Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3726

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
30-09-2008
Zaaknummer
388703 - HA ZA 08-217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Arbiter heeft buiten zitting om contact met partijen en motiveert arbitraal vonnis slecht; toch geen vernietiging omdat contact plaatsvondt in kader poging tot minnelijke regeling en hiertegen bij de daarna gevolgde zitting geen bezwaar is gemaakt. dat het vonnis ongemotiveerd is kan niet worden gezegd. Wel vernietiging van het aanvullend vonnis, nu het verzoek tot het wijzen van een aanvullend vonnis niet is voorgelegd aan de wederpartij en partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld daarover te worden gehoord (art. 1061 Rv.)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2008, 450
TVA 2009, 37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 388703 / HA ZA 08-217

Vonnis van 27 augustus 2008 (bij vervroeging)

in de zaak van

A,

wonende te,

eiseres,

procureur mr. M.O. Klaassen,

tegen

de coöperatie

"FLATEXPLOITATIECOÖPERATIE TUSSENMEER/EVERTSWEERTSTRAAT U.A.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. S.C. Spaans.

Partijen zullen hierna A en de coöperatie genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 mei 2008

- het proces-verbaal van comparitie van 26 juni 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A was sinds 1995 rechthebbende van een lidmaatschapsrecht in de coöperatie, rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de bovenwoning aan de Evertsweertstraat 86 te Amsterdam.

Het enige andere lidmaatschapsrecht in de coöperatie, rechtgevende op de bedrijfsruimte aan de Tussenmeer 339 te Amsterdam, behoorde en behoort toe aan de heer B (hierna: B).

B was en is penningmeester van de coöperatie.

2.2. A heeft haar lidmaatschapsrecht op 16 juni 2006 verkocht. De levering zou aanvankelijk op 21 juli 2006 plaatshebben. Voor verkoop c.q. levering was toestemming van de ledenvergadering van de coöperatie benodigd.

2.3. De coöperatie heeft bij brief van 16 juli 2006 aanspraak gemaakt op een bedrag van € 5.380,94 wegens achterstallige betalingen, waarbij de penningmeester heeft gesteld zijn goedkeuring aan de verkoop c.q. levering te onthouden, zolang het gevorderde bedrag niet aan de vereniging zou zijn voldaan. Bij brief van 4 augustus 2006 heeft de coöperatie laten weten dat zij op dat moment aanspraak maakte op € 5.924,14.

2.4. A heeft het onder 2.2 als laatste genoemde bedrag onder protest betaald aan de coöperatie en de levering van het lidmaatschapsrecht heeft op 8 augustus 2006 plaatsgevonden.

2.5. A heeft de coöperatie bij brieven van 17 november en 7 december 2006

gesommeerd het bedrag van € 3.175,00 voor de bezoldiging van de penningmeester en de uittredingskosten terug te betalen wegens onverschuldigde betaling, omdat de onderliggende besluiten nietig zijn, aangezien ze in strijd met de statuten zijn genomen. Tevens heeft A de coöperatie gesommeerd, voor wat betreft de vermeende betalingsachterstand aangaande de service- en stookkosten, rekening en verantwoording af te leggen.

2.6. A heeft op 27 april 2007 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder de leden van de coöperatie op al hetgeen deze leden aan de coöperatie hebben te voldoen krachtens hun lidmaatschap of anderszins.

2.7. Bij verzoekschrift van 5 februari 2007 heeft A de Voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam verzocht arbiters te benoemen. Ter zitting van 13 maart 2007 hebben partijen ermee ingestemd dat één arbiter werd benoemd. Bij beschikking van 29 maart 2007 heeft de Voorzieningenrechter de heer C te -- tot arbiter benoemd.

2.8. Bij Memorie van Eis van 4 mei 2007 is door A de arbitrage aanhangig gemaakt. A heeft haar eis als volgt geformuleerd:

"A heeft bijaldien recht en belang om U te verzoeken de coöperatie te veroordelen om:

tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen een bedrag ad € 3.175,00 terzake van onverschuldigde betaling van de bezoldiging van de bestuurder en uittredingskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

rekening en verantwoording af te leggen omtrent het ontstaan en de omvang van het bedrag van € 2.749,14 dat door de coöperatie werd gevorderd ten aanzien van de service- en stookkosten, waaronder wordt verstaan het overleggen van de administratie met onderliggende stukken, waaronder in ieder geval worden begrepen de betreffende coöperatiebesluiten en facturen en een overzicht van inkomsten en uitgaven;

tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen het bedrag dat A onverschuldigd zal blijken te hebben betaald aan de coöperatie ten aanzien van de service- en stookkosten;

met veroordeling van de coöperatie in de kosten van deze arbitrage, daaronder begrepen de kosten van het benoemen van de arbiter en de kosten van het gelegde beslag, welke kosten zijn gespecificeerd in de hierbij gevoegde kostenstaat."

