Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF3232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-08-2008
Datum publicatie
30-09-2008
Zaaknummer
291784 / HA ZA 04-1976
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het beleggingsfonds NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. heeft in 2003 circa 85 miljoen euro bij beleggers opgehaald om te investeren in vorderingen uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen. Het beleggingsfonds stelt dat haar belegde vermogen geheel dan wel grotendeels verloren is gegaan doordat een grote groep (rechts)personen, waaronder bollenboeren en -handelaren, alsmede de bestuurders van de -failliet verklaarde- commissionair Sierteelt Bemiddelings Centrum (SBC), heeft samengespannen teneinde zichzelf ten koste van het beleggingsfonds te verrijken. De rechtbank wijst de tegen deze groep ingestelde vordering uit hoofde van groepsaansprakelijkheid af, omdat het aan deze vordering ten grondslag gelegde handelen, te weten het kunstmatig opdrijven van de prijs van tulpenbollen van nieuwe rassen en het sluiten van gefingeerde koopovereenkomsten, niet is komen vast te staan. Voor zover de bestuurders van SBC zijn aangesproken op de grond dat zij als bestuurders van SBC hebben bewerkstelligd dan wel toegelaten dat SBC de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen, wijst de rechtbank de vordering tegen hen eveneens af, omdat de wederpartij van SBC, een aan het beleggingsfonds gelieerde besloten vennootschap, geen schade heeft geleden, terwijl onvoldoende is gesteld om de bestuurders van SBC aansprakelijk te houden voor schade van het beleggingsfonds zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 291784 / HA ZA 04-1976

Vonnis van 13 augustus 2008

in de zaak van

aanvankelijk

1. de commanditaire vennootschap

NOVACAP FLORALIS TERMIJNFONDS 2004 C.V.,

gevestigd te Lisse,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOVACAP FLORALIS TERMIJNFONDS BEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOVACAP AGRICOLA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

4. de stichting

STICHTING BEWAARDER NOVACAP FLORALIS TERMIJNFONDS,

gevestigd te Rotterdam,

aanvankelijke eiseressen in conventie, aanvankelijke verweersters in een aantal reconventies,

thans

MR. FREDERIK HENDRIK TIETHOFF in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van de aanvankelijke eiseressen,

wonende te Rijswijk,

eiser in conventie, verweerder in reconventie

procureur: mr. M. Das,

tegen

1. [persoon 1],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. J.B. Londonck Sluyk,

2. [persoon 2],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOMORROW'S TULIPS B.V.,

gevestigd te Aalsmeer,

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IMPORT BLUMEX EXPORT B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLUMEX TULIP SELECT B.V.,

gevestigd te Limmen

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND BOLROY MARKT B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. A. van Hees,

(procedure afgesplitst en voortgezet onder rolnummer 06-2925)

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND IRIS SELECT B.V.,

gevestigd te Heiloo,

procureur: mr. A. van Hees,

(procedure afgesplitst en voortgezet onder rolnummer 06-2925)

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TRIFLOR B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FUTURE TULIP B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

10.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 1].,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. B.W. Brouwer,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXPLOITATIEMAATSCHAPPIJ VERTUCO B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

12. [persoon 12],

handelend onder de naam Interbulb B.V. i.o.,

wonende te [woonplaats],

procureur mr. M. van Weeren,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RUWA BULBS B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROTULP B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 2],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

16. [persoon 16],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 3],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

18. [persoon 18],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NOORDERBOLLEN B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

20.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DESNYEY B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

21.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NORTH WEST INVEST B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

(procedure geschorst in verband met faillissement van gedaagde)

22.de rechtspersoon naar vreemd recht

MMI MARKETING MANAGEMENT INTERNATIONAL LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink,

23.de rechtspersoon naar vreemd recht

CENTRE FOR INDUSTRIAL AND ECONOMICAL RESEARCH L.L.P.,

geregistreerd te Birmingham, Engeland,

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink,

24.de rechtspersoon naar vreemd recht

LENORE COMMERCIAL LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur: mr. C. Hellingman,

25.[persoon 25],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

procureur: voorheen mr. C. Hellingman, thans mr. F.G. van Hees,

26.de rechtspersoon naar vreemd recht

KNIGHTHOOD SERVICES LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink,

27.de rechtspersoon naar vreemd recht

RAFUNDS S.A.,

kantoorhoudende te Lugano, Zwitserland,

niet bij procureur verschenen,

28.de rechtspersoon naar vreemd recht

GILBERTUS LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur heeft zich onttrokken,

29.de rechtspersoon naar vreemd recht

HIGH TIDE LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur heeft zich onttrokken,

30.de rechtspersoon naar vreemd recht

JUST THEN LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur: voorheen mr. C. Hellingman, thans mr. D. Roesink,

31.de rechtspersoon naar vreemd recht

BAGGINS LIMITED,

gevestigd te Londen, Engeland,

procureur heeft zich onttrokken,

32.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BULB INVEST B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

niet bij procureur verschenen,

33.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 4],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr D. Roesink,

34.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BLUMEX HOLDING B.V.,

gevestigd te Limmen,

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

35.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 5],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

36.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 6],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

37.[persoon 37],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

38.[persoon 38],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

39.[persoon 39],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. R.J.Q. Klomp, thans mr. K.A. Messelink,

40.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND BLUMEN MARKT HOLLAND BEHEER B.V.,

gevestigd te Heiloo,

procureur: mr. A. van Hees,

(procedure afgesplitst en voortgezet onder rolnummer 06-2925)

41.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HOLLAND BLUMEN MARKT H.B.M. HOLDING B.V.,

gevestigd te Heiloo,

procureur: mr. A. van Hees,

(procedure afgesplitst en voortgezet onder rolnummer 06-2925)

42.[persoon 42],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. A. van Hees,

(procedure afgesplitst en voortgezet onder rolnummer 06-2925)

43.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 37],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

44.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 8],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

45.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 9],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

46.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 11],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

47.[persoon 47],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

48.[persoon 48],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

49.[persoon 49],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

50.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 12],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

51.[persoon 51],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

52.[persoon 52],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. N.E. Bobbert,

53.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 13],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. B.W. Brouwer,

54.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 14],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: mr. B.W. Brouwer,

55.[persoon 55],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. B.W. Brouwer,

56.[persoon 56],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. B.W. Brouwer,

57.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 15],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

58.[persoon 58],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

59.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WORLDFLOWER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

60.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 16],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

61.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 17],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

62.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 18],

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

63.[persoon 63],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

64.[persoon 64],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

65.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

K&M HOLDING B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

66.[persoon 66],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

67.[persoon 67],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. A. Volders, thans mr. F.B. Falkena,

68.[persoon 68],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

69.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TROJAN HOLDING B.V.,

gevestigd te Rozendaal,

procureur: mr. M.A.L.M. Willems,

70.[persoon 70],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink,

71.[persoon 71],

wonende te [woonplaats], Zwitserland,

procureur: voorheen mr. C. Hellingman, thans mr. F.G. van Hees,

72.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 19],

gevestigd te [woonplaats],

niet bij procureur verschenen,

73.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[besloten vennootschap 20],

gevestigd te [woonplaats],

niet bij procureur verschenen,

74.[persoon 74],

wonende te [woonplaats],

procureur: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

75.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HUMAN COMPATIBLES B.V.,

gevestigd te Scherpenzeel,

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink,

76.[persoon 76],

wonende te [woonplaats],

procureur: voorheen mr. S.A. van der Sluijs, thans mr. D. Roesink.

Gedaagden in conventie sub 3, 4, 5, 8, 9, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 26, 30, 34, 35, 36, 37, 38, 39, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 50, 51, 52, 55, 65, 66, 67, 68 en 69 zijn tevens eisers in reconventie.

Eiser in conventie, verweerder in reconventie zal hierna worden aangeduid als de curator.

De aanvankelijke eiseressen in conventie, verweersters in reconventie zullen gezamenlijk worden aangeduid met NovaCap c.s.. Gedaagden in conventie zullen gezamenlijk worden aangeduid als gedaagden, met dien verstande dat gedaagden sub 6, 7, 40, 41 en 42 (hierna gezamenlijk: HBM c.s.) niet hieronder zullen worden begrepen, nu NovaCap c.s. de zaken tegen hen heeft afgesplitst van de onderhavige zaken (zie rechtsoverweging 1.7).

Indien afzonderlijke aanduiding van één der partijen noodzakelijk is, zal hierna worden aangegeven hoe een partij in dat geval voortaan zal worden aangeduid. In reconventie zal de dezelfde aanduiding van partijen worden aangehouden.

1. De procedure

in conventie en in reconventie

1.1. Vanwege het uitzonderlijke karakter van deze zaak kiest de rechtbank ervoor het gehele procesverloop in de hoofdzaak, deels dus opnieuw, weer te geven. Het procesverloop zal niet chronologisch, maar per gedaagde of per groep van gedaagden worden weergegeven.

1.2. Nadat na de faillietverklaring van NovaCap c.s. in december 2006 alle procedures waren geschorst, zowel in conventie als in reconventie, heeft de curator op de rol van 30 mei 2007 de procedures in conventie op de voet van artikel 27 Faillissementswet (Fw) overgenomen. De procedures in reconventie zijn slechts door de curator overgenomen, indien en voor zover artikel 28 Fw daarop van toepassing is. Voor het overige zijn de procedures in reconventie geschorst gebleven. Door de rechtbank is bij brief van 23 juli 2007, om administratieve redenen, aangegeven ten aanzien van welke vorderingen artikel 28 Fw naar haar voorlopig oordeel moet worden toegepast. Hierop heeft de rechtbank enkele reacties ontvangen. Deze brieven zullen hieronder in het overzicht van stukken, waarvan kennis is genomen, worden vermeld.

1.3. De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- de dagvaarding, aan de onderscheiden gedaagden betekend bij exploten van 4 mei 2004,

19 mei 2004, 24 mei 2004, 28 mei 2004, 13 oktober 2004 en 6 december 2004;

- de akte houdende producties aan de zijde van NovaCap c.s., met producties;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 25 januari 2006;

- de conclusie van antwoord van gedaagde sub 1 [persoon 1] (hierna: [persoon 1]), met producties;

- de conclusie van repliek van NovaCap c.s. op de antwoorden van [persoon 1] en van gedaagde sub 2 [p[persoon 2] (hierna: [persoon 2]), met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek (genoemd de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie van [persoon 1]), met producties;

- de brief van mr. S.P. Koerselman van 24 april 2008;

- de brief van mr. Koerselman van 16 juli 2008;

- de conclusie van antwoord van gedaagde sub 2 [persoon 2], met producties;

- de conclusie van repliek van NovaCap c.s. op de antwoorden van [persoon 1] en van [persoon 2], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van [persoon 2], met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, tevens incidentele conclusie houdende provisionele vordering tot zekerheidstelling van gedaagden sub 3, 4, 5, 34, 35, 36, 37, 38 en 39 (hierna gezamenlijk: Blumex c.s.), met producties;

- het vonnis in het incident in de procedure tegen Blumex c.s. van 31 mei 2006;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van Blumex c.s., met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie, van Blumex c.s., met producties;

- de akte overlegging nadere producties van Blumex c.s. van 11 juli 2007;

- de brief van mr. G.A. van Meeteren van 31 juli 2007, waarin onder meer wordt bericht dat de ten laste van Blumex c.s. gelegde conservatoire beslagen zijn opgeheven, zodat de reconventionele vordering als geformuleerd onder 1 niet langer meer van toepassing is.

- de brief van mr. Van Meeteren van 14 april 2008;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van gedaagden sub 8, 16, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49 (hierna gezamenlijk: Triflor c.s.), met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van Triflor c.s. en van gedaagde sub 9 Future Tulip B.V. (hierna: Future Tulip), met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie, van Triflor c.s., met producties;

- de brief van mr. N.E. Bobbert van 26 juli 2007, waarin wordt bericht dat de ten laste van Triflor c.s. gelegde conservatoire beslagen zijn opgeheven, zodat de reconventionele vordering ter zake geen behandeling meer behoeft;

- de akte houdende vermindering van eis in reconventie van Triflor c.s. van 4 juni 2008;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van gedaagde sub 9 Future Tulip, met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van Future Tulip en Triflor c.s., met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie van Future Tulip, met producties;

- de akte houdende vermindering van eis in reconventie van Future Tulip van 4 juni 2008;

- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie van gedaagden sub 10, 53, 54, 55, en 56 (hierna gezamenlijk: [persoon 10, 53, 54, 55, 56]), met producties;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van [persoon 10, 53, 54, 55, 56], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie, tevens houdende provisionele vordering tot opheffing van beslag, van [persoon 10, 53, 54, 55, 56], met producties;

- de conclusie van antwoord van gedaagden sub 11, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64 (hierna gezamenlijk: Vertuco c.s.);

- het proces-verbaal van comparitie van partijen in de procedure tegen Vertuco c.s. van 16 augustus 2006;

- de conclusie van repliek van NovaCap c.s. op het antwoord van Vertuco c.s., met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van Vertuco c.s., met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens incidentele conclusie tot onbevoegdheid van gedaagde sub 12 [per[persoon 12] (hierna: [persoon 12]), met producties;

- het vonnis in het incident in de procedure tegen [persoon 12] van 10 augustus 2005;

- de repliek van NovaCap c.s. op het antwoord van [persoon 12], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van [persoon 12], met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie en incidentele conclusie houdende provisionele vordering tot zekerheidstelling van gedaagden sub 13, 14, 65, 66 en 67 (hierna gezamenlijk: Ruwa Bulbs c.s.), met één productie;

- het vonnis in het incident in de procedure tegen Ruwa Bulbs c.s. van 31 mei 2006;

- de repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van Ruwa Bulbs c.s., met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek in conventie van Ruwa Bulbs c.s. (ten aanzien van eiseres sub 4), met producties van 6 december 2006;

- de conclusie van dupliek in conventie van Ruwa Bulbs c.s. (ten aanzien van eiseressen sub 1 tot en met 3), met producties van 11 juli 2007;

- de brief van mr. D.J.A. van den Berg van 13 augustus 2007, waarin wordt verzocht artikel 28 Fw ook van toepassing te verklaren wat betreft de door Ruwa Bulbs c.s. ingestelde vordering in reconventie;

- de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie van gedaagden sub 15, 50, 51 en 52 (hierna gezamenlijk: [persoon 15, 50, 51 en 52]), met producties;

- de repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van [persoon 15, 50, 51 en 52], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie van [persoon 15, 50, 51 en 52], met producties;

- de brief van mr. N.E. Bobbert van 26 juli 2007, waarin wordt bericht dat de ten laste van [persoon 15, 50, 51 en 52] gelegde conservatoire beslagen zijn opgeheven, zodat de reconventionele vordering ter zake geen behandeling meer behoeft;

- de akte houdende vermindering van eis in reconventie van [persoon 15, 50, 51 en 52] van 4 juni 2008;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, tevens incidentele conclusie tot openlegging van bescheiden (art. 162 Rv) en tot het treffen van voorlopige voorzieningen zoals bedoeld in art. 223 Rv, van gedaagden sub 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69 (hierna gezamenlijk: [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69]), met producties;

- de vonnissen in het incident in de procedure tegen [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] van 21 december 2005 en 8 februari 2006;

- de repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek, tevens repliek in reconventie, tevens houdende vermeerdering van de grondslag van de eis in reconventie van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69], met producties;

- de conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie van gedaagden sub 22, 23, 26 en 30 (hierna gezamenlijk: MMI c.s.), met producties;

- de repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van MMI c.s. en repliek op het antwoord van gedaagden sub 33, 70, 75 en 76 (hierna gezamenlijk: [personen 33, [persoon 70]n 76]), met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van MMI c.s. en [personen 33, [persoon 70]n 76];

- de conclusie van antwoord van gedaagde sub 24 Lenore Commercial Limited (hierna: Lenore), met producties;

- de repliek van NovaCap c.s. op het antwoord van Lenore, met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van Lenore, met één productie;

- de conclusie van antwoord van gedaagden 25 en 71 [persoon 25] en [per[persoon 71] (hierna: [persoon 25] respectievelijk [persoon 71]);

- de repliek van NovaCap c.s. op het antwoord van [persoon 25] en [persoon 71], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van [persoon 25];

- de conclusie van dupliek van [persoon 71];

- de conclusie van antwoord van gedaagden sub 33, 70, 75 en 76 (hierna gezamenlijk: [personen 33, 70, 75 en 76]), met producties;

- de repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van NovaCap c.s. op het antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van MMI c.s. en repliek op het antwoord van [personen 33, 70, 75 en 76], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek van MMI c.s. en [personen 33, 70, 75 en 76];

- de conclusie van antwoord van gedaagde sub 74 [persoon 74] (hierna: [persoon 74]), met producties;

- de repliek van NovaCap c.s. op het antwoord van [persoon 74], met producties, deels in de vorm van een cd rom;

- de conclusie van dupliek tevens akte houdende vermeerdering/wijziging van eis van [persoon 74].

1.4. In de procedures in conventie heeft pleidooi plaatsgevonden op 12 maart 2008, 13 maart 2008, 14 maart 2008 en 26 maart 2008, waarbij aan de hand van pleitaantekeningen, die zijn overgelegd, is gepleit.

1.5. Gedaagden sub 27, 32, 72 en 73 zijn niet bij procureur verschenen.

Tegen deze gedaagden is verstek verleend.

1.6. De procureur van gedaagden sub 28, 29 en 31 heeft zich onttrokken voordat voor antwoord is gediend.

1.7. De rechtbank heeft voor de beslissing in de hoofdzaak geen kennis meer genomen van de processtukken van HBM c.s., omdat NovaCap c.s. deze zaken van de onderhavige zaken heeft afgesplitst en in een afzonderlijk geding onder rolnummer 06-2925 heeft voortgezet.

