Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF1877

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
15-08-2008
Datum publicatie
23-09-2008
Zaaknummer
13/497180-2008
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IRK, EAB Frankrijk, overlevering toelaatbaar verklaard.

Verweer t.a.v. artikel 2 OLW (genoegzaamheid der stukken) verworpen.

Verweer t.a.v. identiteit verworpen, overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en niet zijn broer.

Dat tijdens de overleveringsprocedure in Frankrijk al een vonnis is gewezen levert geen schending van artikel 11 OLW op, nu er een genoegzame verzetgarantie is afgegeven.

Onschuldverweer verworpen, opgeëiste persoon stelde gedetineerd te zijn geweest zodat hij de feiten niet kon hebben gepleegd. Hij bleek aan een Penitentiair Programma te hebben deelgenomen, hetgeen hem veel bewegingsvrijheid verschafte.

Verweer ten aanzien van artikel 9, eerst elid OLW verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/497180-2008

RK nummer: 08/2427

Datum uitspraak: 15 augustus 2008

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 2 mei 2008 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 7 februari 2008 door de Procureur van de Republiek, verbonden aan het Tribunal de Grande Instance te Nîmes, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats], Marokko, op [geboortedatum] 1969,

ingeschreven en verblijvende op het [adres 1],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1. Procesgang

De eerste behandeling van de vordering vond plaats op de openbare zitting van 18 juni 2008.

Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. R. Bom, advocaat te Breda, gehoord. Op verzoek van de officier van justitie is het onderzoek geschorst tot 1 augustus 2008, te 15.00 uur teneinde haar in de gelegenheid te stellen om nadere informatie te verzoeken de uitvaardigende justitiële autoriteit. Deze informatie betrof de vraag of mogelijk de weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid, onder e, 1e OLW van toepassing was. Daarnaast wilde de officier van justitie onderzoek doen naar de stelling van de opgeëiste persoon dat hij de in het EAB beschreven feiten onmogelijk kan hebben gepleegd aangezien hij in de in het EAB genoemde periode, waarin de feiten zouden hebben plaatsgevonden, in detentie heeft verbleven.

Op 1 augustus 2008 is de behandeling van de vordering voortgezet.

Opnieuw zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord.

Met instemming van de officier van justitie en de opgeëiste persoon hervat de rechtbank het onderzoek in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de schorsing ter terechtzitting van 18 juni 2008.

Op deze laatste zitting is de termijn, genoemd in artikel 22, lid 1 OLW met toepassing van artikel 22, lid 3 OLW verlengd met dertig dagen aangezien de rechtbank er niet in is geslaagd binnen de in de wet bepaalde termijn uitspraak te doen, nu zij op 18 juni 2008 de behandeling heeft moeten aanhouden tot 1 augustus 2008.

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij er evenmin in slaagt binnen de reeds op grond van artikel 22, lid 3 OLW verlengde termijn uitspraak te doen en heeft de termijn op grond van het vierde lid van dit artikel verlengd voor onbepaalde tijd. De reden hiervoor is gelegen in de drukbezette agenda van de Internationale Rechtshulpkamer, waardoor een eerdere behandeling niet plaats heeft kunnen vinden.

2. Grondslag en inhoud van het EAB

2.1 Aan het EAB ligt een aanhoudingsbevel ten grondslag, uitgevaardigd door de onderzoeksrechter te Nîmes en gedateerd 14 december 2007.

Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan vijf naar het recht van Frankrijk benoemde strafbare feiten. De feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB, waarvan een door de griffier gewaarmerkte fotokopie als bijlage aan deze uitspraak is gehecht.

2.2 De raadsman heeft aangevoerd dat de overlevering moet worden geweigerd omdat het EAB niet voldoet aan de eisen die artikel 2, tweede lid onder e van de OLW daaraan stelt. De omschrijving van de feiten zou te weinig specifiek zijn wat betreft tijd en plaats.

2.3 De rechtbank verwerpt dit verweer.

In het EAB is onder e) een omschrijving opgenomen van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht. Bij het EAB is de tekst gevoegd van het onder 3 genoemde vonnis dat tegen de opgeëiste persoon is gewezen. Uit deze stukken, in onderlinge samenhang gelezen, leidt de rechtbank af dat het gaat om circa 10 transporten van verdovende middelen van in totaal ten minste 4 kilo cocaïne, in de periode van november 2005 tot en met maart 2007, waarbij de rol van de opgeëiste persoon die van de verstrekker van de verdovende middelen was. Deze stukken, in samenhang gelezen, bieden voldoende inzicht in de feiten, waaronder begrepen de plaats waar en de periode waarin de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd, hebben plaatsgevonden, om de in artikel 14, eerste lid OLW bedoelde specialiteit te waarborgen en de opgeëiste persoon duidelijk te maken waarvoor zijn overlevering wordt gevraagd.

