Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3707

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-09-2008
Datum publicatie
30-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/2450 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De intrekking en terugvordering van bijstand op grond van de WWB over de (gehele) in geding zijnde periode kan rechtens in stand blijven. Belanghebbende heeft de inlichtingenverplichting (art. 65 Abw en art. 17 WWB) geschonden door geen melding te maken van onder meer detentie, geldtransacties en de verkoop van goederen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de gelden niet tot haar beschikking stonden. Aan belanghebbende is als gevolg ten onrechte bijstand verleend. De intrekking van bijstand over de gehele periode berust op goede gronden nu sprake is geweest van betrokkenheid van belanghebbende bij grote sommen geld die uit een oogpunt van behoorlijke toepassing van de WWB bezwaarlijk (slechts) aan bepaalde maanden kunnen worden toegerekend. Verwezen wordt naar CRvB, 4 december 2007, LJN: BB9388. Geen ongeoorloofd gebruik van informatie uit een strafrechtelijk onderzoek. Besluit berust op de ondeugdelijke grondslag (uitgezonderd de periode

van detentie) dat geen recht bestaat op bijstand. Het recht op bijstand over de in geding zijnde periode is niet vast te stellen. Vernietiging bestreden besluit met instandlating rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2450 WWB

van:

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. M.H. Aalmoes,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 15 juni 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 3 mei 2007 (hierna: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 14 augustus 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiseres ontving met uitzondering van de periode 26 februari 2002 tot en met 28 april 2002 en

2 maart 2006 tot en met 21 mei 2006, vanaf 11 februari 1997 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder vermeerderd met een toeslag van 20%, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

Op 21 februari 2006 is eiseres door de Koninklijke Marechaussee te Schiphol aangehouden op verdenking van drugsmokkel, mensensmokkel, diefstal en het witwassen van gelden. Tevens is daarbij bij eiseres € 10.995,- contant geld aangetroffen.

Naar aanleiding hiervan is een strafrechtelijk onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan eiseres verleend bijstand. Daartoe is eiseres verhoord en is bij haar een huisbezoek afgelegd. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in een uitkeringsfrauderapport van 25 september 2006.

Bij primair besluit van 4 oktober 2006 heeft verweerder de bijstand van eiseres over de periode van 16 september 2002 tot en met 30 september 2006 ingetrokken en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 27.188,91 (bruto) teruggevorderd.

Het bestreden besluit, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar, berust op de grondslag dat eiseres over verzwegen middelen heeft beschikt gedurende de bijstandsperiode, al dan niet verkregen uit criminele activiteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bedragen die zij in handen heeft gehad niet tot haar beschikking stonden. Verder heeft verweerder aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiseres zonder medeweten van verweerder in detentie heeft gezeten en vele malen in het buitenland is geweest. Eiseres mag slechts vier weken per kalenderjaar met behoud van uitkering in het buitenland verblijven. Eiseres heeft de op haar rustende inlichtingenplicht geschonden als gevolg waarvan eiseres teveel en/of ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Gelet hierop bestaat grond om het recht op bijstand in te trekken en de verleende bijstand terug te vorderen, aldus verweerder.

De intrekking

Het bestreden besluit is gebaseerd op de bevindingen uit het onderzoek van de sociale recherche. Deze bevindingen zijn neergelegd in een ambtsedig opgemaakt rapport van 25 september 2006.

Op 12 juli 2006 is eiseres verhoord. Tijdens dit verhoor heeft zij onder meer - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard:

- dat zij in 2002 drie maanden in detentie zat en op 14 februari 2003 weer vrij kwam;

- dat zij op 21 februari 2006 op Schiphol werd aangehouden vanwege een ‘look a like’ paspoort en het bezit van hasj;

- dat zij in periode vanaf 1996 tot 2006 een paar keer in Suriname is geweest (ongeveer elke keer twee weken) maar dit bewust niet heeft opgegeven aan de sociale dienst;

- dat zij, als zij het geld kon missen, af en toe geld naar Suriname overmaakte en dat nog steeds doet, meestal naar haar moeder;

- dat zij niet zo vaak, maar soms om de twee tot drie weken van haar moeder (eetbare) spullen kreeg opgestuurd die zij in Nederland aan kennissen verkocht;

- dat zij, als de spullen verkocht waren, met haar moeder belde waarna deze weer nieuwe opstuurde;

- dat de verkoopopbrengst telkens ongeveer € 200,- tot € 300,- was, welk bedrag zij aan haar moeder overmaakte;

- dat zij elke keer € 15,- contant betaald kreeg waarna zij het geld opspaarde en als de zending op was het geld via de ‘Cambio’s’ overmaakte aan haar moeder maar hiervan geen kwitanties meer heeft;

- dat zij hiervan geen boekhouding heeft bijgehouden;

