Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0818

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
377896 - HA ZA 07-2365
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Schade aanvaring roeiboten: sport en spel?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2008/175
RAV 2008, 112
Prg. 2009, 8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 377896 / HA ZA 07-2365

Vonnis van 21 mei 2008

in de zaak van

A,

wonende te,

eiser,

procureur mr. B.P. Dekker,

tegen

1. B,

wonende te,

2. de naamloze vennootschap

VVAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagden,

procureur mr. G.C. Endedijk.

Eiser zal hierna A worden genoemd en gedaagden afzonderlijk B en VVAA en gezamenlijk in enkelvoud B c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 december 2007 waarbij een comparitie van partijen is gelast, met de daarin genoemde stukken op de daaraan ten grondslag gelegde stukken,

- het proces-verbaal van comparitie van 1 april 2008.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 21 augustus 2004 heeft omstreeks 9.15 uur op de rivier de Amstel tussen Amsterdam en Ouderkerk aan de Amstel een aanvaring plaatsgevonden tussen een skiff en een achtpersoons roeiboot (verder de acht). De acht, met aan het stuur B, voer in de richting van Ouderkerk aan de Amstel. In de skiff zat A, hij voer in de richting van Amsterdam. VVAA is de aansprakelijkheidsverzekeraar van B.

2.2. C en D waren getuige van het ongeval. Zij roeiden in een tweepersoons skiff in de richting van Ouderkerk aan de Amstel en zij zaten met hun gezicht in de richting van het ongeval.

2.3. Twee roeimaten van A, E en F, roeiden ieder in een eenpersoons skiff achter A in de richting van Amsterdam. Zij zaten met hun rug naar het ongeval toe.

2.4. A is na het ongeval op 21 augustus 2004 naar de spoedeisende hulp van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam (verder het AMC) gegaan.

2.5. Op 22 oktober 2004 en 26 november 2004 heeft CZ, de ziektekostenverzekeraar van A, aan A nota’s van respectievelijk EUR 62,85 en EUR 87,98 gestuurd in verband met “Eigen risico/Eigen bijdrage”.

2.6. Op 10 mei 2005 heeft A bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, waarna de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor heeft bevolen. Op 15 november 2005, 28 februari 2006 en 2 mei 2006 hebben de enquête en contra-enquête plaatsgevonden. Daarbij zijn A, C, D, E, F en B gehoord.

2.7. Op 22 augustus 2005 heeft CZ aan A meegedeeld dat van door A gemaakte vier rekeningen van G van in totaal EUR 250,= niet zijn vergoed en dat van een rekening van fysiotherapeut H een bedrag van EUR 216,= niet is vergoed. Voorts is van een rekening van fysiotherapeut I een bedrag van EUR 1,80 niet vergoed.

2.8. Bij ongedateerde brief heeft J, huisarts, aan de raadsman van A geschreven, voor zover hier van belang:

“A consulteerde mij op 1 en 14 sept 04. Na een direct trauma een aanzienlijk hematoom bekken, rug, billen. Een flinke confusie met alle zichtbare en voelbare gevolgen. Er was zeker 4-5 weken van functiebeperkingen en klachten sprake. Pas heel geleidelijk zijn de hematomen (en een forse vochtophoping) wat geresorbeerd. (…)”

2.9. Bij brief van 31 oktober 2006 heeft K, arts bij de afdeling Chirurgie van de Trauma Unit van het AMC, aan de raadsman van A geschreven, voor zover hier van belang:

“In antwoord op uw verzoek (…) kan ik u mededelen dat ik bovengenoemde patiënt eenmalig heb gezien op 14 . 10 . 2004. (…)

(…)

Gezien het feit dat deze afwijking geleidelijk kleiner aan het worden was en ook gezien het feit dat dit meestal met conservatieve behandeling verder verdwijnt heb ik een afwachtend beleid met patiënt afgesproken. Ik heb hem daarna niet meer poliklinisch kunnen zien zodat ik u over het verdere beloop niet kan informeren.

(…)”

2.10. Bij brief van 5 december 2006 heeft G, orthomanueel arts, aan de raadsman van A geschreven, voor zover hier van belang:

“De heer A (…) zag ik op 25-05-’05 op verzoek van zijn huisarts wegens pijn in de onderrug bij zitten en staan. Dit zou ontstaan zijn na een botsing op 21-08-’04 tussen zijn skiff en een “acht” waarbij hij van achteren werd aangevaren met als gevolg een haematoom op de onderrug en billen.

