Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0868

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-07-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
AWB 07-2523 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Huisbezoek in bijstandszaken

De rechtbank geeft in deze uitspraak overwegingen over de redelijke grond voor een huisbezoek, het gebruik van de resultaten daarvan, het verdragsrechtelijke huisrecht en informed consent, criminal charge en strafrechtelijke normen en waarborgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

meervoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met reg.nr. AWB 07/2523 WWB

tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats],

eiser,

vertegenwoordigd door mr. R.P. Kuijper,

en:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

verweerder,

vertegenwoordigd door drs. A.A. Brouwer.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 20 juni 2007 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 10 mei 2007 (hierna aangeduid als: het bestreden besluit).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 3 juni 2008.

2. OVERWEGINGEN

Eiser heeft vanaf 4 maart 1997 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ontvangen. Bij besluit van 18 januari 2007 heeft verweerder eisers recht op bijstand met ingang van 5 januari 2007 ingetrokken.

Op 30 januari 2007 heeft eiser aan verweerder opnieuw een bijstandsuitkering aangevraagd. Daarbij heeft hij als woonadres opgegeven [adres] te [woonplaats]. Bij besluit van 22 maart 2007 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker afgewezen. Het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat uit de bevindingen van een op 8 maart 2007 afgelegd huisbezoek is gebleken dat de woon- en leefsituatie van eiser niet overeenkomt met wat hij daarover heeft opgegeven. Ook weigerde eiser verder mee te werken aan het huisbezoek. Aangezien eiser de op hem rustende inlichtingen- dan wel medewerkingsplicht heeft geschonden is de aanvraag terecht afgewezen, aldus verweerder.

Eiser stelt dat voor het afleggen van een huisbezoek geen aanleiding bestond. Volgens eiser volgt uit de jurisprudentie dat van een redelijke grond voor een huisbezoek slechts sprake is indien er een concrete verdenking is van het begaan van het misdrijf van artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts voert eiser aan dat hij aan verweerder geen toestemming in de zin van informed consent heeft gegeven voor het afleggen van het huisbezoek. Daarom mag het uit het huisbezoek verkregen bewijs niet worden gebruikt bij het nemen van het bestreden besluit. Eiser betoogt dat het huisbezoek en de daarop volgende afwijzing van zijn aanvraag om uitkering een “criminal charge” vormen in de zin van artikel 6, derde lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft hem daarom ten onrechte niet gewezen op zijn zwijgrecht. Eiser meent dat een strafrechtelijk onderzoek had dienen te prevaleren boven het bestuursrechtelijke, omdat hij daarvan meer rechtsbescherming zou ondervinden. Eiser meent ten slotte dat er een ongerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen burgers die wel, en burgers die geen uitkering hebben aangevraagd. Personen uit de eerste categorie moeten willekeurige inbreuken op hun privé-leven ondergaan vanwege het enkele feit dat zij een uitkering hebben aangevraagd. Zij genieten daarbij de jure noch de facto enige bescherming van het Wetboek van Strafvordering, terwijl personen uit de laatste categorie daarvan gevrijwaard blijven zolang zij niet worden verdacht van een strafbaar feit en, zodra daar wél sprake van is, volledige bescherming van het Wetboek van Strafvordering genieten. In dat verband vraagt eiser de rechtbank om artikel 53a, tweede lid, van de WWB buiten toepassing te verklaren.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank constateert dat in het bestreden besluit als reden voor de afwijzing van de bijstandsaanvraag slechts wordt gesteld dat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden, dan wel niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie. Ook is verweerder in het bestreden besluit niet ingegaan op het bezwaar van eiser dat er geen reden voor huisbezoek was. Ter zitting heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit toegelicht en nader onderbouwd. Omdat eiser zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en niet heeft meegewerkt aan een onderzoek naar zijn woonsituatie, kon zijn woonsituatie niet worden gecontroleerd en het recht op bijstand niet worden vastgesteld, aldus verweerder.

