Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3967

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2008
Datum publicatie
01-10-2008
Zaaknummer
361664
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoekster verzoekt om een tweede voorlopig deskundigenbericht. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek afstuit op een zwaarwichtig belang. Verzoekster is het niet eens met de inhoud van het eerder uitgebrachte voorlopig deskundigenbericht. Dat is in het kader van de door verweerster opgeworpen bezwaren tegen toewijzing van het verzoek onvoldoende om een tweede verzoek tot verkrijging van een voorlopig deskundigenbericht toe te wijzen. De rechtbank ziet de bezwaren van verweerster mede in het licht van de omstandigheid dat het ongeval zich ruim negen jaar geleden heeft voorgedaan, er op verzoek van verzoekster een voorlopig deskundigenbericht is uitgebracht, dit is geschied door een neuroloog over wiens persoon partijen het voorafgaand aan de benoeming eens waren en er geen aanwijzingen zijn dat verzoekster haar procespositie niet met dit voorlopig deskundigenbericht niet kan bepalen. Van belang acht de rechtbank ook dat de benoeming van een bepaalde persoon geen onderwerp kan zijn van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht (vgl. HR 5 januari 2001, NJ 2001, 77). Onder voornoemde omstandigheden heeft verweerster er een zwaarwichtig belang bij om niet nogmaals een neurologisch onderzoek in het kader van weer een voorlopig deskundigenonderzoek te hoeven ondergaan. Het verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 361664 / HA RK 07-57

Beschikking van 11 september 2008

in de zaak van

de naamloze vennootschap

VERENIGDE ASSURANTIEBEDRIJVEN NEDERLAND N.V.,

handelend onder de naam Rialto Verzekeringen,

gevestigd te Rijswijk,

verzoekster,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

tegen

A,

wonende te,

verweerster,

advocaat mr. F.C. Staehle.

Partijen worden hierna Rialto en A genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van 28 juni 2007, en de daarin vermelde processtukken,

- de concept-rapportage van dr. B van 4 december 2007,

- de fax met bijlagen van 6 december 2007, van Rialto,

- het door dr. B uitgebrachte rapport van 14 januari 2008,

- de brief met bijlagen van 14 april 2008, van Rialto,

- de brief met bijlagen van 7 mei 2008, van dr. B,

- de brief van 29 mei 2008, van dr. B,

- de brief met bijlagen van 21 juli 2008, van Rialto,

- de brief met bijlagen van 16 juli 2008, van A,

- proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 augustus 2008.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. De standpunten van partijen en de beoordeling

2.1. Bij brief van 14 april 2008 heeft Rialto de rechtbank verzocht een nieuw deskundigenbericht te gelasten, primair in de onderhavige procedure, subsidiair in het kader van een nieuw te registreren verzoekschriftprocedure.

2.2. De rechtbank heeft het primaire verzoek in de onderhavige procedure in behandeling genomen.

3.1. Rialto legt aan het verzoek ten grondslag dat het door de deskundige uitgebrachte rapport geen basis kan zijn voor de beoordeling van deze zaak. De rechtbank begrijpt dat Rialto hiermee doelt op de zaak die Rialto zelf in behandeling heeft, nu het een voorlopig deskundigenbericht betreft en tussen partijen geen bodemgeschil aanhangig is.

Rialto stelt dat de deskundige in strijd met de opdracht van de rechtbank heeft verzuimd het volledige medisch dossier op te vragen, hiervan een afschrift te verstrekken aan de medisch adviseur van Rialto en de inhoud ervan te betrekken in zijn onderzoek. Volgens haar is de deskundige zich niet bewust van zijn verantwoordelijkheid, omdat hij aanvankelijk niet bereid was in te gaan op de opmerkingen en verzoeken van Rialto en na tussenkomst van de rechtbank op minimale wijze in zijn rapport is ingegaan op de opmerkingen en verzoeken van Rialto. Ook heeft de deskundige volgens Rialto met de door hem gevolgde werkwijze getoond geen onafhankelijk deskundige te zijn. Volgens Rialto negeert de deskundige de opdracht van de rechtbank, de vraagstelling daaronder begrepen. Ook weigert de deskundige volgens Rialto de binnen zijn beroepsgroep geldende richtlijnen voor expertises in zaken als de onderhavige te hanteren en geeft hij geen verklaring voor door Rialto geconstateerde en benoemde discrepanties tussen zijn bevindingen en bevindingen in de behandelende sector.