- dat haar vriend, waarmee zij vier jaar een relatie heeft, aan haar vanuit Suriname geld via de ‘Cambio’s’ overmaakt, vorige week voor het laatst € 600,-;

- dat haar vriend aan haar vanaf ongeveer vorig jaar meer dan voorheen geld stuurt, tussen de € 1.000,- en € 1.200,- per keer, soms ook wat minder;

- dat zij van deze overmakingen geen kwitanties meer bezit;

- dat zij op 16 september 2002 in Amsterdam-Zuidoost een bedrag van € 2.176,- heeft overgemaakt naar [pers[persoon 2] (een goede vriend van eiseres) in Suriname;

- dat dit verband hield met de belening van sieraden voor [persoon 2] welke sieraden zij via een vriendin, [persoon 5], in haar bezit kreeg;

- dat zij niet meer weet waar het bedrag van € 2.176,- voor bestemd was;

- die het klopt dat zij op 16 januari 2004 in Amsterdam een bedrag van € 2.800,- heeft overgemaakt naar haar zus [persoon 3], die tijdelijk in Suriname verbleef;

- dat het hier om ‘kasgeld’ ging, totaal € 4.000,-, maar dat na betaling van enkele acceptgiro’s voor haar zus slechts € 2.800,- overbleef;

- dat het klopt dat zij op 1 juni 2004 in Amsterdam een bedrag van € 4.350,- heeft overgemaakt naar [persoon 4] in Suriname, een militaire politieman met wie zij een relatie had;

- dat dit geld toebehoorde aan de broer van [persoon 4] die geen legitimatie had en haar heeft gevraagd het geld over te maken;

- dat zij niet meer weet waar het bedrag van € 4.350,- voor bestemd was;

- dat zij hier niets aan heeft verdiend maar het gedaan heeft uit vriendendienst;

- dat zij geen overzicht heeft bijgehouden van de geldboekingen naar en vanuit het buitenland;

- dat zij behalve deze grote boekingen geen kleinere bedragen heeft ontvangen of overgemaakt;

- dat het geld dat zij naar Suriname heeft overgemaakt (totaal € 9.326,-) niet van haar was;

- dat zij het geld dat zij bij haar aanhouding op Schiphol bij zich droeg (€ 10.995,-) bestemd was voor een kennis van haar, [persoon 1], een zakenman in Suriname;

- dat zij er niets aan heeft verdiend om het geld voor [persoon 1] mee te nemen;

- dat zij de kleding die bij de aanhouding op 21 februari 2006 in haar bagage werd aangetroffen (met daaraan prijskaartjes) heeft gekocht van de achterstallige kinderkorting van € 4.300,- die zij van de belastingdienst in de zomer van 2005 heeft ontvangen;

- dat zij in 2004 één keer in Suriname is geweest;

- dat zij in 2005 drie keer naar Suriname is geweest;

- dat zij in 2005 ook in Ecuador is geweest;

- dat zij beseft dat zij haar verblijf in het buitenland aan verweerder had moeten opgeven.

Nadat aan eiseres haar verklaring was voorgelezen heeft zij deze ondertekend.

Vervolgens heeft op 17 augustus 2006 in de woning van eiseres een huisbezoek plaatsgevonden. Blijkens het daarvan ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van 17 augustus 2006 heeft eiseres het volgende verklaard (voor zover van belang en zakelijk weergegeven):

- dat het geld dat zij heeft overgemaakt niet van haar was en dat zij nog contact zal opnemen met de betreffende personen om dat aan te tonen;

- dat zij de afschriften van haar eigen bankrekening en die van haar kinderen zal opvragen en overleggen aan de sociale recherche;

- dat zij beseft dat zij tot eind augustus 2006 de tijd heeft om dit in orde te maken.

Op 5 september 2006 heeft eiseres telefonisch contact opgenomen met de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam. Blijkens het daarvan onder ambtseed opgemaakte proces-verbaal van 5 september 2006 heeft eiseres - zakelijk weergegeven - het volgende verklaard;

- dat haar (ex-)vriend [persoon 2] voor wie zij op 16 september 2002 voor € 2.176,-

sieraden heeft beleend geen bewijs kan overleggen dat zij voor hem de sieraden had beleend;

- dat haar zus [persoon 3] aan wie zij € 2.800,- heeft overgemaakt niet kan aantonen dat het geld van haar is geweest en dat het bedrag van € 4.000,- dat zij ontvangen had voor haar zus een soort “kasgeld” is, maar dat daar geen administratie van is bijgehouden;

- dat zij niet kan beschikken over de afschriften van haar bankrekening en die van haar kinderen omdat de bank deze niet meer verstrekt;

- dat zij van haar advocaat nog steeds niet de stukken heeft ontvangen om te kunnen aantonen dat het geld dat zij op Schiphol bij zich had toebehoort aan een kennis.