De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Daarom kan het niet in stand blijven. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of aanleiding bestaat om, onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Gebruik van de resultaten van het huisbezoek

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder door een huisbezoek af te leggen in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld. Derhalve moeten de bevindingen opgedaan in het kader van dat huisbezoek aangemerkt worden als onrechtmatig verkregen bewijs. Dat bewijs had niet ten grondslag mogen worden gelegd aan het besluit tot afwijzing van de aanvraag om uitkering.

Bij de beoordeling van deze grief gaat de rechtbank uit van het volgende door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) ontwikkelde (toetsings)kader.

Bestuursorganen als verweerder hebben een groot belang bij een effectieve controle op de rechtmatigheid van te verlenen en verleende bijstand. Daarmee wordt immers enerzijds beoogd de doelstellingen van de WWB zo goed mogelijk te realiseren en anderzijds misbruik van bijstand zoveel mogelijk te voorkomen en te bestrijden. Doorgaans kan in dat verband worden volstaan met andere middelen dan huisbezoek zoals administratief onderzoek, koppeling/uitwisseling van gegevensbestanden, omgevingsonderzoek, observaties en horen van belanghebbenden en derden. Onder omstandigheden kan ook het huisbezoek een noodzakelijk en adequaat (aanvullend) controlemiddel zijn. Gelet op wat in beroep naar voren is gebracht dient de rechtbank na te gaan of in het onderhavige geval voldoende acht is geslagen op de waarborgen die verankerd liggen in art. 8 EVRM.

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over de op de woning betrekking hebbende persoonlijke levenssfeer (het huisrecht) valt af te leiden dat eerst van een inbreuk op het huisrecht sprake is wanneer wordt binnengetreden tegen de wil van degene die zich op dat recht beroept. Van een inbreuk op het huisrecht is derhalve geen sprake wanneer de rechthebbende toestemming voor het binnentreden heeft gegeven. De toestemming moet dan echter wel op basis van vrijwilligheid zijn verleend, waarbij heeft te gelden dat er sprake moet zijn van een "informed consent". Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende gebaseerd moet zijn op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Voor een geval waar voorafgaand aan het huisbezoek geen aanleiding bestond om redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de door betrokkene voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens, moet hem duidelijk zijn gemaakt dat het niet geven van toestemming zonder (directe) consequenties zal blijven voor de verlening van de bijstand. Bestaat daarentegen voorafgaande aan het huisbezoek wèl aanleiding redelijkerwijs te twijfelen aan de juistheid of de volledigheid van de voor het vaststellen van het recht op bijstand verstrekte gegevens en wordt om die reden tot het afleggen van een huisbezoek besloten, dan is het bestuursorgaan bij het vragen om medewerking aan dat huisbezoek niet gehouden betrokkene mee te delen dat het weigeren van de toestemming tot binnentreden zonder (directe) gevolgen voor de uitkering zal blijven.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond in eisers bijstandsaanvraag van 30 januari 2007 op zich geen aanleiding voor de conclusie dat getwijfeld moest worden aan de juistheid of volledigheid van de door eiser omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen. Wel hebben zich zowel vóór als na 30 januari 2007 omstandigheden voorgedaan die reden vormen voor twijfel over eisers woon- en leefsituatie.

Zo is eiser tijdens een eerdere periode van bijstandsverlening op 28 december 2006 door verweerder opgeroepen voor een gesprek. Deze afspraak is op eisers verzoek verplaatst naar 4 januari 2007. Op dit gesprek is eiser niet verschenen. Op 4 januari 2007 wilde eerst een kennis van eiser telefonisch bij verweerder de afspraak afzeggen. Later die dag belde iemand op die stelde eiser zelf te zijn, met de mededeling dat hij ziek was en niet op de afspraak kon komen. Hij zou thuis zijn. Bij het nog op diezelfde dag gebrachte bezoek aan het door eiser opgegeven woonadres, bleek eiser echter niet thuis. Evenmin reageerde eiser op verweerders schriftelijke oproep om op 18 januari 2007 voor een gesprek te verschijnen, terwijl zijn recht op bijstand al per 5 januari 2007 was opgeschort. Dit roept de vraag op of eiser de aan hem gerichte oproep op het opgegeven adres wel ontvangen had.