1.8. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie (voor zover de procedures in reconventie niet meer zijn geschorst)

Introductie van partijen

2.1. NovaCap Floralis Termijnfonds 2004 C.V. (hierna: het Fonds) is een commanditaire vennootschap, die heeft belegd in vorderingen die zijn ontstaan uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen. NovaCap Floralis Termijnfonds Beheer B.V. (hierna: de Beheerder) voerde de directie en het beheer over het Fonds. Stichting Bewaarder NovaCap Floralis Termijnfonds (hierna: de Bewaarder) trad ten behoeve van het Fonds op als bewaarder in de zin van de Wet toezicht beleggingsinstellingen.

2.2. De termijntransacties, waaruit de door het Fonds over te nemen vorderingen ontstonden, zijn aangegaan door NovaCap Agricola B.V. (hierna: Agricola). NovaCap Holding B.V. (hierna: NovaCap Holding) en Cornell B.V. (hierna: Cornell) waren de bestuurders van Agricola. [per[persoon 77] (hierna: [persoon 77]) was -via zijn persoonlijke holdingvennootschap- directeur en 50% aandeelhouder van NovaCap Holding en [persoon 78] was directeur en 100% aandeelhouder van Cornell. NovaCap Holding en Cornell vormden samen tevens het bestuur van de Beheerder en hielden de aandelen in de Beheerder.

2.3. Sierteelt Bemiddelings Centrum (hierna: SBC) is een bemiddelingsbureau, dat bij de door Agricola aangegane termijntransacties heeft bemiddeld. [persoon 1] en [persoon 2] vormden samen het bestuur van SBC. [persoon 1] was commercieel directeur en tevens één van de commissionairs van SBC. [persoon 2] was algemeen directeur. Via hun persoonlijke holdingvennootschappen waren [persoon 1] en [persoon 2] ieder voor 50% aandeelhouder van SBC.

2.4. [persoon 12] is, handelend onder de naam Interbulb B.V. i.o., ten behoeve van het Fonds als anti-frontrunner opgetreden.

2.5. [persoon 25] is werknemer van de in Zwitserland gevestigde trustmaatschappij Multi Trust Advisor S.A..

[persoon 71] is notaris te [woonplaats], Zwitserland.

Zij hebben beiden fiscaal advies gegeven over aspecten en voordelen van de oprichting van bepaalde buitenlandse vennootschappen aan partijen die door bemiddeling van SBC koopovereenkomsten met Agricola zijn aangegaan.

2.6. De overige, hier (nog) niet nader aangeduide, gedaagden zijn als (bestuurders van) kwekers van en/of handelaren in tulpenbollen en/of beleggers betrokken geweest bij de termijnhandel in tulpenbollen van nieuwe rassen.

De (termijn)handel in tulpenbollen, in het bijzonder van nieuwe rassen

2.7. In Nederland zijn tot november 2003 drie bemiddelingsbureaus actief geweest in de (tulpen)bollenmarkt, te weten Coöperatieve Nederlandse Bloembollencentrale U.A. (hierna: CNB), Hobaho BV (hierna: Hobaho) en SBC. Deze bureaus bemiddelen zowel bij de contanthandel, waarbij op het moment van de verkoop van de bollen betaling en levering plaatsvindt, als bij de termijnhandel, waarbij tussen het moment van de verkoop van de bollen en het moment van betaling en levering (de valutadatum) één of meer (oogst)jaren liggen.

2.8. Bij de termijnhandel worden termijntransacties aangegaan, waarbij op het moment van de verkoop de kiloprijs van de bollen per valutadatum wordt overeengekomen. Bij het bepalen van de kiloprijs wordt er rekening mee gehouden dat de tulpenbollen zich over het algemeen in de periode tot de valutadatum in de grond zullen vermenigvuldigen, hetgeen doorgaans een prijsdaling per kilo bollen tot gevolg zal hebben. Het verschil tussen de overeengekomen kiloprijs per valutadatum en de kiloprijs waarvoor die bollen een seizoen eerder zijn gekocht, wordt uitgedrukt in een percentage, dat wordt aangeduid met “de prijsval”. De factor waarmee de bollen zich vermenigvuldigen wordt “de groeifactor” genoemd. Anders dan de prijsval, die bij het aangaan van de termijntransactie door het overeenkomen van de koopprijs vast staat, is de te behalen groeifactor afhankelijk van verschillende factoren, zoals weersinvloeden, de groeicapaciteit en de wijze van behandeling, en derhalve eerst op de valutadatum bekend. Bij het aangaan van een termijntransactie wordt veelal wel een (maximale) groeifactor overeengekomen, zodat op die wijze vastgelegd wordt hoeveel bollen er maximaal afgenomen moeten worden. Het bedrag dat de koper op de valutadatum aan de verkoper verschuldigd is, wordt berekend door de overeengekomen kiloprijs te vermenigvuldigen met de op de valutadatum aanwezige en af te nemen hoeveelheid bollen.

2.9. Bollen van bestaande tulpenrassen worden door degeneratie ziektegevoeliger en zijn op enig moment aan het einde van hun (commerciële) levensduur. Dit is één van de redenen waarom de ontwikkeling van nieuwe rassen van groot belang is voor de tulpenbollenhandel. Nieuwe tulpenrassen ontstaan ofwel door kruising ofwel door mutatie, waarbij het respectievelijk 20 of 13 jaar duurt voordat de bollen -als deze sterk genoeg blijken voor commercieel gebruik- zodanig zijn vermenigvuldigd dat er voldoende bollen zijn voor commercieel gebruik. Het aangaan van termijntransacties, zoals hiervoor omschreven, is één van de wijzen waarop de kosten die gemoeid gaan met het ontwikkelen van nieuwe tulpenrassen en het teeltproces daarvan kunnen worden gefinancierd.

De positie van SBC in de termijnhandel vóór de oprichting van het Fonds

2.10. Van de drie in- en verkoopbureaus had SBC zich gespecialiseerd in bemiddeling bij de (ver)koop van nieuwe tulpenrassen. Anders dan CNB en Hobaho, welke bureaus geen zekerheid konden bieden dat de kopers die termijntransacties aangingen op de valutadatum ook daadwerkelijk konden betalen, had SBC als verzekeringnemer een kredietverzekering afgesloten bij de in Duitsland gevestigde Allgemeine Kreditversicherung Coface AG (hierna: Coface). Op grond hiervan waren kwekers en handelaren, namens wie SBC bemiddelde, (mee)verzekerd tegen insolventie van de koper. Op grond van de met Coface gesloten verzekeringsovereenkomst diende SBC te beoordelen of een koper voldeed aan de door SBC aan iedere koper te stellen eisen van kredietwaardigheid. Voldeed een koper hier niet aan, dan was SBC slechts gerechtigd een koopovereenkomst zonder betalingszekerheid tot stand te brengen, indien de verkoper dat wilde aanvaarden.

2.11. Op door bemiddeling van SBC tot stand gekomen overeenkomsten was het Reglement Sierteelt Bemiddelings Centrum (hierna: het Reglement SBC) van toepassing. Hierin is onder meer opgenomen dat SBC bemiddelt bij aan- en verkopen van bollen, maar zelf geen partij wordt bij de te sluiten overeenkomsten. De bedragen die koper aan verkoper verschuldigd is op grond van de door bemiddeling van SBC tot stand gekomen overeenkomsten, dienen te worden betaald aan Stichting Derdengelden SBC. In het Reglement SBC, waarin Stichting Derdengelden SBC wordt aangeduid als de Stichting, is

-voor zover hier van belang- het volgende opgenomen:

Artikel 11. Facturering door S.B.C. met betrekking tot de Overeenkomst aan Koper. Valutaregeling

1. Na ontvangst van de leveringsnota en/of ontvangstbevestiging (…) stuurt S.B.C. namens de betreffende Verkoper aan de betreffende Koper een factuur voor de (…) geaccepteerde goederen.

(…)

7. Voor zover in een leveringsperiode (…) meerdere afleveringen door en aan een zelfde partij plaatsvinden, maakt S.B.C. binnen 8 dagen na het einde van die periode een overzicht op van aan c.q. door de betreffende partij te betalen bedragen met betrekking tot alle leveringen die in die periode hebben plaatsgevonden (leveringsfactuur) en zendt die aan de betreffende partij.

(…)

Artikel 16. Betalingen

1. Alle bedragen die partijen bij een Overeenkomst uit hoofde van die Overeenkomst verschuldigd zijn (…) dienen op of vóór de betaaldatum van de factuur te worden betaald aan de Stichting (…).

(…)

3. De Stichting draagt zorg voor doorbetaling van hetgeen zij ontvangen heeft in overeenstemming met het in dit Reglement bepaalde.

(…)

Artikel 17. Volmacht en verrekening

(…)

3. Elke Koper en Verkoper verleent door het totstandkomen van de Overeenkomst de Stichting opdracht en een onherroepelijk volmacht de door hem overeenkomstig dit Reglement (al dan niet opeisbaar) verschuldigde bedragen aan S.B.C., de Fustpool, het Productschap Tuinbouw en zijn wederpartij(en) bij enigerlei Overeenkomst in te houden op de door de Stichting aan hem te verrichten door- c.q. terugbetalingen en de aldus ingehouden bedragen conform het geregelde in artikel 18 lid 1 van dit Reglement door te betalen.

Artikel 18. Aanwending van betalingen

1. Enigerlei betaling die de Stichting heeft ontvangen, zal door de Stichting in de eerste plaats worden aangewend ter voldoening van de door de betalende partij aan S.B.C. opeisbaar verschuldigde vergoedingen, alsmede van andere aan S.B.C. opeisbaar verschuldigde bedragen (…) en in de tweede plaats, ter voldoening van de door de betalende partij aan de Fustpool opeisbaar verschuldigde bedragen (…). In de derde plaats zal enigerlei betaling worden aangewend ter voldoening van aan wederpartijen bij Overeenkomsten opeisbaar verschuldigde bedragen (…), waarbij een oudere schuld voor een jongere schuld gaat. Indien het betaalde bedrag ontoereikend is om alle opeisbare schulden van wederpartijen bij Overeenkomsten te voldoen, zullen schulden van gelijke datum naar evenredigheid worden voldaan. In de vierde plaats zal enigerlei betaling worden aangewend ter voldoening van door de betalende partij verschuldigde vakheffing vanwege het Productschap Tuinbouw.

(…)

Artikel 20. Doorbetaling

1. Onmiddellijk na ontvangst van een betaling door de Stichting, verkrijgen degenen die (…) recht hebben op door- c.q. terugbetaling, een vordering jegens de Stichting ten bedrage van hetgeen hun (…) blijkens de administratie van S.B.C. en/of de Stichting toekomt. Een en ander met inachtneming van het overigens in dit Reglement bepaalde.

2. Doorbetaling (…) vindt plaats indien en voor zover een door de Stichting ontvangen betaling toereikend is. Indien een door de Stichting ontvangen betaling ontoereikend is, ontstaat geen recht op doorbetaling jegens de Stichting voor zover de in artikel 18 lid 1 genoemde personen met inachtneming van de voorrangsregeling van artikel 18 lid 1 niet betaald kunnen worden.

3. De Stichting zal doorbetalingen feitelijk verrichten in zogenaamde betaalrondes. Betaalrondes vinden steeds plaats na 12 dagen vanaf elke valutadatum (…). De Stichting zal in een betaalronde doorbetalen conform artikel 18 lid 1 van dit Reglement al hetgeen de Stichting heeft ontvangen in de periode tussen de valutadatum onmiddellijk voorafgaand aan de doorbetaling en de daaraan voorafgaande valutadatum.

(…)

2.12. SBC hanteerde de salderingsmethode, hetgeen inhoudt dat het totaal van de door een bepaalde partij te betalen koopsommen en kosten gesaldeerd wordt met het totaal van de door die partij te ontvangen koopsommen na aftrek van de kosten (artikel 11 lid 7 en 17 lid 3 van het Reglement SBC). Het saldo dat resulteert wordt “Positie” genoemd. Voor termijntransacties betekent dit dat eerst op de valutadatum de hoogte van de Positie van koper en verkoper naar beneden respectievelijk naar boven wordt bijgesteld met een bedrag gelijk aan de overeengekomen kiloprijs vermenigvuldigd met het aantal kilo bollen dat wordt geleverd. Een partij die een negatieve Positie heeft, dient het betreffende bedrag op de valutadatum aan Stichting Derdengelden SBC te betalen en een partij die een positieve Positie heeft, krijgt het betreffende bedrag 12 dagen na de valutadatum door Stichting Derdengelden SBC uitbetaald. Stichting Derdengelden SBC mocht pas overgaan tot doorbetaling aan de verkoper indien de koper aan Stichting Derdengelden SBC had betaald (artikel 20 lid 2 van het Reglement SBC). Dit wordt ook wel aangeduid als de één-op-één relatie.

2.13. Door bemiddeling van SBC tot stand gekomen overeenkomsten werden door SBC vastgelegd in mXbulb, een geautomatiseerd systeem. Kwekers en handelaren hadden de mogelijkheid zich op mXbulb te abonneren, in welk geval zij inzage hadden in het systeem.

De oprichting van het Fonds

2.14. In augustus 2002 heeft er een bespreking plaatsgevonden bij SBC over de marktpotentie van nieuwe tulpenrassen en het tekort aan geld bij kwekers om in de ontwikkeling van nieuwe tulpenrassen te investeren. Hierbij waren in ieder geval aanwezig [persoon 1], [persoon 77], [persoon 70] (gedaagde sub 70, hierna: [persoon 70]) en

D. [persoon 66] (gedaagde sub 66, hierna: [persoon 66]).

2.15. [persoon 77] heeft vervolgens met [persoon 78] het plan opgevat het Fonds, een beleggingsfonds in nieuwe tulpenrassen, op te richten. Hiermee zouden beleggers in tulpenbollen bijeengebracht kunnen worden, die gezamenlijk op een fiscaal gunstige wijze zouden kunnen investeren in tulpenbollen van nieuwe rassen. Door Agricola alleen bollen te laten aankopen indien daar verkopen tegenover stonden en het Fonds uitsluitend te laten beleggen in tegen kredietrisico’s verzekerde termijnvorderingen, waarbij op de koper de verplichting rust minimaal de oorspronkelijk door Agricola betaalde koopprijs te betalen, zouden de risico’s voor de participanten in een dergelijk fonds beperkt blijven.

2.16. In december 2002 heeft NovaCap Holding een aantal bollentransacties via SBC verricht.

2.17. Teneinde prijsmanipulatie door marktpartijen, die op de hoogte zouden raken van de komst van het Fonds, te voorkomen, heeft SBC [persoon 77] geadviseerd reeds vóór de oprichting van het Fonds bollen te laten kopen door een derde die de bollen voor Agricola zou reserveren. Dit heeft ertoe geleid dat [persoon 12] als anti-frontrunner is opgetreden. Medio maart/april 2003 heeft [persoon 12] bollen gekocht voor een bedrag van circa

40 miljoen euro, welke hij heeft gereserveerd voor Agricola. Een groot gedeelte van deze bollen heeft [persoon 12] gekocht van de zich onder gedaagden bevindende kwekers en handelaren.

2.18. In de eerste maanden van 2003 hebben er verschillende zogenoemde road shows plaatsgevonden, waarbij kwekers en handelaren hun bollen tentoonstellen en aan- en verkopen. Eind april 2003 hebben [persoon 77] en [persoon 78] voor de eerste keer tijdens een dergelijke road show het Fonds geïntroduceerd en de werking van het Fonds uitgelegd.

2.19. Op of omstreeks 24 april 2003 zijn Agricola, de Beheerder en de Bewaarder opgericht.

2.20. In mei 2003 heeft de Beheerder een informatiememorandum uitgebracht. In dit verder als het prospectus aan te duiden stuk is -onder meer- het volgende opgenomen:

1. Inleiding

Het Fonds heeft een omvang van circa Euro 80 miljoen en heeft als doelstelling om, bij een aanvaardbaar risico, het vermogen van het Fonds voor de participanten te beheren en een zo aantrekkelijk mogelijk resultaat voor de participanten te realiseren.

(…)

Het Fonds zal beleggen in vorderingen die ontstaan uit termijntransacties in tulpenbollen van nieuwe rassen en neemt deze vorderingen over van NovaCap Agricola B.V. (hierna: Agricola). Agricola zal het door het Fonds ter beschikking gestelde vermogen, na aftrek van kosten, besteden aan de aankoop van termijnvorderingen waarna de vorderingen worden overgenomen door het Fonds.

(…)

4.2. Transactiestructuur

Agricola koopt via bemiddeling van Sierteelt Bemiddelings Centrum (hierna: SBC) geselecteerde tulpenbollen. Op dezelfde dag komt een verkooptransactie tot stand waarbij de prijs per kilogram van de verkochte tulpenbollen vaststaat, doch de hoeveelheid die in de toekomst geleverd wordt kan variëren (afhankelijk van de oogst).

(…)

(…) Agricola zal het van het Fonds ontvangen vermogen voor tenminste 85,5% besteden aan het afsluiten van termijntransacties. De overige 14,5 % van het ontvangen vermogen zal worden besteed aan verschuldigde vakheffingen, commissies aan SBC en verzekeringspenningen, royaltyvergoedingen, betalingen aan kwekers die op contract de tulpenbollen voor Agricola telen, lonen en salarissen, administratiekosten en een opslag voor risico en winst (…).

De aankooptransacties en de levering alsmede de verkooptransacties vinden plaats in de periode mei tot en met september 2003. De leveringen en de afrekeningen met de kopers vinden plaats in de maanden september tot en met november van 2004. (…).