2.9. Op 16 juli is een zitting gehouden in het arbitrale geding. Het van deze zitting opgemaakte verslag luidt voor zover hier van belang als volgt:

“Beide partijen worden in de gelegenheid gesteld om hun toelichting te geven op de zaak

(…)

De arbiter stelt partijen in de gelegenheid om tot een schikking te komen en legt hen de voordelen daarvan uit. Partijen komen niet tot een schikking, waarop de arbiter aangeeft een arbitrale beslissing te moeten nemen. Alvorens daartoe overgegaan, wordt aan de partijen gevraagd om de volgende stukken over te leggen:

De coöperatie: - de nota's;

- het vonnis en het verstekvonnis inzake de gerechtelijke incasso's;

- overige stukken waaruit blijkt welke buitengerechtelijke

incassokosten (deurwaarderskosten) zijn betaald.

A - overzicht en betalingsbewijzen 2000 en 2001

De arbiter verzoekt partijen om deze stukken binnen twee weken te doen toekomen. Na die termijn van twee weken kunnen partijen op elkaars stukken nog reageren en laatste opmerkingen maken binnen een week. Daarna zal de arbiter binnen vier weken het arbitraal vonnis wijzen.

De arbiter verzoekt mr. Klaassen een samenvatting van de gemaakte afspraken te doen toekomen. De arbiter en de heer B kunnen daarop nog reageren, mochten er onjuistheden in voorkomen.”

2.10. Op 18 september 2007 heeft de arbiter een arbitraal vonnis gewezen. Dit is in kopie aan dit vonnis gehecht.

2.11. Op 20 september 2007 heeft A de arbiter verzocht om op de voet van art. 1061 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv.) een aanvullend vonnis te wijzen en daarin alsnog een beslissing te geven inzake de vordering tot het doen van rekening en verantwoording, de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente en de vordering tot het voldoen van de beslagkosten.

2.12. Op 24 september 2007 heeft de arbiter een aanvullend vonnis gewezen. Ook dit is in kopie aan dit vonnis gehecht.

2.13. Tegen deze arbitrale vonnissen staat geen hoger beroep open.

3. Het geschil

3.1. A vordert, in de bewoording van de dagvaarding,

“dat het Uw E.A. Rechtbank behaagt om bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de coöperatie te veroordelen om:

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen een bedrag ad € 3.175.00 terzake van onverschuldigde betaling van de bezoldiging van de bestuurder en uittredingskosten te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 augustus 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- rekening en verantwoording af te leggen omtrent het ontstaan en de omvang van het bedrag van € 2.749,14 dat door de coöperatie werd gevorderd ten aanzien van de service en stookkosten waaronder wordt verstaan het overleggen van de administratie met onderliggende stukken, waaronder in ieder geval worden begrepen de betreffende coöperatiebesluiten en facturen en een overzicht van inkomsten en uitgaven;

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen het bedrag dat A onverschuldigd zal blijken te hebben betaald aan de coöperatie ten aanzien van de service en stookkosten;

- tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan A te betalen een bedrag ad € 1.098 00, terzake van de kosten van arbitrage en het griffierecht terzake van het verzoekschrift tot benoeming van de arbiter,

- met veroordeling van de coöperatie in de kosten van deze procedure waaronder begrepen kosten van de gelegde beslagen, welke kosten zijn gespecificeerd in de hierbij gevoegde kostenstaat.”

Gezien het onder 32 in de dagvaarding genoemde verzoek om de arbitale vonnissen van 18 en 2 (de rechtbank begrijpt 24) september 2007 te vernietigen gaat de rechtbank ervan uit dat is verzuimd dit verzoek in het petitum te herhalen, zodat de rechtbank dit als gevorderd beschouwt zoals in het lichaam van de dagvaarding omschreven.

