Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0833

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
371441
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Pensioenverzekeringsovereenkomst; "beschikbare premieregeling"; wijze waarop verzekeraar de kosten gedurende de looptijd van de pensioenverzekeringsovereenkomst op de verzekering in mindering heeft mogen brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2009, 2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, meervoudige kamer

zaaknummer / rolnummer: 371441 / HA ZA 07-1556

Vonnis van 21 mei 2008

in de zaak van

A,

wonende te,

eiseres,

procureur mr. E. Lutjens,

tegen

de naamloze vennootschap

LEGAL & GENERAL NEDERLAND LEVENSVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Hilversum,

gedaagde,

procureur mr. A.G. van Marwijk Kooij.

Partijen zullen hierna A en Legal & General worden genoemd.

1. Procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- dagvaarding van 21 mei 2007, met bewijsstukken,

- conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- ambtshalve gewezen tussenvonnis van 26 september 2007, waarbij een comparitie van partijen is bepaald,

- proces-verbaal van de op 15 januari 2008 gehouden comparitie van partijen, alsmede de daarin genoemde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende betwist, als¬mede op grond van de in zoverre niet bestreden in¬houd van de overgelegde bewijs¬stuk¬ken, staat in dit geding het volgende vast.

2.1. Ter uitvoering van een bij haar van kracht zijnde pensioenregeling heeft Coloplast B.V. te Amersfoort (verder: Coloplast) voor haar werknemers, onder wie A, de mogelijkheid geopend om met Legal & General een individuele pensioenverzekering af te sluiten.

2.1.1. Aldus heeft A per 1 oktober 2002 (de datum waarop zij bij Coloplast in dienst is getreden) met Legal & General een pensioenverzekeringsovereenkomst, "Nova Top Pensioen" genaamd, afgesloten met als einddatum 1 april 2035 (verder: de pensioenverzekering).

2.1.2. Deze overeenkomst was een zogenaamde "beschikbare premieregeling" waarin - anders dan bij een "streefregeling" waarin wordt uitgegaan van een bepaald te bereiken pensioenniveau - de beschikbare premie centraal stond.

Het van de premie beschikbare gedeelte werd door Legal & General belegd en de pensioenrechten en afkoopwaarde waren afhankelijk van het resultaat van de beleggingen.

2.2.1. Volgens de aanvankelijk geldende polis was een jaarpremie verschuldigd van € 2.130,= met een beleggingsbestanddeel van € 1.722,32.

Dat beggingsbestanddeel zou gelden tot en met 1 oktober 2009, waarna als beleggingsbestanddeel een bedrag van € 1.897,40 zou worden aangehouden.

2.2.2. Op 16 januari 2004 is de polis aldus gewijzigd, dat de jaarpremie met ingang van 1 oktober 2003 € 2.278,= bedraagt.

Van deze premie wordt als beleggingsbestanddeel aangemerkt:

- € 1.844,01 vanaf de vervaldagen 1 oktober 2003 tot en met 1 oktober 2009;

- € 2.032,89 vanaf de vervaldagen 1 oktober 2010 tot en met 1 oktober 2033.

Op de laatste vervaldag, 1 oktober 2034, is een premie van € 949,16 verschuldigd, waarvan € 847,03 wordt aangemerkt als beleggingsbestanddeel.

2.3. Het voorgaande betekent, dat op de premies met de vervaldagen 1 oktober 2002 tot en met 2009 een hoger bedrag voor kosten wordt ingehouden dan op de daarna verschuldigde premies.

2.4. Per 1 mei 2005 hebben de werknemers van Coloplast, en dus ook A, hun pensioenverzekeringsovereenkomsten met Legal & General opgezegd met het verzoek om de waarde van hun verzekeringen over te dragen aan een nieuwe uitvoerder van de pensioenregeling van Coloplast.

Hoewel zij daartoe niet verplicht was, heeft Legal & General toegezegd om aan dit verzoek te voldoen, waarbij zij als voorwaarde heeft gesteld dat de beëindiging per 1 oktober 2005 zou plaatsvinden.

2.5. Legal & General heeft de over te dragen waarde berekend op basis van het hiervoor onder 2.2.1. en 2.2.2. vermelde beleggingsbestanddeel van de betaalde premies.

