 14 januari 2008 huren en kopen verdachte en [persoon 3] duikspullen.

Vanaf 11 januari 2008 huren verdachte en [persoon 2] auto’s bij Autoverhuurbedrijf Kuperus. [persoon 1] gaat met hen mee, maar blijft buiten wachten. Hij heeft verdachte € 1.000 voor het huren van de auto’s gegeven. Op 11 januari 2008 huren verdachte en [persoon 2] een Fiat Panda. [persoon 2] betaalt hiervoor de borg. De Fiat Panda ruilen zij op 15 januari 2008 in voor een groene Mercedes Vaneo. Verdachte ruilt de groene Mercedes vervolgens op 19 januari 2008 in voor een grijze Mercedes Vaneo. Bovendien huurt verdachte op 19 januari 2008 bij Diks autoverhuur een Citroën Jumpy. De bij Autobedrijf Kuperus gehuurde auto’s gebruikt [persoon 2] om [persoon 1] in rond te rijden. Verdachte gebruikt de Citroën Jumpy.

De Grand Ocean ligt op 18 januari 2008 in de haven van IJmuiden en op zondag 20 januari 2008 komt het schip aan in de Amerikahaven te Amsterdam (verder: de haven).

Zondag 20 januari 2008 gaan [persoon 3] en [persoon 4] het water van de haven in, ieder voorzien van een duikuitrusting, en zwemmen richting het schip. [persoon 4] krijgt het koud. Verdachte en [persoon 5] halen beide duikers op met de Citroën Jumpy die de duikplek met gedoofde lampen oprijdt. De Citroën Jumpy rijdt hierna naar het appartement in de [adres 2] (verder: het appartement) en verdachte, [persoon 4], [persoon 3] en [persoon 5] gaan het appartement binnen. De Mercedes Vaneo rijdt met gedoofde lampen bij de duikplek rond en rijdt hierna ook naar het appartement te Amsterdam. [persoon 2] en [persoon 1] gaan ook het appartement binnen. De Mercedes Vaneo rijdt later naar Zaandam en wordt daar op de hoek van de [adres 3] en de [adres 4], waar [persoon 2] woont, geparkeerd.

Maandag 21 januari 2008 betreft een soortgelijke gang van zaken. Verdachte brengt [persoon 3] en [persoon 4] met de Citroën Jumpy naar de duikplek om te duiken. Zij gaan wederom het water in op de duikplek. [persoon 4] krijgt het koud en verdachte en [persoon 5] halen de duikers op. Ze rijden vervolgens naar het appartement. Verdachte, [persoon 3], [persoon 4] en [persoon 5] gaan weer het appartement binnen. Verdachte krijgt in het appartement ruzie met [persoon 1], omdat verdachte zijn € 6.000 wil krijgen die hem door [persoon 1] beloofd is. [persoon 2] is bij deze ruzie aanwezig en weet de ruzie te sussen. Afgesproken wordt dat verdachte de volgende dag na het brengen en halen van de duikers zijn geld krijgt van [persoon 1].

Dinsdag 22 januari 2008 brengt verdachte wederom [persoon 3] en [persoon 4] naar de duikplek. Beide duikers gaan het water in. [persoon 3] en [persoon 4] worden bijna overvaren in het water van de haven en rusten uit bij de oever aan de overkant van de duikplek. Zij zwemmen vervolgens terug. Verdachte en [persoon 5] halen de duikers na het duiken op. Op het moment dat [persoon 5] bij verdachte in de auto stapt om de duikers te gaan halen, plakt [persoon 5] het dashboard af met een stuk zwart tape. [persoon 5] helpt de duikers hierna met het inladen van duikspullen.

Op de duikplek worden naast verdachte tevens [persoon 3], [persoon 5] en [persoon 4] aangehouden. Rond dat schip bevindt de Mercedes Vaneo zich in het Westelijk Havengebied en rijdt van daaruit naar het appartement. Daarna rijdt de Mercedes Vaneo naar de Postjesweg. [persoon 2] en [persoon 1] worden vervolgens aangehouden in de directe nabijheid van de Mercedes Vaneo.

In de nacht van 23 januari 2008 duikt een team van de FIOD-ECD naar de Grand Ocean en vindt aan dat schip bevestigd vier pakketten omwikkeld met zeil en touw. Uit onderzoek blijken de pakketten 151,07 kilogram cocaïne te bevatten.

3.2 Bewijsoverwegingen

De raadsman heeft, zakelijk weergegeven, als volgt betoogd.