7. Risicoprofiel

Voor beleggers is een aantal kredietrisico’s gelimiteerd waardoor het maximale verlies 18,3% op hun belegging zal bedragen (…), grote calamiteiten uitgezonderd. De hoogte van het rendement van het totale aantal termijntransacties waarvan het Fonds de rechten overneemt zal worden beïnvloed door de groeifactor van de tulpenbollen en de gemiddelde prijsval. Indien Agricola de prijsval tussen aan- en verkoopprijs per kilogram te hoog acht zal geen termijntransactie tot stand komen.

(…)

Faillissementsrisico

Er bestaat een risico dat de kopende partij gedurende de looptijd van het groeiseizoen failliet zal gaan waardoor hij de bollen niet meer kan afnemen die hij eerder heeft gekocht in de termijntransactie. Voor bovenstaande situatie is een kredietverzekering afgesloten opdat het oorspronkelijke aankoopbedrag betaald zal worden aan de verkopende partij voor zover aan de voorwaarden van deze verzekering is voldaan.

(…)

Er bestaat een risico dat SBC, de bemiddelaar, failliet zou gaan. Agricola en het Fonds zouden dan rechtstreeks met de kopers de transacties kunnen afwikkelen.

Daarnaast bestaat het risico dat Agricola failliet zou gaan. Het risico dat Agricola failleert brengt met zich mee dat Agricola haar leveringsverplichting jegens de kopers niet zou (kunnen) voltooien waardoor van de kopers geen betaling van de koopprijs kan worden afgedwongen. (…)

2.21. Het Reglement SBC is als bijlage bij het prospectus gevoegd. Ook is als bijlage bij het prospectus gevoegd de overeenkomst tussen Agricola en het Fonds (in die overeenkomst aangeduid met Floralis), waarin -voor zover hier van belang- het volgende is opgenomen:

In deze overeenkomst wordt verstaan onder

(…)

- Minimum Koopprijs: de kooprijs die door een Koper in alle gevallen onder een bepaalde Overeenkomst aan Agricola moet worden betaald, zijnde het bedrag waarvoor Agricola de bollen voor de betreffende koper heeft moeten aanschaffen.

(…)

Artikel 1.

1.1. Floralis zal kopen van Agricola die aan Floralis zal verkopen de Vorderingen

mits:

a. voor die Overeenkomsten door SBC Betalingszekerheid is gesteld en schriftelijk toestemming is verleend voor de verpanding van de vorderingen die Agricola op haar kan krijgen, als bedoeld in artikel 3;

b. ten minste de Minimum Koopprijs als koopprijs geldt; (…).

(…)

Artikel 5.

Indien Agricola de bollen onder de Overeenkomst niet kan leveren, dan wel, omdat de Overeenkomst is ontbonden, deze niet behoeft te leveren, is Agricola verplicht onverwijld de Koopsom aan Floralis terug te betalen, bij gebreke waarvan Floralis gerechtigd is haar rechten uit de aan haar verpande vorderingen op SBC uit te oefenen. (…)

2.22. Na goedkeuring van het Prospectus door de Autoriteit Financiële Markten op 5 mei 2003 heeft eind mei en begin juni 2003 de introductie van het Fonds plaatsgevonden.

Op 23 juni 2003 is het Fonds opgericht.

2.23. In totaal is er voor een bedrag van circa 85 miljoen euro in het Fonds geparticipeerd. Tot de participanten behoorden -onder meer- de volgende gedaagden, die voor het achter hun naam vermelde bedrag in het Fonds hebben geparticipeerd:

- [persoon 1] (€ 1.000.000,-)

- [persoon 12] ( € 4.500.000,-)

- [persoon 66] (€ 200.000,-)

- Tomorrow’s Tulips B.V. (gedaagde sub 3, hierna: Tomorrow’s Tulips) (€ 5.000.000,-)

- Blumex Tulip Select B.V. (gedaagde sub 5, hierna Blumex) (€ 5.000.000,-)

- MMI Marketing Management International Limited (gedaagde sub 22, hierna MMI)

(€ 2.500.000,-)

- Knighthood Services Limited (gedaagde sub 26, hierna Knighthood) (€ 2.500.000,-)

- [persoon 37] (gedaagde sub 37[persoon 37] (gedaagde sub 38)

(€ 1.000.000,-)

- [pers[persoon 48] (gedaagde sub 48, hierna: [persoon 48]) (€ 100.000,-)

- [per[persoon 55] (gedaagde sub 55, hierna: [persoon 55]) (€ 200.000,-).

2.24. Verschillende participanten zijn met de Hollandse Bank Unie (hierna: de HBU) kredietovereenkomsten aangegaan ter financiering van (een gedeelte van) hun participaties. Ten minste 54 miljoen euro van het totale bedrag dat in het Fonds is geparticipeerd, is op deze wijze gefinancierd.

De aan- en verkopen van bollen door Agricola

2.25. Voor de aan- en verkopen door Agricola is een advieslijst opgesteld. Op deze advieslijst staan de prijzen vermeld waarvoor SBC de bollen voor NovaCap zou kunnen aan- en verkopen. Op de advieslijst staan aankopen vermeld van in totaal € 79.200.000,-. Deze advieslijst is op 30 juni 2003 door [persoon 77] voor akkoord getekend.

2.26. Op 2 juli 2003 hebben [persoon 77] en [persoon 78] namens Agricola aan SBC volmacht verleend en opdracht gegeven tot het aangaan van de aan- en verkooptransacties zoals deze stonden vermeld op voornoemde advieslijst tot een maximum van € 72.500.000,-. In de volmacht is opgenomen dat uiterlijk op 20 oktober 2003 tegenover de aangekochte hoeveelheid tulpen per ras oogstjaar 2003, verkopen met oogstjaar 2004 dienen te staan van ten minste drie keer de aangekochte hoeveelheid.

2.27. Bij brief van 2 juli 2003 hebben [persoon 77] en [persoon 78] namens de Beheerder aan SBC bevestigd dat de gelden van het Fonds aangewend konden worden voor de aankoop van de bollen. SBC heeft vervolgens namens Agricola bollen gekocht voor -in ieder geval- een bedrag van € 73.129.171,86.

2.28. Circa de helft van de door Agricola aangekochte bollen is gekocht van [persoon 12]. In de koopovereenkomsten die tussen Agricola en [persoon 12] zijn gesloten is opgenomen:

Bij afwijkingen te velde van oogst 2004, waardoor minimaal kl.2 niet gehaald wordt, zal de partij tegen aankoopprijs, vermeerderd met teelt- en handlingskosten worden terugverkocht aan leverancier 2003.

2.29. In een intern overzicht van SBC van transacties ten behoeve van Agricola d.d.

1 september 2003 staat vermeld dat er op dat moment aankopen zijn geboekt voor

€ 80.496.495,59 en verkopen zijn geboekt die (uitgaande van overeengekomen (maximale) groeifactor 3) een verkoopwaarde vertegenwoordigen van € 43.127.159,50.

2.30. Op 20 en 23 oktober 2003 hebben de accountants van NovaCap c.s. de verkopen van Agricola gecontroleerd aan de hand van door SBC verstrekte transactieoverzichten, waarop de posities van de kopers stonden vermeld. Op 24 oktober 2003 is vanuit NovaCap c.s. aan SBC om inzage in de positie van -onder andere- Lenore verzocht. Zenco Corporate Services B.V. heeft op 27 oktober 2003 in opdracht van de Bewaarder de termijntransacties van Agricola gecontroleerd. Op een door [persoon 77] opgesteld verkoopoverzicht van 29 oktober 2003 betreffende de termijntransacties 2003-2004 die Agricola aan het Fonds zou overgedragen, staan verkopen door Agricola vermeld die een verkoopwaarde vertegenwoordigen van in totaal € 165.770.326,50 (uitgaande van de overeengekomen (maximale) groeifactor 3).

2.31. Op 30 oktober 2003 heeft Agricola per mail een betalingsschema aan de Bewaarder doen toekomen, waarop de volgende goedgekeurde transacties staan vermeld:

- van de Bewaarder naar Stichting Derdengelden SBC € 73.129.171,86

- van de Bewaarder naar Agricola 16,95% € 12.402.023,30

- van Agricola naar Stichting Derdengelden SBC € 7.744.731,65

- van Agricola aan Stichting Derdengelden SBC commissie SBC 2% € 1.617.478,07

vakheffing 1,6% € 1.213.982,46

De Bewaarder heeft op dezelfde dag haar goedkeuring gegeven aan deze betalingen.

2.32. Op of omstreeks 31 oktober 2003 is door Agricola dan wel de Bewaarder in totaal

€ 83.785.364,04 aan Stichting Derdengelden SBC betaald, waarvan € 73.129.171,86 onder vermelding van “betaling namens NovaCap Agricola BV specificatie volgt”, € 7.744.731,65 onder vermelding van “resttransacties” en € 2.911.460,53 onder vermelding van “commissie en vakheffing”.

De ontwikkelingen na 31 oktober 2003

2.33. In totaal heeft Stichting Derdengelden SBC per 31 oktober 2003 circa 110 miljoen euro ontvangen van partijen met een negatieve Positie.

2.34. In oktober 2003 zijn [persoon 1] en [persoon 2] telefonisch en per sms bedreigd, welke bedreigingen inhielden dat [persoon 1] ontvoerd zou worden indien SBC niet tot uitbetaling zou overgaan. Op 6 november 2003 heeft [persoon 2] aangifte bij de politie gedaan van deze bedreigingen. De bedreigingen hebben er toe geleid dat [persoon 2] met haar gezin onder dwang van de politie en de door [persoon 1] ingeschakelde particuliere beveiligingsdienst vanaf 10 november 2003 niet in haar eigen woning mocht overnachten, maar onder begeleiding van agenten elders onderdak moest zoeken.

2.35. Op 11 november 2003, de dag dat de voorbereidingen werden getroffen voor de uitbetalingen ten aanzien van de transacties met valutadatum 31 oktober 2003, is [persoon 2] onder begeleiding van de beveiligingsdienst kort op het kantoor van SBC geweest. [persoon 2] heeft de door Stichting Derdengelden SBC te verrichten betalingen die betrekking hadden op transacties met valutadatum 31 oktober 2003 geaccordeerd. Wat betreft de door Agricola gekochte bollen beschikte zij daarbij niet over de door de Bewaarder gecontroleerde betaalspecificaties van de aankopen van Agricola.

2.36. Op of omstreeks 12 november 2003 heeft Stichting Derdengelden SBC betalingen verricht voor de transacties met valutadatum 31 oktober 2003. In totaal is een bedrag van circa 110 miljoen euro uitbetaald aan partijen met een positieve Positie.

Betaald is onder andere aan de volgende gedaagden:

- [persoon 12] € 2.046.116,96 en € 2.790.197,39

- Tomorrow’s Tulips € 250.000,- en € 15.096.509,92

- Future Tulip € 959.813,38

- MMI € 2.339.594,86

- Knighthood € 6.407.276,04

- [persoon 25] € 820.419,-

- Triflor B.V. (gedaagde sub 8, hierna: Triflor) circa € 5.450.000,-

- Exploitatiemaatschappij Vertuco B.V. (gedaagde sub 11, hierna: Vertuco) € 5.800.000,-

- Ruwa Bulbs B.V. (gedaagde sub 13, hierna: Ruwa Bulbs) € 2.301.324,18

- [besloten vennootschap 2] (gedaagde sub 15, hierna [persoon 15]) € 1.222.181,03 en

€ 962.946,10

- [persoon 18] (gedaagde sub 18, hierna: [persoon 18]) en/of [persoon 68] (gedaagde sub 68,

hierna: [persoon 68]) € 1.500.000,-

- Noorderbollen B.V. (gedaagde sub 19, hierna: Noorderbollen) € 1.990.458,40

- North West Invest B.V. (gedaagde sub 21, hierna: NWI) € 507.279,23

Ook is betaald aan:

- NovaCap Holding € 1.452.336,84

2.37. Op of omstreeks 18 november 2003 is [persoon 1] door de politie aangehouden op verdenking van het in scène zetten van de bedreigingen, waarvan [persoon 2] op 6 november 2003 aangifte had gedaan. [persoon 1] heeft ter zake van deze verdenking een bekentenis afgelegd.

2.38. Op 20 november 2003 is [persoon 1] door [persoon 2] op non-actief gesteld. Bij brief van 20 november 2003 is [persoon 1] geschorst.

2.39. Op 22 november 2003 heeft er een bespreking bij SBC plaatsgevonden. Hierbij waren onder meer aanwezig [persoon 1], [persoon 2], [persoon 37], [persoon 70], [persoon 55] en [persoon 18]. Op enig moment zijn ook [persoon 77] en [persoon 78] bij de bespreking aanwezig geweest. Aan hen is het voorstel gedaan de door Agricola aangekochte bollen aan de kopers van Agricola te verkopen tegen een lagere prijs dan op dat moment in de koopbriefjes was vastgelegd. [persoon 77] en [persoon 78] zijn daarmee niet akkoord gegaan.

2.40. Na 23 november 2003 hebben verschillende kwekers en handelaren, die op de koopbriefjes van SBC als koper van Agricola stonden vermeld, betwist een termijntransactie met valutadatum 31 oktober 2004 met Agricola te zijn aangegaan. Dit is onder meer gebeurd door Tomorrow’s Tulips, Triflor, Future Tulip, [persoon 15] en [besloten vennootschap 1] (gedaagde sub 10, hierna [persoon 10]). Ook veel andere via SBC gesloten koopovereenkomsten, waarbij Agricola geen partij was, zijn door vermeende kopers betwist te zijn aangegaan. Dit laatste is niet alleen het geval geweest bij koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2004, maar ook bij koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2003.

2.41. Bij brief van 24 november 2003 heeft Agricola SBC bericht dat maximaal 85% van het fondsvermogen aangewend mocht worden voor de termijntransacties en dat -na bijstelling van de begroting- tussen Agricola en SBC is overeengekomen dat voor een bedrag van € 73.129.071,30 transacties zouden worden aangegaan. De brief bevat voorts een betalingsoverzicht waarin is opgenomen dat Agricola, rekening houdende met de bijkomende kosten, in totaal € 82.165.047,79, aan SBC verschuldigd is en € 83.785.364,04 heeft betaald. Het teveel betaalde bedrag heeft Agricola in de brief teruggevorderd.

2.42. Naar aanleiding van deze brief heeft SBC zich op het standpunt gesteld dat Agricola niet te veel, maar te weinig aan haar heeft betaald, omdat in het betalingsoverzicht geen rekening is gehouden met extra bollen die SBC in opdracht van Agricola had gekocht. Dit laatste is door Agricola betwist, waarna tussen SBC en Agricola discussie is ontstaan over de vraag waarop het bedrag van 7,7 miljoen euro, dat Agricola onder vermelding van “resttransacties” op de rekening van Stichting Derdengelden SBC had overgemaakt, betrekking had. Volgens Agricola had dit bedrag betrekking op de kweekkosten en dergelijke voor de bollen die op grond van de volmacht van 2 juli 2003 voor haar waren gekocht. Volgens SBC betrof dit bedrag de koopsom van de extra bollen en waren de kweekkosten en dergelijke voor de op grond van de volmacht gekochte bollen nog niet betaald.

2.43. Op 25 november 2003 heeft SBC surseance van betaling aangevraagd. Op

3 december 2003 is SBC in staat van faillissement verklaard.

2.44. Door NovaCap c.s. zijn begin maart 2004 conservatoire (derden)beslagen gelegd ten laste van een groot aantal gedaagden.

2.45. Op 18 maart 2004 heeft NovaCap c.s. Holland Integrity Group B.V. (hierna: HIG) opdracht gegeven een onderzoek te verrichten naar de gang van zaken voorafgaand aan het faillissement van SBC. HIG heeft haar onderzoek afgerond in augustus 2006. Haar bevindingen heeft HIG neergelegd in een rapport.

2.46. NovaCap c.s. is procedures gestart tegen kwekers en handelaren die op de koopbriefjes van SBC als koper van Agricola stonden vermeld, maar ontkenden een koopovereenkomst met Agricola te zijn aangegaan. De vorderingen van NovaCap c.s. tot betaling van schadevergoeding wegens het niet nakomen van de koopovereenkomsten zijn in alle procedures, waarin een eindvonnis is gewezen, afgewezen. Daartoe is (steeds) overwogen dat SBC geen algehele of specifieke volmacht had om namens de gedagvaarde partij een koopovereenkomst met Agricola aan te gaan en dat het toesturen van een koopbriefje door SBC aan de gedagvaarde partij geen overeenkomst tussen Agricola en de gedagvaarde partij tot stand heeft gebracht.

2.47. In november en december 2006 zijn het Fonds, Agricola, de Beheerder en de Bewaarder in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Tiethoff en mr. Gorsira als curatoren. Op enig moment heeft mr. Gorsira zijn werkzaamheden als curator beëindigd.

2.48. Op 29 oktober 2007 heeft de curator een vaststellingsovereenkomst gesloten met de (rechts)personen die deel uitmaken tot de zogenoemde HBM-groep. Tot deze groep behoren de aanvankelijk in deze procedure betrokken gedaagden sub 7, 40, 41 en 42 (hiervoor reeds gezamenlijk aangeduid als HBM c.s.). De minnelijke regeling die in deze vaststellingsovereenkomst is vastgelegd houdt -samengevat- in dat de curator tegen betaling van € 20.000,- door de HBM-groep, alle procedures tegen de HBM-groep zal intrekken en alle vorderingen op de HBM-groep zal verminderen tot nihil.

2.49. Op 2 november 2007 heeft de curator aangifte gedaan jegens [persoon 77] en [persoon 78] ter zake van overtredingen van het Fondsreglement, in het bijzonder wat betreft het zich niet houden aan de verplichting dat er op dezelfde dag met een aankoop een verkoop moet plaatsvinden (eenvoudige bankbreuk), het aangaan van “resttransacties” met geld van het fondsvermogen dat bestemd was voor betaling van kweekkosten (verduistering) en het niet terugbetalen van de dividenduitkeringen (buitensporige vertering).

