Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0811

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-08-2008
Datum publicatie
16-09-2008
Zaaknummer
AWB 06-754 GEMWT en AWB 06-5863 BELEI
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om nadeelcompensatie. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel als normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen, waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkenen dient te blijven. Uitgangspunt hierbij is dat het aan eisers is om dit aan te tonen. In het onderhavige geval hebben eisers niet aangetoond schade te hebben geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Amsterdam

Sector Bestuursrecht Algemeen

enkelvoudige kamer

UITSPRAAK

in het geding met de reg.nrs. AWB 06/754 GEMWT en AWB 06/5863 BELEI

tussen:

[eisers], h.o.d.n. [naam restaurant] Argentijns Grill Restaurant VOF, wonende te

[woonplaats], eisers,

vertegenwoordigd door mr. J. Hoogland,

en:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bussum,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. A.E. Smelt.

1. PROCESVERLOOP

De rechtbank heeft op 1 februari 2006 een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaarschrift van eisers van 5 oktober 2005, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie van 25 februari 2004 (hierna: het bestreden besluit I).

Op 7 december 2006 heeft de rechtbank een beroepschrift ontvangen, gericht tegen het besluit van verweerder van 23 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit II).

Het onderzoek is gesloten ter zitting van 6 augustus 2008.

2. OVERWEGINGEN

1. De van belang zijnde feiten en omstandigheden

1.1. Eisers drijven sinds februari 1998 het [naam restaurant] Argentijns Grill Restaurant (hierna: het restaurant) aan de [adres] te [woonplaats].

1.2. Bij verkeersbesluit van 20 november 2003 heeft verweerder besloten tot tijdelijke verkeersmaatregelen als wegafsluitingen en het aanwijzen van vervangende routes en/of omleidingen op de [omliggende straten] te [woonplaats] ten behoeve van de uitvoering van het project ‘Reconstructie [omgeving restaurant].’. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. De werkzaamheden voor genoemd project hebben plaatsgevonden van maandag 19 januari tot en met 16 april 2004.

1.4. Bij brief van 25 februari 2004 hebben eisers verzocht om nadeelcompensatie naar aanleiding van de werkzaamheden voor het project ‘Reconstructie [omgeving restaurant].’. Eisers stellen schade te hebben geleden door omzetverlies, omdat voor de uitvoering van de reconstructie de wegen van en naar het restaurant van eisers tijdelijk, gedurende de eerste vier maanden van 2004, afgesloten waren en de parkeervoorzieningen minder bereikbaar waren. Het restaurant was slechts te voet over planken bereikbaar.

1.5. Op verzoek van verweerder heeft de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) in september 2004 advies uitgebracht over het verzoek om nadeelcompensatie. De SAOZ adviseert het verzoek om nadeelcompensatie toe te wijzen en een bedrag van € 9.400,- te vermeerderen met de wettelijke rente aan eisers te betalen. Bij brieven van 18 januari 2005 en 2 februari 2006 heeft de SAOZ nadere adviezen uitgebracht, kort gezegd inhoudende dat het eerste advies wordt gehandhaafd.

1.6. Bij brief van 5 oktober 2005 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om nadeelcompensatie.

1.7. Vervolgens hebben eisers bij brief van 31 januari 2006 beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift van 5 oktober 2005.

1.8. Er is een uitgebreid ambtelijk advies opgemaakt van 24 april 2006 (hierna: het ambtelijke advies). Hierin staat dat de adviezen van de SAOZ zijn gebaseerd op voorlopige cijfers. Ten behoeve van de zorgvuldigheid van de besluitvorming zijn eisers verzocht de goedgekeurde maand- en jaarcijfers van de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 en mogelijk 2005 te overleggen. Eisers hebben de jaarrekeningen van 1999 tot en met 2004 overgelegd. De goedgekeurde maandcijfers zijn niet overgelegd. Geconcludeerd wordt dat niet is komen vast te staan dat de door eisers gestelde schade het normale maatschappelijk risico overstijgt en geadviseerd wordt de aanvraag om nadeelcompensatie af te wijzen.

1.9. Bij besluit van 25 april 2006 heeft verweerder – in afwijking van het advies van de SAOZ en onder verwijzing naar het ambtelijke advies – het verzoek om nadeelcompensatie afgewezen. Tegen dit besluit hebben eisers bezwaar gemaakt.

1.10. Bij het bestreden besluit II heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

1.11. In beroep hebben eisers zich gemotiveerd tegen het bestreden besluit II gekeerd.

2. Ten aanzien van het bestreden besluit I

2.1. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers met het door verweerder nemen van het bestreden besluit II geen belang meer bij een beoordeling van het bestreden besluit I. Eisers hebben dit ter zitting ook erkend. Dit leidt er toe dat het beroep van eisers tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.2. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eisers hebben moeten maken in verband met het beroep gericht tegen het bestreden besluit I, welke kosten de rechtbank bepaalt op factor 0,25 (zeer licht) x 2 punten (beroepschrift en verschijnen ter zitting) x € 322,- = € 161,-. Voorts dient verweerder het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

3. Ten aanzien van het bestreden besluit II

3.1. Centraal in deze procedure staat de vraag of verweerder terecht het verzoek van eisers om nadeelcompensatie heeft afgewezen.

3.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRS) geldt als uitgangspunt dat het treffen van een verkeersmaatregel, als hier aan de orde, als normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden beschouwd, waarmee een ieder kan worden geconfronteerd en waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de daardoor getroffenen mogen worden gelaten. Dat neemt niet weg dat zich feiten en/of omstandigheden kunnen voordoen, waardoor een individueel belang ten gevolge van een dergelijke maatregel zodanig zwaar wordt getroffen, dat het uit die maatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van betrokkenen dient te blijven (zie onder andere de uitspraak van 14 juli 2004, LJN: AQ1051). Uitgangspunt hierbij is dat het aan eisers is om dit aan te tonen.