Naar het oordeel van de rechtbank vormde het door eiser tot twee maal toe zonder duidelijke reden niet verschijnen op oproepen voldoende reden tot twijfel aan de juistheid van de door eiser, voor het vaststellen van het recht op bijstand van belang zijnde, verstrekte gegevens over zijn feitelijke woonadres. Steun voor deze overweging vindt de rechtbank in de uitspraak van de CRvB van 9 oktober 2007 (LJN: BB5467). Voor het afleggen van een huisbezoek bestond daarom een redelijke grond. Dit betekent dat de rapporteurs die het huisbezoek hebben afgelegd niet gehouden waren om eiser vooraf mee te delen dat aan het niet meewerken aan het huisbezoek geen consequenties zouden worden verbonden.

Niet gesteld of gebleken is dat de rapporteurs de woning zonder toestemming van eiser hebben betreden, Evenmin is gesteld of gebleken dat zij effectieve controle hadden kunnen uitoefenen op een andere, minder belastende, wijze.

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder door het afleggen van een huisbezoek eisers rechten voortvloeiend uit artikel 8 van het EVRM niet heeft geschonden. Eiser heeft immers toestemming verleend voor het huisbezoek, en voor het huisbezoek bestond een redelijke grond, zodat de rapporteurs niet gehouden waren om de mededelingen te doen zoals hierboven vermeld.

De rechtbank verwerpt eisers stelling dat een huisbezoek een “criminal charge” is in de zin van artikel 6, derde lid, van het EVRM. Een huisbezoek is een instrument dat gebruikt kan worden bij onderzoek naar (de voortzetting van) een recht op uitkering. Een huisbezoek is niet gericht op het bestraffen van mogelijk overtreden normen of leed toe te voegen, maar is gericht op het op juiste toepassing geven aan de WWB. Het enkele feit dat de resultaten van het huisbezoek mogelijk ook zouden kunnen worden gebruikt voor strafrechtelijke vervolging, maakt het huisbezoek nog geen criminal charge. Het argument dat strafrechtelijke waarborgen niet in acht zijn genomen kan worden aangevoerd in een strafrechtelijke procedure. Overigens is niet gebleken dat eiser strafrechtelijk is vervolgd, zodat er ook geen sprake van is dat de resultaten van het huisbezoek in dat kader als bewijs tegen hem zijn gebruikt.

Ook de afwijzing van de aanvraag om uitkering kan niet worden aangemerkt als een criminal charge of een punitieve sanctie. De intrekking van een uitkering naar aanleiding van (onder meer) de resultaten van een huisbezoek heeft volgens vaste jurisprudentie een reparatoir karakter (CRvB 11 april 2007, LJN: BA2410). Uiteraard geldt hetzelfde voor de afwijzing van een aanvraag om uitkering.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat voorafgaande aan het huisbezoek de cautie had moeten worden gegeven. Daarnaast zou een huisbezoek pas mogen worden afgelegd indien er sprake zou zijn van een concrete verdenking voor vervolging in de zin van artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen verwerpt de rechtbank dit standpunt

Ook kan de rechtbank eiser niet volgen in diens stelling dat strafrechtelijk onderzoek moet prevaleren boven bestuursrechtelijk onderzoek. Het bestuurs- en strafrecht dienen elk eigen doelen. De door eiser ter zitting gedane verwijzing naar het feit dat er ook zoiets bestaat als

als “bestuursstrafrecht” doet hieraan niet af. Inderdaad is in verschillende wetten het bestuursorgaan de bevoegdheid gegeven om bepaalde gedragingen te bestraffen, maar, zoals reeds is vastgesteld, is van bestraffing geen sprake wanneer een uitkering wordt geweigerd omdat de aanvrager niet voldoet aan de wettelijke eisen.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat de CRvB in zijn uitspraak van 15 april 2008 (LJN:BC9650), in het kader van een huisbezoek ter beoordeling van het recht op uitkering inzake de Algemene nabestaandenwet heeft overwogen dat een cautie niet behoeft te worden gegeven.