Rialto verzoekt de rechtbank thans als deskundige te benoemen de neuroloog prof.dr. C of dr. D.

3.2. In reactie op het verzoek van Rialto heeft de deskundige bij brief van 7 mei 2008 aan de rechtbank bericht dat hij zijn rapportage er nog eens op heeft nagelezen, van oordeel is dat de feiten en conclusies duidelijk zijn, en dat het duidelijk is dat Rialto het niet eens is met het deskundigenbericht. Verder schrijft de deskundige:

‘Ik stuurde u reeds een kopie van de brief gericht aan de voorzitter van de vereniging dd. 25 januari 2008. Van de voorzitter van de forensische commissie die de nieuwe richtlijnen opstelde heb ik een schrijven ontvangen waaruit duidelijk blijkt dat wetenschappelijke argumenten niet zullen leiden tot aanpassing van de richtlijnen. Ik ben vastbesloten het hier niet bij te laten. Een kopie van de brief van de voorzitter coll. D en mijn reactie hierop zowel naar coll D als naar de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie sluit ik hierbij in.’

Bij de brief van 7 mei 2008 bevindt zich als bijlage onder andere een brief van dr. D aan de deskundige, die, voor zover hier van belang, inhoudt:

‘Van collega (…) ontvingen wij uw brief betreffende de wijzigingen in de Richtlijn voor bepaling van functieverlies bij neurologische aandoeningen in casu het postcommotionele syndroom.

U vestigt de aandacht op de afwijkingen die worden gevonden bij de toepassing van een nieuwe MRI-techniek, diffusion tensor imaging, in gevallen van mild traumatic brain injury.

Uw brief is in de vergadering van de commissie forensische neurologie van 2 april j.l. besproken. In reactie het volgende.

De toepassing van genoemde techniek is nog met onzekerheid omgeven en voorlopig kan slechts een mogelijk verband worden vermoed met de directe posttraumatische klachten, zoals beschreven in een recent artikel in Neurology (2008: 70; 948-955). Daarnaast dient de nodige voorzichtigheid te worden betracht bij het leggen van een verband tussen subtiele MRI afwijkingen en klachten. Zo blijft het ons inziens de vraag of persisteren van klachten als vermoeidheid, hoofdpijn en oorsuizen kunnen worden gekoppeld aan een dergelijk bevinding.

Deze visie wordt ondersteund door een recente editorial in de New England Journal of Medicine ‘disentangling mild traumatic brain en stress reactions’(358: 525-527) waaruit ik de zin licht ‘incontrovertible evidence now shows that psychological factors play a significant role in postconcussive symptoms’.

Er is voor de commissie dan ook geen reden van het huidige standpunt af te wijken, al blijven wij de wetenschappelijke ontwikkelingen in dit opzicht vanzelfsprekend volgen. De huidige richtlijnen bevatten overigens ons inziens voldoende mogelijkheden voor de neurologische expert om bij objectiveerbare verschijnselen van een hersentrauma tot vaststelling van een percentage functieverlies te komen.’

De brieven van de deskundige in reactie hierop van 23 april 2008 aan dr. D en aan de voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie zijn eveneens door de deskundige overgelegd. Hierin zet hij (nogmaals) uiteen op welke gronden hij het niet eens is met de wijzigingen in de Richtlijnen voor bepaling van functieverlies bij neurologische aandoeningen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie.

3.3 Bij brief van 29 mei 2008 heeft de deskundige nader gereageerd op het verzoek van Rialto en vermeld dat hij daartoe het dossier nogmaals heeft geraadpleegd. Zijn reactie houdt in, voor zover hier van belang:

‘(…)

In de beschikking (…) heb ik op pagina 5 onderstreept dat de rechtbank bepaalt dat A de deskundige zal machtigen om haar medische informatie vanaf 1 juli 1990 tot heden, met name het huisartsdossier van dr. E uit Amsterdam, het huisartsendossier van dr. F uit Turijn (Italië) en het huisartsendossier van dr. G op te vragen, alsmede, indien nodig, om medische informatie bij dr. H, KNO-arts, op te vragen.

In mijn schriftelijke aantekeningen uit productie 1 vermeld ik dat er geen informatie was van de huisarts E. Na verdere bestudering van het dossier en nadat ik mevrouw A uitgebreid gesproken had, ook over haar voorgeschiedenis, zag ik geen enkele reden om gegevens op te vragen over de periode tot 1990. Een frozen shoulder in het verleden en een aanval door een psychotische vrouw in Italië, waar betrokkene geen blijvend letsel aan overhield blijkens het dossier waren mij bij het schrijven van mijn rapportage bekend.

