Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF1083

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
13/463520-07 (PROMIS)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promisvonnis. Opzetheling. Gewoonteheling. Functioneel daderschap. Verdachte heeft zich op meerdere tijdstippen schuldig gemaakt aan het plegen van opzetheling en schuldheling. Verdachte is eigenaar van een eenmansbedrijf, dat zich bezig houdt met de inkoop en verkoop van gebruikte en ongeregelde goederen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op meerdere momenten goederen heeft ingekocht terwijl hij zich bewust was van het risico dat de op dat moment door de verkopers aangeboden goederen van misdrijf afkomstig konden zijn. De rechtbank is van oordeel dat verdachte als functioneel dader ten aanzien van de handelingen van de overige inkopers kan worden beschouwd. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de beschikkingsmacht had over de inkoop van goederen door de medewerkers. Verdachte was eigenaar van de eenmanszaak en die hoedanigheid dan ook verantwoordelijk voor de inkoop van de goederen door zijn werknemers. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat voldoende is gebleken dat er sprake is geweest van een zekere vorm van aanvaarding van de verboden gedragingen door verdachte. Verdachte was vrijwel dagelijks in de winkel aanwezig. Verdachte was de feitelijk leidinggevende op de werkvloer en gaf ook feitelijk leiding aan de verboden gedragingen door geen werkelijk afdoende maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan, hoewel hij hiertoe bevoegd en redelijkerwijze gehouden was. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit de in het dossier opgenomen verklaringen van verdachte kan worden afgeleid dat hij geen duidelijke richtlijnen gaf aan zijn medewerkers over de wijze waarop het inkopen van gestolen goederen kon worden voorkomen. Door aldus te handelen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich voor zouden doen. Dat verdachte van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt (gewoonteheling), acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen. Voor het maken van een gewoonte van opzetheling is immers niet alleen vereist dat de verdachte een aantal opzethelingen heeft gepleegd, maar ook dat verdachte een op de gewoonte gerichte opzet had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/463520-07 (PROMIS)

Datum uitspraak: 27 juni 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op [adres 1].

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juni 2008.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr.drs. J.J.I. de Jong en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. A.L. Huurdeman, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

1. Telastelegging

Aan verdachte is- na wijziging van de telastelegging ter terechtzitting - telastegelegd dat:

hij in de periode van 29 september 2006 tot en met 16 juli 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft verdachte

(Zaaksdossier 2000)

- op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 30 september 2006

tot en met 7 november 2006 te Hilversum, in elk geval in Nederland, een of

meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een (gele) (heren)fiets (van het merk Raleigh) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 3000)

- op of omstreeks 29 september 2006 te Hilversum, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een (roze) (dames)fiets (van het

merk Sparta) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 4000)

- op of omstreeks 6 oktober 2006 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, drie

flatscreens (van het merk HP) en/of een beamer (van het merk Hitachi) en/of

een (digitale) videocamera (van het merk Sony) en/of één of meerdere

walkietalkie(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij

en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

op of omstreeks 9 oktober 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

uit winstbejag (een) door diefstal, in elk geval door misdrijf verkregen

flatscreen(s) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

en/of

(Zaaksdossier 5000)

- op of omstreeks 23 januari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(zwarte) fiets (type mountainbike) (van het merk Curtis) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 6000)

-op of omstreeks 5 januari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

stereoset (van het merk Yamaha) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 7000)

-op of omstreeks 3 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(groene) step (van het merk Kickbike) heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 8000)

- op of omstreeks 6 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets

(van het merk Canondale) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl

hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

en/of

op of omstreeks 6 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

uit winstbejag (een) door diefstal, in elk geval door misdrijf verkregen fiets

(van het merk Canondale) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

en/of

(Zaaksdossier 10000)

- op of omstreeks 2 april 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(zwarte) fiets (van het merk Batavus Old Dutch) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en) dat het (een) door diefstal,

in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(Artikel 417 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair:

(Zaaksdossier 2000)

- hij op één of meer tijdstippen gelegen in de periode van 30 september 2006

tot en met 7 november 2006 te Hilversum, in elk geval in Nederland, een of

meermalen (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, een (gele) (heren)fiets (van het merk Raleigh) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

kun(nen) vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 3000)

- hij op of omstreeks 29 september 2006 te Hilversum, tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, een (roze) (dames)fiets (van het

merk Sparta) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of

zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kun(nen) vermoeden, dat het (een)

door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 4000)

- hij op of omstreeks 6 oktober 2006 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, drie

flatscreens (van het merk HP) en/of een beamer (van het merk Hitachi) en/of

een (digitale) videocamera (van het merk Sony) en/of één of meerdere

walkietalkie(s) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl hij

en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen

wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kun(nen) vermoeden, dat het (een)

door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

hij op of omstreeks 9 oktober 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

uit winstbejag (een) door diefstal, in elk geval door misdrijf verkregen

flatscreen(s) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

en/of

(Zaaksdossier 5000)

- hij op of omstreeks 23 januari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(zwarte) fiets (type mountainbike) (van het merk Curtis) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

kun(nen) vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 6000)

-hij op of omstreeks 5 januari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

stereoset (van het merk Yamaha) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kun(nen)

vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 7000)

-hij op of omstreeks 3 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(groene) step (van het merk Kickbike) heeft verworven en/of voorhanden heeft

gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kun(nen)

vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf

verkregen goed(eren) betrof;

en/of

(Zaaksdossier 8000)

- hij op of omstreeks 6 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een fiets

(van het merk Canondale) heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad, terwijl

hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kun(nen) vermoeden, dat het

(een) door diefstal, in elk geval (een) door misdrijf verkregen goed(eren)

betrof;

en/of

hij op of omstreeks 6 februari 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

uit winstbejag (een) door diefstal, in elk geval door misdrijf verkregen fiets

(van het merk Canondale) voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen;

en/of

(Zaaksdossier 10000)

- hij op of omstreeks 2 april 2007 te Hilversum, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een

(zwarte) fiets (van het merk Batavus Old Dutch) heeft verworven en/of

voorhanden heeft gehad, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van de

verwerving of het voorhanden krijgen wist(en), althans redelijkerwijs had(den)

kun(nen) vermoeden, dat het (een) door diefstal, in elk geval (een) door

misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(Artikel 416 juncto artikel 417bis Wetboek van Strafrecht)

2.

hij in de periode van 27 september 2006 tot en met 16 juli 2007 te Hilversum,

als opkoper en handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen, aangewezen bij

het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht (Staatsblad 1992/36)

niet met inachtneming van de bij de algemene maatregel van bestuur geldende

regels:

- aantekening heeft gehouden en/of heeft doen houden van alle gebruikte en/of

ongeregelde goederen die hij, verdachte, heeft verworven en/of voorhanden

heeft gehad en/of

- één of meerdere gebruikte en/of ongeregelde goed(eren) heeft verworven van

één of meer perso(o)n(en) zonder dat die perso(o)n(en) zijn/hun

identiteitsgegevens had(den) opgegeven en/of zonder dat hij, verdachte, die

identiteitsgegevens in zijn administratie heeft aangetekend en/of heeft doen

aantekenen

(Artikel 437 Wetboek van Strafrecht)

en/of

hij in de periode van 27 september 2006 tot en met 16 juli 2007 te Hilversum,

als opkoper en handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen, aangewezen bij

het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht (Staatsblad 1992/36)

een door de raad van de gemeente Hilversum ter bestrijding van heling

uitgevaardigde en afgekondigde verordening heeft overtreden, immers heeft hij

in strijd met artikel 2.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Hilversum

geen aantekening gehouden en/of heeft doen houden van de naam en/of het adres

van de koper van die gebruikte en/of ongeregelde goederen;

(Artikel 437ter Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 18 maart 2007 te Blaricum opzettelijk mishandelend zijn

[echtgenote verdachte] in een van haar vingers, in elk geval in haar lichaam

heeft gebeten, waardoor voornoemde [echtgenote verdachte] letsel heeft bekomen en/of pijn

heeft ondervonden;

artikel 300/304 van het wetboek van strafrecht.

4.

hij op of omstreeks 29 april 2007 te Blaricum opzettelijk mishandelend zijn

[echtgenote verdachte] een trap en/of een duw met zijn (ongeschoeide) voet,

op/tegen haar borst in elk geval tegen haar lichaam heeft gegeven waardoor

voornoemde [echtgenote verdachte] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

artikel 300/304 van het wetboek van strafrecht.

2. Voorvragen

De geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek van de terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is.

De bevoegdheid van de rechtbank

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het telastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De raadsman heeft de rechtbank ter terechtzitting van 13 juni 2008 verzocht om de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 telastegelegde feit niet-ontvankelijk te verklaren. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit van dermate geringe aard is dat een transactie aangeboden had moeten worden. Dit feit had niet ter terechtzitting behandeld moeten worden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het onder 2 telastegelegde feit het aanbieden van een transactie niet aan de orde is. Een transactie wordt aangeboden indien het één enkel incident betreft. In het geval van verdachte ging het over een lange periode waarin meerdere incidenten hebben plaatsgevonden. Het stond het Openbaar Ministerie daarom vrij om tot dagvaarding over te gaan. Naar het oordeel van de officier van justitie kan het Openbaar Ministerie dan ook worden ontvangen in zijn vervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent volgt.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat de cumulatie aan overtredingen van wettelijke bepalingen en de langdurige periode waarin deze overtredingen zouden hebben plaatsgevonden, rechtvaardigen dat is afgezien van het aanbieden van een transactie. De rechtbank verklaart de officier van justitie dan ook volledig ontvankelijk in de vervolging.