Verdachte is slechts als chauffeur opgetreden en werd gebruikt door Alberto, die later anders, namelijk [persoon 1] bleek te heten. Hierdoor is sprake van medeplichtigheid en niet van medeplegen. Bovendien betreft artikel 2 Opiumwet een opzetdelict. Uit het dossier blijkt geen enkele aanwijzing dat cliënt wist dat hij gelegenheid en middelen bood om verdovende middelen binnen het grondgebied van Nederland te brengen. Daar opzet niet kan worden bewezen, kan ook geen sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking, zodat ook geen sprake is van medeplegen. Vrijspraak dient te volgen.

Cliënt heeft zich wel schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het invoeren van cocaïne, aangezien cliënt voor het vervoer heeft gezorgd, zijn legitimatiebewijs ter beschikking heeft gesteld om duikspullen te huren en feitelijk als chauffeur is opgetreden, waardoor hij gelegenheid in de zin van medeplichtigheid heeft verschaft, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en de hierna te noemen gedragingen van verdachte is sprake van een zodanige samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders dat bewezen kan worden verklaard het medeplegen.

De volgende gedragingen zijn in het bijzonder van belang. Verdachte is al omstreeks oktober 2007 gevraagd om duikspullen te huren en een bus op zijn naam te zetten. Voor deze kleine handelingen zou hij een relatief groot bedrag van € 6.000 krijgen. Begin januari 2008 komt het concrete verzoek om een bus en een auto op zijn naam te zetten ten behoeve waarvan verdachte € 1.000 krijgt van [persoon 1]. In het gezelschap van andere verdachten huurt verdachte vervolgens meerdere auto’s en duikspullen. Vanaf zondag 20 januari 2008 is verdachte drie keer op opeenvolgende dagen op de duikplek aanwezig, in gezelschap van twee duikers en nog een verdachte. Bovendien rijdt hij één keer met gedoofde lampen de duikplek op. Tenslotte is verdachte meerdere keren in het appartement op de [adres 2] te Amsterdam geweest, terwijl hij zich in het gezelschap van andere verdachten bevond.

Vorengenoemde gedragingen van verdachte vormen, anders dan de raadsman meent, een zodanig bewuste en nauwe samenwerking met zijn mededaders bij het invoeren van cocaïne in Nederland dat sprake is van medeplegen van het telastegelegde.

Ten aanzien van het opzetverweer merkt de rechtbank op dat verdachte, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden onder 3.1 en in het bijzonder de gedragingen zoals hiervoor onder 3.2 zijn vastgesteld, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij cocaïne binnen het grondgebied van Nederland bracht.

3.3. De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 28 december 2007 tot en met 22 januari 2008 te IJmuiden en Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 151,07 kilogram cocaïne.

(artikel 2 jo. 1 lid 4 Opiumwet)

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten

Het bewezen geachte feit is strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

5. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

6. Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaar waarvan 1 (een) jaar voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft ten aanzien van de strafmaat, het volgende aangevoerd.

Na het lezen van het dossier blijven veel vragen onbeantwoord. Het vermoeden rijst dat de officier van justitie informatie heeft onthouden, die de controlefunctie van de verdediging en de rechtbank hebben ondermijnd. Het wellicht opzettelijk niet aanhouden van de andere drie verdachten door de officier van justitie heeft tot gevolg dat ontlastend materiaal aan de verdediging is onthouden. Dit dient strafmatigend te werken. Ook de persoonlijke omstandigheden van cliënt dienen mee te worden genomen in de beoordeling door de rechtbank inzake de strafmaat.

Voorts heeft de raadsman gewezen op het vormverzuim van artikel 126g Wetboek van Strafvordering, nu de officier van justitie het mondelinge bevel tot stelselmatige observatie van 16 januari 2008 niet binnen drie dagen op schrift heeft gezet, maar dit pas op 24 januari 2008 heeft gedaan. De raadsman verzoekt de rechtbank op grond van dit vormverzuim de op te leggen straf te matigen.

Tot slot verzoekt de raadsman de rechtbank de lange duur waarin cliënt in beperkingen heeft gezeten, mee te wegen in de straf.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting en uit het reclasseringsrapport is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een zeer aanzienlijke – voor verdere verspreiding geschikte – hoeveelheid cocaïne Nederland ingevoerd. Cocaïne is een voor de gezondheid van personen gevaarlijke stof en daarom verboden bij de Opiumwet. De handel in en het gebruik van cocaïne brengen, zo leert de ervaring, criminaliteit en overlast mee.

De oriëntatiepunten straftoemeting en afspraken van het LOVS van 10 december 2004 onderscheiden bij artikel 2 onder A Opiumwet naar hoeveelheid verdovende middelen en de rol van verdachte. In de onderhavige casus is sprake van een zeer grote hoeveelheid cocaïne, te weten 151,07 kilogram, en vallen de gedragingen van verdachte naar het oordeel van de rechtbank onder de tweede categorie daders, te weten de standaardcategorie. Hierbij past volgens de oriëntatiepunten een straf van ten minste 60 maanden.