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

Vast staat dat eiseres van 22 oktober 2002 tot en met 13 maart 2003 gedetineerd is geweest. Als gevolg had eiseres ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (zoals luidend ten tijde van belang, hierna: Abw), over die periode geen recht op bijstand. Eiseres heeft verweerder niet van de detentie op de hoogte gesteld. Hierdoor heeft zij de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Aangezien de schending van die inlichtingenverplichting ertoe heeft geleid dat over genoemde periode ten onrechte bijstand is verleend, is verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd tot intrekking van de bijstand. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken. Als gevolg is verweerder ook bevoegd de over bedoelde periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB terug te vorderen. Ook in dit verband bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik zou kunnen maken.

Met betrekking tot het verblijf van eiseres in het buitenland is van belang dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bepaalt dat degene die per kalenderjaar langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland dan wel een aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houdt buiten Nederland, geen recht heeft op bijstand.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres zonder medeweten van verweerder in het buitenland heeft verbleven. Evenmin is in geschil dat eiseres in 2004 een keer (15 dagen) en in 2005 vier keer (in totaal 135 dagen) in Suriname is geweest alsmede in 2005 een keer in Ecuador (10 dagen).

Tijdens haar verhoor heeft eiseres verklaard dat zij er van op de hoogte was dat zij haar verblijf in het buitenland aan verweerder moest melden, maar dat zij dat bewust niet heeft gedaan.

De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep heeft erkend dat verweerder bevoegd is de bijstand over de periode van haar verblijf in het buitenland in 2004 en 2005 voor zover deze in totaal de in artikel 13 eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB genoemde periode van vier weken overschrijdt, terug te vorderen (de rechtbank kan het beroepschrift niet anders begrijpen dan dat tevens is bedoeld: in te trekken). Gelet hierop valt de intrekking en terugvordering van de bijstand in zoverre buiten de omvang het geding zodat de rechtbank deze verder niet in haar beoordeling zal betrekken.

Wat betreft de periode van verblijf in het buitenland in 2004 en 2005 voor zover die minder heeft bedragen dan vier weken - gedurende die periode heeft eiseres in beginsel recht op bijstand -

kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid toch tot intrekking van de bijstand overgaan. Uit hetgeen hierna zal worden overwogen volgt dat eiseres naar het oordeel van de rechtbank de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand ook over die periode(n) niet is vast te stellen. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat eiseres geen recht heeft op bijstand. Het besluit berust daarom, behoudens voor zover betrekking hebbend op de detentieperiode, op een ondeugdelijke grondslag zodat het in zoverre op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Er bestaat evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, tweede lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt als volgt.

Vast staat dat eiseres op 16 september 2002, 16 januari 2004 en 1 juni 2004 geldbedragen naar Suriname heeft overgemaakt. Ook staat vast dat de vriend van eiseres meerdere malen vanuit Suriname aan haar geldbedragen heeft overgemaakt. Evenmin is in geschil dat eiseres meerdere keren door haar moeder opgestuurde (eetbare) spullen heeft verkocht met een opbrengst tussen de € 200,- tot € 300,- en zij bij haar aanhouding op Schiphol € 10.995,- bij zich droeg. Eiseres heeft toegegeven van al deze feiten geen mededeling te hebben gedaan aan verweerder.

Daarmee heeft eiseres de in artikel 65, eerste lid, van de Abw (tot 1 januari 2005) en artikel

17, eerste lid, van de WWB (vanaf 1 januari 2005) neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Eiseres had redelijkerwijs moeten begrijpen dat genoemde geldtransacties en inkomsten van belang waren voor de beoordeling van het recht op bijstand.

Volgens vaste rechtspraak levert een dergelijke schending een rechtsgrond op voor de intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken en zo nodig te bewijzen dat, in het geval wél aan de inlichtingenverplichting was voldaan, recht bestond op (aanvullende) bijstand. Eiseres is daarin niet geslaagd.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Uit het bepaalde in artikel 11, eerste lid, van de WWB volgt, voor zover hier van belang, dat alleen de persoon die in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand.

Eiseres heeft gesteld dat de bedragen die zij naar Suriname heeft overgemaakt, het bedrag dat bij haar op Schiphol is aangetroffen en de bedragen die zij verkreeg uit de verkoop van (eetbare) spullen van haar moeder haar niet toebehoorden. Deze enkele stelling is echter bepaald onvoldoende. Over de herkomst en de bestemming van de naar en vanuit Suriname getransigeerde gelden en van het geld dat zij op Schiphol bij zich had, is niets op verifieerbare wijze bekend geworden. Eiseres heeft zelf erkend niet over kwitanties te beschikken van de overmakingen naar Suriname ([persoon 2], [persoon 3], [persoon 4] en haar moeder) en die vanuit Suriname (haar vriend).