Schorsing der vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Ten aanzien van het onder 1 primair en onder 1 subsidiair telastegelegde.

De rechtbank stelt voorop dat aan verdachte meerdere vormen van opzet en/of schuldheling zijn telastegelegd. De aan verdachte telastegelegde helingen zijn vervat in de dossiers met de zaaknummers 2000, 3000, 4000, 5000, 6000, 7000, 8000 en 10000. Deze helingen zijn door de officier van justitie primair telastegelegd als het plegen van gewoonteheling en subsidiair als cumulatie van opzetheling en/of schuldheling.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling van de telastegelegde feiten in de eerste plaats gelet op de feiten en omstandigheden die aan de individuele gevallen van heling, zoals onder de hiervoor genoemde zaaksnummers telastegelegd, ten grondslag liggen. De rechtbank zal derhalve elk van de voornoemde zaaksnummers bespreken, alvorens te oordelen over de bewezenverklaring van de feiten zoals deze door de officier van justitie – na wijziging – zijn telastegelegd.

De rechtbank heeft bij haar beoordeling acht geslagen op de argumenten die ter terechtzitting door de officier van justitie en de raadsman naar voren zijn gebracht en welke zijn vervat in de door de raadsman overgelegde pleitaantekeningen en het door de officier van justitie overgelegde requisitoir, welke als bijlagen 1 en 2 aan dit vonnis zijn gehecht. Zij heeft uiteraard ook achtgeslagen op hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard.

Ter terechtzitting heeft de raadsman zijn stellingname ten aanzien het onder 1 primair en onder 1 subsidiair telastegelegde feit vervat in een algemeen verweer ten aanzien van het geheel aan telastegelegde helingen. Dit verweer wordt hierna weergegeven. De rechtbank heeft het bij de beoordeling van de individuele zaaksnummers betrokken.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair telastegelegde. De raadsman heeft – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte de juiste procedure voor inkoop heeft gehanteerd, maar dat desondanks de aanwezigheid van gestolen goederen inherent is aan de branche waarin verdachte werkt. Verdachte meende dat hij met de gehanteerde procedure voldoende zorgvuldigheid in acht had genomen om te voorkomen dat hij van diefstal afkomstige goederen kocht. Overtuigd van zijn goede trouw en effectieve werkwijze hing hij ze dan ook op een voor ieder zichtbare plaats in de winkel. De raadsman heeft er voorts op gewezen dat ook de inkoopprijs een onvoldoende indicator is voor de bewezenverklaring van heling. Naar het oordeel van de raadsman mag daar waar het oordeel van de deskundigen over de waarde van de aangeboden goederen al aanmerkelijk verschilt, van verdachte redelijkerwijs niet worden verwacht dat hij steeds een juiste inschatting van de objectieve waarde van het goed maakt. Naar het oordeel van de raadsman kan de telastegelegde heling, zowel in de vorm van voorwaardelijk opzet als de culpoze variant, dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman terecht opgemerkt dat het erom gaat of verdachte iets te verwijten valt als hij van diefstal of verduistering afkomstige goederen heeft ingekocht, met andere woorden of hij zich telkenmale voldoende heeft ingespannen om te voorkomen dat hij een van diefstal of verduistering afkomstige zaak inkocht. Bij haar beoordeling heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte werkzaam was als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen. Hij exploiteerde daartoe zijn eenmanszaak [naam eenmanszaak] . De telastegelegde feiten zouden alle plaats hebben gehad in de winkel van [naam eenmanszaak] aan [adres 2]. Van verdachte mocht in de hoedanigheid van zijn beroep een grotere mate van zorgvuldigheid en expertise verwacht worden bij de beoordeling bij de inkoop van goederen dan bij een willekeurige particulier. Het verweer van de raadsman dat de aanwezigheid van gestolen goederen inherent is aan deze branche doet daaraan, op zijn minst genomen, niet af. Of verdachte bij de inkoop een voldoende mate van zorgvuldigheid in acht heeft genomen hangt verder af van de overige omstandigheden van het geval. De rechtbank heeft onder meer gelet op de identiteit en het uiterlijk van de verkoper, de aard en staat van het goed, de prijs die voor het goed werd betaald en de overige omstandigheden van het geval zoals het al dan niet ontbreken van originele aankoopbonnen.

3.1.1. Ten aanzien van zaaksdossier 2000:

3.1.1.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten :

Op 21 september 2006 deed [persoon 2] aangifte van diefstal van zijn fiets (merk Raleigh) op 16 of 17 september 2006.

Aangever heeft verklaard dat hij de fiets later in de etalage bij [naam eenmanszaak] te Hilversum zag hangen. Hij wist zeker dat het zijn fiets betrof. Hij herkende zijn fiets aan een aantal kenmerken. Hij had de mountainbike gekocht bij fietsenwinkel het Wiel te Hilversum. Een sticker van het filiaal was geplaatst op de fiets. Ook had hij een oude fietsbel van zijn zoontje gemonteerd op het stuur van de mountainbike. Daarnaast was het stuur ingekort en zaten er bullhandels op het stuur . Verbalisant [verbalisant 1] is met aangever naar [naam eenmanszaak] gegaan. Aldaar werd hij aangesproken door verdachte. Verbalisant hoorde verdachte verklaren dat hij de fiets op 30 september 2006 had ingekocht van een fietsenmaker, genaamd [persoon 3]. Hij verklaarde dat de fiets nu te koop staat voor € 295,-- .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij de fiets inderdaad heeft ingekocht. Hij heeft voorts verklaard dat hij eigenlijk nooit mountainbikes inkoopt, omdat ze te diefstal gevoelig zijn. Hij vertrouwde [persoon 3] echter, omdat hij al vaker zaken met hem had gedaan . Hij heeft de fiets nog een maand in zijn etalage gehangen. Over de identiteit en het uiterlijk van [persoon 3] heeft verdachte verklaard dat hij deze persoon kent, en dat deze persoon moeilijk loopt en moeilijk ademt. [persoon 3] repareerde ook weleens fietsen voor [naam eenmanszaak] .

Hij had [persoon 3] niet eerder op de mountainbike zien rijden. Verdachte vond het niet vreemd dat de fiets bij inkoop geen slot had . Verdachte weet zeker dat [persoon 3] € 100,-- voor de mountainbike wilde hebben. Omdat [persoon 3] een stereoset erbij wilde hebben, en heeft gekregen, betaalde verdachte € 50,-- voor de fiets .

Uit de inkoopbon blijkt dat op 30 september 2006 een Raleigh Omesa d is ingekocht van [persoon 3] voor € 50,-- .

3.1.1.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – gewezen op de omstandigheden dat verdachte genoegen nam met de mededeling dat [persoon 3] fietsenmaker is, dat hij niet gevraagd heeft waar [persoon 3] de fiets vandaan had en het een hagelnieuwe mountainbike van € 499,-- betrof en de verkoper genoegen nam met € 50,--.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder de gegeven omstandigheden zich bewust moet zijn geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de mountainbike van misdrijf afkomstig zou zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte zelf heeft verklaard dat hij eigenlijk geen moutainbikes inkoopt vanwege de diefstalgevoeligheid daarvan. Daarnaast hadden in dit geval de omstandigheden dat de fiets geen slot had en de verkoper de mountainbike voor € 100,-- wilde verkopen - terwijl verdachte de verkoopwaarde kennelijk op € 295,-- schatte - verdachte er toe moeten brengen om een verdergaand onderzoek naar de herkomst van de fiets te verrichten alvorens de fiets in te kopen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, de fiets heeft ingekocht, terwijl hij in elk geval redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een van misdrijf afkomstig goed betrof. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte vervolgens willens en wetens deze aanmerkelijke kans heeft aanvaard. Immers laat het willens en wetens aanvaarden van het risico dat de fiets van diefstal afkomstig zou zijn, zich niet verenigingen met de omstandigheid dat verdachte de fiets na de inkoop in de etalage van zijn winkel heeft gehangen, alwaar de fiets voor éénieder – ook de eventuele rechtmatige eigenaar – zichtbaar was. De rechtbank acht ten aanzien van dit feit de opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen.

3.1.2. Ten aanzien van zaaksdossier 3000:

3.1.2.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 30 september 2006 deed [persoon 4] aangifte van diefstal van haar damesfiets (merk Sparta, kleur woodrose). De fiets zou gestolen zijn op vrijdag 29 september 2006 . Het serienummer van de fiets is [serienr] .

Bij een registercontrole van [naam eenmanszaak] viel verbalisant [verbalisant 2] op dat sprake was van een groot aantal innamen van goederen die afkomstig waren van haar ambtshalve bekende junks, waaronder [persoon 5] . Door de wijkagenten werden op 15 maart 2007 zes inkoopbonnen op naam van [persoon 5] overhandigd . Uit de inkoopbonnen bleek dat door [persoon 5] op 12 mei 2006, 9 augustus 2006, 25 augustus 2006, 16 september 2006 en 29 september 2006 fietsen zijn verkocht aan [naam eenmanszaak] . Op 29 september 2006 is door [persoon 5] een fiets van het merk Sparta verkocht aan [naam eenmanszaak]. Op de bon was met de hand framenummer [framenr 1] genoteerd .