3. Het geschil

in conventie

3.1.1. De curator vordert -samengevat- veroordeling van gedaagden tot betaling van

€ 41.135.340,-, € 47.424.283,- en de overige (additionele) schade die NovaCap c.s. heeft geleden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander vermeerderd met rente en kosten. Na wijziging van eis vordert de curator subsidiair veroordeling van gedaagden tot vergoeding van de door (de gezamenlijke crediteuren van) NovaCap c.s. geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, alsmede tot betaling van een voorschot op de schade van 5 miljoen euro.

3.1.2. Bij de wijziging van eis heeft de curator de eis eveneens verminderd, in die zin dat de vordering wordt verminderd met de bedragen die gedaagden als bijdrage van HBM c.s. zouden kunnen vorderen, bijvoorbeeld uit hoofde van een mogelijk regres, of anderszins op HBM c.s. zouden kunnen afwentelen.

3.1.3. Meerdere gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. Aangevoerd is dat de curator bij pleidooi niet alleen de eis, maar ook de grondslag van de eis heeft gewijzigd, hetgeen in dit late stadium van de procedure in strijd is met de goede procesorde. Nu de curator gedaagden nog steeds uit onrechtmatig handelen aanspreekt, zoals hierna nader aan de orde zal komen, en alleen de daaraan ten grondslag gelegde feiten op een andere wijze heeft samengevat, is de rechtbank van oordeel dat van een wijziging van de grondslag van de eis geen sprake is. Voor zover een aantal gedaagden in de stellingen van de curator heeft gelezen dat hij de eis heeft gewijzigd, in die zin dat hij thans aan de vordering ten grondslag legt dat gedaagden samen met het bestuur van NovaCap c.s. heeft samengespannen tegen de crediteuren van NovaCap c.s., merkt de rechtbank op dat niet is gebleken dat de curator een zodanige wijziging heeft voorgestaan. De bij pleidooi gedane wijziging van eis, bestaande uit het toevoegen van een subsidiaire vordering tot verwijzing naar een schadestaatprocedure, is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met de goede procesorde, zodat de rechtbank de wijziging van eis zal toelaten.

3.1.4. Waar tegen een eisvermindering geen verzet mogelijk is, zullen de bezwaren die gedaagden hiertegen hebben ingebracht -zo nodig- worden behandeld bij de inhoudelijke beoordeling van de vordering.

3.2.1. Aan zijn vordering legt de curator ten aanzien van alle gedaagden ten grondslag dat gedaagden op grond van zowel artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) als artikel 6:166 BW onrechtmatig jegens NovaCap c.s. hebben gehandeld door de prijs van tulpenbollen van nieuwe rassen kunstmatig te hebben opgedreven en gefingeerde koopovereenkomsten te hebben gesloten, althans te hebben bewerkstelligd dat (door hen opgerichte) buitenlandse vennootschappen gefingeerde koopovereenkomsten hebben gesloten met Agricola, kopers van Agricola en/of (andere) gedaagden. Volgens de curator hebben gedaagden met deze onrechtmatige kunstgrepen de Posities van NovaCap c.s. en gedaagden gemanipuleerd teneinde zichzelf te verrijken ten koste van NovaCap c.s.. Het handelen van gedaagden heeft mede tot gevolg gehad dat SBC failliet is gegaan, waardoor NovaCap c.s. eveneens schade heeft geleden.

3.2.2. Ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2] legt de curator tevens aan zijn vordering ten grondslag dat zij als bestuurders van SBC onrechtmatig jegens NovaCap c.s. hebben gehandeld omdat zij hebben bewerkstelligd, althans wisten dan wel behoorden te weten dat de onder hun verantwoordelijkheid vallende vennootschap SBC de bemiddelingsovereenkomst met NovaCap c.s. niet deugdelijk is nagekomen.

3.3. Gedaagden voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.1. De curator heeft de procedures in reconventie overgenomen, indien en voor zover artikel 28 Fw daarop van toepassing is. Bij brief van 23 juli 2007 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat naar haar voorlopig oordeel artikel 28 Fw moet worden toegepast ten aanzien van de reconventionele vorderingen die er toe strekken dat de gelegde beslagen worden opgeheven, eventueel, namelijk voor zover gevorderd, onder verbeurte van een dwangsom. Voorts is daarbij meegedeeld dat ten aanzien van de in reconventie ingestelde vorderingen tot schadevergoeding of tot betaling van geld uit andere hoofde artikel 28 Fw naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet dient te worden toegepast.

3.4.2. Door Blumex c.s. is gebruik gemaakt van de door de rechtbank gestelde gelegenheid hierop te reageren. Zij heeft gesteld dat haar ter verificatie ingediende vorderingen op de lijst van voorlopig erkende/betwiste crediteuren zijn opgenomen als concurrente vorderingen die ofwel nog niet zijn erkend en als betwist worden opgevoerd, ofwel niet zijn betwist, maar moeten worden verrekend met de vordering in conventie. Dit brengt volgens Blumex c.s. mee dat het van belang is dat de reconventionele vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, wel wordt beoordeeld door de rechtbank en artikel 28 Fw als zodanig ook op die reconventionele vordering van toepassing is. De rechtbank kan Blumex c.s. hierin niet volgen. Vast staat dat de reconventionele vordering waarop Blumex c.s. hier doelt een verifieerbare vordering is, hetgeen betekent dat de procedure in reconventie wat deze vordering betreft alleen kan worden voortgezet indien de verificatie van die vordering wordt betwist. Nog daargelaten of de door Blumex c.s. ter verificatie ingediende vorderingen zien op vergoeding van de in reconventie door Blumex c.s. gevorderde schade, brengt de omstandigheid dat een aantal van de ter verificatie ingediende vorderingen van Blumex c.s. inmiddels op een lijst van voorlopig erkende/betwiste crediteuren als betwist is opgenomen, niet mee dat de procedure in reconventie op dit moment (al) kan worden voortgezet. Dit is slechts een voorlopig oordeel van de curator. De mogelijkheid bestaat dat de curator in de verificatievergadering op de door hem gedane voorlopige betwisting terugkomt.

3.4.3. De rechtbank ziet in het door Blumex c.s. aangevoerde derhalve geen aanleiding om anders te oordelen dan zij reeds bij brief van 23 juli 2007 heeft gedaan: de procedures in reconventie zijn alleen voortgezet voor zover het de vorderingen tot opheffing van de beslagen en de daarmee samenhangende dwangsommen betreft. Door een aantal eisers is ook een verklaring voor recht gevorderd dat de gelegde beslagen onrechtmatig zijn (gelegd). Nu de procedures ten aanzien van de daaraan gekoppelde schadevorderingen zijn geschorst en het belang bij beoordeling van bedoelde gevorderde verklaringen voor recht op dit moment derhalve ontbreekt, zal de rechtbank ook ten aanzien van deze gevorderde verklaringen voor recht de procedures als geschorst aanmerken.

3.5. Door een aantal eisers is bij brief aan de rechtbank aangegeven dat de ten laste van hen gelegde conservatoire beslagen inmiddels zijn opgeheven. Alleen voor zover die eisers hun vordering vervolgens hebben verminderd op de daarvoor voorgeschreven wijze, zal de rechtbank in die gevallen niet meer op de vordering tot opheffing van het beslag ingaan.

3.6. Thans liggen derhalve ter beoordeling voor de vorderingen van Blumex c.s.,

[persoon 10, 53, 54, 55, 56], Ruwa Bulbs c.s. en [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] tot -kort gezegd- opheffing van de gelegde beslagen. Met uitzondering van [persoon 10, 53, 54, 55, 56] hebben eiseressen hierbij ook dwangsommen gevorderd. Aan deze vorderingen hebben eisers ten grondslag gelegd dat de vordering ter verzekering waarvan NovaCap c.s. beslag heeft gelegd ondeugdelijk is, zodat er geen grond was en is voor het leggen van conservatoire beslagen.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. De curator heeft -in navolging van NovaCap c.s.- ervoor gekozen om zowel het Fonds afzonderlijk als het Fonds, Agricola, de Bewaarder en de Beheerder gezamenlijk steeds aan te duiden met “NovaCap”, zonder (in de meeste gevallen) onderscheid te maken tussen de verschillende entiteiten. Als gevolg daarvan is niet ten aanzien van elke stelling van de curator zonder meer duidelijk op welke entiteit de betreffende stelling betrekking heeft. Nu het Fonds, Agricola, de Bewaarder en de Beheerder vier afzonderlijke rechtspersonen zijn die niet met elkaar kunnen worden vereenzelvigd -althans gesteld noch gebleken is dat daarvoor grond bestaat- zal de rechtbank waar nodig beoordelen welke entiteit is bedoeld. De rechtbank zal zich hierbij moeten laten leiden door hetgeen gedaagden uit de context van het gestelde hadden mogen begrijpen. Van de curator als eiser mag immers worden verwacht dat hij bij de onderbouwing van de vordering nauwkeurig aangeeft tegen welke entiteit op welke wijze onrechtmatig is gehandeld, zodat gedaagden hun verweer daarop kunnen toespitsen. Voor zover het ten aanzien van bepaalde stellingen niet mogelijk mocht blijken te beoordelen welke entiteit is bedoeld, dienen de eventuele gevolgen daarvan voor de toewijsbaarheid van de vordering geheel voor rekening van de curator te blijven.

4.2.1. De rechtbank overweegt dat voor zover de curator de procedure heeft voortgezet in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van Agricola, de Beheerder en de Bewaarder, de vordering dadelijk moet worden afgewezen, behoudens hetgeen hierna in rechtsoverweging 4.2.2 wordt overwogen met betrekking tot de overdracht van vorderingen aan de Bewaarder. Deze rechtspersonen mogen dan alle drie gelieerd zijn aan het Fonds en ieder hun rol hebben gehad bij de aan- en verkoop van de tulpenbollen, het Fonds is de rechtspersoon die de op 31 oktober 2003 gekochte tulpenbollen heeft gefinancierd en de vorderingen uit de termijntransacties overgedragen heeft gekregen. Indien er sprake is geweest van manipulaties van Posities bij SBC, waardoor gedaagden zich onrechtmatig hebben verrijkt ten koste van -zoals de curator stelt- NovaCap c.s., is het het Fonds dat daardoor schade heeft geleden. Waarom naast het Fonds ook Agricola, de Beheerder en de Bewaarder schade hebben geleden door het vermeende onrechtmatig handelen van gedaagden is door de curator niet gesteld, ondanks dat een aantal gedaagden specifiek daarnaar heeft gevraagd. De rechtbank merkt daarbij op dat niet is gesteld of gebleken dat het Fonds van Agricola terugbetaling heeft gevorderd van dat gedeelte van de koopsom van de termijnvorderingen dat betrekking heeft op de bollen die niet per 31 oktober 2004 verkocht bleken te zijn. Van onrechtmatig handelen jegens Agricola, de Beheerder of de Bewaarder is derhalve hoe dan ook niet gebleken.

4.2.2. Door een aantal gedaagden is gesteld dat aan hen bij brief van 23 mei 2006 is meegedeeld dat het Fonds, de Beheerder en Agricola hun vorderingen op hen hebben overgedragen aan de Bewaarder. De curator heeft nagelaten hierop te reageren. De rechtbank ziet hierin aanleiding om ten aanzien van de gedaagden die aan de inhoud van die brief het rechtsgevolg verbinden dat de vordering van het Fonds is overgegaan op de Bewaarder, de curator slechts ontvankelijk te achten in zijn vordering voor zover hij de procedure heeft voortgezet in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de Bewaarder. Voor zover vast zal komen te staan dat door (een aantal) gedaagden onrechtmatig jegens het Fonds is gehandeld, zal de rechtbank er ten aanzien van die gedaagden nader op ingaan of zij hebben gesteld bedoelde brief te hebben ontvangen en zo ja, of dit volgens hen tot gevolg heeft dat de vordering op de Bewaarder is overgegaan.

Groepsaansprakelijkheid

4.3.1. In deze procedure is een groot aantal (rechts)personen gedagvaard, welk op een of andere wijze betrokken is geweest bij de termijnhandel in nieuwe tulpenrassen, de oprichting van NovaCap c.s. en/of de door Agricola aangegane termijntransacties. De kern van het verwijt dat de curator gedaagden maakt, ligt in de gestelde samenspanning van de groep gedaagden tegen (de rechtbank leest, gelet op rechtsoverweging 4.2.1, in het vervolg:) het Fonds.

4.3.2. Volgens de curator zijn alle leden van deze groep hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het Fonds daardoor heeft geleden, omdat zij allen schade hebben toegebracht aan het Fonds, terwijl zij wisten, althans behoorden te weten dat de door hen ieder zowel individueel als in groepsverband verrichte handelingen die schade zou veroorzaken bij het Fonds. Volgens de curator is voor groepsaansprakelijkheid niet vereist dat de groep heeft samengewerkt, maar volgens (een aantal) gedaagden is dit wel het geval. De rechtbank overweegt reeds nu dat voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:166 BW is vereist dat sprake is geweest van een handelen in groepsverband, welk handelen niet altijd behoeft te kunnen worden gekwalificeerd als samenwerking. Voor handelen in groepsverband is nodig dat de leden van de groep bewust gezamenlijk zijn opgetreden en de deelnemers zelf ook een bijdrage moeten hebben geleverd aan de gedragingen die het gevaar van schade hebben doen ontstaan. Voor het onderhavige geval, waarin de meeste gedaagden (bestuurders van) tulpenbollenkwekers en -handelaren zijn en naar mag worden aangenomen ieder voor zich de doelstelling nastreven een zo hoog mogelijke winst te behalen met de tulpenbollenhandel, waarbij zij -ook al onderhouden zij op een betrekkelijk kleine markt intensieve zakelijke contacten- optreden als elkaars concurrent, betekent dit dat eerst van handelen in groepsverband sprake kan zijn, indien vast komt te staan dat gedaagden beoogden toe te treden tot een groep of zodanig contact met elkaar hebben onderhouden dat zij als lid van een groep kunnen worden beschouwd. Of hiervan sprake is, zal de rechtbank -zo nodig- beoordelen, nadat al dan niet is komen vast te staan dat door (één of meer) gedaagde(n) onrechtmatig jegens het Fonds is gehandeld.

4.4. Nu de gestelde samenspanning door de curator is onderverdeeld in twee concrete handelingen, namelijk het kunstmatig opdrijven van de prijs en het (laten) sluiten van gefingeerde koopovereenkomsten, zal de rechtbank hieronder beoordelen of van deze handelingen sprake is geweest en of dit een onrechtmatige daad van (een aantal van) gedaagden jegens het Fonds oplevert. Vervolgens zal de rechtbank iedere gedaagde of groep gedaagden langs gaan, waarbij de rol van de verschillende gedaagden aan de orde kan komen. Voor zover de curator afzonderlijke gedaagden daarnaast nog andere gedragingen heeft verweten die volgens hem een onrechtmatig handelen jegens het Fonds opleveren, waardoor de gevorderde schade (mede) is ontstaan, zal de rechtbank daarop ook op die plaats ingaan.

Bestuurdersaansprakelijkheid

4.5. Waar niet alleen de rechtspersonen die betrokken zijn geweest bij de termijnhandel in nieuwe tulpenrassen, maar veelal ook de (in)directe bestuurders van die rechtspersonen door de curator aansprakelijk worden gehouden voor de (vermeende) schade van het Fonds, ziet de rechtbank aanleiding reeds hier het volgende te overwegen.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat de gedagvaarde bestuurders van de rechtspersonen die in bollen hebben gehandeld persoonlijk aansprakelijk zijn, heeft de curator slechts in algemene bewoordingen aangevoerd dat het verlenen van medewerking aan dergelijke plannen om zich ten koste van het Fonds te verrijken onrechtmatig is en dat de bestuurders de rechtspersonen bewust hebben gebruikt als vehikel om de fraude te plegen. Hiermee gaat hij eraan voorbij dat van persoonlijke aansprakelijkheid van een natuurlijk persoon die bestuurder is van een rechtspersoon, alleen sprake kan zijn indien hem persoonlijk een ernstig verwijt treft. Voor zover de curator heeft nagelaten per aansprakelijk gestelde bestuurder aan te geven waarom díe bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatig handelen van de rechtspersoon waarvan hij (indirect) bestuurder is en evenmin heeft onderbouwd waarom díe bestuurder persoonlijk jegens het Fonds onrechtmatig heeft gehandeld, heeft hij niet aan zijn stelplicht voldaan en ligt de vordering tegen deze bestuurders voor dadelijke afwijzing gereed. De rechtbank zal bij de afzonderlijke behandeling van iedere gedaagde of groep gedaagden aangeven tegen welke bestuurders reeds op grond hiervan de vordering moet worden afgewezen.

De gestelde prijsopdrijving

4.6.1. Ter onderbouwing van zijn stelling dat gedaagden de prijs van nieuwe tulpenrassen kunstmatig hebben verhoogd, heeft de curator aangevoerd dat gedaagden, die op de hoogte waren van de komst van het Fonds en daarmee met de aanstaande geldinjectie in de markt van nieuwe tulpenrassen, vóór de oprichting van het Fonds bollen van nieuwe tulpenrassen onderling hebben verkocht tegen steeds hogere prijzen, vaak met gebruikmaking van vaste prijsopslagen. Hierdoor heeft Agricola op 31 oktober 2003 de bollen voor een absurd hoge, niet marktconforme prijs gekocht. De curator heeft daarbij verwezen naar gegevens zoals die blijken uit mXbulb en het rapport van HIG. Dat er geen sprake is geweest van een normale markt, blijkt volgens de curator wel indien een vergelijking wordt gemaakt met de handel in commodities, waarbij de prijzen ook tot stand komen door vraag en aanbod van handelaren op de markt. Die markt kan alleen normaal functioneren indien er -onder meer- een strikte scheiding van taken en verantwoordelijkheden is tussen de diverse partijen die actief zijn op de markt, de totstandkoming van de prijs door vraag en aanbod op geen enkele wijze kan worden beïnvloed door marktpartijen en voorafgaand aan het sluiten van transacties betalingszekerheid wordt geboden. Aan deze voorwaarden is in het onderhavige geval niet voldaan. In het onderhavige geval zijn kredietlimieten niet in acht genomen en zijn de prijzen door gedaagden beïnvloed, zelfs eenzijdig bepaald, zoals blijkt uit de tussen gedaagden en SBC per mail verzonden aanbodlijsten, waarop vaste prijsopslagen van

20-30% zijn gehanteerd.