3. Identiteit van de opgeëiste persoon

3.1 De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit heeft.

De raadsman heeft bestreden dat de opgeëiste persoon degene is die door de Franse justitie wordt gezocht. De verdenking zou zich in feite richten op zijn broer, [broer opgeëiste persoon], die ook bekend zou zijn onder de bijnaam [alias broer opgeëiste persoon].

3.2 De rechtbank verwerpt dit verweer.

In het EAB wordt de overlevering van [opgeëiste persoon] verzocht. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat de personalia, zoals zij op de vordering en in het EAB voorkomen, juist zijn en dat hij de daar bedoelde persoon is. Indien niet aanstonds duidelijk is dat sprake is van een persoonsverwisseling is een oordeel over de vraag of de verdenking zich tegen een of meer anderen dan de opgeëiste persoon richt, niet aan de overleveringsrechter. Een nader onderzoek naar de identiteit van de persoon waarop de verdenking zich richt is niet aan de orde in het kader van de overleveringsprocedure. Dit punt kan aan de orde worden gesteld tijdens de gerechtelijke procedure in Frankrijk.

4. Artikel 12 OLW.

4.1 Bij brief van 30 juli 2008 heeft de Procureur de la République aan de officier van justitie meegedeeld dat de opgeëiste persoon inmiddels bij uitspraak van het Tribunal Correctionel te Nîmes van 17 juli 2008 bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar. De veroordeling betreft de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd. Het vonnis bevindt zich bij de stukken.

Uit deze brief blijkt tevens dat het onder 2 genoemde aanhoudingsbevel zijn geldigheid behoudt, zolang het vonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. De opgeëiste persoon is niet in persoon gedagvaard of anderszins in persoon in kennis gesteld van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting in Nîmes.

4.2 De overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 12 van de OLW bedoelde garantie heeft gegeven.

Bij brief van 31 juli 2008 heeft de Procureur de la République de volgende verzekering gegeven:

“Je vous confirme que lors de l’exécution du mandat d’arrêt du 14 décembre 2007,

[opgeëiste persoon] aura la possibilité de faire opposition au jugement prononcé par défaut; il sera alors rejugé avec, bien entendue, l’assistance d’un avocat”.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende gewaarborgd dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de zitting. De opgeëiste persoon zal bij de behandeling van zijn strafzaak ter zitting worden bijgestaan door een raadsman.

4.3 De raadsman heeft geprotesteerd tegen het feit dat er in Frankrijk reeds vonnis is gewezen ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering is verzocht. Hij maakt de uitvaardigende justitiële autoriteit er een verwijt van dat zij niet heeft gewacht totdat de overleveringsprocedure afgerond zou zijn. De raadsman heeft aangevoerd dat de vrees voor schending van ‘fair trial’ aanwezig is bij overlevering aan Frankrijk.

4.4 Voor zover de raadsman een beroep heeft willen doen op de in artikel 11 OLW bedoelde weigeringsgrond, wordt het verweer verworpen. Reeds gelet op het feit dat een genoegzame verzetgarantie is gegeven, waarbij de opgeëiste persoon gegarandeerd wordt dat hij een nieuwe behandeling van zijn strafzaak in eerste instantie kan krijgen, is de rechtbank van oordeel dat er – zo er al sprake is van schending van enig op grond van het EVRM aan de opgeëiste persoon toekomend recht – inwilliging van het overleveringsverzoek niet kan leiden tot een flagrante schending van bedoeld recht.

5. Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van dubbele strafbaarheid niet geldt.

Uitgaande van het recht van de uitvaardigende lidstaat - zoals daarvan blijkt uit de bij het EAB gevoegde wettelijke bepalingen - heeft zij in redelijkheid tot dat oordeel kunnen komen. De feiten vallen onder nummer 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

Op de feiten is bovendien naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

6. Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.

De raadsman heeft aangevoerd dat de opgeëiste persoon gedetineerd is geweest in “De Boschpoort” te Breda in de periode van 13 augustus 2006 tot en met 19 maart 2007. De opgeëiste persoon was niet in de gelegenheid om tijdens zijn detentie strafbare handelingen te verrichten.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Weliswaar heeft de opgeëiste persoon in de genoemde periode aan een vrijheidsstraf onderworpen, maar vanaf januari 2007 heeft hij gedurende het laatste deel van zijn detentie een zogenaamd ‘penitentiair programma’ ondergaan, hetgeen inhoudt dat hij in het kader van resocialisatie een stage heeft gelopen buiten de Penitentiaire Inrichting “De Boschpoort” en in de gelegenheid werd gesteld de nachten en de weekeinden thuis door te brengen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de omstandigheden waaronder hij het laatste deel van zijn detentie heeft ondergaan en gelet op de verdenking zoals omschreven in het EAB, geenszins is vast komen te staan dat de opgeëiste persoon niet betrokken kan zijn geweest bij de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De rechtbank betrekt in dit oordeel de inhoud van een brief d.d. 16 juni 2008 van de Procureur de la République waaruit blijkt op welke dagen in de periode van 31 januari 2007 tot 10 maart 2007 [persoon 2], verdacht van het kopen van cocaïne, telefonisch contact heeft gehad met de opgeëiste persoon en dat zij elkaar op zaterdag 10 maart 2007 hebben ontmoet in Brussel, om afspraken te maken over de levering van verdovende middelen.