[persoon 5] heeft op 13 maart 2007 zakelijk weergegeven verklaard dat hem een tijd geleden door een jongen werd gevraagd om een fiets bij [naam eenmanszaak] te verkopen. Het zou kunnen dat dit eind september vorig jaar was. [persoon 5] heeft verklaard dat hij er € 5,-- voor zou krijgen . Hij heeft de fiets verkocht aan een van de drie mensen die bij [naam eenmanszaak] werkt .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij zich [persoon 5] wel kan herinneren maar niet weet of hij deze fiets van hem heeft ingekocht. Hij herinnert zich dat [persoon 5] een verblijfsvergunning heeft. Ergens in september 2006 sprak hij met [persoon 5]. [persoon 5] had al eens een fiets ingeleverd. Toen [persoon 5] nogmaals met een fiets aan kwam heeft verdachte hem er op aangesproken dat hij heel voorzichtig moest zijn, omdat hij zijn verblijfsvergunning kon kwijtraken als hij met de politie in aanraking zou komen. Verdachte vond het gek dat [persoon 5] voor de tweede keer met een fiets kwam. [persoon 5] heeft verdachte verteld dat hij een grote familie had en dat ze veel fietsen hadden .

Medeverdachte [persoon 8] heeft verklaard dat zij op de bon waarop met de hand framenummer [framenr 1] genoteerd stond, het handschrift van verdachte heeft herkend .

3.1.2.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar de omstandigheden dat het [persoon 5] bij [naam eenmanszaak] werd toegestaan om sinds mei 2006 diverse fietsen in te leveren, alsmede dat er genoegen werd genomen met de mededeling van [persoon 5] dat hij een grote familie heeft en daarom over veel fietsen beschikt. Verder heeft de officier er op gewezen dat er op 26 september 2006 bij [naam eenmanszaak] controle is geweest door de politie, waarbij duidelijk is geworden dat [persoon 5] binnen 10 dagen 5 fietsen had ingeleverd. Tot slot vindt de officier van belang dat het ging om een fiets in goede staat met een nieuwwaarde van € 525,--(de rechtbank leest € 596,-) en de verkoper genoegen nam met € 50,--.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden de opzetheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaring van [persoon 8] over het handschrift op de bon met het framenummer volgt dat verdachte de fiets heeft ingekocht. Dit sluit aan bij de verklaring van verdachte dat hij niet weet of hij deze fiets van [persoon 5] heeft gekocht en dat hij [persoon 5] er in september 2006 op heeft gewezen dat deze voorzichtig moest zijn en zijn verblijfsvergunning kwijt kon raken indien hij in aanraking zou komen met de politie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit al het vorengaande dat verdachte zich op het moment van aankoop wel bewust was van de aanmerkelijke kans dat de fiets van misdrijf afkomstig kon zijn. Door vervolgens in een zodanig verdachte situatie genoegen te nemen met de enkele – naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardige - mededeling van [persoon 5] dat hij een grote familie zou hebben, en vervolgens geen verdere vragen te stellen, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de fiets van misdrijf afkomstig zou zijn.

3.1.3. Ten aanzien van zaaksdossier 4000:

3.1.3.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten:

Op 13 oktober 2006 deed [persoon 6] namens de Symfora Groep aangifte ter zake diefstal. [persoon 6] heeft verklaard dat zij op 9 oktober 2006 tot de ontdekking kwam dat er vanuit het [adres 2] onder meer een beamer (merk Hitachi) en een digitale videocamera (merk Sony) waren ontvreemd. Enige tijd later vertelde een personeelslid van de afdeling [naam afdeling] haar dat er in die vestiging drie computer flatscreens (merk HP) waren ontvreemd. Op 10 oktober 2006 had zij een gesprek gehad met werknemer. De werknemer vertelde haar dat hij de goederen had verkocht aan een winkel genaamd [naam eenmanszaak] te Hilversum. [persoon 6] is samen met een collega naar [naam eenmanszaak] aan [adres 2] gegaan. In de winkel heeft zij verteld dat de vrijdag daarvoor drie flatscreens waren verkocht aan [naam eenmanszaak]. De vrouw – de rechtbank begrijpt uit het dossier: [echtgenote verdachte] - deelde hen mede dat dit inderdaad het geval was en dat deze in het magazijn stonden. [persoon 6] en haar Collega hebben de vrouw verteld dat de flatscreens bij hun bedrijf waren ontvreemd. Zij kregen de flatscreens niet terug, maar mochten deze wel terugkopen. Op woensdagochtend (de rechtbank begrijpt: 11 oktober 2006) heeft iemand van Symfora Groep de flatscreens opgehaald bij [naam eenmanszaak]. Zij heeft voor de flatscreens € 135,-- betaald . De naam van de medewerker die [persoon 6] in de aangifte heeft genoemd is [pers[persoon 7] .

[persoon 7] heeft bij zijn verhoor op 12 maart 2007 zakelijk weergegeven verklaard dat hij op een dag op zijn werk was bij Symfora. Aan het einde van de dag nam hij een videocamera en een fotocamera mee van het werk. Hij wist dat wat hij deed diefstal/verduistering was. Dezelfde dag ging hij met de videocamera en de fotocamera naar [naam eenmanszaak] te Hilversum. Hij kreeg voor de camera’s € 50,-- per stuk. [persoon 7] heeft verklaard dat hij de prijzen niet redelijk vond, omdat de nieuwprijs veel meer was dan € 50,-- .

[persoon 7] heeft voorts bekend een beamer te hebben weggenomen bij Symfora. Die nam hij tegelijkertijd mee met de videocamera en de fotocamera. Hij heeft ook walkietalkies meegenomen uit de inloopkast en te koop aangeboden bij [naam eenmanszaak]. Dat was volgens hem een dag later. Het was dezelfde dag als de schermen. De platte computerschermen stonden in een dichtgeplakte doos naast de container in de parkeergarage aan de [naam afdeling]. [persoon 7] heeft verklaard de schermen te hebben meegenomen en voor € 50,-- per stuk te hebben verkocht aan [naam eenmanszaak] . Uit de inkoopbonnen blijkt dat bij [naam eenmanszaak] op 6 oktober 2006 van [persoon 7] is ingekocht een beamer (merk Hitachi) voor € 100,-- en een camera (merk Sony) voor € 80,-- . Uit de inkoopbonnen blijkt voorts dat op 7 oktober 2006 van [persoon 7] is ingekocht 2 maal een tft scherm voor € 40,-- en nog 1 maal een tft scherm voor € 35,-- .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat [echtgenote verdachte] en [persoon 8] de inkoop van [persoon 7] hebben gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij wel verantwoordelijk is .

Todorsa heeft zakelijk weergegeven verklaard dat zij zich kan herinneren de videocamera en één van de tft schermen te hebben ingekocht. Zij kan zich niet herinneren een camera en een walkietalkie te hebben ingekocht van [persoon 7]. [persoon 7] heeft één of twee dagen later gebeld en wilde de spullen terugkopen. [persoon 7] vertelde haar dat hij problemen had op zijn werk, omdat hij de spullen had gestolen. Voorts heeft zij verklaard dat er iemand van het werk van [persoon 7] in de winkel kwam voor de schermen en vertelde wat er was gebeurd. [echtgenote verdachte] heeft verklaard dat de mensen de schermen konden terugkopen . Verder heeft zij verklaard dat zij tijdens de inkoop al aan [persoon 7] heeft gevraagd hoe het kwam dat hij eerst één en daarna twee schermen kwam brengen, omdat zij het niet logisch vond dat iemand drie schermen kwam brengen. [persoon 7] heeft haar toen verteld dat het bedrijf waarbij hij werkte nieuwe schermen had gekocht, en dat hij de oude voor een paar euro had kunnen kopen .

[persoon 8] heeft zakelijk weergegeven verklaard dat zij zich kan herinneren dat zij met [echtgenote verdachte] aan de inkoopbalie stond en dat ze een beeldscherm van [persoon 7] had ingekocht. Ze had nog nooit problemen gehad met goederen die [persoon 7] had aangeboden, maar ze vond het wel raar dat het meerdere beeldschermen betrof. Zij wist nog dat [persoon 7] vertelde dat hij voor een bedrijf werkte en dat hij het voor hen kwam verkopen. Zij vond dit een logisch verhaal .

3.1.3.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de voorwaardelijke vorm, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar de verklaring van [persoon 8] dat zij het vreemd vond dat [persoon 7] met drie schermen aan kwam zetten, maar desondanks de goederen heeft ingekocht. De officier van justitie heeft voorts verwezen naar de wisselende verklaringen die de verdachten hebben afgelegd over wat [persoon 7] over de herkomst zou hebben gezegd en de – meer geloofwaardige - verklaring van [persoon 7] dat bij [naam eenmanszaak] niets wordt gevraagd over de herkomst van de spullen. [persoon 7] heeft verklaard dat bij [naam eenmanszaak] zelfs wordt gevraagd of men nog meer spullen te verkopen heeft.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting voorts, zo begrijpt de rechtbank, betoogd dat verdachte als functioneel dader aansprakelijk kan worden gesteld voor de handelingen van de overige inkopers. Immers vermocht verdachte naar het oordeel van de officier van justitie als eigenaar van de eenmanszaak beschikken over de handelingen van de medewerkers. Verder zou uit de verklaringen van Copier en Tuinman, het feit dat van ambtshalve bekende junks werd gekocht en de omstandigheid dat gestolen goederen door de eigenaren moesten worden teruggekocht, blijken dat verdachte het plegen van heling binnen het bedrijf aanvaardde.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat er sprake is geweest van schuldheling ten aanzien van de inkoop van de tft schermen op 7 oktober 2006. Uit de verklaringen van [echtgenote verdachte] en [persoon 8] volgt dat zij zich, op het moment dat [persoon 7] wederom tft schermen ter inkoop aanbood, bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat het hier door misdrijf verkregen goederen kon betreffen. Zij hebben beide immers verklaard dat zij het vreemd vonden dat [persoon 7] die dag wederom tft schermen aanbood. Naar het oordeel van de rechtbank hadden zij op dat moment geen genoegen mogen nemen met de verklaring van [persoon 7], maar verder onderzoek behoren te doen om de juistheid van deze verklaring te verifiëren, bijvoorbeeld door het vragen van documenten waaruit de aannemelijkheid van dit verhaal zou blijken. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit de hiervoor genoemde omstandigheden niet volgt dat zij willens en wetens de aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat het goed van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht van belang dat [echtgenote verdachte] en [persoon 8] hebben verklaard dat de identiteit van de verkoper en de verklaring die hij voor de verkoop van de schermen gaf voor hen voldoende aannemelijk waren om de goederen te in te kopen. De rechtbank is dan ook onvoldoende overtuigd dat zij op dat moment bewust en willens en wetens de aannemelijke kans hebben aanvaard dat de goederen van misdrijf afkomstig waren.