Aanvankelijk kon hij alleen war schuifelen, op 25-05-’05 kon hij weer wat hardlopen. Roeien was nog steeds te pijnlijk. Hij had voor het ongeluk geen klachten.

(…)

Hij werd hiervoor 4 x orthomanueel behandeld. Op 14-07’05 kon hij vrijwel pijnvrij roeien.

Op 16-02-’06 zag ik hem nogmaals, nu wegens ‘ischialgiforme’ pijn re. in de lage rug, vooral bij lang zitten.

(…)

Na een tweede behandeling op 28-02-’06 waren de klachten vrijwel verdwenen. Sindsdien zag ik hem niet meer.

(…)”

2.11. A is door zijn huisarts verwezen naar fysiotherapeut H. Bij brief van 22 januari 2007 - bovenaan de brief staat “Periode: 17-09-2004 tot 10-01-2005’- heeft H aan de raadsman van A geschreven, voor zover hier van belang:

“Gedurende de behandelperiode is de heer A 16 maal door mij behandeld.

Bij het eerste contact was er een zeer fors heamatoom zichtbaar links gluteaal en links lumbaal. Er was een functionele pijn die hem hinderde bij zijn dagelijkse activiteiten.

Het functie onderzoek was verder zonder duidelijke mobiliteits problemen, behalve die problemen die werden veroorzaakt door die forse zwelling.

De behandeling heeft bestaan uit het bestrijden van het forse haematoom.

Er was een goed vooruitgang en op 10 januari is de behandeling hier gestopt.

Op dat moment was er nog een verdikking t.h.v. de oorspronkelijke inslag. Daar er niet veel progressie meer was en dit functioneel niet veel hinder meer opleverde zijn wij hier met de therapie gestopt.

(…)”

3. Het geschil

3.1. A vordert samengevat - veroordeling van B c.s., bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

a. tot vergoeding van materiële en immateriële schade die A heeft geleden en zal lijden als gevolg van het ongeval van 21 augustus 2004, inclusief de wettelijke rente over de opeisbare schadevergoeding, te berekenen vanaf 21 augustus 2004, althans met ingang van het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der voldoening, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

b. om aan A te voldoen een voorschot ten bedrage van EUR 25.000,= op de door A geleden en nog te lijden materiële schade en een voorschot op de immateriële schade ten bedrage van EUR 5.000,=, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 augustus 2004 tot 1 september 2007 ten bedrage van EUR 702,16 en met de wettelijke rente van 1 september 2007 tot aan de dag der voldoening, althans een door de rechtbank te bepalen voorschot op de materiële en immateriële schade, dat met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:44 BW in mindering strekt op hetgeen krachtens de hiervoor onder 1 gevorderde veroordeling verschuldigd is;

c. in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na betekening van dit vonnis.

3.2. A stelt daartoe, samengevat, het volgende. B was als stuurman van de acht verantwoordelijk voor de veiligheid op het water in verband met de door hem bestuurde boot. A hield voorafgaand aan het ongeval stuurboordwal. De acht van B kwam uit tegengestelde richting en bevond zich aan dezelfde zijde van het water, derhalve aan bakboordwal en ruim over de denkbeeldige middenlijn van de Amstel. De acht was niet aan het inhalen en B sloeg geen acht op schepen die in tegengestelde richting voeren. Hij heeft geen waarschuwingsteken gegeven en ook geen poging gedaan om de skiff te ontwijken. De acht heeft niet vaart geminderd, maar op het moment van de aanvaring juist een haal gemaakt, waardoor de aanvaring plaatsvond in volle snelheid. Dit blijkt onder meer uit de getuigenverklaringen. B heeft dan ook jegens A onzorgvuldig en gevaarzettend gehandeld. Als B beter had opgelet en had ingegrepen, was het ongeval voorkomen. Hij is daarom aansprakelijk jegens A op grond van artikel 6:162 BW.

A kon door het opgelopen letsel gedurende twee tot drie maanden niet werken. Hij was kort vóór het ongeval als zelfstandig ondernemer gestart, hij had daartoe een onderneming opgezet. Op 23 augustus 2004 zou hij beginnen met een project voor ING Asset Management B.V. Dit project zou midden oktober 2004 afgerond moeten zijn. Door de verwondingen als gevolg van het ongeval kon A dit project pas begin 2005 starten en op 19 april 2005 afronden. Het met ING Asset Management overeengekomen honorarium bedroeg EUR 16.800,= per maand. In 2003, toen A nog in loondienst was van Rabobank Nederland N.V., bedroeg het loon van A EUR 159.443,=. Doordat A gedurende zijn ziekte niet actief was, heeft hij aan verdiencapaciteit ingeboet.