Het restant van de betaalde premies heeft volgens die berekening betrekking op door Legal & General gemaakte kosten, en wel een vast bedrag voor jaarlijkse kosten gedurende de hele looptijd, dus tot 1 oktober 2034, en daarboven gedurende de eerste jaren (1 oktober 2002 tot en met 2009) een bedrag ter dekking van de aanvangskosten.

2.6. Bij brief van 26 februari 2007 heeft Legal & General aan de raadsman van A, voorzover hier van belang, het volgende medegedeeld:

"Met verwijzing naar de eerdere correspondentie berichten wij u als volgt.

Teneinde in deze kwestie een minnelijke regeling te bereiken en ter voorkoming van een langslepende en kostbare rechtsgang, zijn wij - coulancehalve, geheel onverplicht en overigens zonder erkenning van enige aansprakelijkheid - bereid tot het doen van navolgend voorstel. (…)"

2.7. Op de pensioenverzekering is toepasselijk (het op 1 januari 2000 in werking getreden en per 1 januari 2007 vervallen) artikel 7a van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (verder: PSW), dat als volgt luidt:

"De opbouw en de financiering van pensioenaanspraken vinden gedurende het deelnemerschap ten minste evenredig in de tijd plaats."

2.8. In een circulaire van 20 december 2000 van de Verzekeringskamer (toen toezichthouder op het verzekeringsbedrijf) wordt met betrekking tot "Toezicht op rechtstreeks verzekerde regelingen" onder meer, onder het kopje "Gelijkmatige opbouw in beschikbare premieregelingen in samenhang met kosten", het volgende vermeld:

"Het hanteren van een systeem waarbij de uitvoeringskosten van de regeling in feite al in de beginperiode in haar totaliteit in rekening worden gebracht, is in strijd met artikel 7a van de PSW, indien de voor pensioeninkoop beschikbare premie als gevolg hiervan dermate verlaagd wordt dat de norm van evenredige opbouw niet gestand gedaan kan worden."

3. Geschil

3.1. A stelt zich op het standpunt, dat Legal & General alle op de pensioenverzekering in rekening te brengen kosten, met name ook de aanvangskosten, in gelijke delen over de (beoogde) verzekeringsjaren moet verdelen, omdat alleen dan wordt voldaan aan de eis van evenredige pensioenverwerving in de tijd als bedoeld in het hiervoor onder 2.7. aangehaalde artikel 7a PSW. In strijd daarmee is het het hiervoor onder 2.2.1. en 2.2.2. genoemde beleggingsbestanddeel van de premie gedurende de eerste jaren (tot en met 2009) lager dan de daaropvolgende jaren, omdat gedurende die eerste jaren een hoger bedrag voor kosten op de premie in mindering wordt gebracht dan gedurende de latere jaren. De polis houdt op dit punt dus een bepaling in die strijdig is met de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 7a PSW en is daarom ingevolge artikel 3:40 Burgerlijk Wetboek nietig. Die bepaling dient te worden geconverteerd naar een bepaling op grond waarvan een kosteninhouding ter grootte van de gemiddelde kosten verdeeld over de gehele looptijd geldt. Dit betekent dat Legal & General de verhoogde kosteninhoudingen gedurende de eerste verzekeringsjaren zoals vermeld op de polis aan A dient te vergoeden door de geldswaarde van de pensioenverzekering te verhogen met het verschil tussen de op de pensioenpremie daadwerkelijk toegepaste kosteninhouding van 13,0 % en de over de gehele looptijd berekende gemiddelde kosteninhouding van 6,72 %. Daarnaast dient Legal & General het op deze vergoeding gemiste rendement te vergoeden, aldus nog steeds A.

Subsidiair is zij van mening dat Legal & General inzicht dient te geven in de wijze waarop zij haar schikkingsaanbod in de hiervoor onder 2.6. bedoelde brief heeft berekend, omdat de afwikkeling van de pensioenverzekering wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid.

3.2. Op grond hiervan vordert zij samengevat - de veroordeling van Legal & General:

primair:

1. om de waardeoverdracht terzake van de pensioenaanspraken ten behoeve van A uit te voeren met inachtneming van artikel 7a PSW in die zin, dat de kosteninhouding over de pensioenpremie gelijkmatig wordt verdeeld en derhalve - met terugwerkende kracht - over de hele looptijd beperkt wordt tot 6,72 % per jaar;

2. om het rendement op de beleggingen aan te passen met inachtneming van het onder 1. gevorderde;

3. om de aldus vastgestelde overdrachtswaarde te verhogen met de wettelijke rente over de periode tussen 1 oktober 2005 en de datum van voldoening;

subsidiair:

4. om binnen een maand na het te wijzen vonnis uitputtende informatie aan A te verstrekken over de wijze waarop Legal & General bij brief van 26 februari 2007 opgave heeft gedaan van de vergoeding aan polishouders, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

primair en subsidiair:

5. tot betaling van € 6.747,90 met wettelijke rente terzake van buitengerechtelijke kosten;

6. in de kosten van het geding.