Aansprakelijkheid van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet als medepleger ten aanzien van de bewezenverklaarde schuldheling van de flatscreens kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er ten aanzien van de heling van deze goederen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, nu uit de hiervoor onder 3.1.3.1. genoemde feiten en omstandigheden niet blijkt dat verdachte op dat moment bij de inkoop aanwezig is geweest, dan wel op enige andere wijze inbreng of aandeel heeft gehad bij de inkoop van de goederen.

Ten aanzien van de vraag of verdachte als functioneel dader strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank stelt voorop dat bij het beoordelen of verdachte op basis van functioneel daderschap als (mede)dader van het telastegelegde feit kan worden aangemerkt, aansluiting wordt gezocht bij de criteria zoals deze door de Hoge Raad in het IJzerdraad-arrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378) zijn vastgelegd.

De rechtbank overweegt dat de handelingen van de medewerkers van [naam eenmanszaak] als handelingen van verdachte worden aangemerkt, indien verdachte beschikkingsmacht had over het al dan niet plaatsvinden van de handelingen en de concrete handeling behoorde tot handelingen, die door verdachte werden aanvaard. Evenals de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat verdachte de beschikkingsmacht had over de inkoop van goederen door de medewerkers. Verdachte was eigenaar van de eenmanszaak en die hoedanigheid dan ook verantwoordelijk voor de inkoop van de goederen door zijn werknemers. Verdachte kon immers ten allen tijde beslissen dat een goed en/of een bepaald soort goederen niet of alleen onder bepaalde voorwaarden zoals de beschikbaarheid van een aankoopbon mocht worden ingekocht.

De tweede vraag is of verdachte – kort gezegd- de helingen aanvaardde of plachte te aanvaarden. In het concrete geval van verdachte is dan ook van belang of verdachte, terwijl hij op de hoogte was van de heling van goederen als gevolg van inkopen van zijn werknemers, heeft nagelaten om maatregelen te treffen en/of toereikende instructies heeft uitgevaardigd om te voorkomen dat goederen werden ingekocht die van misdrijf afkomstig waren.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat er sprake is geweest van een zekere vorm van aanvaarding van de verboden gedragingen door verdachte. Verdachte was vrijwel dagelijks in de winkel aanwezig. Verdachte was de feitelijk leidinggevende op de werkvloer en gaf ook feitelijk leiding aan de verboden gedragingen door geen werkelijk afdoende maatregelen te nemen ter voorkoming daarvan, hoewel hij hiertoe bevoegd en redelijkerwijze gehouden was. Hierbij is bijvoorbeeld van belang dat verdachte ondanks het bijhouden van een zogeheten zwarte lijst van mensen waar niet van gekocht mocht worden, in een aantal gevallen, toch goederen van deze mensen inkocht of liet inkopen . Voorts acht de rechtbank van belang dat uit de in het dossier opgenomen verklaringen van verdachte kan worden afgeleid dat hij geen duidelijke richtlijnen gaf aan zijn medewerkers over de wijze waarop het inkopen van gestolen goederen kon worden voorkomen. Door aldus te handelen heeft hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedragingen zich voor zouden doen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte als functioneel dader ten aanzien van het telastegelegde feit kan worden beschouwd.

De rechtbank zal verdachte voorts vrijspreken van hetgeen hem onder zaaksdossier 4000 na en/of is telastegelegd. De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte is telastegelegde dat hij op of omstreeks 9 oktober 2007 opzettelijk uit winstbejag gestolen flatscreens aanwezig heeft gehad. Uit het dossier blijkt echter dat verdachte op 10 oktober 2006 op de hoogte is gekomen van de diefstal van de flatscreens. Immers heeft [persoon 7] verklaard dat hij gebeld heeft met [naam eenmanszaak], nadat hij een gesprek heeft gehad met [persoon 6], een man van Asito en nog een man, en in dit gesprek vertelde wat hij had gedaan . Uit de verklaring van [persoon 6] volgt dat dit gesprek op dinsdag 10 oktober 2006 heeft plaatsgevonden . De rechtbank acht om die reden niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 9 oktober 2007 flatscreens voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat deze van misdrijf afkomstig waren.

3.1.4. Ten aanzien van zaaksdossier 5000:

3.1.4.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 18 december 2006 deed [persoon 9] aangifte van diefstal van zijn mountainbike (merk Curtis, kleur zwart). De fiets werd gestolen in de periode van 16 december 2006 tot en met 18 december 2006 .

Op 23 januari 2007 bevond [verbalisant 3] zich in de winkel van [naam eenmanszaak]. Verdachte verklaarde ten overstaan van verbalisant net een fiets te hebben gekocht van een jongen. Deze fiets van het type mountainbike stond in de winkel gestald. Verdachte verklaarde voor deze fiets € 40,-- betaald te hebben en deze fiets te willen verkopen voor € 120,--. Uit telefonisch contact via het regionaal informatiecentrum van politie Gooi-en Vechtstreek bleek vervolgens dat genoemde fiets tussen 16 december 2006 en 18 december 2006 gestolen was en dat hiervan aangifte was gedaan .

Uit een uitdraai uit het inkoopregister bleek genoemde fiets op 23 januari 2007 ingeleverd te zijn door [persoon 10] .

[persoon 10] heeft bij zijn verhoor zakelijk weergegeven verklaard dat hij eind december 2006 zag dat een vriend van hem de fiets bij zich had. De vriend vertelde dat hij de fiets wilde verkopen aan [naam eenmanszaak]. Deze vriend was nog geen 18 jaar. [persoon 10] is op zijn verzoek naar [naam eenmanszaak] gereden en heeft de fiets verkocht voor € 40,-- . Hij heeft verklaard dat hij het eigenlijk wel een luxe fiets vond en dacht dat de fiets wel meer waard zou zijn dan € 40,-- .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij normaal gesproken nooit mountainbikes inkoopt, maar dat hij deze jongen vertrouwde. De jongen had al eens zonnebrillen ingeleverd en vertelde verdachte dat hij bij de beveiliging werkte. Verdachtes echtgenote [echtgenote van verdachte] was ook bij deze inkoop aanwezig. Zij wilde de fiets niet inkopen . Verdachte heeft deze mountainbike desondanks toch ingekocht omdat deze mountainbike er erg mooi uitzag .

Verdachte vond het niet vreemd dat er geen slot op een mountainbike zat. Verdachte heeft verklaard dat [naam eenmanszaak] in principe geen mountainbikes inkoopt omdat die te diefstalgevoelig zijn .

3.1.4.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar de omstandigheden dat het in dit geval een fiets betrof in zichtbaar goede staat, dat de verkoper desondanks genoegen neemt met € 40,--, dat verdachte vóór 23 januari 2007 al diverse malen was geconfronteerd met mountainbikes zonder slot die gestolen bleken te zijn en dat er gerommeld lijkt te zijn met het framenummer op de bon.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden de opzetheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Immers heeft verdachte verklaard hij normaal gesproken nooit mountainbikes inkoopt, aangezien de mountainbike een diefstalgevoelig goed is. Bovendien had de mountainbike in kwestie geen slot. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze omstandigheden dat verdachte op dat moment moet hebben aanvaard dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de onderhavige mountainbike van misdrijf afkomstig was. De rechtbank acht in dit kader in het bijzonder van belang dat – zo blijkt uit de verklaring van verdachte – de echtgenote van verdachte de mountainbike niet wilde inkopen. Door de mountainbike vervolgens - in weerwil van het hiervoor genoemde besef en tegen het advies van zijn echtgenote in - alsnog in te kopen heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de fiets van misdrijf afkomstig zou zijn.

Voorts overweegt de rechtbank nog dat het serienummer van de mountainbike - van welke aangifte van diefstal is gedaan - niet overeen komt met het serienummer dat op de inkoopbon van [naam eenmanszaak] is opgenomen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat op basis van het proces-verbaal van bevindingen van 23 januari 2007 - hiervoor bij de vaststaande feiten genoemd - kan worden vastgesteld dat het in de aangifte en op de inkoopbon om dezelfde mountainbike gaat .

3.1.5. Ten aanzien van zaaksdossier 6000:

3.1.5.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 11 januari 2007 deed [persoon 11] aangifte ter zake inbraak in haar woning. Zij ontdekte dat op 5 januari 2007 uit haar woning onder meer een stereoset inclusief afstandbediening en antenne was weggenomen . Het zou hier gaan om een stereocombinatie (merk Yamaha, kleur zilver, serienummer [serienr ]) met een geschatte waarde van € 550,-- .

Op 6 januari 2007 zag aangeefster [persoon 11] het bij haar gestolen stereosetje in de winkel van [naam eenmanszaak] achter de toonbank staan. Uit de inkoopbon bleek dat de stereoset (merk Yamaha met serienummer [serienr ]) op 5 januari 2007 was ingeleverd door een persoon genaamd [persoon 12]. Het inkoopbedrag was € 35,-- .