Ik heb uit de beschikking van de rechtbank niet begrepen dat ik verplicht was, ‘in ieder geval’, de volledige huisartsdossiers vanaf 1 juli 1990 tot heden in mijn onderzoek te betrekken. Het ongeval dat mevrouw A is overkomen op 05.03.1990 en de klachten die zij daarna kreeg zijn voor mij die vele honderden patiënten met deze aandoening heeft gezien in de loop der jaren, zo evident dat ik geen twijfels had over de relatie tussen haar klachten en het ongeval. (…)’.

3.4 Beide partijen hebben vervolgens schriftelijk en ter zitting gereageerd.

Rialto heeft het verzoek en de gronden ervan gehandhaafd en gesteld dat de deskundige er in zijn rapport en verdere correspondentie blijk van geeft dat hij onprofessioneel en in strijd met de heersende opvattingen binnen zijn beroepsgroep handelt, niet onpartijdig en onafhankelijk is in zijn rol als deskundige en een vooringenomen oordeel heeft ten aanzien van whiplashzaken.

A heeft, met behulp van een notitie van de medisch adviseur van haar advocaat, gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek en de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen en de behandeling van de zaak te sluiten. Volgens haar is een nieuw of aanvullend voorlopig deskundigenbericht volstrekt onnodig en kan altijd nog een debat worden gevoerd in een eventuele bodemprocedure, waarin de rechtbank naar eigen oordeel kan beslissen welke betekenis toekomt aan het verrichte onderzoek.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 Veronderstellenderwijs aannemend dat een zelfstandig verzoek ontvankelijk is nadat het verzoek tot benoeming van een deskundige op hetzelfde deskundigheidsgebied in dezelfde procedure is toegewezen, geldt dat het verzoek toewijsbaar is wanneer het ertoe dient om een partij de mogelijkheid te verschaffen aan de hand van het uit te brengen deskundigenbericht zekerheid te verkrijgen omtrent voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden en aldus beter te kunnen beoordelen of het raadzaam is een procedure te beginnen en, als daartoe wordt overgegaan, beter te kunnen aangeven op grond waarvan een vordering wordt ingesteld of een verweer wordt gevoerd. Het verzoek kan desalniettemin worden afgewezen wanneer er sprake is van feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met een goede procesorde of als het afstuit op een ander, door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.

In de hypothese dat het hier een ontvankelijk en toewijsbaar verzoek betreft, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek afstuit op een zwaarwichtig bezwaar. Daartoe is het volgende redengevend.

4.3 In het oorspronkelijke verzoek van 25 januari 2007 tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, waarop is beschikt op 28 juni 2007, is voor zover hier van belang het volgende vermeld. Op 5 maart 1999 heeft een aanrijding plaatsgevonden, waarbij een taxi was betrokken die bij Rialto was verzekerd. A bevond zich ten tijde van de aanrijding als passagier in de taxi. Rialto erkent de aansprakelijkheid van haar verzekerde, is van oordeel dat er sprake was van eigen schuld aan de zijde van A wegens het niet dragen van een veiligheidsgordel en wenst een voorlopig deskundigenbericht ter beoordeling van de ongevalsgevolgen en de hieruit voortvloeiende beperkingen, zodat zij haar (proces)positie kan bepalen.

4.4. Er waren toen bijna acht jaren verstreken sedert het ongeval, waarin partijen de schade niet hebben geregeld. Het voorlopig deskundigenbericht heeft partijen er niet toe gebracht de afwikkeling van de schade thans voortvarend ter hand te nemen. In plaats daarvan zijn zij verzeild geraakt in een discussie over een discussie tussen neurologen over het postwhiplashsyndroom. Het onderhavige verzoek staat in de context hiervan. De argumenten die Rialto aanvoert om de rechtbank ervan te overtuigen dat wederom een neuroloog als deskundige moet worden benoemd, worden niet gedragen door de feiten of snijden geen hout. Allereerst heeft de rechtbank de deskundige niet opgedragen medische informatie op te vragen. In de beschikking van 28 juni 2007 is slechts vermeld dat partijen overeenstemming hadden bereikt over het verschaffen van medische informatie door A in die zin dat A de deskundige machtigt om haar medische gegevens vanaf 1 juli 1990 tot dan toe, met name de dossiers van drie huisartsen, op te vragen. De rechtbank heeft hieraan toen toegevoegd dat de deskundige, indien nodig, ook nadere informatie kan inwinnen bij een met name genoemde KNO-arts. Nu de rechtbank aan de deskundige niet heeft opgedragen medische informatie in te winnen, heeft hij niet in strijd met de opdracht van de rechtbank gehandeld door met betrekking tot de medische informatie te handelen zoals hij heeft gedaan, hiervoor weergegeven onder 3.3. Voorzover Rialto zich erop beroept dat de deskundige was gehouden tot het opvragen van (meer) medische informatie op grond van de overeenstemming van partijen over de kwestie van de medische informatie, miskent zij dat in de opdracht van de rechtbank aan de deskundige besloten lag dat het aan hem was om te beoordelen welke medische informatie hij wilde inwinnen en dat de deskundige, zoals hiervoor weergegeven onder 3.3, hiernaar heeft gehandeld.