3.3. A heeft ter comparitie te kennen geven dat zij haar aanvankelijke standpunt dat de verzekeringsvoorwaarden, als algemene voorwaarden, niet op de verzekeringsovereenkomst van toepassing zijn, niet langer handhaaft.

Op haar overige stellingen en op het verweer van Legal & General wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Beoordeling

de primaire vordering

4.1. Voorzover Legal & General betwist dat het bepaalde in artikel 7a PSW van toepassing is op beschikbar premieregelingen als de onderhavige, neemt de rechtbank met A als uitgangspunt dat zulks wel het geval is.

In de eerste plaats is de enkele omstandigheid dat de wetgever wellicht met name heeft gedacht aan streefregelingen, op zich zelf onvoldoende om aan te nemen dat het zijn bedoeling is geweest om beschikbare premieregelingen van de werking van dat artikel uit te sluiten.

In de tweede plaats moet uit de beschikbare aanknopingspunten worden afgeleid dat artikel 7a PSW ook op beschikbare premieregelingen van toepassing is, terwijl geen aanknopingspunten zijn gesteld of gebleken die op het tegendeel wijzen.

Zo wordt in de memorie van toelichting ingegaan op beschikbare premieregelingen (zoals blijkt uit de hierna onder 4.3.2. aangehaalde zinsneden uit die memorie) en gaat ook de Verzekeringskamer van toepasselijkheid uit, zoals blijkt uit haar hiervoor onder 2.8. genoemde circulaire.

4.2. A heeft haar standpunt dat op grond van artikel 7a PSW alle op de pensioenverzekering in rekening te brengen kosten, met name ook de aanvangskosten, in gelijke delen over de (beoogde) verzekeringsjaren moeten worden verdeeld, als volgt toegelicht.

Indien gedurende een (begin)periode sprake is van een verhoogde kosteninhouding, zal dit voor die periode een verlaagde pensioenverwerving tot gevolg hebben. De verwerving van pensioenaanspraken geschiedt dan niet evenredig in de tijd, hetgeen strijdig is met het voorschrift van artikel 7a PSW.

Het doel van de bepaling van artikel 7a PSW is nu juist om te voorkomen dat in de eerste jaren meer kosten in rekening worden gebracht en dus een lagere pensioenverwerving voor de pensioenpremie ontstaat. De bepaling voorkomt zo dat de werknemers met korte dienstverbanden onevenredig (gerelateerd aan hun diensttijd) lage pensioenen zouden krijgen, dan wel dat zij op ongewenste wijze aan de werkgever c.q. pensioenverzekering zitten vastgeklonken, aldus nog steeds A.

4.3.1. Het standpunt van A komt er op neer, dat ingevolge artikel 7a PSW alle kosten van de pensioenverzekering lineair over alle jaren van de beoogde looptijd van de verzekering moeten worden gespreid.

4.3.2. Tegen de achtergrond van haar zojuist vermelde toelichting, beroept zij zich voor dat standpunt op de (hiervoor onder 2.7. aangehaalde) tekst van het artikel en op de navolgende passages uit de wetsgeschiedenis.

Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26415, nr. 3, p. 4, 31 en 32:

- De bedoeling is "een bepaling in de PSW op te nemen die er toe strekt dat de pensioenopbouw tenminste gelijkmatig over de totale periode van deelneming geschiedt.

(…)

- Met dit artikel wordt beoogd veilig te stellen dat de duur van het deelnemerschap en de hoogte van de tijdens het deelnemerschap opgebouwde pensioenaanspraken in dezelfde verhouding staan tot de totaal te bereiken duur en hoogte van de aanspraken.