[persoon 12] heeft bij de politie vervolgens verklaard dat hij de stereoset heeft ingeleverd als vriendendienst voor een jongen genaamd [persoon 13]. Hij heeft er € 30,-- voor gekregen . De reden dat [persoon 13] het setje niet kon inleveren was volgens [persoon 12] dat deze persoon geen ID kaart had. Desgevraagd heeft [persoon 12] verklaard dat hij vond dat € 30,-- euro echt te weinig geld was voor zo’n mooi setje .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij op 5 januari 2007 aan het werk was in de winkel van [naam eenmanszaak] te Hilversum. Er kwam een man aan de inkoopbalie. Omdat hij het computersysteem niet onder de knie had heeft hij [persoon 8] geroepen. Later toen [persoon 8] de klant hielp werd hem bekend dat deze man [persoon 12] was. [persoon 8] vroeg later aan verdachte of zij voor € 40,-- een stereoset kon kopen van [persoon 12]. Verdachte had toen de set nog niet gezien. Hij besloot toen dat [persoon 8] dit mocht doen . Op het moment dat de politie arriveerde herinnerde verdachte zich weer dat [persoon 12] in 2006 een laptop had verkocht aan [naam eenmanszaak], die gestolen bleek te zijn .

[persoon 8] heeft zakelijk weergegeven verklaard dat op 5 januari 2007 de haar bekende [persoon 12] aan de inkoopbalie stond. Zij kende [persoon 12] omdat hij in 2006 een laptop had verkocht die later gestolen bleek te zijn. Vanaf toen heeft zij besloten dat zij beter niet meer van [persoon 12] kon inkopen, omdat zij het vermoeden had dat hij gestolen goederen verkocht. Toen [persoon 12] op 5 januari 2007 bij de inkoopbalie een Yahama stereo- en dvd set wilde verkopen, heeft zij eerst aan verdachte gevraagd of zij wel iets van hem konden inkopen. Verdachte heeft haar toen verteld dat zij de aangeboden stereoset mocht inkopen van [persoon 12]. [persoon 8] heeft voorts verklaard dat als zij de beslissing moest nemen over deze inkoop of als [verdachte] niet aanwezig was geweest, zij het setje niet had ingekocht. Dit omdat het risico groot was dat het een gestolen stereoset betrof .

3.1.5.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar de omstandigheid dat een stereoset werd ingekocht van een persoon die al eerder gestolen goederen had ingeleverd.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden de opzetheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de stereoset werd aangeboden door de hem bekende [persoon 12]. Immers heeft [persoon 8] verklaard dat zij wist dat het om de haar bekende [persoon 12] ging, en dat zij vervolgens aan verdachte vroeg of zij de stereoset mocht inkopen van deze [persoon 12]. De rechtbank acht, gelet op de verklaring van [persoon 8] dat het risico bij [persoon 12] groot was dat het om gestolen goederen ging, aannemelijk dat verdachte, op het moment dat [persoon 8] aan hem vroeg of zij het setje mocht inkopen van [persoon 12], moet hebben beseft dat er een aanmerkelijk risico bestond dat het goed van misdrijf afkomstig was. Door vervolgens toestemming te geven om het goed in te kopen, ofschoon hij wist dat het hier een verkoper betrof bij wie het risico op verkoop van gestolen goederen aanwezig was, heeft verdachte willen en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de stereoset van misdrijf afkomstig zou zijn.

3.1.6. Ten aanzien van zaaksdossier 7000:

3.1.6.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 9 februari 2007 werd door [persoon 14] aangifte gedaan van diefstal op 3 februari 2007 van een zogenoemde kickbike (merk XCountry, kleur limegroen). De step zou erg opvallend zijn en zeer zeldzaam zijn in Nederland .

Aangever heeft een aankoopbon overgelegd waaruit blijkt dat hij de step op 21 oktober 2006 had gekocht voor € 399,-- .

Op 24 februari 2007 nam aangever contact op met de politie. Hij deelde mede dat hij zijn step had zien staan bij [naam eenmanszaak] aan [adres 2]. Ter plaatse werd verbalisanten door [persoon 8] medegedeeld dat zij de fiets gekocht zou hebben voor € 20,--. De aanbieder zou zijn genaamd [persoon 15]. Zij had dit fout in het systeem ingevoerd, maar wist zich te herinneren dat [persoon 15] de verkoper was .

Uit de inkoopbon blijkt dat een kickbike met serienummer [serienr] op 3 februari 2007 voor 20 euro is ingekocht. De naam van de verkoper is handgeschreven verbeterd in [persoon 15] .

Verbalisanten hebben een tweetal erkende rijwielhandelaren benaderd om een taxatie te maken van de kickbike. Van der Linden taxeerde de kickbike op een waarde van € 250,-- euro. De Bode taxeerde dit goed op € 60,-- euro

[persoon 8] heeft verklaard dat zij zich kan herinneren dat ze de step op 3 februari 2007 had ingekocht van [persoon 15], voor € 20,--. Ze had zo’n step op markplaats zien staan voor rond de € 100,--. [persoon 15] wilde € 50,-- voor de step hebben. Volgens [persoon 8] heeft zij heeft toen met verdachte overlegd. Ze probeerden de step voor € 20,-- te kopen, omdat ze dachten dat een step niet zou makkelijk zou verkopen . [persoon 8] heeft verklaard dat zij € 20,-- een redelijke prijs vond, aangezien ze de step voor € 100,-- wilden verkopen. Zij vond het niet vreemd dat er geen slot op de step zat, want zij ging er van uit dat op een step geen slot zat .

Verdachte heeft verklaard dat [persoon 8] degene was die de step heeft ingekocht. Verdachte was in de winkel op het moment dat [persoon 8] de step inkocht. Volgens verdachte heeft zij niet met hem overlegd . Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [persoon 8] aan hem heeft gevraagd of zij een step mocht inkopen, waarop hij heeft geantwoord dat zij dit mocht doen .

[persoon 15] heeft op 9 mei 2007 verklaard dat hij inderdaad op 3 februari 2007 bij [naam eenmanszaak] is geweest te Hilversum. Hij verklaarde dat hij de step verkocht zou hebben voor een man, door wie hij werd aangesproken in een steeg vlak naast het pand van [naam eenmanszaak]. De man vertelde zijn legitimatie kwijt te zijn en had een step bij zich die hij bij [naam eenmanszaak] wilde verkopen. [persoon 15] heeft verklaard € 15,-- voor de step te hebben ontvangen .

3.1.6.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar het feit dat het ingekochte goed een step met een waarde van € 399,-- betrof, en de verkoper desondanks genoegen nam met € 20,--, hetgeen slechts 1/20 deel van de nieuwwaarde was.

Beoordeling van de rechtbank

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat er in het onderhavige geval sprake is van opzetheling, al dan niet in voorwaardelijke vorm. De rechtbank is van oordeel dat de staat en conditie van de aangeboden step en de relatief lage prijs waar de verkoper genoegen mee nam, voor verdachte aanleiding hadden moeten geven om redelijkerwijs te twijfelen aan de herkomst van het goed. De rechtbank is evenwel onvoldoende overtuigd dat verdachte in het onderhavige geval heeft beseft dat er een aanmerkelijke kans bestond dat het goed van misdrijf afkomstig zou zijn en vervolgens willens en wetens deze kans heeft aanvaard. De rechtbank acht hierbij van belang dat er geen aanwijzingen zijn dat de identiteit en het uiterlijk van de verkoper op zichzelf aanleiding gaven om aan de herkomst van het goed te twijfelen. Daarnaast is de step door een tweetal deskundigen op zeer uiteenlopende waarden getaxeerd (respectievelijk € 250,-- en € 60,--), zodat ook de prijs die voor het goed werd betaald naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding biedt om aan te nemen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat het goed van misdrijf afkomstig zou zijn heeft aanvaard.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de step van misdrijf afkomstig was. Immers betrof het hier een relatief diefstalgevoelig goed, zonder slot, dat tegen een relatief geringe inkoopprijs werd ingekocht. Bovendien waren voorafgaand aan de datum van inkoop al eerder gestolen goederen in de winkel van verdachte aangetroffen. Dat had verdachte er toe moeten brengen om op dat moment een grotere mate van zorgvuldigheid te betrachten bij de inkoop van goederen, zeker nu het een diefstalgevoelig goed betrof. Verdachte had geen toestemming mogen geven aan [persoon 8] om het goed aan te schaffen zonder nader onderzoek te verrichten, waaronder in elk geval het vragen om een aankoopbon. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich in dit geval heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van schuldheling, nu verdachte gedurende de aankoop in de winkel aanwezig was en zelf de uiteindelijke opdracht heeft gegeven om het goed in te kopen zonder verder onderzoek naar de herkomst van de step te verrichten.

3.1.7. Ten aanzien van zaaksdossier 8000:

3.1.7.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 3 februari 2007 deed [persoon 16] aangifte van diefstal van zijn fiets (merk Canondale, type mountainbike). In februari 2006 had hij een persoon genaamd [persoon 17] in huis genomen. Na zes weken zei [persoon 17] dat hij een eigen woonruimte had. [persoon 17] vroeg aan [persoon 16] de huissleutels om zijn bezittingen op te halen. [persoon 16] kwam vervolgens bij binnenkomst van zijn woning tot de ontdekking dat de eerder genoemde fiets van het merk Canondale ook weg was. [persoon 17] vertelde hem de fiets inderdaad te hebben geleend. [persoon 16] werd op een avond gebeld door een bekende van hem. Deze bekende wist hem te vertellen dat iemand zijn fiets zou hebben verkocht. De nieuwe eigenaar van de fiets vertelde [persoon 16] vervolgens dat hij de fiets bij [naam eenmanszaak] had gekocht. [persoon 16] is naar [naam eenmanszaak] gegaan. Daar bevestigden zij dat ze de fiets van [persoon 17] hadden gekocht. [persoon 16] heeft verder verklaard dat [persoon 17] een schuldverklaring heeft ondertekend, waarin hij schuld bekent aan de diefstal van de fiets en de verkoop hiervan . Een schriftelijke schuldbekentenis, ondertekend door [persoon 17], is aan het dossier toegevoegd .

