Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0936

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-08-2008
Datum publicatie
17-09-2008
Zaaknummer
AWB 07-1237 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Intrekking en integrale terugvordering van bijstand in verband met verzwegen vermogen. Interingsnorm en '6-maanden jurisprudentie' niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2008, 295
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/1237 WWB

tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Scheurs,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. R.H. Lo Fo Sang.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Eiser ontving een uitkering ingevolge de Wet Werk en Bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een melding van de belastingdienst begin 2006 dat eiser over zes bankrekeningnummers beschikt, heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de vermogenspositie van eiser gedurende de uitkeringsperiode. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het proces-verbaal van 5 juli 2006. Hierin wordt geconcludeerd dat eiser de beschikking heeft over bankrekeningen bij de Postbank, Robeco Groep, ING Bank en Demir Halk Bank, dat eiser de rekeningen bij de ING Bank en Demir Halk Bank niet aan verweerder heeft gemeld en zodoende de inlichtingenplicht heeft geschonden. Gedurende de periode van 28 maart 2000 tot 1 januari 2006 bedroeg het totale saldo op die rekeningen meer dan het voor eiser vrij te laten vermogen ingevolge de WWB.

1.2 Naar aanleiding deze bevindingen heeft verweerder bij primair besluit van 14 september 2006 (hierna: het primaire besluit I) aan eiser meegedeeld dat hij per 1 januari 2006 geen recht meer heeft op bijstand, omdat eiser vanaf 28 maart 2000 over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens beschikt. Daarbij heeft verweerder eiser geïnformeerd dat er een beëindigingsonderzoek zal plaatsvinden om vast te stellen per welke datum eiser geen recht heeft.

1.3 Bij brief van 19 september 2006 heeft verweerder eiser – onder verwijzing naar het primaire besluit I – medegedeeld dat bij het onderzoek naar de juiste datum van de beëindiging (lees: intrekking) van het recht op bijstand geen nieuwe informatie of andere aanleiding naar voren is gekomen die moet leiden tot een andere intrekkingsdatum. Het recht op bijstand is gestopt per 1 januari 2006. Verder heeft verweerder aangegeven dat is gebleken dat over een bepaalde periode teveel bijstand aan eiser is betaald en dat eiser binnenkort een besluit ontvangt over het bedrag dat hij in totaal nog moet terugbetalen.

1.4 Tegen het primaire besluit I en de brief van 19 september 2006 heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.5 Bij primair besluit van 8 november 2006 (hierna: het primaire besluit II) heeft verweerder het recht op bijstand over de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 ingetrokken, omdat eiser over de genoemde periode de beschikking had over vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens en eiser daardoor over die periode ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Voorts heeft verweerder een bedrag van € 73.319,54 aan onverschuldigd betaalde bijstand van eiser teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

1.6 Bij besluit van 22 februari 2007 (hierna: bestreden besluit I) heeft verweerder eisers bezwaar tegen het primaire besluit I en de brief van 19 september 2006 ongegrond verklaard en deze gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij gesteld dat eiser gedurende de bijstandsuitkering geen gegevens heeft verstrekt over drie bankrekeningen. Ook heeft eiser een erfenis verzwegen. Eiser beschikt sinds 28 maart 2000 over meer vermogen dan de voor hem geldende vermogensgrens van € 5.180,00. Eiser heeft dit nooit gemeld. Eiser heeft derhalve nooit recht gehad op bijstand. Het recht op bijstand was niet vast te stellen als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht.

1.7 Bij besluit van 1 maart 2007 (hierna: bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard en het besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij gesteld dat de zesmaanden jurisprudentie hier niet aan de orde is nu sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Niet is gebleken van omstandigheden om van terugvordering af te zien.