4.6.2. Volgens de curator heeft het kunstmatig opdrijven van de prijs -in ieder geval- schade tot een bedrag van € 41.135.340,- tot gevolg gehad. Dit bedrag is berekend door het bedrag dat Agricola voor de bollen heeft betaald te verminderen met de bedrag waarvoor de bollen de eerste keer onderling zijn verkocht.

4.6.3. Gedaagden hebben betwist dat de prijs, waarvoor de bollen op 31 oktober 2003 aan Agricola zijn verkocht, niet marktconform was. Volgens hen dient er geen acht te worden geslagen op het rapport van HIG, omdat HIG de eigen rol van NovaCap c.s. geheel buiten het onderzoek heeft gelaten en er derhalve geen sprake is van een onafhankelijk onderzoek. Bovendien heeft HIG geen kennis van de tulpenbollenmarkt, heeft zij zich gebaseerd op onjuiste gegevens uit het onbetrouwbare mXbulb en is zij van onjuiste uitgangspunten uitgegaan. Gedaagden hebben daarbij aangevoerd dat de markt van nieuwe tulpenrassen niet te vergelijken is met een andere willekeurige markt. Zo kan de (verwachte) uniekheid van een ras maken dat een kleine hoeveelheid bollen een veel hoger bedrag oplevert dan andere grote hoeveelheden van dat ras, indien een marktpartij alle bollen van dat ras in handen wil hebben. Ook maakt het verschil of er sprake is van een ras dat nieuw op de markt wordt geïntroduceerd of van een nieuwer ras dat al op de markt bekend is. Ook het al dan niet kunnen verkrijgen van kwekersrechten op een bepaalde cultivar kan een belangrijk prijsopdrijvend element zijn. HIG heeft met dit alles geen rekening gehouden. Prijsstijgingen van 20% zijn volgens gedaagden niet ongebruikelijk in de tulpenbollenmarkt. Ook meerdere verkopen in één oogstjaar zijn niet uitzonderlijk. Van aanbodlijsten, waarop de prijs staat vermeld waarvoor de bollen via SBC kunnen worden verkocht, wordt al jaren gebruik gemaakt. De prijsstijgingen zijn volgens een aantal gedaagden bovendien mede veroorzaakt door de komst van het Fonds. Immers, Agricola diende voor het bedrag dat het Fonds wilde gaan beleggen, bollen van nieuwe tulpenrassen te kopen, terwijl er niet zoveel bollen van nieuwe rassen waren. De vraag was derhalve groot bij een klein aanbod, hetgeen niets anders dan prijsstijgingen tot gevolg kon hebben.

4.6.4. Voor zover gedaagden hebben gesteld dat het door HIG verrichte onderzoek een eenzijdig beeld geeft van hetgeen zich rondom SBC heeft afgespeeld en daarom niet als een onafhankelijk onderzoek kan worden beschouwd, kan de rechtbank gedaagden volgen. Zoals ook tijdens het pleidooi door de aanwezige medewerkers van HIG is beaamd, heeft HIG conform de opdracht van NovaCap c.s. (slechts) onderzoek verricht naar het handelen van SBC en gedaagden, zonder dat daarbij is stilgestaan bij de rol die NovaCap c.s. zelf heeft gehad bij het betreden van de markt van nieuwe tulpenrassen, bij de totstandkoming van de termijntransacties en het faillissement van SBC. Dat -zoals de curator heeft gesteld- NovaCap c.s. naar aanleiding van aantijgingen aan het adres van de bestuurders van NovaCap c.s. lopende het onderzoek wel heeft overwogen om het onderzoek uit te laten breiden, maar niet over de financiële middelen beschikte om HIG hiertoe opdracht te geven, maakt dit niet anders. Zeker waar de curator inmiddels zelf de integriteit van de bestuurders van NovaCap c.s. in twijfel trekt, getuige de aangifte die hij tegen hen heeft gedaan, ziet de rechtbank aanleiding de conclusies in het rapport met reserves te benaderen. Dit neemt niet weg dat de onder die conclusies liggende feiten en bescheiden bij de beoordeling kunnen worden betrokken.

4.6.5. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet ter discussie staat dat aan de transacties tussen -met name- [persoon 12] en Agricola vaak één of meer (door)verkopen zijn voorafgegaan, onder meer aan en door een aantal van gedaagden. Ook staat als onbetwist vast dat de prijs van de bollen daarbij over het algemeen is gestegen. Wél is tussen partijen in geschil of de prijs van de bollen daardoor kunstmatig is opgedreven, zoals de curator stelt. Het is aan de curator, op wie ter zake bewijslast en -risico rust, om feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit volgt dat de wijze waarop door gedaagden is gehandeld afwijkt van hetgeen gebruikelijk is bij de handel in nieuwe tulpenrassen, waardoor hoge, onder de gegeven omstandigheden niet marktconforme prijzen zijn ontstaan.

4.6.6. De curator heeft een vergelijking gemaakt met de handel in commodities, uit welke vergelijking volgens hem blijkt dat geen sprake kan zijn geweest van een normale markt. Nu door gedaagden gemotiveerd is betwist en door de curator niet nader is onderbouwd dat de tulpenbollenmarkt kan worden vergeleken met de handel in commodities zoals door de curator gedefinieerd, zal de rechtbank deze vergelijking laten voor wat het is.

4.6.7. Teneinde de rechtbank te laten zien dat sprake is geweest van onderlinge doorverkopen en daarmee gepaard gaande ongebruikelijke prijsstijgingen, heeft de curator bij pleidooi een aantal verkooptrajecten van nieuwe tulpenrassen uitgelicht, te weten de verkooptrajecten van de tulpenrassen Jazz, Remise en Riet Trompert.

4.6.8. Ten aanzien van laatstgenoemd tulpenras is door een aantal gedaagden terecht opgemerkt dat deze niet door Agricola is gekocht. Hetgeen hieromtrent door de curator is gesteld, kan derhalve hoe dan ook niet als voorbeeld dienen van de gestelde prijsopdrijving van de door Agricola gekochte bollen. Overigens kan hieruit wel worden afgeleid dat andere marktpartijen, die niets van doen hebben gehad met het Fonds of de aan- en verkopen van Agricola -althans dat is gesteld noch gebleken- blijkbaar bereid waren de door de curator als absurd hoog aangemerkte prijzen voor deze bollen te betalen.

4.6.9. Wat betreft de twee andere genoemde tulpenrassen is door [persoon 1] -en met hem door een aantal andere gedaagden- aangevoerd dat de door de curator gegeven weergave niet juist althans onvolledig is, omdat de curator heeft weggelaten dat bij beide tulpenrassen [persoon 12] ook bollen met verlies aan Agricola heeft verkocht. Hieruit blijkt wel volgens [persoon 1] dat niet is gehandeld aan de hand van vaste prijsopslagen en dat sprake is van een marktwerking die gebruikelijk is in de tulpenbollenmarkt. Door [persoon 1] zijn nog meer tulpenrassen opgesomd, waarbij bollen met verlies aan Agricola zijn verkocht. Na het pleidooi heeft [persoon 1] de vindplaatsen aangegeven van de gegevens, waaruit de verliesgevende verkopen van [persoon 12] aan Agricola volgens hem volgen. [persoon 1] heeft daarbij onder andere verwezen naar productie 2 overgelegd bij conclusie van antwoord van [persoon 12].

4.6.10. Met name uit voornoemde productie, waarvan de juistheid door de curator niet is betwist, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [persoon 12] niet alle partijen bollen die hij ten behoeve van Agricola had ingekocht met winst aan Agricola heeft verkocht. Waar door [persoon 1] of de overige gedaagden de door de curator uitgelichte verkooptrajecten verder niet inhoudelijk zijn betwist, kan -nu niet is gesteld of gebleken dat de transacties in de tulpenrassen Jazz en Remise niet representatief zijn voor de overige door [persoon 12] aan Agricola verkochte tulpenrassen- uit een en ander worden afgeleid dat:

- aan de verkoop van een bepaald tulpenras aan Agricola (vaak) meerdere verkopen zijn voorafgegaan,

- [persoon 12] de bollen van een bepaald tulpenras die hij aan Agricola heeft verkocht, (in veel gevallen) zelf in delen heeft aangekocht van verschillende verkopers tegen verschillende prijzen,

- [persoon 12] daarbij ten aanzien van meerdere tulpenrassen een partij bollen met verlies aan Agricola heeft verkocht, en

- [persoon 12] ten aanzien van ieder (althans van de meeste) tulpenras(sen) winst heeft gemaakt, indien alle door [persoon 12] verrichte transacties ten aanzien van dat bepaalde tulpenras in aanmerking worden genomen.

4.6.11. Dat door gedaagden gebruik is gemaakt van onderling overeengekomen vaste prijsopslagen of dat de plaatsgevonden prijsstijgingen anderszins niet gebruikelijk waren in de bloembollenhandel, kan hieruit echter níet worden afgeleid, terwijl dit nu juist door de curator moet worden onderbouwd.

4.6.12. Ter onderbouwing van de gestelde vaste prijsopslagen heeft de curator voorts verwezen naar de aanbodlijsten die door een aantal gedaagden aan SBC zijn gemaild. Wat dat betreft is door de betreffende gedaagden aangevoerd dat het heel gebruikelijk was om via aanbodlijsten aan SBC aan te geven welke bollen voor welke prijs verkocht konden worden. Dit is door de curator niet betwist. Wel heeft hij ten aanzien daarvan gesteld dat de omstandigheid dat dezelfde gedaagden ook gebruik maakten van “normale” aanbodlijsten er niet aan in de weg staat dat zij in een door hen gecreëerde submarkt gebruik hebben gemaakt van aanbodlijsten met absurd hoge vaste opslagprijzen. Zijn stelling dat er sprake is van een gecreëerde submarkt, heeft hij echter niet met feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat de aanbodlijsten, waarnaar hij verwijst, afwijken van “normale” aanbodlijsten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat door de curator niet is ingegaan op de stelling van gedaagden dat prijsstijgingen van 20% wel vaker voorkomen bij de handel in nieuwe tulpenrassen en overigens hoe dan ook heeft nagelaten aan te geven hoe de prijsontwikkeling van nieuwe tulpenrassen volgens hem was vóór de komst van het Fonds, althans de bekendheid daarmee. Verder is ook niet gesteld of gebleken dat er tussen de zich onder gedaagden bevindende kwekers en handelaren onderling overleg is geweest over het afwijken van “normale” aanbodlijsten. De bereidheid van andere marktpartijen om bollen van [persoon 12] te kopen tegen vergelijkbare kiloprijzen als die door Agricola zijn betaald, duidt er naar het oordeel van de rechtbank eerder op dat geen sprake is geweest van een submarkt waar de prijzen omhoog zijn gegaan, maar van een algehele prijsstijging van de bollen van nieuwe tulpenrassen. Door de curator is nog verwezen naar de prijzen die zijn betaald voor bollen die via bemiddeling door Hobaho of CBN zijn verkocht, maar ook dit kan hem niet baten. Voor zover er al bollen van nieuwe tulpenrassen via deze bemiddelingsbureaus zijn verkocht, is relevant dat als onbetwist vast staat dat koopovereenkomsten die via deze bemiddelingsbureaus tot stand kwamen onder andere condities werden gesloten en de handel via deze bemiddelingsbureaus reeds daarom niet kan worden vergeleken met de handel die via bemiddeling door SBC plaatsvond.

4.6.13. Bij het voorgaande komt nog dat door gedaagden wel een verklaring voor de prijsstijgingen is gegeven. Zij hebben gesteld dat door de komst van het Fonds de vraag naar bollen van nieuwe tulpenrassen aanzienlijk is toegenomen, terwijl het aanbod daarvan nagenoeg gelijk is gebleven, hetgeen prijsstijgingen tot gevolg heeft gehad.

4.6.14. De curator heeft betwist dat de vraag is toegenomen door de komst van het Fonds. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake was van nieuw kapitaal, nu veel van de participanten in het Fonds al actief waren in de markt. Nog daargelaten hoe dit zich verhoudt met de stelling van de curator dat gedaagden op de hoogte waren van de geldinjectie die de komst van het Fonds meebracht, miskent hij hiermee dat de niet eerder in de tulpenmarkt actieve (rechts)personen circa 30% van het fondsvermogen hebben bijeengebracht, hetgeen nog steeds een aanzienlijk bedrag van circa 29 miljoen euro aan nieuw kapitaal betekent op een markt, waarin voorheen -volgens de curator- transacties plaatsvonden met een totaalwaarde van 100 miljoen euro, terwijl laatstgenoemd bedrag volgens een aantal gedaagden zelfs aanzienlijk lager was. Bovendien miskent de curator daarbij dat via het Fonds op fiscaal gunstige wijze tegen beperkte risico’s kon worden geïnvesteerd in nieuwe tulpenrassen, waardoor het ook voor reeds actieve marktpartijen aantrekkelijk werd om via het Fonds meer geld aan nieuwe tulpenrassen te besteden dan voorheen. Door veel marktpartijen is zelfs geld van de HBU geleend om (voor een hoger bedrag) in het Fonds te kunnen participeren.

4.6.15. De curator heeft daarnaast gesteld dat Agricola alleen bollen zou kopen als er een verkoop tegenover stond, zodat ook om die reden de vraag naar tulpenbollen van nieuwe rassen niet is toegenomen. Deze redenering van de curator gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Nog daargelaten of de vraag naar bollen met valutadatum 31 oktober 2003 gelijk gesteld kan worden aan de vraag naar bollen met valutadatum 31 oktober 2004, ziet de curator hiermee eraan voorbij dat door de komst van het Fonds het geld dat in de markt beschikbaar was voor (de financiering van de ontwikkeling van) nieuwe tulpenrassen fors is toegenomen. Weliswaar was voor het Fónds de handel in tulpenbollen van nieuwe rassen uitsluitend een aantrekkelijke en veilig beschouwde beleggingsmogelijkheid, waarbij de onderliggende waarde, de tulpenbol van het nieuwe ras, anders dan zijn verwachte handelsopbrengst na een jaar, onbelangrijk was. Agricola kon in beginsel voor elke prijs bepaalde bollen kopen, mits daar maar een verkoopovereenkomst tegenover stond. Door de curator is ook niet weersproken dat het Fonds er zelfs belang bij had dat Agricola voor een hoge prijs relatief weinig bollen zou kopen, omdat daarmee de kosten voor het telen beperkt zouden kunnen blijven. Voor de marktpartijen, althans een aantal van hen, lag dit evenwel anders. Door de aard van hun bedrijfsvoering was het voor hen noodzakelijk de beschikking te krijgen over bollen van nieuwe rassen. Zij moesten aan de vraagzijde concurreren bij een gelijkblijvend aanbod op een markt waarin aanzienlijk meer geld omging, hetgeen een prijsopdrijvend effect pleegt te hebben.

4.6.16. Dit alles in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat de curator onvoldoende heeft betwist dat de injectie van ruim 80 miljoen euro, althans vele miljoenen en ten minste 29 miljoen euro, in de markt van nieuwe tulpenrassen een toename van de vraag tot gevolg heeft gehad. Aan het eerst in een laat stadium van het geding, namelijk bij pleidooi, gedane aanbod van de curator om nog door een deskundige uit te laten leggen waarom de prijsstijgingen niet kunnen worden verklaard door de normale werking van vraag en aanbod, dient derhalve te worden voorbijgegaan.

4.6.17. Resumerend is de rechtbank van oordeel dat door de curator onvoldoende feiten en/of omstandigheden zijn gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de wijze waarop gedaagden onder de gegeven omstandigheden na (de bekendwording van) de komst van het Fonds hebben gehandeld in tulpenbollen van nieuwe rassen afwijkt van hetgeen gebruikelijk is in die handel. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat gedaagden de prijs van de bollen die Agricola (indirect) van hen heeft gekocht, kunstmatig hebben opgedreven.

De gestelde gefingeerde koopovereenkomsten

4.7. De door de curator gestelde gefingeerde koopovereenkomsten vallen -zo begrijpt de rechtbank uit de stellingen van de curator- uiteen in twee categorieën, te weten:

a. koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2003, gesloten tussen gedaagden als verkopers en buitenlandse rechtspersonen als kopers, teneinde de positieve Posities van gedaagden bij SBC per 31 oktober 2003 te verhogen; en

b. koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2004, gesloten tussen gedaagden en/of de door hen (feitelijk) bestuurde (buitenlandse) rechtspersonen als kopers en Agricola als verkoper, teneinde het Fonds te laten geloven dat er termijnvorderingen waren ontstaan, die het Fonds van Agricola kon overnemen.

4.8.1. Wat betreft de koopovereenkomsten bedoeld onder a. heeft de curator gesteld dat gedaagden deze koopovereenkomsten met de buitenlandse rechtspersonen alleen maar zijn aangegaan om hun Posities bij SBC zo hoog mogelijk te laten worden, zodat het door SBC te ontvangen fondsvermogen grotendeels aan hen zou worden uitbetaald. De curator heeft daarbij aangevoerd dat gedaagden wisten dat de buitenlandse rechtspersonen niet in staat zouden zijn voor de bollen te betalen en dat er in de meeste gevallen geen kredietverzekering van toepassing was.