3.2. A stelt over de gang van zaken voorafgaand aan het arbitraal vonnis het volgende.

Door A is, bij gebreke van een procesregeling in de akte van oprichting van de coöperatie aan de arbiter voorgesteld dat de procesgang zou bestaan uit één schriftelijke ronde, gevolgd door een zitting, en daarna eventueel nog een schriftelijke ronde met de mogelijkheid om op elkaars standpunt te reageren, waarna arbitraal vonnis zou kunnen volgen; partijen zouden allereerst overeenstemming moeten bereiken over deze wijze van procederen, bij gebreke waarvan de arbiter de procesgang zou kunnen bepalen.

Vervolgens is door de arbiter op donderdag 10 mei 2007 telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van A. De arbiter deelde mee dat hij op woensdag 16 mei 2007 een soort bemiddelingsgesprek wilde voeren. De gemachtigde van A heeft daarop aangegeven dat hij de correspondentie bij voorkeur schriftelijk wilde laten verlopen ter voorkoming van misverstanden en ter bewaring van de onpartijdigheid van de arbiter. Zulks is per e-mail van 10 mei 2007 aan de arbiter bevestigd. Daarbij is ook aangegeven dat A wenste dat aan de coöperatie met nadruk een mogelijkheid tot het geven van een schriftelijke reactie werd gegeven en dat een zitting zinvoller zou zijn indien de bescheiden aan de hand waarvan de zaak kon worden beoordeeld voor handen zouden zijn en door partijen van te voren konden worden bestudeerd. Uit de correspondentie met de arbiter die daarna is gevoerd blijkt dat een schriftelijke reactie van de coöperatie steeds uitbleef. De arbiter heeft steeds alle handelingen in het dossier telefonisch en op enig moment ook per e-mail uitgevoerd, waarbij het overigens onduidelijk is gebleven of partijen steeds over en weer zijn geïnformeerd over het contact dat de arbiter had met de andere partij.

Voorafgaande aan de zitting, die uiteindelijk op 16 juli 2007 plaatsvond, is de arbiter

op bezoek geweest op het kantoor van de gemachtigde van A, alwaar de stukken

die wel door de coöperatie zijn ingediend zijn gekopieerd.

Op de zitting van 16 juli 2007 verzocht de arbiter de gemachtigde van A om een verslag van de zitting op te stellen.

Ter zitting is namens A verklaard dat de stukken van de coöperatie geen enkel beeld geven over de uitgaven van de VVE en de juistheid daarvan. Omdat een deel van de kosten opging aan deurwaarderskosten en gerechtelijke kosten nu de coöperatie haar rekeningen kennelijk onbetaald liet, wilde A daarover duidelijkheid. Ter zitting is afgesproken dat de coöperatie de nota's en de betreffende vonnissen zou overleggen. Daarnaast zou A betalingsbewijzen over 2000 en 2001 overleggen.

A heeft daarop bij e-mail van haar gemachtigde van 23 juli 2007 verklaard dat zij erkende dat zij betalingen had verricht conform overzicht van de coöperatie. Dat kwam er op neer dat zij in 2000 en 2001 in het geheel geen bijdrage had betaald. Daarmee had zij voldaan aan haar zijde van de op de zitting gemaakte afspraak. Daarnaast heeft zij er op gewezen dat zij in de periode voor 2000 juist teveel had betaald, zodat voor het afleggen van rekening en verantwoording de volledige boekhouding vanaf 1995 van belang was. Zij heeft haar betalingen, zoals verricht vanaf 1995 erkend volgens het overzicht van de coöperatie.

De coöperatie heeft vervolgens niet meer gereageerd, ondanks enkele aanmaningen van de arbiter. Op 18 september 2007 heeft de arbiter het onder 2.10 genoemde arbitraal vonnis gewezen.

3.3. De Coöperatie voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

het vonnis van 18 september 2007

4.1. A heeft zich er op beroepen dat een arbitraal vonnis kan worden vernietigd indien de motivering van het arbitraal vonnis ontbreekt of indien in de motivering van het vonnis een steekhoudende verklaring voor de desbetreffende beslissing niet te onderkennen valt.

A stelt dat de onderhavige arbitrale vonnissen volledig onleesbaar zijn. De motivering is een samenraapsel van losse zinnen en flarden tekst die door partijen zijn aangediend. Op twee stellingen van A is niet ingegaan en de berekening is voor A onbegrijpelijk.

De coöperatie acht de motivering niet onbegrijpelijk en betwist dat op deze grond vernietiging van het arbitraal vonnis zou moeten plaatsvinden.