Daarnaast is, ook indien juist is dat de deskundige een richtlijn van zijn beroepsvereniging niet heeft toegepast, dit onvoldoende om aan te nemen dat de deskundige niet onpartijdig en naar beste weten heeft gerapporteerd. Uit de rechtsplicht van een deskundige om onpartijdig en naar beste weten te rapporteren, vloeit immers niet zonder meer voort dat de deskundige steeds zou zijn gehouden met toepassing van een richtlijn van zijn beroepsgroep te rapporteren. Rialto heeft onvoldoende toegelicht waarom de deskundige dat hier wel had moeten doen. Van de deskundige mag worden verlangd dat, wanneer er in zijn beroepsgroep verschil van inzicht bestaat, hij daarvan melding maakt. Dat heeft de deskundige gedaan. Dat de deskundige een standpunt inneemt in de discussie in zijn beroepsgroep maakt hem, anders dan Rialto kennelijk meent, niet op voorhand partijdig. Rialto heeft voor het overige onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit objectief gezien bij haar de indruk heeft kunnen ontstaan dat de deskundige niet onpartijdig is.

Ten slotte is, ook indien juist is dat de deskundige aanvankelijk onvoldoende gelegenheid zou hebben gegeven tot het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken, een verzuim op dit punt in ieder geval hersteld doordat partijen en de deskundige na tussenkomst van de griffier ruimschoots hebben kunnen corresponderen over het concept-rapport en het rapport, zoals hiervoor vermeld onder 1.

4.5. Gelet op het voorgaande komen de argumenten van Rialto erop neer dat zij het niet eens is met de inhoud van het voorlopig deskundigenbericht. Dat is in het kader van de door A opgeworpen bezwaren tegen toewijzing van het verzoek onvoldoende om een tweede verzoek tot verkrijging van een voorlopig deskundigenbericht van een neuroloog toe te wijzen. De rechtbank beziet de bezwaren van A mede in het licht van de omstandigheid dat het ongeval zich ruim negen jaar geleden heeft voorgedaan, er op verzoek van Rialto een voorlopig deskundigenbericht is uitgebracht, dit is geschied door een neuroloog over wiens persoon partijen het voorafgaand aan de benoeming eens waren en er geen aanwijzingen zijn dat Rialto haar procespositie met dit voorlopig deskundigenbericht niet kan bepalen. Van belang acht de rechtbank ook dat de benoeming van een bepaalde persoon geen onderwerp kan zijn van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht (vgl. HR 5 januari 2001, NJ 2001, 77). In de afweging van het belang van Rialto bij toewijzing van het verzoek en de zwaarwichtige belangen van A bij afwijzing ervan, weegt dus niet mee dat Rialto thans benoeming van een andere neuroloog vraagt.

Onder voornoemde omstandigheden heeft A er een zwaarwichtig belang bij om niet nogmaals een neurologisch onderzoek in het kader van weer een voorlopig deskundigenonderzoek te hoeven ondergaan. Het zelfstandige verzoek is dus in geen geval toewijsbaar.

4.6 Gelet hierop behoeft de ontvankelijkheid van het verzoek geen verdere bespreking. Nu Rialto stelt dat het een zelfstandig verzoek betreft, is er geen aanleiding het verzoek nog als aanvullend verzoek te beoordelen.

4.7 Het verzoek zal op grond van het voorgaande worden afgewezen. De rechtbank ziet aanleiding Rialto ambtshalve te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van A, gemoeid met de behandeling van het onderhavige verzoek, ingediend met de brief van Rialto van 14 april 2008.

3. De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek af;

- veroordeelt Rialto in de kosten aan de zijde van A, tot aan deze uitspraak begroot op EUR 904,-.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2008.?