4.8.2. Volgens de curator hebben gedaagden als gevolg van deze gefingeerde koopovereenkomsten ten onrechte hun Posities verhoogd met een bedrag van € 85.560.981,- en hebben zij zo in totaal een bedrag van € 62.288.611,- teveel uitbetaald gekregen. Op dit laatste bedrag is het door de curator gevorderde bedrag van € 47.424.283,- ook gebaseerd. Het bedrag van € 47.424.283,- is namelijk berekend door het aandeel van Agricola in het totale bedrag waarvoor op 31 oktober 2003 bollen via SBC zijn gekocht te vermenigvuldigen met het bedrag dat SBC ten onrechte op grond van gestelde fictieve Posities per 31 oktober 2003 aan gedaagden heeft uitbetaald (of te wel 83.750.000/110.000.000 x € 62.288.611,-).

4.8.3. Door de betreffende gedaagden is betwist dat zij hun Posities bij SBC per 31 oktober 2003 hebben verhoogd door koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2003 aan te gaan met buitenlandse rechtspersonen die niet zouden kunnen betalen. Zij hebben

ter zake aangevoerd dat dit voor hen normale koopovereenkomsten waren, waarbij zij er niet van op de hoogte waren dat de koper niet zou (kunnen) betalen en er ook niet mee bekend waren dat op die koopovereenkomst geen kredietverzekering van toepassing was. Door gedaagden is daarnaast gesteld dat zij niet wisten dat SBC de één-op-één relatie zou loslaten.

4.8.4. De rechtbank acht met gedaagden dit laatste van belang, nu de werkwijze die SBC volgens het Reglement SBC zou moeten volgen immers eraan in de weg staat dat marktpartijen met een positieve Positie uitbetaald worden, terwijl hun kopers niet hebben betaald. Dit betekent dat, wil er ter zake sprake kunnen zijn van onrechtmatig handelen van gedaagden, het in ieder geval nodig is dat bij de betreffende gedaagden de wetenschap bestond dat SBC de één-op-één relatie zou loslaten. Uit de stellingen van de curator kan worden afgeleid dat dit volgens hem het geval is geweest, maar enige onderbouwing daarvan ontbreekt. Het achteraf signaleren dat verschillende gedaagden bollen hebben verkocht aan buitenlandse rechtspersonen, dat deze verkopen zijn meegenomen bij het vaststellen van de Posities van gedaagden bij SBC per 31 oktober 2003 en dat de buitenlandse rechtspersonen -voor zover dat tenminste niet is betwist- ter zake niet aan hun betalingsverplichtingen hebben voldaan, is hiervoor onvoldoende. Reeds op grond hiervan moet geoordeeld worden dat onvoldoende is komen vast te staan dat gedaagde de betreffende koopovereenkomsten hebben gesloten met als doel zich ten koste van het Fonds te verrijken.

4.8.5. Aangenomen mag worden dat marktpartijen in het algemeen geen belang zullen hebben bij verstoring van het systeem, hetgeen het gevolg zal zijn van het fictief verhogen van Posities. Zij zitten immers langdurig in deze bedrijfstak en hebben er baat bij dat de markt goed blijft functioneren. Bij het vorenoverwogene verdient dan ook opmerking dat de curator er geen verklaring voor heeft gegeven waarom de onder gedaagden bevindende marktpartijen er in het onderhavige geval voor zouden hebben gekozen de continuïteit van de markt in de waagschaal te stellen voor een éénmalig gewin.

4.8.6. Overigens, ook voor zover wel was komen vast te staan dat gedaagden de koopovereenkomsten met valutadatum 31 oktober 2003 alleen zijn aangegaan om hun positieve Posities (tijdelijk) te verhogen, zou het de vraag zijn geweest of en op welke wijze het Fonds hierdoor schade zou kunnen hebben geleden. Deze koopovereenkomsten hadden betrekking op valutadatum 31 oktober 2003, op welke datum Agricola alleen maar behoefde te betalen, terwijl zij -althans het Fonds die de termijnvorderingen van haar heeft overgenomen- eerst op 31 oktober 2004 recht had op betaling door de afnemers van Agricola. Indien de Posities van gedaagden op deze wijze waren gemanipuleerd, dan zou dit derhalve op geen enkele wijze invloed hebben gehad op de Positie van Agricola per 31 oktober 2003. Voor zover door de curator is aangevoerd dat de gelden die gedaagden op grond van hun fictief verhoogde Posities zouden hebben ontvangen, afkomstig waren van het Fonds, ziet de curator eraan voorbij dat met het via Agricola aan SBC betaalde fondsvermogen de verkopers van Agricola zijn betaald -althans gesteld noch gebleken is dat dat niet is gebeurd- waarvoor Agricola ook daadwerkelijk bollen geleverd heeft gekregen.

4.9.1. Wat betreft de koopovereenkomsten bedoeld onder b. heeft de curator aangevoerd dat gedaagden deze koopovereenkomsten met Agricola hebben gesloten, maar in werkelijkheid nooit van plan zijn geweest om de bollen af te nemen en daarvoor te betalen. Nadat het Fonds het volledige fondsvermogen had geïnvesteerd en gedaagden -ook voor het door hen gefingeerde gedeelte van hun positieve Positie- grote sommen geld hadden geïncasseerd, zijn deze koopovereenkomsten met Agricola massaal betwist, aldus de curator.

4.9.2. De rechtbank overweegt dat, wil sprake zijn van een dergelijk door gedaagden vooropgezet plan om het Fonds te bewegen het volledige fondsvermogen te investeren, in ieder geval nodig is dat vast komt te staan dat de (achteraf betwiste) koopovereenkomsten daadwerkelijk door gedaagden of de door hen bestuurde rechtspersonen met Agricola zijn aangegaan. Dat is nu juist hetgeen de gedaagden, die op de koopbriefjes van SBC als koper staan vermeld, na 23 november 2003 hebben ontkend. De rechtbank acht ter zake van belang dat in de procedures die NovaCap c.s. tegen een aantal van de vermeende kopers heeft aangespannen, inmiddels is geoordeeld dat in al die gevallen geen koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen tussen Agricola en de op de koopbriefjes vermeld staande kopers. De curator heeft tijdens het pleidooi aangegeven af te zien van het instellen van hoger beroep tegen deze vonnissen. Indien hij desondanks aan zijn vordering in de onderhavige procedure ten grondslag wil blijven leggen dat gedaagden gefingeerde koopovereenkomsten met Agricola hebben gesloten, had het op zijn weg gelegen zijn stellingen dienaangaande met meer feiten en/of omstandigheden te onderbouwen dan de enkele verwijzing naar de koopbriefjes. Nu de curator dit heeft nagelaten, heeft hij ook wat dit betreft niet voldaan aan zijn stelplicht. De rechtbank zal er derhalve van uitgaan dat voor zover gedaagden dan wel de door hen bestuurde rechtspersonen na 23 november 2003 hebben ontkend dat zij een koopovereenkomst met Agricola zijn aangegaan, er geen koopovereenkomst met valutadatum 31 oktober 2004 tussen Agricola en de betreffende gedaagden dan wel de door hen bestuurde rechtspersonen tot stand is gekomen.

4.9.3. Niet is derhalve komen vast te staan dat er gefingeerde koopovereenkomsten gesloten zijn met Agricola, althans niet door de zich onder gedaagden bevindende kwekers en handelaren, die op de koopbriefjes van SBC als koper van Agricola staan vermeld.

4.9.4. Dat moet worden aangenomen dat de hier bedoelde koopovereenkomsten nooit tot stand zijn gekomen, brengt mee dat de koopbriefjes, waarop deze koopovereenkomsten zijn vastgelegd, geen juiste gegevens bevatten. De rechtbank zal deze koopbriefjes verder aanduiden als valse koopbriefjes. Nu de valse koopbriefjes door SBC zijn opgesteld, rijst de vraag of en in hoeverre de voormalig bestuurders van SBC, [persoon 1] en [persoon 2], aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schade die het Fonds mogelijk als gevolg van de valse koopbriefjes heeft geleden. Nu dit -gelet op hetgeen hiervoor is overwogen- hoe dan ook niet als onderdeel van een samenspanning tegen het Fonds zal kunnen worden aangemerkt, daar de overige gedaagden daar niet bij betrokken zijn, ziet de rechtbank aanleiding hierop nader in te gaan in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12 bij de afzonderlijke verwijten die de curator deze gedaagden heeft gemaakt.

4.10.1. Nu noch het kunstmatig opdrijven van de prijs noch het sluiten van gefingeerde koopovereenkomsten is komen vast te staan en de curator geen andere gedragingen aan de gestelde samenspanning ten grondslag heeft gelegd, dient de vordering, voor zover het gestelde onrechtmatig handelen alleen daarop is gebaseerd, te worden afgewezen. De rechtbank wil hierbij niet onopgemerkt laten dat de omstandigheid dat achteraf bepaalde gebeurtenissen die bij de handel in nieuwe tulpenrassen hebben plaatsgevonden, in onderling verband en samenhang beschouwd, vreemd voorkomen, nog geen vordering uit onrechtmatig handelen oplevert.

4.10.2. Gezien het voorgaande staat ook vast dat gedaagden hoe dan ook niet op grond van artikel 6:166 BW aansprakelijk kunnen worden gehouden voor schade die is ontstaan als gevolg van een (mogelijk) andere onrechtmatige daad van één van de andere gedaagden. De gestelde samenspanning was immers de enige grondslag voor de groepsaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:166 BW.

De rechtbank zal hieronder iedere gedaagde of groep gedaagden afzonderlijk langslopen.

[persoon 1] (gedaagde sub 1)

4.11.1. Voor zover de curator de vordering tegen [persoon 1] heeft gebaseerd op de gestelde samenspanning, dient de vordering, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 reeds is overwogen, te worden afgewezen.

4.11.2. Aan de vordering tegen [persoon 1] is bij conclusie van repliek tevens ten grondslag gelegd dat hij als bestuurder van SBC heeft bewerkstelligd en/of toegelaten dat SBC de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen en dat hem daarvan een zodanig ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt dat hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk is. De wanprestatie van SBC heeft volgens de curator bestaan uit het opstellen van valse koopbriefjes, althans het niet deugdelijk vastleggen van koopovereenkomsten, het bewust geen zekerheid laten stellen door kopers, het bewust negeren van signalen uit de eigen organisatie over oneigenlijke verhogingen van kredietlimieten en het verrichten van uitbetalingen in strijd met de één-op-één relatie en op een moment dat al bekend was dat koopovereenkomsten werden betwist, dan wel waren teruggedraaid.

4.11.3. Waar de curator stelt dat SBC jegens “NovaCap” is tekortgeschoten door de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk na te komen, kan hiermee niets anders zijn bedoeld dan dat SBC jegens Agricola is tekortgeschoten. De bemiddelingsovereenkomst is immers tussen SBC en Agricola gesloten.

4.11.4. De rechtbank stelt vast dat [persoon 1] niet inhoudelijk is ingegaan op de stelling dat door SBC jegens Agricola wanprestatie is gepleegd. Hij heeft wat dit betreft enkel aangevoerd dat de feiten concreet anders liggen en dat daardoor het door de curator gestelde, waaronder -zo begrijpt de rechtbank- het niet deugdelijk nakomen van de bemiddelingsovereenkomst, niet kan worden bewezen. Nu [persoon 1] heeft nagelaten aan te geven hoe de feiten volgens hem dan wel liggen met betrekking tot de valse koopbriefjes, de verhogingen van kredietlimieten, de kopers die geen zekerheid bleken te hebben gesteld en het ontbreken van de beloofde verzekeringen, terwijl hij bij uitstek degene is die daarover opheldering moet kunnen verschaffen, kan dit niet als een voldoende gemotiveerde betwisting van de wanprestatie worden aangemerkt. In een ander verband heeft [persoon 1] ten aanzien van het loslaten van de één-op-één relatie bij de uitbetaalronde van 31 oktober 2003 aangevoerd dat dit het gevolg is geweest van de weigering van Agricola om voor de resttransacties te betalen. Hierdoor werd SBC, die al was begonnen met uitbetalingen aan de verkopers, volgens [persoon 1] niet meer in staat gesteld de kosten te betalen. Nu SBC vanuit het principe van de één-op-één relatie niet mocht beginnen met het doen van uitbetalingen indien de betreffende koopsommen, inclusief de gedeelten daarvan die betrekking hebben op de kosten, nog niet door haar waren ontvangen, gaat deze stelling van [persoon 1] niet op. Voor zover dit al als een betwisting van de wanprestatie moet worden aangemerkt, kan dit [persoon 1] derhalve niet baten. Nu de door de curator opgesomde handelingen ieder voor zich een tekortkoming van SBC jegens Agricola zouden opleveren indien daarvan sprake is geweest en deze handelingen niet, althans onvoldoende door [persoon 1] zijn betwist, dient de rechtbank als vaststaand aan te nemen dat SBC haar verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen.

4.11.5. De rechtbank is van oordeel dat indien SBC Agricola schade zou hebben berokkend door het niet deugdelijk nakomen van de bemiddelingsovereenkomst, geoordeeld had kunnen worden dat het handelen van [persoon 1] als bestuurder van SBC ten opzichte van Agricola, als schuldeiser van SBC, onder de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig was geweest, dat hem van die wanprestatie en de daardoor aan Agricola berokkende schade een ernstig verwijt zou kunnen worden gemaakt. De rechtbank overweegt daartoe dat [persoon 1] zeer nauw betrokken is geweest bij de uitvoering van de bemiddelingsovereenkomst, nu hijzelf in nagenoeg alle gevallen als commissionair bij de aan- en verkopen van Agricola is opgetreden en zelf feitelijk de handelingen heeft verricht die tekortkomingen van SBC jegens Agricola opleveren. De rechtbank acht daarbij met name van belang dat, zoals niet is betwist, de valse koopbriefjes door [persoon 1] zelf zijn opgesteld.

4.11.6. Echter, zoals reeds in rechtsoverweging 4.2.1 is overwogen, is Agricola niet de rechtspersoon die de schade heeft geleden, waarvan de curator in deze procedure vergoeding vordert. Agricola heeft de bollen die zij via bemiddeling door SBC heeft gekocht, betaald met het bedrag dat zij van het Fonds had ontvangen als koopsom voor de termijnvorderingen. Dat een groot deel van deze termijnvorderingen achteraf niet bleken te bestaan, heeft, nu dit voor het Fonds geen reden is geweest van Agricola terugbetaling te vorderen, geen (financiële) gevolgen voor Agricola gehad. Bij gebreke van schade aan de zijde van Agricola, kan [persoon 1] dus ook niet worden verweten dat door zijn handelwijze als bestuurder van SBC bij Agricola schade is ontstaan.

4.11.7. Voor zover de curator heeft willen stellen dat [persoon 1] door te bewerkstelligen dat SBC de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen onrechtmatig heeft gehandeld jegens het Fonds, miskent hij dat het Fonds geen contractspartij bij de bemiddelingsovereenkomst met SBC is en dat de enkele verwijzing naar de -hiervoor vastgestelde- wanprestatie van SBC jegens Agricola niet voldoende is om SBC, laat staan [persoon 1] als haar bestuurder, aansprakelijk te kunnen houden voor de schade die het Fonds als gevolg van de niet deugdelijke uitvoering van de bemiddelingsovereenkomst met Agricola mogelijk heeft geleden. Het plegen van wanprestatie jegens een contractspartij kan wel tevens een onrechtmatige daad jegens een derde opleveren, maar daarvoor moet meer worden gesteld. De rechtbank overweegt daartoe dat indien de belangen van een derde zo nauw zijn betrokken bij de behoorlijke uitvoering van een overeenkomst dat hij schade kan lijden als een contractant in die uitvoering tekortschiet, de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt kunnen meebrengen dat die contractant deze belangen dient te ontzien door zijn gedrag mede door die belangen te laten bepalen. Of deze normen dat in een specifiek geval meebrengen, zal afhangen van de omstandigheden van het geval, zoals de hoedanigheid van alle betrokken partijen, de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt en de vraag of van hem kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, alsmede de redelijkheid van een eventueel aan de derde aangeboden schadeloosstelling. Vastgesteld moet worden dat de curator niet heeft gesteld dat in dit geval de normen van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt meebrengen dat ([persoon 1] als bestuurder van) SBC zich in haar(/zijn) handelen in de rechtsverhouding tot Agricola mede had moeten laten leiden door de belangen van het Fonds en (logischerwijs) ook heeft nagelaten omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat dat in dit geval zo is. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de curator onvoldoende heeft gesteld dat en waarom ([persoon 1] als bestuurder van) SBC aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die SBC het Fonds mogelijk zou hebben berokkend door de bemiddelingsovereenkomst met Agricola niet deugdelijk na te komen. De rechtbank merkt hierbij nogmaals op dat -zeker in een procedure als de onderhavige, waarin uitgebreid is geconcludeerd en gepleit- van de eisende partij mag worden verwacht dat specifiek wordt aangegeven op grond waarvan de gedaagde partij wordt aangesproken, zodat de gedaagde partij in staat wordt gesteld zich gericht daartegen te kunnen verweren.

4.11.8. Uit het voorgaande volgt dat op grond van hetgeen door de curator is aangevoerd, de rechtbank niet tot het oordeel kan komen dat [persoon 1] persoonlijk aansprakelijk is voor de gestelde schade van het Fonds. De vordering tegen [persoon 1] zal derhalve worden afgewezen.

[persoon 2] (gedaagde sub 2)

4.12.1. Voor zover de curator de vordering tegen [persoon 2] heeft gebaseerd op de gestelde samenspanning, dient de vordering, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 reeds is overwogen, te worden afgewezen.

