Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0897

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
AWB 07/3734 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen toekenning bijstand met terugwerkende kracht. Dat de eerdere melding bij het CWI niet tot een aanvraag heeft geleid valt verweerder niet aan te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/3734 WWB

van:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. K.R. Lieuw On,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs.A.A. Brouwer.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 25 september 2007 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van verweerder van 16 augustus 2007 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 2 juli 2008.

2. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE ZAAK

Eiser heeft zich op 6 februari 2007 gemeld bij het Centrum Werk en Inkomen (CWI) voor de aanvraag van een bijstandsuitkering.

Bij primair besluit van 23 maart 2007 is aan eiser met ingang van 6 februari 2007 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de gekozen ingangsdatum. Hij wenst dat de uitkering ingaat op een eerdere datum.

2.1.1. Standpunt verweerder

Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar gericht tegen de ingangsdatum van de uitkering ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat weliswaar vast is komen te staan dat eiser zich eerder, op 5 september 2006, bij het CWI heeft gemeld, maar dat er toen geen aanvraag tot stand is gekomen. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bijstand moet worden verleend over de periode voorafgaand aan de dag van melding op 6 februari 2007, aldus verweerder.

2.1.2. Standpunt eiser

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn bijstandsuitkering in had moeten gaan per 5 september 2006, de datum waarop hij zich eerder bij het CWI heeft gemeld voor een uitkering.

Het feit dat op dat moment geen schriftelijke aanvraag tot stand is gekomen is volgens eiser te wijten aan verweerder.

2.2. Wettelijk kader

In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat het recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. In het tweede lid is -voor zover relevant- bepaald dat de belanghebbende zich heeft gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij de Centrale organisatie werk en inkomen. In het derde lid is bepaald dat, indien de belanghebbende de aanvraag niet zo spoedig mogelijk indient nadat hij zich heeft gemeld en hem dit te verwijten valt, het college, in afwijking van het eerste lid, kan besluiten dat de bijstand wordt toegekend vanaf de dag dat de aanvraag is ingediend.

2.3. Jurisprudentie CRvB

Volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden, dan wel, in voorkomende gevallen, de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen (zie CRvB van 8 maart 2005, te lezen op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN: AT0209;

21 maart 2006, LJN: AV8690 en 5 december 2006, LJN: AZ3947).

2.4. Beoordeling - de ingangsdatum van de uitkering

Niet in geschil is dat eiser op 5 september 2006 bij het CWI is geweest. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder hem daarbij ten onrechte heeft meegedeeld dat hij terug kon komen (om een aanvraag te doen) als hij aan kon tonen dat hij gesolliciteerd had, of over een medische/psychische verklaring beschikte. De vader van eiser is op 28 augustus 2006 overleden. Eiser heeft aangevoerd dat hij op grond van het beleid van verweerder in verband hiermee in aanmerking kwam voor een vrijstelling van de sollicitatieplicht gedurende vier weken. Verweerder had hem daarom niet mogen tegenwerpen dat hij geen sollicitaties aan kon tonen. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser een knipsel uit een tijdschrift overgelegd waarin deze vrijstelling wordt genoemd.

De rechtbank stelt vast, dat noch verweerder noch de gemachtigde van eiser hebben kunnen vaststellen om wat voor beleid het hier gaat, of waar dit beschreven is. Het is onduidelijk op welk beleid het door eiser overgelegde knipsel (waarvan bovendien bron en datum onbekend zijn) doelt.

Daargelaten of er een zodanig beleid was, vast staat dat het bezoek van eiser op die dag blijkens de stukken niet bepaald ordelijk is verlopen. Daardoor is aan eiser geen aanvraagformulier uitgereikt. Mogelijk was het overlijden van zijn vader aanleiding voor het emotionele gedrag van eiser. Hoe dan ook, de rechtbank constateert dat er op 5 september 2006 geen aanvraag tot stand is gekomen door omstandigheden die tenminste voor een groot deel zijn toe te schrijven aan de opstelling van eiser op die dag. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat dit voor risico van verweerder behoort te komen.

De stelling van eiser dat het niet tot stand komen van een aanvraag aan verweerder was te wijten doet er voorts niet aan af, dat eiser vervolgens niets meer heeft ondernomen. Het is niet gebleken dat eiser op korte termijn opnieuw actie heeft ondernomen in de richting van verweerder teneinde te bewerkstelligen dat zijn aanvraag werd ingenomen. Zo’n initiatief van eiser lag wel voor de hand omdat eiser er redelijkerwijs niet vanuit kon gaan dat het - plotseling afgebroken - bezoek op 5 september 2006 tot het door hem gewenste resultaat had geleid. Bovendien wist eiser de weg. Hij was immers bekend bij verweerder in verband met eerdere verkrijging van een bijstandsuitkering.

2.6 Conclusie

Gelet op vorengaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van bijzondere redenen die hadden moeten leiden tot het vaststellen van een ingangsdatum van de bijstandsuitkering gelegen voor 6 februari 2007.

Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 17 juli 2008 door mr. J.J. Bade, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N. van Slooten, griffier, en bekendgemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B