4.2. De rechtbank is van oordeel dat de formulering en motivering van het arbitraal vonnis niet het niveau heeft dat van een arbitraal vonnis verwacht mag worden. Daarom zal worden bepaald dat afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de voorzieningenrechter te Amsterdam, die de arbiter heeft benoemd.

Het is echter niet zo dat een steekhoudende verklaring voor de genomen beslissing niet valt te onderkennen, immers de arbiter heeft zich blijkens het vonnis gebaseerd op de uitleg van de in dit geval toepasselijke statutaire regels en een beoordeling van de in de coöperatie genomen besluiten en hij heeft zijn berekening van het te betalen bedrag gebaseerd op een berekening van de kosten en hetgeen reeds betaald was. Daarbij geldt dat de arbiter naar het oordeel van de rechtbank gezien de aard en omvang van het geschil met een beperkte motivering kon volstaan. De gevorderde vernietiging kan dan ook niet op deze grond plaatsvinden.

4.3. A beroept zich er vervolgens op dat een arbitraal vonnis dient te worden vernietigd indien het vonnis of de wijze waarop dat tot stand komt, in strijd is met de openbare orde, waaronder mede wordt verstaan strijd met een goede procesorde. In dit geval heeft A zich beroepen op schending van het beginsel van hoor en wederhoor. Zij heeft daartoe gesteld dat zij niet weet wat de arbiter telefonisch besproken heeft met de voorzitter van de coöperatie en dat zij zich niet kunnen uitlaten over het niet overleggen van de stukken door de coöperatie. Had A geweten dat de arbiter zelfs bij het niet aanreiken van toegezegde stukken door de coöperatie een eindbeslissing zou nemen op de hem wel bekende stukken, dan had zij wellicht zelf nog kunnen proberen stukken te achterhalen, zo stelt zij.

4.4. Wat betreft het telefonisch contact dat er is geweest tussen de voorzitter van de coöperatie en de arbiter en ook tussen de arbiter en A merkt de rechtbank op dat dit in beginsel in een arbitraal beding niet thuishoort. Evenals in een gewone civiele procedure is uitgangspunt dat beide partijen gelijk geïnformeerd dienen te zijn en zich steeds dienen te kunnen uitlaten over hetgeen de andere partij jegens de arbiter naar voren brengt. Daarmee verdraagt zich niet dat de arbiter met partijen afzonderlijk contact opneemt.

Niettemin kan dit in het onderhavige geval niet tot vernietiging van het arbitraal vonnis leiden. Aan de behandeling van de zaak door de arbiter is vooraf gegaan dat de arbiter gepoogd heeft een minnelijke regeling te bereiken. Dit lag gezien de aard van het geschil en het daarmee gemoeide beperkte financiële belang ook voor de hand. In dat kader was het noodzakelijk dat de arbiter met partijen contact opnam om de beschikking te krijgen over de stukken die voor de poging om tot een schikking te komen van belang waren.

Vervolgens is arbitrage gevolgd. A wist op dat moment dat de arbiter zich tot haar gewend had in de aan de arbitrage voorafgaande poging om een schikking te bereiken en kon er vanuit gaan dat de arbiter met hetzelfde doel voorafgaand aan de arbitrage contact had gehad met de wederpartij. Indien zij zou menen dat de arbiter hierdoor niet meer onpartijdig kon oordelen, zou wraking van de arbiter op haar weg hebben gelegen, hetgeen zij heeft nagelaten. Ook had zij bij de mondelinge behandeling de arbiter kunnen vragen wat de inhoud van zijn contacten met de wederpartij was geweest. Ook dat heeft zij niet gedaan. Verder is niet gesteld of gebleken dat de arbiter bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan van informatie die hij van de ene partij (de coöperatie) heeft ontvangen en waarop de wederpartij (A) niet heeft kunnen reageren. Dit heeft tot gevolg dat niet kan worden gezegd dat de aan de arbitrage voorafgaande contacten met partijen in dit geval hebben geleid tot een schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4.5. Dat A zich niet heeft kunnen uitlaten over het niet overleggen van stukken door de coöperatie kan in dit geval niet worden gezien als een schending van de goede procesorde. Gezien de procedureafspraken die onder 2.9 zijn weergegeven kon A reageren op de ingediende stukken en had zij dus ook kenbaar kunnen maken welke gevolgen het ontbreken van die stukken volgens haar zou moeten hebben nadat de voor het indienen van stukken vastgestelde termijn was verstreken en geen stukken waren ingediend. Die kans heeft zij niet benut.