4.12.2. Ook ten aanzien van [persoon 2] heeft de curator tevens aan de vordering ten grondslag gelegd dat zij als bestuurder van SBC heeft bewerkstelligd, althans wist dan wel behoorde te weten dat SBC de bemiddelingsovereenkomst met NovaCap c.s. niet deugdelijk is nagekomen. Nu de curator ten aanzien van [persoon 2] eveneens heeft nagelaten om voldoende te stellen dat en waarom (zij als bestuurder van) SBC aansprakelijk is voor schade die SBC het Fonds mogelijk zou hebben berokkend door de bemiddelingsovereenkomst met Agricola niet deugdelijk na te komen, is de rechtbank

-onder verwijzing naar rechtsoverweging 4.11.7- van oordeel dat de vordering tegen [persoon 2], voor zover die hierop is gebaseerd, reeds daarom niet kan worden toegewezen.

4.12.3. Daar komt nog bij dat -zelfs indien de curator wel voldoende zou hebben gesteld dat en waarom SBC aansprakelijk kan worden gehouden voor de schade die het Fonds heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van SBC jegens Agricola- heeft te gelden dat [persoon 2], anders dan [persoon 1], naar het oordeel van de rechtbank geen voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van het niet deugdelijk nakomen van de bemiddelingsovereenkomst door SBC en de -eventueel- daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor het Fonds. Aan de curator kan worden toegegeven dat aan [persoon 2] kan worden verweten dat zij bij de uitbetalingen op 12 en 13 november 2003 aan een aantal relaties van SBC de controlehandelingen ter vaststelling van de positieve Posities van die relaties in het licht van de één-op-één relatie niet volledig in acht heeft genomen, waardoor SBC tegenover andere relaties wanprestatie pleegde. Het enkele feit dat een bestuurder een fout maakt in de uitvoering van zijn werkzaamheden als bestuurder van een vennootschap maakt hem tegenover derden echter niet persoonlijk aansprakelijk voor de gevolgen van die fout. Dit is anders indien de bestuurder, toen hij die fout maakte, wist of behoorde te weten dat derden van die fout schade zouden ondervinden en hem kan worden verweten dat hij desondanks die fout heeft gemaakt. Hoewel [persoon 2] behoorde te weten dat bij onvoldoende controle van de één-op-één relatie het risico bestond dat aan sommige relaties in november 2003 méér zou worden betaald dan waarop zij aanspraak konden maken en dat aan andere relaties daardoor mogelijk niet zou kunnen worden uitbetaald, kan aan haar als bestuurder van SBC, de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking nemende, door derden als het Fonds niet worden verweten dat zij in weerwil van deze wetenschap die controle op 12 en 13 november 2003 niet heeft uitgevoerd. In dit verband is het volgende van belang.

Zoals onvoldoende door de curator is betwist, ervoer [persoon 2] in de hier aan de orde zijnde periode grote druk door de dreigementen die achteraf door [persoon 1] in scène bleken te zijn gezet. Dat de bedreigingen zowel door [persoon 2] als door de politie als zeer serieus zijn opgevat mag wel blijken uit de omstandigheid dat [persoon 2] een periode op last van de politie niet in haar eigen huis heeft kunnen slapen en zich alleen onder begeleiding van de door [persoon 1] ingeschakelde beveiligingsdienst buiten haar woning kon begeven. Ook staat -als niet, althans onvoldoende betwist- vast dat [persoon 2] niet alle bescheiden kreeg van [persoon 1] dan wel [persoon 77] die nodig waren om een volledige controle uit te voeren en dat zij ermee bekend was dat er slechts enkele dagen voordat zij de betalingen had geaccordeerd ten aanzien van de aan- en verkopen van Agricola reeds verschillende controles waren uitgevoerd door de accountants van het Fonds en de Bewaarder. Dat zij onder de druk die zij ervoer, maar in de wetenschap dat er al verschillende controles door accountants hadden plaatsgevonden, ervoor heeft gekozen de betalingen te accorderen zonder alle controlehandelingen te hebben verricht, is wel onzorgvuldig, maar niet in die mate verwijtbaar die nodig is om haar persoonlijk aansprakelijk te kunnen houden. Dat [persoon 2] wist, althans had moeten weten dat er binnen SBC handelingen werden verricht die niet conform het Reglement SBC waren en ook daarom niet tot het accorderen van de betalingen had mogen overgaan, is onvoldoende komen vast te staan. De curator heeft wat dat betreft namelijk wel gesteld dat [persoon 2] bewust signalen heeft genegeerd over de valse koopbriefjes en de oneigenlijke kredietverhogingen, maar heeft vervolgens niet betwist dat -zoals [persoon 2] heeft gesteld- [persoon 2] zich bij ieder probleem dat zich met een koopovereenkomst voordeed tot [persoon 1] heeft gewend om het probleem op te lossen. Ook heeft de curator niet weersproken dat [persoon 2] in oktober 2003, toen er een aantal meldingen van klanten binnenkwam over niet afgesloten koopovereenkomsten, met [persoon 1] heeft afgesproken dat alle correcties die [persoon 1] wilde doorvoeren eerst met haar zouden worden besproken. De curator merkt deze handelingen en de overige verbeteringen van de administratie die [persoon 2] heeft doorgevoerd aan als ”window dressing”, maar nu hij dit verder niet onderbouwt en de verbeteringen, althans de pogingen daartoe, zoals die blijken uit de overgelegde emailberichten, de rechtbank serieus en daadwerkelijk gericht op verbetering van de administratie voorkomen, moet daaraan worden voorbijgegaan. Niet kan eraan worden voorbijgegaan dat de curator in het faillissement van SBC de administratie van SBC, waarvoor [persoon 2] verantwoordelijk was, op orde heeft bevonden. Met de curator is de rechtbank wel van oordeel dat [persoon 2] als bestuurder haar eigen verantwoordelijkheden heeft en zich niet achter haar medebestuurder [persoon 1] mag verschuilen. Echter, indien haar medebestuurder -zoals niet door de curator betwist- buiten haar medeweten handelingen verricht in strijd met het Reglement SBC en haar daarover niet juist inlicht, ook niet nadat zij vanuit haar verantwoordelijkheid die medebestuurder aanspreekt op bepaald handelen en met hem afspraken maakt teneinde te kunnen controleren of alles conform het Reglement SBC verloopt, kan haar geen voldoende ernstig verwijt worden gemaakt dat zij in goed vertrouwen ervan is uitgegaan dat haar medebestuurder haar juist inlichtte en zo niet heeft kunnen voorkomen dat SBC de bemiddelingsovereenkomst niet deugdelijk is nagekomen.

Blumex c.s. (gedaagden sub 3, 4, 5, 34, 35, 36, 37, 38 en 39)

4.13.1. Ten aanzien van Blumex c.s. heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.13.2. Opmerking hierbij verdient dat door Blumex c.s. is gesteld dat gedaagde sub 4, Import Blumex Export B.V., in het geheel geen activiteiten heeft op de tulpenbollenmarkt. Nu dit niet door de curator is betwist, kan de vordering tegen gedaagde sub 4 ook om die reden niet worden toegewezen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt immers niet in te zien hoe een rechtspersoon die niet actief is in de tulpenbollenmarkt en ook geen bestuurder is van een rechtspersoon die dat wel is, betrokken kan zijn bij een samenspanning zoals door de curator is gesteld. Het voorgaande geldt bijgevolg ook voor de (indirecte) bestuurders van gedaagde sub 4.

4.13.3. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 34, 35, 36, 37 en 38 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Tomorrow’s Tulips, Import Blumex Export B.V. en/of Blumex (gedaagden sub 3, 4 en/of 5) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van de betreffende rechtspersoon waarvan zij (indirect) bestuurder zijn. Ten aanzien van [persoon 39] (gedaagde sub 39), heeft de curator wél meer gesteld, namelijk dat hij zelf actief heeft meegedaan aan het zenden van aanbodlijsten met vaste opslagen, maar dit behoeft gelet op rechtsoverweging 4.13.1 geen bespreking meer.

Triflor c.s. (gedaagden sub 8, 16, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49)

4.14.1. Ten aanzien van Triflor c.s. heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.14.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 16, 43, 44, 45, 46, 47, 48 en 49 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Triflor (gedaagde sub 8) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van Triflor.

Future Tulip (gedaagde sub 9)

4.15. Ten aanzien van Future Tulip heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

[persoon 10, 53, 54, 55, 56] (gedaagden sub 10, 53, 54, 55 en 56)

4.16.1. Ten aanzien van [persoon 10, 53, 54, 55, 56] heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.16.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 53 en 54 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van [persoon 10] (gedaagde sub 10) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van [persoon 10]. Ten aanzien van óf gedaagde sub 55 óf gedaagde sub 56 heeft de curator wél meer gesteld, namelijk dat ”[persoon 55 of 56]” zelf actief heeft meegedaan aan het zenden van aanbodlijsten met vaste opslagen, maar die onduidelijkheid nog daargelaten, behoeft dit gelet op rechtsoverweging 4.16.1 geen bespreking meer.

Vertuco c.s. (gedaagden sub 11, 57, 58, 59, 60, 61, 62, 63 en 64)

4.17.1. Ten aanzien van Vertuco c.s. heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.17.2. Opmerking hierbij verdient dat door Vertuco c.s. als verweer is gevoerd dat Vertuco (gedaagde sub 11) als veredelaar één van de leveranciers is van nieuwe rassen. Zij heeft dan ook alleen maar bollen verkocht en dat ook nog eens alleen aan Nederlandse rechtspersonen. Nu dit niet door de curator is weersproken, zal dit als vaststaand worden aangenomen. De rechtbank is van oordeel dat de vordering tegen Vertuco ook om die reden niet kan worden toegewezen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt immers niet in te zien hoe een veredelaar die alleen aan het begin van een verkooptraject staat en ook niet aan (niet betalende) buitenlandse rechtspersonen heeft verkocht, betrokken kan zijn bij een samenspanning zoals door de curator is gesteld. Het voorgaande geldt bijgevolg ook voor de (indirecte) bestuurders van Vertuco.

4.17.3. Overigens zou de vordering tegen de (indirecte) bestuurders van Vertuco (gedaagden sub 57, 58, 59, 60, 62, 63 en 64) hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Vertuco aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van Vertuco.

[persoon 12] (gedaagde sub 12)

4.18.1. Voor zover de curator de vordering tegen [persoon 12] heeft gebaseerd op de gestelde samenspanning, dient de vordering, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 reeds is overwogen, te worden afgewezen.

4.18.2. Tijdens het pleidooi heeft de curator daarnaast nog aangevoerd dat [persoon 12] als redelijk handelend opdrachtnemer NovaCap c.s. had moeten waarschuwen voor de steeds stijgende prijzen die onmiskenbaar op fraude duiden. Voor zover hij hiermee heeft bedoeld om naast onrechtmatig handelen ook wanprestatie aan de vordering ten grondslag te leggen, overweegt de rechtbank dat een dergelijke wijziging van de grondslag alleen schriftelijk bij conclusie of akte ter rolle kan geschieden. Nu dit niet is gebeurd, zal de rechtbank deze eiswijziging, indien al zo bedoeld, buiten beschouwing laten.

Ruwa Bulbs c.s. (gedaagden sub 13, 14, 65, 66 en 67)

4.19.1. Ten aanzien van Ruwa Bulbs c.s. heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.19.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 65 en 67 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Ruwa Bulbs en/of Eurotulp B.V. (gedaagden sub 13 en 14) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van de betreffende rechtspersoon waarvan zij (indirect) bestuurder zijn.

4.19.3. Ten aanzien van [persoon 66] (gedaagde sub 66) heeft de curator wél meer gesteld ter onderbouwing van zijn aansprakelijkheid als beneficial owner van Gilbertus Limited (de niet verschenen gedaagde sub 28), namelijk dat [persoon 66] zelf nauw betrokken is geweest bij SBC en het Fonds en bovendien wist dat Gilbertus Limited, die was opgericht om bollen aan te verkopen, nooit aan haar betalingsverplichtingen uit de te sluiten koopovereenkomsten zou kunnen voldoen. Nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een samenspanning en de curator de gedragingen van [persoon 66] wel in het licht heeft geplaatst van die samenspanning, kan dit reeds daarom niet tot toewijzing van de vordering tegen [persoon 66] leiden. Voor zover dit echter wel los van de samenspanning zou moeten worden beschouwd en de curator heeft bedoeld [persoon 66] als (feitelijk) bestuurder van genoemde buitenlandse vennootschap aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van de omstandigheid dat die buitenlandse vennootschap haar betalingsverplichtingen uit de gesloten koopovereenkomsten niet is nagekomen, is van belang dat die buitenlandse vennootschap geen koopovereenkomsten met het Fonds heeft gesloten en het derhalve ook niet mogelijk is dat zij koopovereenkomsten met het Fonds niet is nagekomen. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.11.7 ten aanzien van [persoon 1], hetgeen in deze situatie ook geldt. Indien de curator hem als feitelijk bestuurder van de buitenlandse vennootschap aansprakelijk had willen stellen voor schade die het Fonds heeft geleden doordat de buitenlandse vennootschap haar betalingsverplichtingen jegens derden niet is nagekomen, had de curator dienen te stellen dat en waarom [persoon 66] in de gegeven omstandigheden daarvoor aansprakelijk is. Nu de curator dat heeft nagelaten, is er ook geen grond om [persoon 66], voor zover hij al als feitelijk bestuurder van bedoelde buitenlandse vennootschap zou kunnen worden aangemerkt, op deze grond aansprakelijk te houden voor de door de curator gevorderde schade.

[persoon 15, 50, 51 en 52] (gedaagden sub 15, 50, 51 en 52)

4.20.1. Ten aanzien van [persoon 15, 50, 51 en 52] heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.20.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 50, 51 en 52 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van [persoon 15] (gedaagde sub 15) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van [persoon 15].

[personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] (gedaagden sub 17, 18, 19, 20, 68 en 69)

4.21.1. Ten aanzien van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.21.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 17, 18, 68 en 69, althans voor zover deze gedaagden als bestuurder zijn aangesproken, hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Noorderbollen en/of Desnyey (gedaagde sub 19 en 20), alsmede van de inmiddels gefailleerde NWI (gedaagde sub 21) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van de betreffende rechtspersoon waarvan zij (indirect) bestuurder zijn.

4.21.3. De procedure tegen NWI (gedaagde sub 21), welke -failliete- vennootschap aanvankelijk eveneens tot de groep van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] werd gerekend, blijft geschorst. De geschorste procedure zal naar de parkeerrol van 7 april 2010 worden verwezen tot dat de meest gerede partij inlichten verstrekt over de vraag of de vordering in het faillissement van NWI ter verificatie is aangeboden en al dan niet in de verificatievergadering is betwist.

MMI c.s. (gedaagden sub 22, 23, 26 en 30)

4.22. Ten aanzien van MMI c.s. heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

Lenore (gedaagde sub 24)

4.23. Ten aanzien van Lenore heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

[persoon 25] en [persoon 71] (gedaagden sub 25 en 71)

4.24.1. Hoewel de aan [persoon 25] en [persoon 71] verweten gedragingen -logischerwijs, gezien hun positie in de tulpenbollenhandel- feitelijk grotendeels andere zijn dan de verwijten die aan de marktpartijen en/of de bestuurders van SBC zijn gemaakt, zijn ook hun gedragingen in het licht geplaatst van de gestelde samenspanning. Ook wat betreft de vordering tegen [persoon 25] en [persoon 71] komt het derhalve erop neer dat daaraan ten grondslag is gelegd dat zij -persoonlijk en/of als bestuurder van buitenlandse rechtspersonen- met de overige gedaagden hebben samengespannen tegen het Fonds.

4.24.2. Nu de feiten en omstandigheden die volgens de curator tot de conclusie leiden dat er sprake is geweest van samenspanning, niet zijn komen vast te staan, moet reeds op grond daarvan worden geoordeeld dat de grond aan de vordering is komen te ontvallen en de vordering moet worden afgewezen. Voor zover de curator [persoon 25] en [persoon 71] heeft aangesproken als feitelijke bestuurders van buitenlandse vennootschappen, kan derhalve het verweer van [persoon 25] en [persoon 71] dat zij geen feitelijk bestuurder zijn van een buitenlandse rechtspersoon onbesproken blijven. Hetzelfde geldt bijgevolg voor de vraag naar welk recht moet worden beoordeeld of [persoon 25] en [persoon 71] als feitelijk bestuurder van een buitenlandse rechtspersoon onrechtmatig jegens het Fonds hebben gehandeld.

4.25. Opmerking hierbij verdient dat door [persoon 71] is aangevoerd dat hij geen werkzaamheden op de Nederlandse tulpenbollenmarkt heeft verricht, anders dan dat hij als notaris juridische adviezen heeft gegeven over de oprichting en de structuur van buitenlandse rechtspersonen aan partijen die handelen op de Nederlandse tulpenbollenmarkt. Dit is onvoldoende door de curator weersproken, waar ter onderbouwing van de vordering tegen [persoon 71] weliswaar is verwezen naar werkzaamheden die “[persoon 25] en/of [persoon 71] namens Multi Trust Advisor S.A.” hebben verricht voor buitenlandse vennootschappen, maar is nagelaten feiten en/of omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat [persoon 71], die geen werknemer is van Multi Trust Advisor S.A., werkzaamheden namens Multi Trust Advisor S.A. of bestuurshandelingen voor één van de door de curator genoemde buitenlandse rechtspersonen heeft verricht. Nu zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe een in het buitenland gevestigde notaris, die slechts juridisch advies heeft gegeven over de oprichting van buitenlandse rechtspersonen, betrokken is bij een samenspanning zoals door de curator is gesteld, dient ook om die reden de vordering tegen [persoon 71] te worden afgewezen.