Aan de, ongedateerde, verklaring van de zus van eiseres omtrent de herkomst van het bedrag van

€ 2.800,- hecht de rechtbank niet die waarde die eiseres daaraan toegekend wenst te zien. Uit deze verklaring valt geenszins aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens de herkomst van het geld te traceren. Bovendien heeft eiseres op 5 september 2006 te kennen gegeven dat haar zus niet kan aantonen dat het geld van haar (zus) was.

Aldus heeft zij het risico genomen dat de herkomst en omvang van de middelen waarover zij heeft beschikt niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld. De gevolgen daarvan dienen voor haar rekening te blijven.

Tegen de achtergrond van het bovenstaande treft de grief van eiseres dat er geen grond is voor een intrekking van de bijstand over de gehele in het bestreden besluit genoemde periode geen doel. Uit een oogpunt van behoorlijke toepassing van de WWB kunnen de grote geldbedragen waarover eiseres heeft beschikt bezwaarlijk (slechts) aan bepaalde maanden worden toegerekend. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van

4 december 2007, op www.rechtspraak.nl vermeld onder LJN: BB9388.

Daarbij komt dat wat betreft de overmakingen vanuit Suriname door de vriend van eiseres, de verklaring van eiseres zelf steun biedt voor de stelling dat deze niet beperkt zijn gebleven tot 2005 en 2006. Tijdens haar verhoor heeft zij immers op de vraag of zij ook zelf geldtransacties heeft ontvangen, verklaard: “Ja vaak, mijn vriend is in Suriname en hij maakt vaak geld over naar mij. Mijn vriend woont in Suriname. Ik ga nu al 4 jaartjes met hem.”, alsmede: “Vanaf ongeveer vorig jaar stuurt hij geld voor mij meer dan voorheen”. Wat betreft de verkoop van de (eetbare) spullen van haar moeder, kan uit de verklaring van eiseres met zekerheid voorts worden afgeleid dat deze activiteiten gedurende enige tijd hebben plaatsgevonden.

Het voorgaande brengt mee dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, eiseres tijdens de gehele in geding zijnde periode verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden. Hierdoor is aan eiseres over deze periode ten onrechte bijstand verleend. Als gevolg is verweerder op grond van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd de bijstand over de gehele in geding zijnde periode in te trekken. De intrekking is in overeenstemming met verweerders, door de rechtbank niet onredelijk geachte, beleid. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd levert geen grond op voor het oordeel dat verweerder geheel of gedeeltelijk van de intrekking moet afzien.

In de omstandigheid dat verweerder in 2004 een besluit tot beëindiging van de bijstand heeft herroepen ziet de rechtbank, anders dan eiseres, geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alsnog de bijstand over jaar 2004 (en voorgaande jaren) kan intrekken. Immers, er zijn uit het onderzoek nieuwe door eiseres ten onrechte verzwegen feiten en omstandigheden aan het licht gekomen die verweerder niet bekend waren ten tijde van de beslissing in 2004. Deze feiten en omstandigheden zijn van invloed op (de omvang van) haar recht op bijstand.

De rechtbank verwerpt voorts het betoog van eiseres dat verweerder geen gebruik mag maken van in het kader van het strafrechtelijk onderzoek verkregen informatie. Het gebruik van bewijsmiddelen is volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) van 29 januari 2001, op www.rechtspraak.nl vermeld onder LJN: AE3170) slechts dan niet toegestaan, indien deze zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Daarvan is niet gebleken.

Evenmin kan slagen het betoog dat verweerder de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek niet aan zijn besluit ten grondslag mag leggen nu eiseres door de strafrechter op 3 oktober 2006 is vrijgesproken. Immers, naar vaste rechtspraak geldt dat de bestuursrechter in het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet is gebonden aan wat in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

De terugvordering

Met het voorgaande is tevens gegeven dat verweerder bevoegd was om de over bedoelde periode gemaakte kosten van bijstand met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB van eiseres terug te vorderen. Verweerder voert het beleid dat in gevallen als deze, waarin als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting ten onrechte bijstand is verleend, steeds tot terugvordering wordt overgegaan, behoudens dringende redenen om daarvan geheel of gedeeltelijk af te zien. Verweerder heeft in overeenstemming met dit, door de rechtbank niet onredelijk geachte, beleid gehandeld. In hetgeen is aangevoerd ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat verweerder geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) twee punten worden toegekend. Dat brengt de te vergoeden proceskosten op een bedrag van € 644,--.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover deze berust op de grondslag dat eiseres over de in geding zijnde periode (de detentieperiode uitgezonderd) geen recht heeft op bijstand;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit in zoverre in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het door eiseres betaalde griffierecht van € 39,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 15 september 2008 door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E. Degen, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: C