Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3975

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
379408
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ9801
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Vordering tot opheffing van een erfdienstbaarheid. De grondslag is dat die erfdienstbaarheid overbodig is geworden en tevens zou er op oneigenlijke/onrechtmatige wijze gebruik van worden gemaakt.

De vordering tot opheffing is in beginsel toewijsbaar - zij het slechts onder voorwaarden, een en ander op de voet van artikel 5:81 BW (vonnis I) Eisende partij krijgt de gelegenheid zich uit te laten over de voorwaarden waaronder opheffing zou kunnen plaatsvinden. Eiser wil/kan niet voldoen aan de voorwaarden, derhalve is de vordering afgewezen (vonnis II).

De wet biedt slechts in beperkte gevallen de mogelijkheid om een erfdienstbaarheid op te heffen. De klachten over het misbruik van het recht zijn - indien juist - wellicht onrechtmatig te noemen maar vormen geen goede grondslag om de erfdienstbaarheid op te heffen. Ter bestrijding van het onrechtmatige gebruik zou een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad met een daarop afgestemde vordering moeten zijn ingesteld. Dat is niet gebeurd (vonnis I).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

_____________________________________________________________________ __

RECHTBANK AMSTERDAM

Enkelvoudige civiele kamer

zaaknummer / rolnummer 379408 / HA ZA 07.2558

Vonnis van 27 augustus 2008

in de zaak van:

A,

wonende te,

e i s e r,

procureur mr. D.D. Senders,

tegen:

B,

wonende te,

g e d a a g d e,

procureur mr. B.J.H. Crans,

en:

de naamloze vennootschap ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

b e p e r k t g e r e c h t i g d e,

niet verschenen.

Partijen worden hierna A, B en ING genoemd.

De procedure

1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van deze rechtbank van 14 mei 2008, met de daarin genoemde stukken;

- de akte van A van 25 juni 2008;

- de antwoordakte van B van 23 juli 2008.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

De verdere standpunten van partijen.

2. Bij voornoemd vonnis van 14 mei 2008 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de vordering van A tot - kort gezegd - opheffing van de erfdienstbaarheid op de voet van artikel 5:81 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek zou kunnen worden toegewezen, indien A onvoorwaardelijk bereid zou zijn te voldoen aan de volgende voorwaarden:

a. A zou bereid moeten zijn de kosten voor een door of namens B aan te leggen deugdelijke dam van circa 4,5 meter breed, op de plaats waar ook de weggehaalde dam lag, voor zijn rekening te nemen; die dam dient geschikt te zijn voor gebruik met normale gangbare machines, zoals die ook nu worden gebruikt;

b. de kosten van de aanleg, inclusief de kosten van noodzakelijke vergunningen, zouden moeten worden getaxeerd door een onafhankelijk deskundige, waarvan de kosten ook voor A zouden komen;

c. A zou bereid moeten zijn om de door een deskundige te taxeren eventuele waardevermindering van het huisperceel van B - in verband met het eventueel vestigen van een erfdienstbaarheid ten laste van het huisperceel van B bij losse verkoop van het weiland - te vergoeden; bij de taxatie daarvan zou tevens rekening gehouden moeten worden met het eventuele voordeel dat B zou hebben als gevolg van de omstandigheid dat hij bij de aanleg van een dam - naar ter bezichtiging is gebleken - direct van zijn stal en werktuigopslagplaats het weiland kan bereiken;

d. de kosten van de deskundige onder c. zouden ook voor rekening van A komen.

3. A heeft bij akte te kennen gegeven de hiervoor genoemde voorwaarden niet onvoorwaardelijk te kunnen accepteren. A voert bezwaren van inhoudelijke aard aan tegen overwegingen uit het tussenvonnis. Verder baseert A zijn standpunt op de thans bestaande onduidelijkheid met betrekking tot het bedrag dat hij eventueel aan B zou moeten betalen. A wijst de voorwaarden dan ook af.

4. B concludeert tot afwijzing van de vordering(en) van A nu hij niet bereid is aan de gestelde voorwaarden te voldoen.

Beoordeling

5. De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op hetgeen is overwogen in het tussenvonnis. Zoals in dat tussenvonnis reeds is overwogen zouden de door A aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden die zien op gedragingen van B - indien juist - jegens hem onrechtmatig kunnen zijn. Die feiten en omstandigheden zijn, gelet op de beperkte wettelijke mogelijkheden tot opheffing of aanpassen van een erfdienstbaarheid, niet zonder meer doorslaggevend bij de beoordeling van de vorderingen. Indien het A is te doen om dat (gestelde) onrechtmatige gedrag, had hij een andere vordering moeten instellen. De huidige vorderingen - die besluiten met de vordering tot het nemen van een beslissing die de rechtbank geraden mocht voorkomen - zien alleen op het opheffen/aanpassen van de erfdienstbaarheid.

6. Nu A de hiervoor genoemde voorwaarden niet kan of wil accepteren dient zijn vordering zoals genoemd onder 3.1 van het tussenvonnis te worden afgewezen. Dit is in het tussenvonnis onder 21 ook al overwogen. In het tussenvonnis is ook overwogen dat de overige vorderingen van A dienen te worden afgewezen.

7. Als de in het ongelijk gestelde partij zal A worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu ING niet in de procedure is verschenen zullen er geen kosten jegens ING worden toegewezen. De proceskosten aan de zijde van B worden tot op heden begroot als volgt:

- salaris procureur (conclusie van antwoord,

comparitie en akte 2,5 punt tarief II à € 452,--) € 1.130,--

- vast recht € 251,--

totaal € 1.381,--

Nu dit is gevorderd zal deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt A in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van B begroot op € 1.381,--;

- verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.C.A. Wildenburg, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.