[persoon 17] heeft verklaard dat [persoon 16] hem heeft gevraagd of hij zijn fiets wilde verkopen. Hij heeft toen de fiets, een Canondale mountainbike, voor € 150,-- verkocht aan [naam eenmanszaak] .

Op 23 april 20007 heeft [persoon 8] aan het bureau van politie een inkoopbon ingeleverd. Uit de bon blijkt dat op 6 februari 2006 een Canondale f800 is ingekocht van [persoon 17] voor € 100,-- .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat de fiets ingekocht is door [persoon 18]. Hij verklaart dat hij er wel verantwoordelijk voor was. Hij weet nog wel dat de huisgenoot van [persoon 16] de fiets inleverde . Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij wist dat [persoon 16] een vriend had, genaamd [persoon 17], en dat deze jongens samen wel eens in de winkel kwamen .

Bij de politie heeft verdachte voorts verklaard dat hij zich nog wist te herinneren dat het goed een Cannondale fiets betrof en dat hij niet bij de aankoop aanwezig was . Hij heeft niet op de inkoopprijs van de fiets gelet. Later wist hij wel dat het een hele mooie fiets was. Zijn eerste gedachte was dat [persoon 18] de fiets goed had ingekocht .

3.1.7.2. Bewijsoverweging

De rechtbank gaat er gelet op vorenstaande van uit dat de datum 6 februari 2007 in de telastelegging moet worden gelezen als 6 februari 2006.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling, in elk geval in de vorm van voorwaardelijk opzet, wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar het feit dat het in het onderhavige geval een mountainbike betrof met een nieuwwaarde van € 2.200,-- en de verkoper in dit geval genoegen nam met € 100,--.

Beoordeling van de rechtbank

De rechtbank acht de telastegelegde opzetheling niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het telastegelegde feit uit van de verklaring van verdachte, dat het goed niet door hem is ingekocht, maar door een ander ([persoon 18]). De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat het ingekochte goed een diefstal gevoelig goed betrof en de mountainbike geen slot had voornoemde inkoper er op bedacht had moeten maken dat het goed van diefstal afkomstig had kunnen zijn. De rechtbank is echter ook van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de inkoper vervolgens willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de mountainbike van misdrijf afkomstig zou kunnen zijn. Dit ondanks de relatief zeer lage inkoopprijs. Bij dit oordeel is van belang dat het een bij verdachte bekende verkoper betrof, van wie tevens bekend was dat hij de vriend was van de eigenaar van de mountainbike. Dit bood naar het oordeel van de rechtbank een redelijkerwijs aannemelijke verklaring voor het bezit van de mountainbike door verdachte. Alle omstandigheden tezamen genomen is de rechtbank onvoldoende overtuigd dat bij de inkoper opzet (al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet) bestond ten tijde van het inkopen van de fiets, reden waarom ook aan verdachte in dit geval geen opzetheling kan worden verweten.

De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat de inkoper redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het goed mogelijk van misdrijf afkomstig kon zijn. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat het een naar algemene ervaringsregels diefstalgevoelig goed betrof dat normaal gesproken niet werd ingekocht, dat de fiets geen slot had en een aanzienlijke nieuwwaarde had. Voornoemde omstandigheden hadden aanleiding moeten geven om een verdergaand onderzoek naar de herkomst van de mountainbike te verrichten alvorens tot de inkoop over te gaan, zoals bijvoorbeeld het vragen naar een aankoopbon. De hiervoor genoemde omstandigheid dat de verkoper als vriend van de eigenaar bekend stond doet aan deze onderzoeksplicht niets af.

Aansprakelijkheid van verdachte

Ten aanzien van de vraag of verdachte - al dan niet in hoedanigheid van medepleger - strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld overweegt de rechtbank het navolgende.

De rechtbank merkt verdachte niet aan als medepleger van het telastegelegde feit, nu uit de hiervoor onder 3.1.7.1. genoemde feiten en omstandigheden niet blijkt dat verdachte bij de inkoop aanwezig is geweest, dan wel op enige andere wijze inbreng of aandeel heeft gehad bij de aankoop van het goed.

De rechtbank is echter wel van oordeel dat verdachte als functioneel dader aansprakelijk kan worden gesteld voor de telastegelegde schuldheling. De rechtbank verwijst ter onderbouwing naar hetgeen hieromtrent onder 3.1.3.2. is overwogen. De rechtbank ziet in de omstandigheden van de onderhavige transactie geen aanleiding om hier anders over te denken.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van hetgeen hem ten aanzien van zaaksdossier 8000 na en/of is telastegelegd, nu niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op de telastegelegde datum (6 februari 2007) de fiets voorhanden heeft gehad en/of overgedragen. Uit het proces-verbaal van aangifte d.d. 3 februari 2007 volgt immers dat de fiets op dat moment zich niet meer in het bezit van verdachte bevond, terwijl onduidelijk is gebleven wanneer de fiets is verkocht.

3.1.8. Ten aanzien van zaaksdossier 10000:

3.1.8.1. De vaststaande feiten

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten.

Op 2 april 2007 werd door [persoon 19] aangifte gedaan van diefstal van haar fiets (merk Batavus Old Dutch met de kleur zwart en framenummer [framenr]). Zij weet de dader van de diefstal te achterhalen. De dader verklaarde haar dat hij een fiets had gestolen en dat hij deze fiets net voor € 50,-- had verkocht aan [naam eenmanszaak]. Aangeefster is naar de winkel van [naam eenmanszaak] te Hilversum gegaan. Achterin de winkel zag ze haar fiets staan. Zij heeft toen de eigenaar van de winkel gezegd dat haar fiets in zijn winkel stond en dat die anderhalf uur daardoor gestolen was. Zij herkende de fiets als haar eigendom omdat het hetzelfde model was, met een haarelastiekje om het stuur en er een jamvlek op de koplamp zat. [persoon 19] heeft voorts verklaard dat de eigenaar van [naam eenmanszaak] haar liet weten dat ze de fiets voor € 50,-- terug kon kopen, maar dat hij, toen zij hem mededeelde dat zij naar de politie ging met dit verhaal, geschrokken reageerde. Volgens [persoon 19] zei de eigenaar op dat moment dat hij er geen politie bij wilden hebben en dat ze haar fiets mocht meenemen .

Uit de inkoopbon van de fiets blijkt dat op 2 april 2007 een omafiets Old Dutch Batavus is ingekocht van een persoon genaamd [persoon 20] voor € 40,-- .

[persoon 20] heeft zakelijk weergegeven verklaard dat zij inderdaad de fiets heeft aangeboden bij [naam eenmanszaak] te Hilversum. De fiets was gestolen door een toenmalige vriendin van haar, [persoon 21], en hun vriend [persoon 22]. [persoon 21] en [persoon 22] hadden het slot van de fiets afgebroken en een ander slot om de fiets gedaan. [persoon 20] heeft verklaard dat zij bij [naam eenmanszaak] werd geholpen door een man en [persoon 8]. [persoon 8] heeft gebeld met de politie om te controleren of de fiets gestolen was. De man gaf haar € 40,-- voor de fiets. [persoon 20] heeft verklaard dat zij het een vreemd bedrag vond, aangezien het een gloednieuwe fiets betrof en zij zelf nooit genoegen had genomen met € 40,-- euro als het echt haar fiets was geweest .

Verdachte heeft zakelijk weergegeven verklaard dat hij niet bij de inkoop van de fiets was. Hij weet alleen dat er binnen het uur een jongen en een meisje binnenkwamen die vertelden dat de fiets gestolen was . Zij wilden de fiets terug hebben en hij gaf de fiets terug. Verdachte weet niet meer of zij geld moesten geven voor de fiets. Het zou best kunnen. Volgens verdachte ging het niet zoals in de aangifte wordt verteld. Hij kan zich niet herinneren dat hij gezegd zou hebben dat ze de fiets terug konden kopen voor € 50,-- .

[persoon 8] [persoon 8] heeft zakelijk weergeven verklaard dat zij de inkoop van de fiets alleen heeft gedaan. Zij heeft € 35,-- of € 40,-- voor de fiets betaald. De fiets was wel in vrij nieuwe staat. Zij heeft verder verklaard dat zij de waarde van de fiets niet heeft gecontroleerd op internet. [naam eenmanszaak] hanteert een standaard prijs voor omafietsen zonder onderscheid naar merk te maken. .

Aangeefster heeft verder zakelijk weergegeven verklaard dat het echte Batavus fiets was met als extra bijzonderheid 3 versnellingen. Zij heeft de fiets een jaar voor de diefstal voor minstens € 500,-- gekocht. De fiets zag er ten tijde van de diefstal nog keurig uit en zij schatte de waarde op dat moment zeker op € 350,-- .

3.1.8.2. Bewijsoverweging

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de opzetheling als bedoeld in artikel 416, eerste lid onder b Sr wettig en overtuigend bewezen. De officier heeft hiertoe – kort gezegd – verwezen naar het feit dat verdachte de fiets voorhanden heeft gehad, terwijl hij heeft geprobeerd [persoon 19] de fiets met opslag te verkopen. De officier van justitie heeft er op gewezen dat ingevolge het arrest HR 16 december 1947, NJ 1948, 271, niet nodig is dat de winst zich ook heeft gerealiseerd, doch dat het gaat om het oogmerk ten tijde van het voorhanden hebben.