[personen 33, 70, 75 en 76] (gedaagden sub 33, 70, 75 en 76)

4.26.1. Ten aanzien van [personen 33, 70, 75 en 76] heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.26.2. Overigens zou de vordering tegen gedaagden sub 70 en 75 hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. Deze gedaagden zijn als (indirect) bestuurder van Van Ast Scherpenzeel B.V. (gedaagde sub 33) aangesproken, zonder dat de curator ten aanzien van hen ieder persoonlijk heeft aangegeven waarom hen een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van Van Ast Scherpenzeel B.V..

4.26.3. Voor zover [persoon 70] (gedaagde sub 76) is aangesproken als beneficial owner dan wel feitelijk bestuurder van MMI, CIER, Knighthood en Just Then (gedaagden sub 22, 23, 26 en 30) alsmede Gilbertus Ltd en Hightide Investements Ltd (de niet verschenen gedaagden sub 28 en 29), is door de curator wel méér gesteld, onder andere over de nauwe betrokkenheid van [persoon 76] bij SBC en zijn wetenschap dat voornoemde buitenlandse vennootschappen die waren opgericht om bollen aan te verkopen nooit aan haar betalingsverplichtingen zouden kunnen voldoen. Nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een samenspanning en de curator de gedragingen van [persoon 76] wel in het licht heeft geplaatst van die samenspanning, kan dit reeds daarom niet tot toewijzing van de vordering tegen [persoon 76] leiden. Voor zover dit echter wel los van de samenspanning zou moeten worden beschouwd en de curator heeft bedoeld [persoon 76] als (feitelijk) bestuurder van genoemde buitenlandse vennootschappen aansprakelijk te stellen voor de schade als gevolg van de omstandigheid dat die buitenlandse vennootschappen hun betalingsverplichtingen uit de gesloten koopovereenkomsten niet zijn nagekomen, is van belang dat die buitenlandse vennootschappen geen koopovereenkomsten met het Fonds hebben gesloten en het derhalve ook niet mogelijk is dat zij koopovereenkomsten met het Fonds niet zijn nagekomen. De rechtbank verwijst hierbij naar hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.11.7 ten aanzien van [persoon 1], hetgeen in deze situatie ook geldt. Indien de curator hem als feitelijk bestuurder van de buitenlandse vennootschappen aansprakelijk had willen stellen voor schade die het Fonds heeft geleden doordat de buitenlandse vennootschappen hun betalingsverplichtingen jegens derden niet zijn nagekomen, had de curator dienen te stellen dat en waarom [persoon 76] in de gegeven omstandigheden daarvoor aansprakelijk is. Nu de curator dat heeft nagelaten, is er ook geen grond om [persoon 76], voor zover hij al als feitelijk bestuurder van de genoemde buitenlandse vennootschappen zou kunnen worden aangemerkt, op deze grond aansprakelijk te houden voor de door de curator gevorderde schade.

[persoon 74] (gedaagde sub 74)

4.27.1. Ten aanzien van [persoon 74] heeft de curator geen andere gedragingen aan de vordering uit onrechtmatig handelen ten grondslag gelegd dan de gestelde samenspanning. De vordering dient derhalve, onder verwijzing naar hetgeen in rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.10 is overwogen, te worden afgewezen.

4.27.2. Overigens zou de vordering tegen [persoon 74] hoe dan ook zijn gestrand op grond van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.5. [persoon 74] is als (indirect) bestuurder van Bulb Invest B.V. (-de niet verschenen- gedaagde sub 32) aangesproken, zonder dat de curator heeft aangegeven waarom hem een voldoende ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt van het gestelde onrechtmatige handelen van Bulb Invest B.V..

Niet verschenen gedaagden alsmede gedaagden, wier procureur zich heeft onttrokken voordat van antwoord is gediend (gedaagden 27, 28, 29, 31, 32, 72 en 73)

4.28.1. In beginsel dient in het geval een gedaagde partij niet is verschenen of geen verweer heeft gevoerd, de vordering te worden toegewezen, voor zover deze niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. Daarbij is wel van belang dat het door eiser gestelde de vordering moet kunnen dragen.

4.28.2. Uit het dossier dat in deze zaak door de curator en de wel verschenen gedaagden in de afgelopen jaren is samengesteld, concludeert de rechtbank dat uit hetgeen door de curator is gesteld niet kan worden afgeleid dat er sprake is geweest van een samenspanning. Nu de curator zijn vordering tegen gedaagden sub 27, 28, 29, 31, 32, 72 en 73 alleen heeft gebaseerd op het bestaan van een samenwerkende groep die heeft samengespannen tegen het Fonds, is de rechtbank van oordeel de vorderingen tegen deze gedaagden als onvoldoende gegrond moeten worden afgewezen.

4.29. Al met al dient te worden geconcludeerd dat noch de primair gevorderde vergoeding van de schade, de beslagkosten daaronder begrepen, noch de subsidiair gevorderde verwijzing naar een schadestaatprocedure in combinatie met de betaling van een voorschot op de schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt.

4.30. Nu de vordering tegen gedaagden, met uitzondering van NWI, wordt afgewezen, behoeft de aankondiging in rechtsoverweging 4.2.2 om per (groep) gedaagde(n) te beoordelen of de brief van 23 mei 2006 is ontvangen en zo ja, of daardoor de vordering van het Fonds is overgegaan op de Bewaarder, geen gevolg. De afwijzing van de vordering brengt voorts ook mee dat onbesproken kan worden gelaten het door alle gedaagden gedane beroep op eigen schuld van NovaCap c.s. dan wel haar bestuurders, die er volgens gedaagden onder meer uit heeft bestaan dat de verplichtingen voortvloeiende uit de door Agricola aangegane resttransacties niet zijn nagekomen.

Proceskosten

4.31. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van alle gedaagden, behoudens die van NWI, worden veroordeeld.

4.32. Door [persoon 1] en [persoon 74] is vergoeding van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten gevorderd. Door [persoon 1] is hiertoe aangevoerd dat hij aanzienlijke kosten heeft moeten maken in deze procedure, terwijl door [persoon 74] geheel niet is onderbouwd waarom de daadwerkelijk gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. Nu enkel de hoogte van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten geen grond oplevert om af te wijken van hetgeen gebruikelijk is bij een proceskostenveroordeling, zal de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten ten aanzien [persoon 1] en [persoon 74] op dezelfde wijze begroten als ten aanzien van de overige gedaagden. Voor zover [persoon 1] en [persoon 74] rente over de proceskosten hebben gevorderd, is dit toewijsbaar, met dien verstande dat -gelet op de eis van artikel 6:82 BW dat sprake moet zijn van een redelijke termijn- ook bij [persoon 1] als uitgangsdatum van de wettelijke rente geldt veertien dagen na de dag van dit vonnis.

4.33. De rechtbank ziet aanleiding de kosten voor ieder gedaagde, althans groep gedaagden die gezamenlijk worden bijgestaan door een procureur, te begroten op het betaalde vast recht, vermeerderd met het salaris procureur. Het salaris procureur wordt voor iedere (groep) gedaagde(n), behoudens [persoon 2], Vertuco en [persoon 74], in de hoofdzaak begroot op 5 punten x tarief € 3.211,-, derhalve op € 16.055,-. De rechtbank zal Triflor c.s., Future Tulip en [persoon 15, 50, 51 en 52] hierbij als één groep beschouwen, nu zij zijn bijgestaan door dezelfde advocaat. Om dezelfde reden zal de rechtbank MMI c.s. en [personen 33, 70, 75 en 76] ook als één groep beschouwen. Lenore, [persoon 25] en [persoon 71] zijn ook bijgestaan door dezelfde advocaat, maar nu de positie van Lenore in de bloembollenhandel een geheel andere is geweest dan die van [persoon 25] en [persoon 71] en de genomen conclusies wat dat betreft niet gelijkluidend (konden) zijn, ziet de rechtbank aanleiding [persoon 25] en [persoon 71] ook wat betreft de proceskostenveroordeling als afzonderlijke groep aan te merken.

4.34. Ten aanzien van [persoon 2] zal de rechtbank het salaris procureur begroten op

4 punten x tarief € 3.211,-, of te wel € 12.844,-, nu de advocaat van [persoon 2] niet verschenen is bij de comparitie die is gehouden op 25 januari 2006. Ten aanzien van Vertuco c.s. zal de rechtbank het salaris procureur begroten op 6 punten x tarief € 3.211,-, of te wel € 19.266,-, nu er in de procedure tegen Vertuco c.s. op 16 augustus 2006 nog een comparitie van partijen heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van [persoon 74] zal de rechtbank het salaris procureur begroten op 3 punten x tarief € 3.211,-, of te wel € 9.633,-, omdat de advocaat van [persoon 74] niet verschenen is bij het gehouden pleidooi.

4.35. De proceskosten, die door de curator vergoed dienen te worden, bedragen derhalve aan de zijde van:

vast recht salaris procureur

- [persoon 1] € 1.088,- + € 16.055,- = € 17.143,-

- [persoon 2] € 1.088,- + € 12.844,- = € 13.932,-

- Blumex c.s. € 4.535,- + € 16.055,- = € 20.590,-

- Triflor c.s., Future Tulip en [persoon 15, 50, 51 en 52] € 4.535,- + € 16.055,- = € 20.590,-

- [persoon 10, 53, 54, 55, 56] € 4.535,- + € 16.055,- ¬= € 20.590,-

- Vertuco c.s. € 4.535,- + € 19.266,- = € 23.801,-

- [persoon 12] € 1.088,- + € 16.055,- = € 17.143,-

- Ruwa Bulbs c.s. € 0,- + € 16.055,- = € 16.055,-

- [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] € 4.535,- + € 16.055,- = € 20.590,-

- MMI c.s. en [personen 33, 70, 75 en 76] € 4.535,- + € 16.055,- = € 20.590,-

- Lenore € 4.535,- + € 16.055,- = € 20.590,-

- [persoon 25] en [persoon 71] € 0,- + € 16.055,- = € 16.055,-

- [persoon 74] € 0,- + € 9.633,- = € 9.633,-

4.36. Alleen indien de betreffende (groep) gedaagde(n) dit heeft gevorderd, zal de rechtbank de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Proceskosten in het incident in de procedure tegen [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69]

4.37. Wat betreft de incidenten die hebben plaatsgevonden is in één geval, namelijk in het incident waarin [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] -onder meer- opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen had gevorderd, de beslissing over de proceskosten aangehouden. Hoewel in dat incident de gevraagde voorlopige voorzieningen van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] zijn afgewezen, ziet de rechtbank, gelet op de uitkomst van de hoofdzaak, aanleiding de proceskosten die in dat incident zijn gemaakt te compenseren.

in reconventie

Conservatoire beslagen

4.38. Blumex c.s. heeft de rechtbank schriftelijk laten weten dat de ten laste van haar gelegde conservatoire beslagen reeds zijn opgeheven, maar heeft haar eis ter zake niet verminderd. De rechtbank zal de vordering van Blumex c.s. tot opheffing van de beslagen derhalve afwijzen.

4.39. Niet gesteld of gebleken is dat de ten laste van [persoon 10, 53, 54, 55, 56] en Ruwa Bulbs c.s. gelegde beslagen inmiddels zijn opgeheven. De vorderingen, ter verzekering waarvan NovaCap c.s. bedoelde beslagen heeft gelegd, worden thans afgewezen, tegen welke afwijzing echter nog wel een rechtsmiddel openstaat. Nu de vorderingen worden afgewezen, de onderhavige procedure veel tijd in beslag heeft genomen, de conservatoire beslagen, met alle nadelige gevolgen voor eisers van dien, in de tussentijd zijn blijven liggen en het (de boedel van) NovaCap c.s. -gelet op de onderbouwing van de vordering in conventie tot het betalen van een voorschot- hoogstwaarschijnlijk aan middelen zal ontbreken om te zijner tijd de mogelijke schade van eisers als gevolg van de beslagen te vergoeden, leidt een afweging van de wederzijdse belangen tot het oordeel dat de beslagen moeten worden opgeheven. De rechtbank zal de vorderingen tot opheffing van het beslag derhalve toewijzen. Nu de rechtbank, zoals gevorderd, de beslagen zal opheffen, heeft Ruwa Bulbs c.s. geen belang meer bij een veroordeling van de curator tot doorhaling van de beslagen op straffe van verbeurte van een dwangsom, aangezien zij dit zelf met dit vonnis kan bewerkstelligen.

4.40. Ten aanzien van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] is de rechtbank er ambtshalve mee bekend dat NovaCap c.s. in een door [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] aangespannen kort geding procedure is veroordeeld tot opheffing van de ten laste van haar gelegde beslagen. Nu [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] haar vordering niet heeft verminderd en de rechtbank er ook niet mee bekend is of de beslagen daadwerkelijk zijn opgeheven, zal de rechtbank, voor zover dat nog niet is gedaan, de beslagen die ten laste van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] zijn gelegd opheffen. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor onder 4.39 ten aanzien [persoon 10, 53, 54, 55, 56] en Ruwa Bulbs c.s. is overwogen. De vorderingen inhoudende dat de curator op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt bevolen van die opheffingen mededeling te doen aan bepaalde instanties, alsmede wordt bevolen zorg te dragen voor doorhaling van de inschrijvingen van de beslagen, zal worden afgewezen. De rechtbank verwijst daarbij naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de (soort)gelijke vordering van Ruwa Bulbs c.s..

Overige vorderingen, ten aanzien waarvan de procedures in reconventie zijn geschorst

4.41. Voor zover de procedures in reconventie zijn geschorst in verband met het faillissement van NovaCap c.s., zal de rechtbank de zaak verwijzen naar de parkeerrol van

7 april 2010 totdat de meest gerede partij inlichten verstrekt over de vraag of de betreffende vorderingen in het faillissement van NovaCap c.s. ter verificatie zijn aangeboden en al dan niet in de verificatievergadering zijn betwist.

Proceskosten

4.42.1. Nu Blumex c.s., [persoon 10, 53, 54, 55, 56] en [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] nog andere reconventionele vorderingen hebben ingediend, ten aanzien waarvan de procedures in reconventie zijn geschorst, zal de rechtbank ten aanzien van hen de beslissing over de proceskosten aanhouden.

4.42.2. Ruwa Bulbs c.s. heeft geen andere reconventionele vordering ingediend. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van Ruwa Bulbs c.s. worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Ruwa Bulbs c.s. worden begroot op

1 punt x tarief € 452,-, derhalve € 452,-.

5. De beslissing

De rechtbank

in het incident in de procedure tegen [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69]

5.1. compenseert de proceskosten, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,

in conventie

5.2. verwijst de zaak, voor zover het de procedure tegen NWI betreft die in verband met het faillissement van NWI is geschorst, naar de parkeerrol van 7 april 2010,

5.3. wijst de vorderingen tegen de overige gedaagden af,

5.4. veroordeelt de curator in de proceskosten van de overige gedaagden, tot op heden begroot op aan de zijde van

- [persoon 1] € 17.143,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ingaande

veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis,

- [persoon 2] € 13.932,-

- Blumex c.s. € 20.590,-

- Triflor c.s., Future Tulip en [persoon 15, 50, 51 en 52] gezamenlijk € 20.590,-

- [persoon 10, 53, 54, 55, 56] € 20.590,-

- Vertuco c.s. € 23.801,-

- [persoon 12] € 17.143,-

- Ruwa Bulbs c.s. € 16.055,-

- [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] € 20.590,-

- MMI c.s. en [personen 33, 70, 75 en 76] gezamenlijk € 20.590,-

- Lenore € 20.590,-

- [persoon 25] en [persoon 71] gezamenlijk € 16.055,-

- [persoon 74] € 9.633,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover ingaande

veertien dagen na de dag van de uitspraak van dit vonnis,

5.5. verklaart het vonnis wat betreft de veroordeling tot vergoeding van de proceskosten van [persoon 2], Blumex c.s., Triflor c.s., Future Tulip en [persoon 15, 50, 51 en 52], [persoon 10, 53, 54, 55, 56], Ruwa Bulbs c.s., [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69], MMI c.s. en [personen 33, 70, 75 en 76], Lenore c.s., [persoon 25] en [persoon 71] en [persoon 74] uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.6. verwijst de zaak, voor zover de procedures in verband met het faillissement van NovaCap c.s. zijn geschorst, naar de parkeerrol van 7 april 2010,

in de procedure van Blumex c.s. (gedaagden sub 3, 4, 5, 34, 35, 36, 37, 38 en 39)

5.7. wijst de vordering tot opheffing van de ten laste van Blumex c.s. gelegde beslagen af,

5.8. houdt voor het overige iedere beslissing aan,

in de procedure van [persoon 10, 53, 54, 55, 56] (gedaagden sub 10, 53, 54, 55 en 56)

5.9. heft op alle conservatoire beslagen die door NovaCap c.s. ten laste van [persoon 10, 53, 54, 55, 56] zijn gelegd,

5.10. verklaart de uitspraak onder 5.9 uitvoerbaar bij voorraad,

5.11. houdt voor het overige iedere beslissing aan,

in de procedure van Ruwa Bulbs c.s. (gedaagden sub 13, 14, 65, 66 en 67)

5.12. heft op alle conservatoire beslagen die door NovaCap c.s. ten laste van Ruwa Bulbs c.s. zijn gelegd,

5.13. veroordeelt de curator in de proceskosten, aan de zijde van Ruwa Bulbs c.s. tot op heden begroot op € 452,-,

5.14. verklaart de uitspraak onder 5.12 en 5.13 uitvoerbaar bij voorraad,

in de procedure van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] (gedaagden sub 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69)

5.15. heft op alle conservatoire beslagen die door NovaCap c.s. ten laste van [personen 17, 18, 19, 20, 21, 68 en 69] zijn gelegd,

5.16. verklaart de uitspraak onder 5.15 uitvoerbaar bij voorraad,

5.17. houdt voor het overige iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters en in het openbaar uitgesproken op

13 augustus 2008.