1.8 Tegen de bestreden besluiten I en II heeft eiser bij brief van 20 maart 2007 beroep ingesteld.

1.9 Het beroep is behandeld op de zitting van 17 juni 2008, alwaar eiser in persoon is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde voornoemd. Het onderzoek is vervolgens ter zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Eiser heeft in beroep aangevoerd dat hij niet bekend was met het feit dat de vermogensgrens op hem van toepassing was aangezien hij werkzaamheden mocht verrichten en inkomsten mocht genereren in het kader van de zogenoemde bescheiden schaal regeling. Verweerder heeft hem daar nooit op gewezen danwel naar gevraagd. Verweerder heeft bij de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met zijn eigen handelen (het niet adequaat reageren op het verstrekken van gegevens door eiser) waardoor eiser in een laat stadium is geconfronteerd met de terugvordering van een groot bedrag. Voorts heeft eiser gesteld dat het recht op bijstand wel kan worden vastgesteld op grond van de winst- en verliesrekeningen en de saldi van de bankrekeningen. Eiser heeft de hoogte van het teruggevorderde bedrag betwist en daartoe aangevoerd dat indien verweerder bekend zou zijn geweest met het vermogen van eiser, de periode waarover hem geen bijstand zou zijn toegekend korter zou zijn geweest dan de periode waarover nu wordt teruggevorderd. Indien eiser zou hebben ingeteerd op het vermogen, dan was binnen deze periode wederom recht op bijstand ontstaan. Volgens eiser mag de intrekking en terugvordering dan ook niet meer bedragen dan het bedrag van de overschrijding van de voor hem geldende vermogensgrens. In het kader van de strafrechtelijke procedure is het teruggevorderde bedrag vastgesteld op € 25.387,50, waarbij wel rekening is gehouden met de interingsnorm. Gelet hierop dient in de onderhavige procedure het teruggevorderde bedrag overeenkomstig te worden vastgesteld, aldus eiser.

2.2 Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de brief van 19 september 2006 overweegt de rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt bedoeld een handeling gericht op rechtsgevolg.

2.3 De rechtbank is van oordeel dat reeds met het primaire besluit I is besloten tot intrekking van de bijstand van eiser met ingang van 1 januari 2006, gelet op de niet voor tweeërlei uitleg vatbare mededeling in de eerste alinea van deze brief dat eiser met ingang van 1 januari 2006 geen recht meer heeft op bijstand. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de tussen partijen bestaande rechtsverhouding gewijzigd met als gevolg dat het recht van eiser op bijstand is opgehouden te bestaan. In de brief van 19 september 2006 wordt in de eerste twee alinea’s meegedeeld dat het onderzoek niet tot een andere beëindigingsdatum heeft geleid en dat de bijstand is gestopt per 1 januari 2006. De brief kan dan ook slechts worden gezien als een mededeling van informatieve aard, die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven heeft geroepen.

2.4 De rechtbank is derhalve van oordeel dat de brief van 19 september 2006 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder eisers bezwaar tegen de brief van 19 september 2006 dan ook ten onrechte ontvankelijk geacht. De rechtbank zal het bestreden besluit I in zoverre vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien door het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren.

2.5 De rechtbank is voorts van oordeel dat de bestreden besluiten I en II in strijd zijn met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb neergelegd beginsel van zorgvuldige motivering, nu uit de motivering van de bestreden besluiten niet duidelijk is of verweerder meent dat geen recht op bijstand heeft bestaan omdat eiser beschikt over een vermogen boven het vrij te laten vermogen of dat het recht op bijstand niet is vast te stellen. Daarnaast heeft de intrekking over de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 niet plaatsgevonden bij het primaire besluit I maar bij het primaire besluit II en had de motivering daarvan niet in bestreden besluit I opgenomen moeten worden maar in bestreden besluit II.

2.6 Omtrent de toegepaste wettelijke bepalingen overweegt de rechtbank daarbij nog het volgende. De primaire besluiten en de besluiten op bezwaar dateren van na 1 januari 2004. Vanaf 1 januari 2004 ontleent verweerder zijn bevoegdheid tot intrekking en terugvordering van bijstand aan de artikelen 54 en 58 van de WWB. De rechten en verplichtingen van een belanghebbende dienen daarbij in beginsel te worden beoordeeld naar de wetgeving die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak waarop die rechten en verplichtingen betrekking hebben.

2.7 Nu de in geschil zijnde rechten en verplichtingen van eiser betrekking hebben op een tijdvak dat deels is gelegen vóór 1 januari 2004, zijn voor de beoordeling van de periode van 28 maart 2000 tot 1 januari 2004 de (oude) bepalingen van de Algemene bijstandswet (Abw) van toepassing. Verweerder heeft evenwel over de periode vóór 1 januari 2004 inzake de intrekking de artikelen 17 en 31 van de WWB gehanteerd in plaats van de artikelen van gelijke strekking van de Abw. De bestreden besluiten I en II zijn dus gebaseerd op een onjuiste wettelijke grondslag en ook om deze reden genomen in strijd met het hiervoor genoemde motiveringsbeginsel.