Naar het oordeel van de rechtbank is de opgeëiste persoon er dan ook niet in geslaagd zijn onschuld tijdens het verhoor ter zitting aan te tonen.

Dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake kan zijn van een vermoeden van schuld aan de feiten, is niet gebleken.

7. Terugkeergarantie

De opgeëiste persoon heeft mede de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien de uitvaardigende justitiële autoriteit de in artikel 6, eerste lid, van de OLW bedoelde garantie geeft.

Namens de Minister van Justitie te Parijs is op 21 mei 2008 schriftelijk de volgende garantie gegeven:

Het Franse Ministerie van Justitie verleent de garantie volgens welke, als [opgeëiste persoon] (de rechtbank leest: [opgeëiste persoon]) veroordeeld zou worden tot een definitieve vrijheidsstraf voor de feiten waarvoor zijn uitlevering (de rechtbank begrijpt: overlevering) verzocht is, hij zijn straf in Nederland kan uitzitten en dit in het kader van de aanpassing hiervan door de gerechtelijke autoriteiten van Nederland via de omzetprocedure beschreven bij artikel 11 van de overeenkomst van 21 maart 1983 met betrekking tot het overbrengen van veroordeelde personen.

Uit artikel 3, eerste lid, aanhef onder e van het Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen van 21 maart 1983 (Trb. 1983, 74, hierna VOGP) volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren. Aan deze voorwaarde is voldaan. Ook de onder 5.1. bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook gewaarborgd dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet.

8. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

Uit de stukken blijkt dat het feit bedoeld onder 5.1 waarvoor de Franse justitie de opgeëiste persoon wil vervolgen gedeeltelijk in Nederland is gepleegd. Artikel 13, eerste lid, onder a OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten.

Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling dient te worden afgezien van bedoelde weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:

De opsporing en vervolging van de strafbare feiten zijn in Frankrijk aangevangen.

De medeverdachten zijn in Frankrijk aangehouden, zijn nog steeds gedetineerd en zullen op korte termijn terecht staan in Frankrijk. De bewijsmiddelen (o.a. getuigen verklaringen en de uitkomsten van onderzoek telecommunicatie) bevinden zich in Frankrijk. De inbreuk op de rechtsorde is in Frankrijk het grootst, nu de verdovende middelen bestemd waren voor de Franse markt en daarmee het zwaartepunt van het delict in Frankrijk ligt.

Het voorgaande brengt met zich dat op grond van de goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten de voorkeur geniet boven de eventuele overname van de strafzaak door Nederland, aldus de officier van justitie.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten en de door Frankrijk verstrekte garantie in het kader van artikel 6, eerste lid van de OLW acht de rechtbank de vordering niet onredelijk en is van oordeel dat de officier van justitie op de door haar aangevoerde gronden in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13 Overleveringswet bedoelde weigeringsgrond.

9. Artikel 9, eerste lid, onder c, 1e OLW

9.1 De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het vonnis van de rechtbank Breda d.d. 6 december 2006 duidelijk blijkt dat de opgeëiste persoon is veroordeeld omdat hij in maart 2005 en op tijdstippen in de periode van 13 mei 2006 tot en met 13 augustus 2006 te Roosendaal opzettelijk gebruikershoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne heeft verkocht en/of afgeleverd. Gesteld wordt dat hij reeds is veroordeeld voor strafbare feiten die zich hebben voorgedaan in maart 2005 alsmede in de periode van 13 mei 2006 tot en met 13 augustus 2006. De opgelegde straf is ondergaan. Overlevering houdt een aanzienlijk risico in dat de opgeëiste persoon slachtoffer zal worden van een dubbele vervolging en veroordeling.

9.2 De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank betrekt bij haar overweging een brief d.d.7 juli 2008, afkomstig van het arrondissementsparket Breda waaruit blijkt dat de in het EAB -en de daarop betrekking hebbende aanvullende stukken- genoemde kopers aan wie hij verdovende middelen zou hebben geleverd, te weten [persoon 1] en [persoon 2], niet voorkomen in het strafdossier dat ten grondslag ligt aan de veroordeling door de rechtbank Breda. Hieruit volgt dat de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht niet betrokken zijn in het onderzoek dat door de officier van justitie te Breda is verricht en naar aanleiding waarvan de opgeëiste persoon reeds is veroordeeld. Die veroordeling ziet op een materieel ander feit, dan de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht.

10. Slotsom

Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.

11. Toepasselijke wetsartikelen

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet;

de artikelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13 van de Overleveringswet.

12. Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Procureur van de Republiek, verbonden aan het Tribunal de Grande Instance te Nîmes, Frankrijk, ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. E.D. Bonga-Sigmond, voorzit¬ter,

mrs. S. Ju en A.A. Spoel, rech¬ters,

in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, grif¬fier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 15 augustus 2008.

De oudste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.