Eiser heeft onder verwijzing naar onder andere artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burger- en Politieke Rechten (IVBPR) gesteld dat er een ongerechtvaardigd onderscheid bestaat tussen burgers die wel, en burgers die geen uitkering hebben aangevraagd, alsmede tussen burgers die een uitkering hebben aangevraagd, en verdachten van een strafbaar feit. Voorts begrijpt de rechtbank uit het betoog van eiser dat op grond van deze ongelijke behandeling de resultaten van het huisbezoek niet ten grondslag hadden mogen worden gelegd aan de afwijzing van de aanvraag om uitkering.

De rechtbank verwerpt deze zienswijze, reeds omdat de groepen van personen die eiser heeft genoemd niet kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen. Immers, in de eerste vergelijking is er sprake van een kenmerkend onderscheid, namelijk of er wel of niet een beroep op de openbare middelen wordt gedaan. In het tweede geval is een kenmerkend onderscheid of er wel of niet een straf dreigt te worden opgelegd.

Beoordeling van de vraag naar eisers woon- en leefsituatie.

Nadat eiser op 30 januari 2007 opnieuw een bijstandsuitkering had aangevraagd, hebben twee medewerkers van verweerders dienst op 5 maart 2007 geprobeerd een bezoek af te leggen aan het door eiser opgegeven woonadres [adres]. Omdat op aanbellen niet werd gereageerd, hebben de medewerkers een brief achtergelaten met de oproep om de volgende dag op verweerders kantoor te verschijnen. Zonder voorafgaand bericht van verhindering is eiser niet op deze oproep verschenen. Na nogmaals te zijn opgeroepen, verscheen eiser op 8 maart 2007. Bij die gelegenheid heeft hij aan verweerder desgevraagd een beschrijving gegeven van de inrichting en inhoud van de woning. Afgesproken is om diezelfde dag nog een bezoek te brengen aan eisers woonadres.

De bevindingen van het huisbezoek zijn neergelegd in het rapport van bevindingen van

9 maart 2007. De in dit rapport neergelegde bevindingen heeft eiser niet, althans onvoldoende, bestreden. Uit het rapport blijkt dat eiser zijn voordeur pas kon openen nadat hij eerst alle sleutels aan zijn sleutelbos had geprobeerd. Voorts bleek de enkele uren daarvoor door eiser gegeven beschrijving van de woning en wat zich daarin zou bevinden, niet overeen te stemmen met de aangetroffen situatie. Ook was eiser niet bekend met de bediening van de zich in de woning bevindende televisie en dvd-speler. In de woning werd dameskleding aangetroffen en de inhoud van de vriezer was volledig verschillend van wat eiser had opgegeven. Verder haalde eiser snel enkele foto’s weg die door de medewerkers, ook na hun verzoek daartoe, niet mochten worden gezien. Niettemin zagen de medewerkers dat op één van deze twee foto’s een man en een vrouw stonden. Vanaf dit moment heeft eiser verdere medewerking aan het huisbezoek geweigerd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser heeft op vele punten blijk gegeven onbekend te zijn met de woning waar hij stelt te wonen. Ook heeft hij bewust aanwijzingen door wie de woning werd bewoond buiten het onderzoek geprobeerd te houden, wat voeding geeft aan de veronderstelling dat de woning niet door eiser werd bewoond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de bovenstaande onderzoeksbevindingen terecht geconcludeerd dat eiser niet woonde op het door hem opgegeven adres Dit betekent dat eiser onjuiste informatie heeft verstrekt, en dat als gevolg daarvan niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand.

Het bovenstaande overziend is de rechtbank van oordeel dat aanleiding bestaat om onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

Nu de rechtbank het beroep van eiser gegrond verklaart, houdt deze uitspraak op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb tevens in dat het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- wordt vergoed door de gemeente Amsterdam.

De rechtbank acht tot slot termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-. Aangezien ten behoeve van eiser ter zake van dit beroep een toevoeging is aangevraagd krachtens de Wet op de Rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

? verklaart het beroep gegrond;

? vernietigt het bestreden besluit;

? bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

? bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 37,- vergoedt;

? veroordeelt verweerder in de hiervoor omschreven proceskosten, begroot op € 644,-, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2008 door mr. T.P.J. de Graaf, voorzitter en

mrs. T. van Muijden en P.H. Banda, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H. van Hoeven, griffier,

en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier de voorzitter

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.

Afschrift verzonden op:

DOC: B