Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0939

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-07-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07-3161 VEROR
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kapvergunning Italiaanse populier. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet overwogen of het kappen van de boom een aantasting vormt van de waarden van stadsschoon. Voorts is in het bestreden besluit niet vermeld welk belang bestaat bij verlening van de vergunning.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de af te wegen belangen en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/3161 VEROR

tussen:

[eisers], allen wonende te [woonplaats],

eisers,

en:

het dagelijks bestuur van stadsdeel Oud-West van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. N.J. Niesten.

Tevens heeft als partij aan het geding deelgenomen:

[vergunninghouder], wonende te [woonplaats],

vergunninghouder.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 7 augustus 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 3 juli 2007 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 10 juni 2008.

2. OVERWEGINGEN

De feiten

Vergunninghouder heeft op 13 juli 2004 een vergunning aangevraagd voor het kappen van een Italiaanse populier (hierna: de boom) in zijn voortuin aan de [adres] te [woonplaats] omdat de boom schade zou kunnen veroorzaken aan voetgangers.

Bij primair besluit van 29 september 2004 heeft verweerder de aanvraag van vergunninghouder afgewezen. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de boom beeldbepalend is voor de buurt. De kapvergunning moet worden geweigerd in het belang van handhaving van stadsschoon. Vergunninghouder heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

De commissie bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) heeft op 11 april 2005 geadviseerd het bezwaar van vergunninghouder gegrond te verklaren en de motivering van het besluit aan te vullen. Daartoe heeft de commissie overwogen dat een nadere motivering moet worden gegeven aan de geweigerde kapvergunning. Deze nadere motivering zal naar het oordeel van de commissie een duidelijk inzicht moeten geven in alle bij de afweging betrokken belangen. Daarbij moet duidelijk worden hoe de verschillende belangen zijn gewaardeerd en hoe verweerder tot de conclusie is gekomen dat de gevraagde vergunning moet worden geweigerd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van vergunninghouder gegrond verklaard en alsnog een vergunning verleend voor het kappen van de boom. Daartoe heeft verweerder overwogen dat er vooralsnog geen objectieve criteria zijn vastgesteld voor het beeldbepalend karakter van bomen in het stadsdeel. Daar deze criteria er niet zijn is verweerder tot het besluit gekomen de kapvergunning alsnog te verlenen. Verweerder heeft aan de kapvergunning een herplantplicht verbonden voor een boom van de derde grootte in de maat 18-20.

Verweerder heeft de bewoners van de Vondelstraat bij brief van 11 juli 2007 op de hoogte gebracht van de verlening van de kapvergunning. Verweerder heeft de bewoners medegedeeld dat de kapvergunning is afgegeven, omdat de boom op dit moment met enige regelmaat gevaar oplevert voor het voetgangersverkeer.

Beroepsgronden

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. In beroep hebben eisers - kort samengevat - aangevoerd dat de boom beeldbepalend is voor de straat. De boom heeft een cultuurhistorische waarde omdat de Vondelstraat rond de vorige eeuwwisseling als groene zone is gebouwd. De boom heeft voorts een natuur- en milieuwaarde omdat ‘grote’ vogels zich in de boom nestelen. De boom is voorts van waarde voor de leefbaarheid. De boom houdt geluid tegen en verbetert de luchtkwaliteit van de buurt. Eisers bestrijden dat de boom gevaar oplevert voor het voetgangersverkeer. De andere Italiaanse populier die op het perceel [adres 2] te [woonplaats] staat is in 2005 op aanwijzing van het stadsdeel gesnoeid en de klimop die ertegenaan groeide is verwijderd. Eisers stellen hetzelfde voor voor deze boom.

Deskundigenadviezen

Over de boom zijn verschillende deskundigenadviezen uitgebracht.

Partijen en vergunninghouder hebben ter onderbouwing van hun standpunt diverse deskundigenadviezen over de toestand van de boom ingewonnen. Voor zover relevant hielden deze rapporten in het kort het volgende in.

Op verzoek van verweerder heeft [persoon 4], taxateur, de boom op 19 augustus 2004 onderzocht. In het schouwrapport is geadviseerd geen kapvergunning te verlenen. De boom is beeldbepalend, de onderhoudsindicatie is redelijk en de levensverwachting is goed.

In bezwaar heeft vergunninghouder een ongedateerd rapport overgelegd van [persoon 5], boomveiligheid controleur. Uit het beoordelingsrapport blijkt dat de boom beeldbepalend is. De conclusie van het rapport is dat er drastische ingrepen nodig zijn om de boom risicovrij te maken, namelijk het zwaar korten van de kroon.