Beoordeling van de rechtbank

In zaaksdossier 10000 heeft de officier van justitie – na wijziging van de telastelegging ter terechtzitting – primair telastegelegd opzetheling, bestaande uit het uit winstbejag voorhanden hebben en/overdragen van een goed (artikel 416, eerste lid onder b van het Wetboek van Strafrecht). Subsidiair heeft de officier van justitie telastegelegd opzetheling/schuldheling, bestaande uit het verwerven/voorhanden hebben van een van misdrijf afkomstig goed (artikel 416, eerste lid jo artikel 417bis, eerste lid onder a van het Wetboek van Strafrecht).

De rechtbank is van oordeel dat het feit zoals primair telastegelegd in beginsel zou kunnen worden bewezen. Met verwijzing naar hetgeen hieronder bij 3.1.8.3 wordt overwogen is de rechtbank evenwel van oordeel dat verdachte integraal van het onder 1 primair telastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de officier van justitie kennelijk heeft beoogd onder 1 primair de feiten slechts in de vorm van een gewoonteheling ten laste te leggen.

De rechtbank is gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden van oordeel dat de subsidiair telastegelegde opzetheling wettig en overtuigend kan worden bewezen. Uit de verklaring van [persoon 8] volgt dat zij zich ten tijde van de verwerving bewust is geweest dat de fiets in vrij nieuwe staat verkeerde. Naar het oordeel van de rechtbank had in dat verband nader onderzoek moeten worden gedaan naar de waarde van de fiets. [persoon 8] heeft verklaard dat zij geen onderzoek op internet heeft gedaan en dat zij voor de fiets een standaard prijs heeft gerekend. Door geen nader onderzoek te doen wetende dat de fiets van Batavus, zijnde een degelijk merk, en in vrij goede staat is, heeft [persoon 8] bewust en willens en wetens de aanmerkelijke aanvaard dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Daarbij is nog van belang dat [persoon 8] met deze handelwijze heeft gehandeld in strijd met de door [naam eenmanszaak] zelf gestelde regels, te weten het doen van onderzoek naar de waarde van de fiets.

Aansprakelijkheid van verdachte

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet als medepleger ten aanzien van de te bewijzen opzetheling van de fiets kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er ten aanzien van de heling van deze goederen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking, nu uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet blijkt dat verdachte op dat moment bij de inkoop aanwezig is geweest, dan wel op enige andere wijze inbreng of aandeel heeft gehad bij de inkoop van het goed.

Met verwijzing naar hetgeen hiervoor bij 3.1.3.2 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel als functioneel dader ten aanzien van dit feit kan worden beschouwd.

3.1.8.3.Gewoonteheling

Zoals hiervoor onder 3.1.8.2 is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich op meerdere tijdstippen, te weten op 29 september 2006, op 5 januari 2007, op 23 januari 2007 en op 2 april 2007, heeft schuldig gemaakt aan opzetheling. Dat hij van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt (gewoonteheling), acht de rechtbank echter niet wettig en overtuigend bewezen.

Voor het maken van een gewoonte van opzetheling is immers niet alleen vereist dat de verdachte een aantal opzethelingen heeft gepleegd, maar ook dat verdachte een op de gewoonte gerichte opzet had. Naar het oordeel van de rechtbank had verdachte laatstbedoelde opzet niet. Zij acht daarbij van belang dat verdachte, weliswaar op tekortschietende wijze, heeft getracht om de inkoop van gestolen goederen te voorkomen. Zo heeft hij een zwarte lijst samengesteld van verkopers van gestolen goederen en inkopers veelal om identiteitbewijzen gevraagd. Verder weegt de rechtbank mee dat zij niet ten aanzien van alle telastegelegde feiten de opzetheling bewezen acht en dat verdachte goederen die later van diefstal afkomstig bleken te zijn, voor iedereen zichtbaar in de etalage van [naam eenmanszaak] plaatste. Dit laatste lijkt niet te passen bij het opzettelijk een gewoonte maken van opzetheling,

Uit het voorgaande volgt, anders gezegd, dat bij verdachte niet binnen een korte periode telkenmale weer de neiging bestond om bij twijfelachtige gevallen willens en wetens het aanmerkelijke risico te aanvaarden dat het goed van misdrijf afkomstig kon zijn. De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte gewoonteheling heeft gepleegd.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte integraal van het onder 1 primair telastegelegde dient te worden vrijgesproken, nu de officier van justitie - gelet op de tekst en opzet van de telastelegging, alsmede de door de officier van justitie aangebrachte wijziging in de telastelegging waarbij hij nadrukkelijk alleen artikel 417 van het Wetboek van Strafrecht onder het primaire feit heeft vermeld - kennelijk heeft beoogd onder 1 primair de feiten slechts in de vorm van een gewoonteheling ten laste te leggen.

De conclusie is dan ook de volgende:

Vrijspraak van het onder 1 primair telastegelegde, zoals hieronder weergegeven.

3.2. Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

3.2.1. De bewijsmiddelen

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het telastgelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van feit 2, eerste deel:

1. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met nummer PL1400/06-058636 van 13 maart 2007, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (doorgenummerde p. 106-113);

2. Een geschrift, te weten een rapport, d.d. 31 oktober 2006 opgemaakt en ondertekend door [persoon 23], brigadier van de politie Gooi en Vechtstreek (doorgenummerde p. 22-23);

3. Een tweetal geschriften, te weten inkoopbonnen van [naam eenmanszaak] Hilversum zonder vermelding van het serienummer, gedateerd 6 oktober 2006.

Ten aanzien van feit 2, tweede deel:

De vaststaande feiten:

4. Het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] met nummer PL1400/06-058636 van 13 maart 2007, inhoudende de bekennende verklaring van verdachte (doorgenummerde p. 106-113);

5. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1403/06040763 (doorgenummerde p.53-54);

6. Een geschrift, te weten een lijst van door [naam eenmanszaak] Hilversum verkochte goederen vanaf de periode 15 mei 2007 tot 6 juni 2007, als bijlage gevoegde bij het onder 5 genoemde proces-verbaal.

3.3. Ten aanzien van het onder 3 telastegelegde

3.3.1. De vaststaande feiten.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten :

Op 18 maart 2007 kregen verbalisanten van de politie Gooi en Vechtstreek de opdracht om te gaan naar het adres [adres] te Blaricum. Aldaar worden ze aangesproken door [echtgenote verdachte]. [echtgenote verdachte] toonde hen een bebloede vinger en stelde dat ze ruzie had met haar man (verdachte) en dat deze haar had gebeten .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat het klopt dat er een worsteling is ontstaan met zijn vrouw [echtgenoot van verdachte] en dat hij haar in de duim heeft gebeten. Verdachte heeft verklaard dit opzettelijk te hebben gedaan en te begrijpen dat er hierdoor een verwonding kon ontstaan .

3.3.2. Bewijsoverweging

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het telastegelegde feit, nu uit het dossier niet blijkt dat het slachtoffer pijn heeft ondervonden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer als gevolg van het bijten van verdachte letsel aan haar vinger heeft bekomen. De vinger was immers bebloed. Het bewezenverklaarde levert mishandeling als bedoeld in artikel 300/304 van het Wetboek van Strafrecht op.

3.4. Ten aanzien van het onder 4 telastegelegde.

3.4.1 De vaststaande feiten.

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten :

Door [echtgenote verdachte] is op 29 april 2007 aangifte gedaan ter zake huiselijk geweld. Zij verklaarde dat haar man (verdachte) op 28 april 2007 omstreeks 23:00 uur thuiskwam. Zij zijn naar bed gegaan. Zij voelde op een gegeven moment dat haar man haar met zijn arm wegduwde alsof hij haar uit bed wilde hebben. Zij deed het licht aan en ging rechtop zitten aan de zijkant van het bed. Zij heeft verklaard dat verdachte haar daarna een harde trap gaf op haar borst, als gevolg waarvan zij pijn heeft ondervonden .

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij [echtgenote verdachte] een duw met zijn voet heeft gegeven met het dekbed tussen zijn voet en haar lichaam .

Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven bij zijn verklaring te blijven .

3.4.2. Bewijsoverweging

De rechtbank is van oordeel dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden volgt dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote door haar een schop met zijn voet te geven. Zijn echtgenote heeft hierdoor pijn ondervonden.