A heeft rugklachten gehouden en hij vreest ook in de toekomst klachten te hebben. Tot de schade behoort daarom ook de schade die hij in de toekomst zal lijden in verband met te derven inkomsten vanwege economische kwetsbaarheid dan wel vanwege een duurdere arbeidsongeschiktheidsverzekering.

A heeft ook schade geleden doordat hij tot een bedrag van EUR 616,83 aan kosten heeft moeten maken voor orthomanuele en fysiotherapeutische behandelingen die tot voornoemd bedrag niet zijn vergoed door zijn ziektekostenverzekering. Verder heeft A voor een voorlopig begroot bedrag van EUR 100,= reis-, parkeer-, porto- en telefoonkosten moeten maken als gevolg van het ongeval. Ook heeft A recht op vergoeding van door hem gemaakte kosten ex artikel 6:96 BW alsmede wettelijke rente over de geleden schade. A heeft ook recht op een voorschot.

3.3. Het verweer van B c.s. komt neer op het volgende. Uit de getuigenverklaringen blijkt dat het ongeval zich heeft voorgedaan op de denkbeeldige middenas van de Amstel. B heeft, zodra hij de skiff zag, het commando “houden” gegeven waarna de roeiers direct de bladen verticaal in het water hebben gezet waarna A op lage snelheid werd geraakt met de punt van de acht. Dit was de enige juiste handelwijze voor B. Indien A om de paar halen had omgekeken, had hij de acht zien aankomen, dan had hij nog van koers kunnen veranderen en het ongeluk kunnen voorkomen. Aannemelijk is dat A meedeed aan een wedstrijdje en om voorop te blijven hard doorroeide.

Er is sprake van een sport- en spelsituatie waardoor een hogere drempel van aansprakelijkheid geldt. Het was 9.15 uur op zaterdagochtend en er waren slechts roeiboten op de Amstel. Op dat tijdstip wordt veel geroeid en er worden ook wedstrijden gehouden. Het enkele feit dat het Binnenvaart Politie Reglement geldt, maakt niet dat er geen sprake kan zijn van een speelveld. Voor een sport- en spelsituatie is het niet nodig dat partijen met elkaar wedijveren. Het gaat erom of partijen over en weer gevaarlijke gedragingen van elkaar mogen verwachten.

A heeft niet een verlies aan arbeidsinkomsten geleden, althans hij heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Op basis van de overgelegde medische verklaringen kan niet worden aangenomen dat A pas in januari 2005 weer volledig in staat was tot werken op zijn oude niveau. Hij heeft de stelling dat hij maandenlang niet in staat was om te werken onvoldoende onderbouwd. Ook de gestelde vrees dat A in de toekomst wegens rugklachten schade zal lijden is niet onderbouwd.

B c.s. acht hoogstens een immateriële schadevergoeding van EUR 2.000,= redelijk. A kon immers blijkens de verklaring van G in juli 2005 weer vrijwel pijnvrij roeien. Uit de verklaring van huisarts J volgt dat A vier tot vijf weken functiebeperkingen had. Het voorlopig gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding staat in geen verhouding tot de geleden immateriële schade.

Verwijzing naar de schadestaatprocedure is niet opportuun. A moet geacht worden nu zijn schade te kunnen begroten.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn in de eerste plaats verdeeld over de vraag of sprake was van een sport- en spelsituatie. Voorop gesteld wordt dat partijen niet deelnamen aan een georganiseerde wedstrijd of roeitocht, maar met recreatief-sportieve bedoelingen deelnamen aan het vaarverkeer. Dat E en F daarbij “een wedstrijdje aan het varen” waren, zoals F heeft verklaard tijdens het voorlopig getuigenverhoor, maakt dit niet anders. Daarbij speelt het competitie-element immers een ondergeschikte rol en het maakt niet dat partijen van elkaar riskanter gedrag moeten verwachten dan anders.

Partijen bevonden zich voorts op een openbare vaarweg waar reguliere vaarregels gelden. Dat zich op zaterdagochtend weinig ander vaarverkeer dan roeiboten op de Amstel bevindt, maakt niet dat sprake is van een sport- en spelsituatie. De Amstel was niet afgezet en vracht- en pleziervaartuigen hadden gewoon toegang tot dit stuk van de rivier zodat partijen ervan mochten uitgaan dat andere roeiers zich aan de reguliere vaarregels zouden houden. Hoewel zij beiden aan het roeien waren, waren A en B ten opzichte van elkaar slechts passanten. De conclusie is dan ook dat er geen sprake was van een sport- en spelsituatie zodat geen hogere aansprakelijkheidsdrempel geldt.