2.8 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en zal de rechtbank de bestreden besluiten vernietigen.

2.9 De rechtbank zal evenwel beoordelen of er aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten I en II, voor zover daarbij de bijstand is ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 28 maart 2000 tot 1 januari 2006, in stand blijven.

2.10 Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw en artikel 17, eerste lid, WWB doet belanghebbende aan verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

Ingevolge artikel 42 van de Abw en artikel 31, eerste lid, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw en artikel 34, eerste lid, van de WWB wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden.

Op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw en artikel 34, tweede lid, onder b, van de WWB wordt niet in aanmerking genomen het bij de aanvang van de bijstand aanwezig vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw en artikel 34, derde lid van de WWB. Deze vermogensgrens bedraagt voor een alleenstaande per 1 januari 2000 fl. 10.000,00 (€ 4.537,80) en per 1 januari 2006 € 5.180,00.

Op grond van artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB kan verweerder een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid (waaronder uit een oogpunt van redelijke wetsuitleg tevens dient te worden gelezen artikel 65, eerste lid, van de Abw) heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Verweerder is op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, WWB bevoegd tot terugvordering over te gaan voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.11 Niet in geschil is, zoals ter zitting door eiser is bevestigd, dat eiser heeft verzuimd de bankrekeningen bij de ING Bank en de Demir Halk Bank en de daarop staande saldi op te geven aan verweerder en dat hij gedurende de gehele periode in geding, te weten van 28 maart 2000 tot en met 1 januari 2006, over vermogen heeft beschikt dat het voor hem vrij te laten vermogen ingevolge de Abw en de WWB overschreed.

2.12 De rechtbank overweegt dat het hier informatie betreft die van wezenlijk belang is voor de beoordeling van het recht op en de hoogte van de bijstand en waarvan eiser naar het oordeel van de rechtbank ook redelijkerwijs kon weten dat hij deze aan verweerder diende op te geven. Eiser had dan ook zelf mededeling moeten doen van de bankrekeningen en de daarbij behorende saldi. Dat op eiser de bescheiden schaal regeling van toepassing was, brengt niet met zich dat de vermogensgrens van de Abw en de WWB niet op hem van toepassing was. Een zodanige concrete toezegging of mededeling heeft verweerder ook niet gedaan. Voor zover hierover onduidelijkheid bestond bij eiser, lag het op zijn weg om bij verweerder navraag te doen. Daarnaast had het eiser (in ieder geval) vanaf het heronderzoek in september 2000 duidelijk kunnen en moeten zijn dat gegevens betreffende zijn vermogen van belang waren voor het recht op bijstand. Verweerder heeft toen eisers vermogen, voor zover althans bekend bij verweerder, expliciet beoordeeld en uiteindelijk bepaald, gelet op de door eiser opgegeven informatie, dat dit geen gevolgen zal hebben voor zijn recht op bijstand. Overigens heeft eiser ter zitting erkend dat hij de rekeningen als een spaarpotje beschouwde en hij die bewust niet heeft opgegeven.

2.13 Door aan verweerder geen mededeling te doen van de bankrekeningen en de daarbij behorende saldi, is eiser de op hem ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB en artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenplicht niet nagekomen. Eisers vermogen bedroeg op 1 januari 2006 en in de hieraan voorafgaande periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 meer dan het op grond van artikel 31, eerste lid, van de WWB en artikel 42 van de Abw toegestane vrij te laten vermogen. Als gevolg hiervan heeft eiser gedurende de hier in geding zijnde periode ten onrechte bijstand ontvangen.

2.14 De stelling van eiser dat verweerder na de mededeling in zijn brief van 19 september 2006, dat er geen aanleiding is de bijstand per een andere datum dan 1 januari 2006 te beëindigen (lees: in te trekken), niet meer bevoegd was tot intrekking per een eerdere datum in het verleden, slaagt niet. Hoewel de formulering in de brief van 19 september 2006 gelet op de daarop volgende besluitvorming niet de schoonheidsprijs verdient, heeft dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot gevolg dat verweerder niet langer bevoegd zou zijn om het recht op bijstand in te trekken over een verder in het verleden liggende periode. Uit het vervolg van de brief van 19 november 2006 kon eiser bovendien opmaken dat verweerder nog een nader besluit zou gaan nemen met betrekking tot een door eiser terug te betalen bedrag.