Niet is gebleken dat verdachte onderdeel was van een organisatie die zich reeds enige tijd bezighield met het binnenbrengen van verdovende middelen in het grondgebied van Nederland. Ook is niet gebleken dat de structuur van het samenwerkingsverband van de zes verdachten en hun werkwijze zodanig professioneel zijn dat die de hoogte van de straf zoals het LOVS die voorstelt, kunnen dragen.

De lange tijd waarin verdachte in beperkingen heeft gezeten, weegt de rechtbank eveneens mee. Overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat de beperkingen niet rechtmatig waren.

De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij niet eerder een aan de Opiumwet gerelateerd strafbaar feit in Nederland heeft gepleegd.

Met de raadsman oordeelt de rechtbank dat artikel 126g lid 6 Wetboek van Strafvordering is geschonden. Artikel 126g lid 6 Wetboek van Strafrecht stelt dat het op schrift stellen van een mondeling bevel tot stelselmatige observatie binnen drie dagen dient te geschieden. Uit het dossier blijkt dat het mondelinge bevel op 16 januari 2008 is afgegeven en pas op 24 januari 2008 op schrift is gesteld. Dit is langer dan drie dagen.

Een mondeling bevel mag op grond van artikel 126g lid 6 Sv worden gegeven wanneer daarvoor dringende noodzaak bestaat. Uit het proces-verbaal, inhoudende het verzoek om een bevel ex art. 126g Sv (stelselmatige observatie) van 22 januari 2008 ter vervanging van het mondelinge bevel dat reeds op 16 januari 2008 is afgegeven, blijkt het volgende. De officier van justitie heeft de stelselmatige observatie bevolen van N.N. teneinde de partij cocaïne te onderscheppen, vast te stellen wie de afhalers van de partij cocaïne zijn en de aanhouding van de afhalers te bewerkstelligen. Deze redenen geven blijk van een dringende noodzaak in de zin van artikel 126g lid 6 Sv, zodat de stelselmatige observatie rechtmatig (mondeling) is bevolen.

Dat het zesde lid van artikel 126g Wetboek van Strafvordering in de tweede zin bepaalt dat het mondelinge bevel op schrift dient te worden gesteld binnen drie dagen, doet niet af aan de rechtmatigheid van het mondeling afgegeven bevel. Het binnen drie dagen op schrift stellen van een mondeling gegeven bevel heeft als doel de controle van de door de officier van justitie gemaakte afweging en beslissing tot stelselmatige observatie, opdat de mate waarin de privacy in het geding is kan worden gecontroleerd. Door het bevel op schrift te stellen, heeft de officier van justitie blijk gegeven van zijn afwegingen en zijn beslissing, zodat aan de controlefunctie van artikel 126g lid 6, tweede zin Sv is voldaan. Dit doet niet af aan het feit dat het bevel enkele dagen te laat op schrift is gesteld en hiermee het artikel is geschonden. Gelet op het voorgaande en op het feit dat niet is gebleken dat verdachte door het vormverzuim redelijkerwijs in zijn verdediging is geschaad, zullen geen consequenties worden verbonden aan het vormverzuim.

Ten aanzien van de opsporing en vervolging van andere verdachten is niet aannemelijk geworden dat de officier van justitie handelingen heeft verricht in strijd met de wet. Bovendien is het vervolgingsrecht uitsluitend voorbehouden aan de officier van justitie. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank voorbijgaan aan het verzoek de straf te matigen.

De officier van justitie heeft zich bij het formuleren van zijn eis ook laten leiden door de rol die hij verdachte toekent ten aanzien van de telastegelegde feiten. De rechtbank volgt de officier van justitie daar niet in. De bewijsmiddelen zoals die zich in het dossier bevinden bieden steun aan de vaststelling van de feiten zoals beschreven onder 3.1. Zij bieden echter onvoldoende grond om tot een genuanceerde afweging te komen van de rol van verdachte en zijn medeverdachten ten aanzien van die feiten. De rechtbank maakt daarop slechts een uitzondering ten aanzien van medeverdachte [persoon 1], gelet op de inhoud van een aantal telefoongesprekken die hij voerde met betrekking tot de invoer van onderhavige partij cocaïne.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze wettelijke bepalingen zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3 is weergegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.H. van Zutphen, voorzitter,

mrs. A.J.R.M. Vermolen en E.M.L.J. Dosker, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. Leepel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juni 2008.