Op verzoek van verweerder hebben [persoon 1] en [persoon 2], boomtechnisch adviseurs en taxateurs bomen, de boom in februari 2005 nader onderzocht. De conclusie van het advies is dat de boom nog geen risico vormt voor de omgeving.

In beroep hebben eisers een advies van [persoon 3], boomtaxateur, overgelegd. Op verzoek van eisers is op 1 augustus 2007 gekeken naar de kwaliteit van de boom. Geadviseerd wordt om de boom een onderhoudssnoeibeurt te geven, waarbij de gehele kroon wordt gecontroleerd, dode takken worden verwijderd en mogelijk gevaarlijke takken in spé worden verwijderd of ingekort.

Beoordeling door de rechtbank

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Bomen(kap)verordening Oud-West 2004 (hierna: de Verordening) is het verboden binnen de bebouwde kom van Amsterdam zonder vergunning van het dagelijks bestuur een houdopstand te vellen of te doen vellen.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Verordening weigert het dagelijks bestuur een vergunning om te vellen indien het belang van verlening niet opweegt tegen één of meer van de volgende waarden:

a. natuur- en milieuwaarden;

b. landschappelijke waarden;

c. cultuurhistorische waarden;

d. waarden van stadsschoon;

e. waarden voor recreatie en leefbaarheid;

f. waarden van bijzondere beschermwaardigheid.

Bij de verlening van de vergunning dient verweerder vast te stellen of sprake is een weigeringsgrond. Daartoe dient verweerder te overwegen of sprake is van een aantasting van de in artikel 7, tweede lid, van de Verordening neergelegde waarden. Indien een van deze waarden in het geding is, dient verweerder een belangenafweging te maken welke betrekking heeft op het belang bij de verlening enerzijds en de te beschermen waarden anderzijds. Deze belangenafweging kan door de rechtbank slechts terughoudend worden getoetst.

Allereerst constateert de rechtbank dat verweerder in het nemen van het besluit niet heeft overwogen of het kappen van de boom een aantasting vormt van de waarden van stadsschoon. In de onderhavige zaak heeft een door de verweerder ingeschakelde deskundige, [persoon 4], in zijn advies van 19 augustus 2004 echter geconcludeerd dat de boom beeldbepalend was, hetgeen in eerste aanleg voor verweerder aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren. Dit standpunt valt bovendien eveneens te lezen in het deskundigenrapport dat vergunninghouder in de bezwaarschriftprocedure heeft overgelegd. Dat geen objectieve criteria voor het beeldbepalend karakter van bomen zijn vastgelegd in een beleidsdocument, kan verweerder niet zonder meer ontslaan van zijn verplichting om te onderzoeken of sprake is van een weigeringsgrond. Daarbij is nog van belang dat verweerder ter zitting niet heeft onderbouwd waarom de vraag of de boom beeldbepalend is niet door een deskundige kan worden vastgesteld, danwel waarom criteria daartoe niet door verweerder – al dan niet met de hulp van een deskundige - kunnen worden opgesteld.

De rechtbank stelt voorts vast dat in het bestreden besluit niet is vermeld welk belang bestaat bij verlening van de vergunning. Voorts acht de rechtbank het namens verweerder ter zitting ingenomen standpunt over dit belang innerlijk tegenstrijdig. Ter zitting is namens verweerder immers naar voren gebracht dat het belang van verlening is gelegen in de veiligheid van de omgeving, terwijl verweerder tevens uitgaat van de juistheid van het door verweerder ingewonnen advies van [persoon 1] en [persoon 2] van februari 2005. In dit rapport concluderen deze deskundigen dat de boom nog geen risico vormt voor de omgeving. Overigens concluderen de deskundigen in drie van de vier overgelegde adviezen dat het kappen van de boom niet noodzakelijk is voor de veiligheid van de omgeving.

De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de af te wegen belangen en het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit vernietigd vanwege schending van het bepaalde in artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Verweerder dient, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, een nieuw besluit op het bezwaar van vergunninghouder te nemen.

Nu het beroep gegrond zal worden verklaard dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,- aan hen te vergoeden.

De rechtbank beslist als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen twaalf weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van vergunninghouder dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het griffierecht ten bedrage van € 143,-

(zegge: honderd en drieënveertig euro) vergoedt aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2008 door mr. L.I.M. van Bergen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S. van Excel, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ’s Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B