2.15 Daarmee is gegeven dat verweerder ingevolge artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB, bevoegd was het recht op bijstand per 1 januari 2006 te beëindigen (lees: in te trekken) en vervolgens over de periode 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 in te trekken. Op grond van artikel 58, eerste lid, en onder a, van de WWB, was verweerder voorts bevoegd de in de genoemde periode ten onrechte betaalde bijstand van eiser terug te vorderen.

2.16 Volgens het beleid van verweerder wordt in gevallen waarin de betrokkene zijn inlichtingenplicht heeft geschonden altijd teruggevorderd, tenzij er sprake is van dringende redenen die zich daartegen verzetten. Van dringende redenen is sprake als de terugvordering onaanvaardbare consequenties heeft voor de geestelijke of lichamelijke gezondheid van degene van wie wordt teruggevorderd. Het dient te gaan om een uitzonderlijke situatie in een individueel geval en om immateriële omstandigheden. Dit beleid kan volgens vaste jurisprudentie de door de rechter aan te leggen (terughoudende) toets doorstaan.

2.17 De rechtbank stelt vast dat de hoogte van het bedrag aan genoten bijstand in de betreffende periode als zodanig niet is betwist door eiser.

2.18 De beroepsgrond van eiser dat verweerder bij de terugvordering rekening had dienen te houden met het vrij te laten vermogen kan niet slagen. Nog daargelaten dat niet duidelijk is op welke wijze verweerder volgens eiser met het voor de bijstand vrij te laten vermogen rekening had dienen te houden, was verweerder naar het oordeel van de rechtbank bevoegd tot volledige terugvordering van de ten onrechte aan eiseres betaalde bijstand. Dit volgt immers uit de systematiek van de WWB.

2.19 De stelling dat verweerder bij de terugvordering toepassing had moeten geven aan de zogenoemde interingsnorm van 1,5 maal de geldende bijstandsnorm gaat evenmin op. Deze interingsformule geldt slechts voor die middelen boven het vrij te laten vermogen die vóór de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn en dient niet te worden gehanteerd bij terugvordering van later beschikbaar gebleken middelen. De rechtbank verwijst hierbij onder meer naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 maart 2004, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder LJN: AO6397. Aan het feit dat in het kader van de strafrechtelijke procedure wel rekening is gehouden met de interingsnorm, kan de rechtbank dan ook geen betekenis toe kennen. Ook aan het feit dat verweerder in een andere zaak wel rekening heeft gehouden met de interingsnorm voor de vaststelling van de hoogte van het teruggevorderde bedrag, kent de rechtbank geen betekenis toe. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat dit een eenmalige fout is geweest in die zaak. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is verweerder niet gehouden zo’n fout in andere zaken voort te zetten.

2.20 De zogeheten zesmaanden-jurisprudentie van de CRvB is niet van toepassing indien, zoals in het onderhavige geval, sprake is geweest van het niet tijdig, niet juist of onvolledig verstrekken van voor de beoordeling van het recht op bijstand relevante informatie.

2.21 Verder stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit in overeenstemming is met verweerders beleid. Verweerder heeft hetgeen eiser heeft aangevoerd terecht niet hoeven aanmerken als dringende redenen als bedoeld in het beleid. Ook is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb, van zijn beleidsregels had moeten afwijken.

2.22 Gelet op de bovenstaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten I en II in stand kunnen blijven voor zover daarbij het recht op bijstand per 1 januari 2006 is ingetrokken en de bijstand over de periode van 28 maart 2000 tot en met 31 december 2005 is ingetrokken en teruggevorderd.

2.23 De rechtbank ziet evenwel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Die kosten zijn, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 644,00 (2 punten x factor 1 x € 322,00) als kosten van verleende rechtsbijstand.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I en II;

- verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen de brief van 19 september

2006 niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit I;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde bestreden besluiten I en II

voor het overige in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een

bedrag van € 644,00, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van deze rechtbank;

- draagt de gemeente Amsterdam op het door eiser betaalde griffierecht van

€ 39,00 aan hem te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan op 22 augustus 2008 door M.T. Boerlage, voorzitter, en mrs. C.C.W. Lange en G.M. Beunk, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K.D. Jibodh, griffier,

en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De voorzitter,

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

Coll.

DOC: B