(…)

- Bij beschikbare-premieregelingen zal een beschikbare premie die in de loop van het deelnemerschap (ongeveer) gelijk blijft, bijvoorbeeld op basis van 10% van de pensioengrondslag, niet elk jaar evenveel pensioen opleveren. De eerste jaren zal de premie tot een hogere pensioenopbouw leiden dan in latere jaren. Het is daarom niet bezwaarlijk als de beschikbare premie bij het bereiken van bepaalde leeftijden of deelnametijden stijgt, als de vermoedelijk resulterende pensioenopbouw in een tempo geschiedt dat ten minste vergelijkbaar is met de opbouw bij eindloonregelingen."

Memorie van Antwoord aan de Eerste Kamer, vergaderjaar 1999-2000, 26415, nr. 63b, p. 3:

"Vervolgens wordt door de leden van de fractie van de PvdA gevraagd om verduidelijking van de term <<ten minste tijdsevenredig>>.

Ik zal dit aan de hand van een voorbeeld verduidelijken. Als een pensioenregeling een opbouwperiode van 40 jaar kent en een ambitieniveau van 70%, heeft de term ten minste tijdsevenredig tot gevolg dat ieder jaar minimaal 70/40 van de opbouw, ofwel 1,75% per jaar moet worden gerealiseerd. Meer is wel toegestaan, minder dus niet."

4.4.1. Uit wettekst en uit de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis is slechts af te leiden dat het de wetgever er om te doen is dat ook bij beschikbare premieregelingen sprake is van een tijdsevenredige opbouw van de pensioenaanspraken en van de financiering daarvan.

A heeft niet toegelicht waarom daarvan slechts sprake kan zijn indien alle op de beschikbare premie in mindering te brengen kosten gelijkelijk over de (beoogde) looptijd van de verzekering worden gespreid.

Dat had op haar weg gelegen, nu Legal & General terecht heeft aangevoerd dat een zelfde premie gedurende de eerste jaren - gelet op de langere periode dat daarop rendement kan worden behaald - tot een hogere pensioenopbouw leidt dan gedurende de latere jaren, reden waarom in de Memorie van Toelichting wordt vermeld dat bij een beschikbare premieregeling toelaatbaar kan zijn dat gedurende de eerste jaren een lagere premie wordt betaald dan gedurende de latere jaren.

4.4.2. Voorts heeft Legal & General erop gewezen, dat de door haar toegepaste kostenallocatie in overeenstemming is met de methode die is aanbevolen door het Verbond van Verzekeraars in een circulaire van 25 juli 2003, die tot stand is gekomen na uitvoerig overleg met de Verzekeringskamer.

Ook tegenover deze gemotiveerde toelichting had A niet kunnen volstaan met te stellen dat met dat alles geen tijdsevenredige pensioenopbouw wordt verkregen, zonder daarbij te vermelden wat daaronder dan volgens haar moet worden verstaan.

4.4.3. A heeft nog aangevoerd, dat werknemers die slechts korte tijd bij een werkgever een dienstverband hebben, bij de door Legal & General toegepaste methode aanzienlijk worden benadeeld ten opzichte van de blijvers en dat artikel 7a PSW die benadeling juist heeft willen tegengaan.

Niet in te zien is echter, waarom een verzekeraar terzake van aanvangskosten werknemers in bescherming moet nemen die om wat voor reden ook slechts kort in dienst blijven, zolang de kostenallocatie ten opzichte van die werknemers niet onredelijk is en beantwoordt aan de eis van evenredige pensioenopbouw van artikel 7a PSW.

4.5. Uit al het voorgaande volgt, dat het primair gevorderde niet toewijsbaar is.

de subsidiaire vordering

4.6. De subsidiaire vordering strekt ertoe om Legal & General te verplichten tot het geven van een volledige uiteenzetting van de (berekenings)wijze waarop zij tot een door haar gedaan schikkingsvoorstel is gekomen.

A heeft slechts verwezen naar de redelijkheid en billijkheid waardoor de afwikkeling van de pensioenverzekering wordt beheerst en heeft de vordering overigens niet toegelicht. Daarmee ontbeert de vordering voldoende grondslag en moet deze worden afgewezen.

5. Slotsom

Uit al het voorgaande volgt, dat het gevorderde moet worden afgewezen.

Als in het ongelijk gestelde partij zal A worden veroordeeld in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak begroot op:

- € 300,= aan vastrecht, en

- € 1.356,= voor salaris procureur, namelijk 3 punten volgens tarief II à € 452,= per punt.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt A in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Legal & General begroot op € 1.656,=.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.K. van der Valk Bouman, mr. A.W.H. Vink en mr. M.R. Jöbsis, leden van genoemde kamer, en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.?