4.2. Uit de verklaringen van de getuigen, in onderlinge samenhang gelezen, rijst het volgende beeld: het ongeval vond plaats op een drukke rivier op een moeilijk stuk tussen twee bochten waarbij zowel de skiff als de acht in de buurt van de denkbeeldige middenlijn voeren. Door zich daar te bevinden, en niet uiterst stuurboordwal te houden, is voor beide partijen sprake van extra gevaarzetting. Voor een roeier in een skiff geldt over het algemeen, maar zeker wanneer hij niet uiterst stuurboordwal houdt, dat hij voldoende vaak moet omkijken. Voor de stuurman van een acht geldt in een dergelijk risicovolle situatie dat hij er rekening mee moet houden dat zijn boot zwaar is en niet snel tot stilstand kan komen zodat hij extra oplettend moet zijn.

In dit geval heeft het risico dat beide partijen namen door niet uiterst stuurboordwal te houden zich verwezenlijkt en kan B c.s. aansprakelijk worden gehouden voor in elk geval een deel van de schade die A door de aanvaring heeft geleden.

Voor wat betreft de verdeling van deze schade is het volgende van belang. Een acht draagt, vergeleken met een skiff, een groter gevaar in zich doordat zij log en zwaar is. Doordat een acht beschikt over een stuurman, mag van haar worden verwacht dat zij tijdig uitwijkt indien dit nodig is. Door de toedracht van het ongeval is duidelijk geworden dat B niet de oplettendheid heeft betracht die van hem in deze situatie had mogen worden verwacht, anders zou hij de skiff tijdig hebben gezien en hebben kunnen uitwijken. Wat er ook zij van het betoog van B c.s. dat hij het commando “houden” heeft gegeven – de getuigenverklaringen spreken elkaar op dit punt tegen –, vast staat dat het commando te laat kwam en dat B ook in dat geval onvoldoende zorgvuldig heeft gehandeld.

Anderzijds kan uit de toedracht van het ongeval worden afgeleid dat A onvoldoende achterom heeft gekeken. Indien hij dit wel zou hebben gedaan, zou hij de acht immers tijdig hebben gezien en haar hebben kunnen ontwijken.

Gelet op deze omstandigheden, dient deze schade naar het oordeel van de rechtbank voor 70 procent voor rekening van B c.s. te komen en voor 30 procent voor rekening van A.

4.3. Voor de vaststelling van de omvang van zijn schade heeft A verwijzing naar de schadestaatprocedure gevorderd. Ingevolge artikel 612 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering begroot de rechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, voor zover hem dit mogelijk is, de schade in het vonnis. Gelet op hetgeen A ten aanzien van de door hem geleden schade heeft aangevoerd, wordt geoordeeld dat de schade zich reeds thans laat begroten zodat de gevorderde verwijzing naar de schadestaatprocedure overbodig is.

4.4. A heeft ten aanzien van de financiële schade gesteld dat hij enkele maanden aan inkomsten is misgelopen omdat hij door zijn verwondingen niet kon werken. Als door A gesteld en door B c.s. niet bestreden, staat vast dat A in het verleden in vast dienstverband heeft gewerkt – hij was in loondienst bij Rabobank Nederland N.V. waar hij in 2003 een bruto inkomen genoot van EUR 159.443,= – en dat hij op 23 augustus 2004 zou beginnen met een project voor ING Asset Management B.V. dat hij medio oktober 2004 zou afronden. Uiteindelijk heeft A het project voor ING Asset Management B.V. tussen januari 2005 en 19 april 2005 voltooid. Hij, althans zijn bv, heeft daarvoor een honorarium ontvangen van EUR 16.800,= exclusief btw per maand.

A heeft gesteld dat hij vanwege het letsel als gevolg van de aanvaring pas in januari 2005 met het project voor ING Asset Management B.V. kon beginnen en dat hij, indien hij het project, zoals hij eerder van plan was geweest, in oktober 2004 had voltooid, kort nadien een andere opdracht zou hebben verworven. Het standpunt van B c.s. dat A zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd wordt niet gevolgd. Uit de medische verklaringen volgt dat A in het laatste kwartaal van 2004 in hoge frequentie onder fysiotherapeutische behandeling was. De aanzienlijke zwelling was, aldus de verklaring van chirurg K, pas half oktober 2004 geleidelijk op zijn retour en A heeft onbetwist verklaard dat hij last bleef houden van rugpijn, vooral bij het lang achtereen zitten. Mede gelet op de toelichting van A ter comparitie – hij had pas in januari 2005 weer de kracht om uren achtereen op een stoel te zitten en zijn aandacht bij het werk te houden – kan worden geconcludeerd dat A zijn stelling dat hij pas in januari 2005 weer volledig in staat was om te werken voldoende heeft onderbouwd.