3.5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

ten aanzien van feit 1 subsidiair, eerste deel:

(Zaaksdossier 2000)

- op 30 september 2006 te Hilversum een gele herenfiets van het merk Raleigh heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, tweede deel:

(Zaaksdossier 3000)

- op 29 september 2006 te Hilversum een roze damesfiets van het merk Sparta heeft verworven terwijl hij ten tijde van de verwerving wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, derde deel:

(Zaaksdossier 4000)

- op 6 oktober 2006 te Hilversum drie flatscreens (van het merk HP) en/of een beamer (van het merk Hitachi) en/ of een digitale videocamera (van het merk Sony) heeft verworven terwijl hij ten tijde van de verwerving redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, vierde deel:

(Zaaksdossier 5000)

- op 23 januari 2007 te Hilversum een zwarte fiets, type mountainbike, van het merk Curtis heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, vijfde deel:

(Zaaksdossier 6000)

- op 5 januari 2007 te Hilversum tezamen en in vereniging met een ander een stereoset van het merk Yamaha heeft verworven, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving wisten, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, zesde deel:

(Zaaksdossier 7000)

- op 3 februari 2007 te Hilversum tezamen en in vereniging met een ander een

groene step heeft verworven, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, zevende deel:

(Zaaksdossier 8000)

- op 6 februari 2006 te Hilversum een fiets van het Canondale heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving redelijkerwijs hadden kunnen vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, achtste deel:

(Zaaksdossier 10000)

- op 2 april 2007 te Hilversum een zwarte fiets van het merk Batavus Old Dutch heeft verworven, terwijl hij ten tijde van de verwerving wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

ten aanzien van feit 2, eerste deel:

in de periode van 27 september 2006 tot en met 16 juli 2007 te Hilversum,

als opkoper en handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen, aangewezen bij

het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht (Staatsblad 1992/36)

niet met inachtneming van de bij de algemene maatregel van bestuur geldende

regels:

- aantekening heeft gehouden en heeft doen houden van alle gebruikte en

ongeregelde goederen die hij, verdachte, heeft verworven;

ten aanzien van feit 2, tweede deel:

in de periode van 27 september 2006 tot en met 16 juli 2007 te Hilversum,

als opkoper en handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen, aangewezen bij

het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van

Strafrecht (Staatsblad 1992/36)

een door de raad van de gemeente Hilversum ter bestrijding van heling

uitgevaardigde en afgekondigde verordening heeft overtreden, immers heeft hij

in strijd met artikel 2.5.2 van de Algemene Plaatselijke Verordening Hilversum

geen aantekening gehouden en doen houden van de naam en het adres

van de koper van die gebruikte en ongeregelde goederen;

ten aanzien van feit 3:

op 18 maart 2007 te Blaricum opzettelijk mishandelend zijn [echtgenote verdachte] in een van haar vingers heeft gebeten, waardoor voornoemde [echtgenote verdachte] letsel heeft bekomen;

ten aanzien van feit 4:

omstreeks 29 april 2007 te Blaricum opzettelijk mishandelend zijn [echtgenote verdachte] een trap met zijn ongeschoeide voet tegen haar borst heeft gegeven waardoor voornoemde [echtgenote verdachte] pijn heeft ondervonden.

Voorzover in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

4. Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 primair, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 100 (honderd) dagen, één en ander met aftrek van voorarrest naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het door hem onder 2 bewezen geachte feit (zijnde een overtreding) zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke ontzetting van de uitoefening van het beroep van handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen als bedoeld in artikel 437, derde lid van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van 3 ( drie) jaren, met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op meerdere tijdstippen schuldig gemaakt aan het plegen van opzetheling en schuldheling. Verdachte is eigenaar van een eenmansbedrijf, dat zich bezig houdt met de inkoop en verkoop van gebruikte en ongeregelde goederen. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op meerdere momenten goederen heeft ingekocht terwijl hij zich bewust was van het risico dat de op dat moment door de verkopers aangeboden goederen van misdrijf afkomstig konden zijn. Verdachte heeft in weerwil van dit besef gehandeld door de goederen desondanks in te kopen. Door aldus te handelen heeft verdachte enkel en alleen aan zijn eigen financiële gewin gedacht en in geen rekening gehouden met de belangen van de rechtmatige eigenaren van de goederen en de schade die hij hen hiermee (indirect) heeft toegebracht.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich door aldus te handelen schuldig heeft gemaakt aan ernstige feiten. Door meerdere malen van diefstal afkomstige goederen in te kopen heeft verdachte een afzetmarkt voor gestolen goederen geboden, en aldus bijgedragen aan het in stand houden van de diefstal van goederen en vermogenscriminaliteit in het algemeen.

Daarnaast heeft verdachte meerdere wettelijke bepalingen omtrent het bijhouden van zijn inkoop- en verkoopregister geschonden. Ook deze bepalingen strekken ertoe om de handel in gestolen goederen aan banden te leggen. Overtreding van deze bepalingen heeft ten gevolge dat de strijd tegen de handel in gestolen goederen bemoeilijkt wordt, doordat in mindere mate controle kan worden uitgeoefend. De rechtbank rekent ook dit feit verdachte aan.

Tenslotte heeft verdachte zich twee maal schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn echtgenote door haar in de vinger te bijten en een schop te geven tegen haar borstkas. Zijn echtgenote heeft hierdoor licht letsel opgelopen aan haar vinger en pijn ondervonden aan haar borstkas. De rechtbank is van oordeel dat gezien de relatief geringe aard van het feit en de geringe gevolgen voor het slachtoffer in dit geval de uiteindelijke strafvervolging op zich voldoende sanctie is geweest. De rechtbank zal deze feiten dan ook niet betrekken in de hierna te noemen strafoplegging.

De rechtbank is van oordeel dat de langdurige periode waarin de helingen hebben plaatsgevonden, het aanzienlijke aandeel aan bewezen geachte feiten een forse onvoorwaardelijke straf rechtvaardigen. De rechtbank acht een werkstraf – gelet ook op de financiële situatie van verdachte – een passende sanctie.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan door de officier van justitie gevorderd, nu de rechtbank – anders dan de officier van justitie - niet wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling.

De rechtbank is van oordeel dat op verdachte als eigenaar van de éénmanszaak een relatief grote verantwoordelijkheid en zorgplicht rustte om de inkoop van gestolen goederen te voorkomen. De rechtbank rekent verdachte het schenden van deze zorgplicht aan.

Anderzijds is uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie d.d. 10 juni 2008 gebleken dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten in aanraking is gekomen met politie en justitie. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met deze omstandigheid.

Alles overwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren passend en geboden.

Ten aanzien van de door de officier gevorderde voorwaardelijke ontzetting uit het beroep voor de duur van drie jaren merkt de rechtbank het navolgende op.

De rechtbank deelt het standpunt van de officier van justitie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan veelvuldige overtreding van de wettelijke bepalingen betreffende de inkoop en verkoop van ongeregelde goederen. De rechtbank is voorts met de officier van justitie van oordeel dat een voorwaardelijke sanctie als stok achter de deur noodzakelijk is te voorkomen dat verdachte nogmaals in zijn verplichtingen voor wat betreft het bijhouden van het register verzaakt.

Anderzijds heeft de rechtbank acht geslagen op de financiële situatie van verdachte. Verdachte is nog steeds eigenaar van de franchiseonderneming. De vrouw van verdachte is nog steeds als meewerkend echtgenote werkzaam in deze onderneming. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij thans bezig met het opzetten van een nieuwe onderneming, doch dat er nog steeds geen schot zit in de daadwerkelijke start van deze onderneming.

De rechtbank stelt vast dat een eventuele effectuering van de door de officier gevorderde voorwaardelijke ontzetting uit het beroep voor de duur van drie jaren relatief zware gevolgen zal hebben voor de verdere financiële en persoonlijke situatie van verdachte, maar ook die van zijn partner en kind. Tenuitvoerlegging van deze sanctie zou immers als gevolg hebben dat zowel verdachte als zijn partner hun gehele bron van inkomsten verliezen voor de duur van drie jaren De rechtbank is van oordeel dat de oplegging van een dergelijke sanctie, gelet op de aard en ernst van het feit waarop zij betrekking heeft, zowel vanuit het oogpunt van proportionaliteit als vanuit het oogpunt van subsidiariteit (thans) niet de meest geschikte sanctie is. Dit temeer nu niet is gebleken dat verdachte sinds juli 2007 niet heeft voldaan aan zijn registerverplichtingen.

Een en ander brengt de rechtbank ertoe af te zien van oplegging van een voorwaardelijke ontzetting uit het beroep.

De rechtbank is met de officier van mening dat een forse voorwaardelijke straf passend en geboden is. De rechtbank zal derhalve aan verdachte een forse voorwaardelijke geldboete opleggen. De rechtbank is van oordeel dat zij met deze sanctie recht doet aan de ernst van het feit en anderzijds voldoende rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden en belangen van verdachte.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47, 57 62, 300, 304, 416, 417bis, 437, 437ter van het Wetboek van Strafrecht;

- 1 en 2 van het Uitvoeringsbesluit ex artikel 437, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht;

- 2.5.2. van de Algemene Plaatselijke Verordening Hilversum.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het onder 1 primair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair, eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste deel, alsmede het onder 2, 3 en 4 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.5 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair, eerste deel, feit 1 subsidiair derde deel en feit 1 subsidiair zevende deel:

schuldheling, meemalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, tweede deel, feit 1 subsidiair, vierde deel en feit 1 subsidiair, achtste deel:

opzetheling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, vijfde deel:

medeplegen van opzetheling;

ten aanzien van feit 1 subsidiair, zesde deel:

medeplegen van schuldheling;

ten aanzien van feit 2, eerste deel:

als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen in het door hem gehouden register niet onverwijld aantekening houden van alle door hem gekochte goederen;

ten aanzien van feit 2, eerste deel:

als handelaar in gebruikte en ongeregelde goederen een verordening door de raad van een gemeente ter bestrijding van heling uitgevaardigd en afgekondigd, overtreden;

ten aanzien van feit 3 en feit 4:

mishandeling, terwijl het feit wordt begaan tegen zijn echtgenote, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen, met bevel dat de tijd die door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Beveelt dat verdachte de aanwijzingen en opdrachten opvolgt die hem in het kader van de tenuitvoerlegging van de taakstraf door of namens de reclassering worden gegeven.

Veroordeelt verdachte ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot een geldboete ter hoogte van € 750,-- (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 15 (vijftien) dagen.

Beveelt dat deze geldboete niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. Boeree, voorzitter,

mrs. Q.R.M. Falger en B. van Berge Henegouwen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A. Vogelaar, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juni 2008.

De griffier is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.