4.6. Een arbitraal vonnis kan worden vernietigd indien de arbiter zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Hiertoe heeft A gesteld dat de arbiter heeft nagelaten een beslissing te nemen over de vordering tot het doen van rekening en verantwoording, de vordering tot vergoeding van de wettelijke rente en de vordering tot het voldoen van de beslagkosten en dat hij desgevraagd weliswaar een aanvullend vonnis heeft gewezen, maar dat ook daarin niet is beslist op genoemde punten.

De coöperatie heeft gewezen op de in het aanvullend vonnis opgenomen zinsnede “wijst af het meer of anders gevorderde”.

4.7. De rechtbank is van oordeel dat nu in het onder 2.11 bedoelde aanvullend vonnis in de beslissing is opgenomen dat ‘het meer of anders gevorderde’ wordt afgewezen, over alle onderdelen van de oorspronkelijke vordering door de arbiter is beslist. Het vonnis en het aanvullend vonnis kunnen dan ook niet worden vernietigd op de grond dat de arbiter zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden.

het aanvullend vonnis van 24 september 2007

4.8. A wijst er voorts op dat het verzoek tot het wijzen van een aanvullend vonnis niet is voorgelegd aan de coöperatie en dat partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld daarover te worden gehoord (art. 1061 Rv.).

Deze gang van zaken is door de coöperatie niet betwist. Door partijen niet te horen zoals de wet voorschrijft, heeft de arbiter de beginselen van een goede procesorde geschonden, zodat het aanvullend vonnis niet in stand kan blijven.

4.9. De conclusie moet zijn dat er geen grond is voor vernietiging van het arbitraal vonnis van 18 september 2007, maar wel voor de vernietiging van het aanvullend vonnis van 24 september 2007. Dit heeft echter niet tot gevolg dat van het eerste vonnis dient te worden vernietigd op de grond dat de arbiter zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, nu in de plaats van het aanvullend arbitraal vonnis het vonnis van de rechter zal komen, waarin alsnog wordt beslist op de onderdelen waarop in het arbitraal vonnis van 18 september niet is beslist.

4.10. Nu het arbitraal vonnis van 24 september 2007 wordt vernietigd omdat het horen van partijen achterwege is gebleven, zal de rechtbank een comparitie van partijen bepalen teneinde te worden gehoord op het verzoek tot het wijzen van een aanvullend vonnis. Vervolgens zal de rechtbank beslissen op dit verzoek.

Tevens zal ter comparitie nogmaals de mogelijkheid van een schikking worden onderzocht. Met het oog daarop wordt partijen verzocht alle thans nog relevante stukken voor zover nog niet in het geding gebracht alsnog als productie in het geding te brengen (uiterlijk twee weken voor de comparitie), waarbij in ieder geval dient te worden gedacht aan de onder 2.9 genoemde stukken te weten:

De coöperatie: - de nota's;

- het vonnis en het verstekvonnis inzake de gerechtelijke incasso's;

- overige stukken waaruit blijkt welke buitengerechtelijke

incassokosten (deurwaarderskosten) zijn betaald.

De daar eveneens genoemde overzicht en betalingsbewijzen 2000 en 2001 zijn niet meer van belang, nu de door A verrichte betalingen tussen partijen vaststaan.

4.11. De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.12. Om redenen van proceseconomische aard zal de rechtbank tussentijds hoger beroep van dit vonnis toestaan.

4.13. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen tot vernietiging van het tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van 18 september 2007 af;

5.2. vernietigt het tussen partijen gewezen aanvullend arbitraal vonnis van 24 september 2007;

5.3. beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het onder 4.9 omschreven doel alsmede voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. R.H.C. Jongeneel in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220 op 2 oktober 2008 van 15.00 tot 16.30 uur,

5.4. bepaalt dat A dan in persoon aanwezig moet zijn en dat de coöperatie dan vertegenwoordigd moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,

5.5. bepaalt dat de partij die op genoemd tijdstip niet kan verschijnen, binnen twee weken na de datum van dit vonnis schriftelijk en gemotiveerd aan de rechtbank ter attentie van de roladministratie van de sector civiel - om een nadere dag- en uurbepaling dient te vragen onder opgave van de verhinderdata van alle partijen in de drie maanden volgend op genoemde datum,

5.6. bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld voordat het eindvonnis is gewezen,

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan,

5.8. bepaalt dat afschrift van dit vonnis wordt gezonden aan de voorzieningenrechter te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2008.?