Ook het betoog van B c.s. dat het niet waarschijnlijk is dat A, als startende zelfstandig ondernemer, meteen weer een nieuwe opdracht zou hebben verworven, gaat niet op. A heeft meerdere jaren in loondienst gewerkt op het gebied waarop hij in september 2004 als zelfstandig ondernemer begon. Gelet daarop en op het feit dat hij een eerste opdracht heeft weten te verwerven, kan hij geacht worden ook een tweede opdracht te hebben verworven.

Alles in aanmerking nemend, is de conclusie dat A door het letsel als gevolg van de aanvaring drie maanden aan inkomsten is misgelopen. Deze (driemaandelijkse) inkomsten worden begroot op het gemiddelde niveau van de opdracht van ING Asset Management B.V. – (3 x EUR 16.800,=) EUR 50.400,= – en het bruto inkomen dat A in 2003 bij Rabobank Nederland N.V. genoot – (EUR 159.443,= : 4) EUR 39.860,75 – ofwel EUR 45.129,38. Het deel daarvan tot betaling waarvan door B c.s. zal worden veroordeeld, 70 procent, beloopt EUR 31.590,30.

4.5. Tegen de gevorderde niet vergoede kosten voor orthomanuele- en fysiotherapeutische behandelingen van EUR 466,= en het eigen risico van de ziektekostenverzekering van EUR 150,83 heeft B c.s. geen verweer gevoerd. Zij zijn naar het oordeel van de rechtbank voldoende concreet onderbouwd zodat zij als schade kunnen worden aangemerkt. B c.s. zal worden veroordeeld tot vergoeding van 70 procent, ofwel EUR 431,90, daarvan. De door A als schade aangevoerde reis-, parkeer-, porto- en telefoonkosten, alsmede de door A gemaakte kosten ex artikel 6:96 BW zijn niet gespecificeerd. Ook geldt dat A niet heeft aangevoerd waarom hij reis-, parkeer-, porto- en telefoonkosten heeft moeten maken als gevolg van het ongeval. Deze kosten kunnen dan ook niet worden toegewezen.

4.6. Hetgeen A heeft gesteld ten aanzien van zijn vrees nog schade te zullen lijden als gevolg van eventueel in de toekomst voorkomende klachten, bevat – zoals ter comparitie is besproken – onvoldoende elementen die een onderzoek door een arbeidsdeskundige noodzakelijk maken. Te meer nu G in zijn brief van 5 december 2006 heeft verklaard dat hij A sinds 28 februari 2006 niet meer heeft gezien en van A verwacht kan worden in dit stadium de verwachte klachten concreet te onderbouwen.

4.7. A heeft verder vergoeding gevorderd van immateriële schade. B c.s. heeft met een beroep op de in de 16de druk van de ANWB-smartengeldgids onder de nummers 385, 388, 390, 392 en 393 genoemde uitspraken betoogd dat een bedrag van EUR 2.000,= aan immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is. Nu A hier niets tegenover heeft gesteld en de door B c.s. genoemde gevallen naar het oordeel van de rechtbank goed vergelijkbaar zijn met het onderhavige, acht de rechtbank een bedrag van EUR 2.000,= aan smartengeld gerechtvaardigd. Daarvan zal overeenkomstig de schadeverdeling 70 procent, ofwel EUR 1.400,= voor rekening worden gebracht van B c.s.

4.8. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum van de gebeurtenis, 21 augustus 2004.

4.9. Gelet op het voorgaande vervalt het belang van A bij het door hem gevorderde voorschot.

4.10. Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal B c.s. worden veroordeeld in de proceskosten. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar zoals gevorderd. De kosten aan de zijde van A worden begroot op:

- dagvaarding EUR 168,62

- vast recht 675,00

- salaris procureur 1.158,00 (2 punten × tarief EUR 579,00)

Totaal EUR 2.001,62

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. veroordeelt B c.s. om aan A te voldoen een bedrag van EUR 33.422,20, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.2. veroordeelt B c.s. in de proceskosten, aan de zijde van A tot op heden begroot op EUR 2.001,62, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande 14 dagen na de betekening van dit vonnis,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Vrakking en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2008.?