3.3. In het hierna volgende speelt vooreerst de vraag of eisers wel aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden.

3.4. Eisers hebben aangevoerd dat de schadeveroorzakende werkzaamheden in de eerste vier maanden van 2004 hebben plaatsgevonden en zij juist in de wintermaanden normaliter de meeste omzet behalen. Gelet hierop dient volgens eisers de omzet gedurende de eerste vier maanden van 2004 vergeleken te worden met de omzet gedurende deze periode in de voorafgaande jaren. Ter onderbouwing van deze stelling verwijzen eisers naar het laatste nadere advies van de SAOZ van 2 februari 2006 waarin staat vermeld dat “Uit helder ingerichte en door een accountant gecontroleerde omzetcijfers van belanghebbende eenduidig is gebleken dat in de periode van de reconstructie de omzet met ruim 33% is gedaald, (…)”

3.5. De rechtbank is evenwel van oordeel dat aan dit advies niet de waarde kan worden gehecht die eisers daaraan toegekend willen zien en overweegt hiertoe het volgende.

3.6. De SAOZ heeft in haar eerste advies van september 2004 geconcludeerd dat de gemiddelde jaaromzet in de jaren 1999 tot en met 2003 € 192.500,- bedraagt en dat er sprake is van een omzetdaling gedurende de schadeperiode januari tot april 2004 van 33%. In dit eerste advies wordt uitdrukkelijk vermeld dat het advies een voorlopig karakter heeft omdat op dat moment alleen periodieke omzetcijfers bekend zijn en een inzicht in zowel de brutowinst (opgenomen in de jaarcijfers) als de kostenstructuur voor de bepaling van het uiteindelijke nadeel van essentieel belang is. Een definitieve vaststelling van het nadeel en de beoordeling van de vergoedbaarheid daarvan kan pas in een later stadium, na vaststelling van de jaarcijfers, geschieden. In het laatste nadere advies van de SAOZ, waarnaar eisers in dit verband verwijzen, wordt uitgegaan van exact dezelfde cijfers als in het eerste advies. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de SAOZ ook bij het opmaken van dit laatste advies niet de beschikking had over de gecontroleerde maand- en jaarcijfers. Het is ook niet in geschil dat de gecontroleerde maandcijfers nooit zijn opgemaakt omdat het accountantskantoor van eisers is verkocht is 2005.

3.7. In het ambtelijk advies wordt naar het oordeel van de rechtbank vervolgens terecht geconstateerd dat de in de adviezen van de SAOZ genoemde voorlopige jaarcijfers in het geheel niet overeenkomen met de nadien door eisers ingebrachte goedgekeurde jaarcijfers. Hieruit blijkt dat in de jaren 1999 tot en met 2003 sprake was van een min of meer constante omzet van gemiddeld € 162.563,- per jaar, en dus significant lager dan waar de SAOZ in haar adviezen vanuit is gegaan, terwijl er in 2004 juist sprake was van een flinke omzetstijging van ruim 11% ten opzichte van voorgaande jaren (€ 181.206,-).

3.8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in navolging van het ambtelijke advies, op grond van de voorliggende gegevens terecht niet aannemelijk heeft geacht dat eisers schade hebben geleden die het normale maatschappelijke risico overstijgt. Het lag op de weg van eisers om hun stelling nader te onderbouwen met bijvoorbeeld de gecontroleerde maandcijfers, hetgeen eisers hebben nagelaten.

3.9. Met betrekking tot het aanbod van eisers ter zitting om alsnog de definitieve maandcijfers op te laten maken, overweegt de rechtbank dat verweerder eiser bij brief van 15 maart 2006 expliciet heeft verzocht om de door een accountant gecontroleerde maandcijfers te leveren en in te dienen, hetgeen tijdens de hoorzitting in bezwaar ook aan de orde is geweest, terwijl deze cijfers ook een prominente rol speelden in het ambtelijk advies en verweerder in het beroepschrift wederom van het ontbreken van deze maandcijfers gewag heeft gemaakt. Eisers hebben hierop niet gereageerd. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het in strijd met een goede procesorde om pas ter zitting dit aanbod te doen en zal dan ook hieraan voorbijgaan.

3.10. De omstandigheid dat eisers dankzij de herinrichting in het kader van het project ‘Reconstructie [omgeving restaurant].’ sinds de zomer van 2004 een terras voor het restaurant hebben mede waardoor zij een betere zomer zouden hebben gedraaid, kan wellicht de relatief hoge omzetstijging in het schadejaar 2004 verklaren. De rechtbank kan hieruit evenwel niet afleiden dat eisers in de wintermaanden in materiële zin dusdanig zijn getroffen dat daarom het uit de verkeersmaatregel voortvloeiende nadeel redelijkerwijs niet ten laste van eisers kan blijven.

3.11. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het verzoek om nadeelcompensatie in redelijkheid kunnen afwijzen.

3.12. Voor zover eisers ter zitting hebben beoogd een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel en hebben aangevoerd dat eind februari 2008 een winkelstrip drie dagen niet bereikbaar was vanwege onvoorziene werkzaamheden en door verweerder aan een aantal ondernemers schadevergoeding is toegekend, overweegt de rechtbank dat er gelet op de ter zitting gegeven toelichting van verweerder geen sprake is van gelijke gevallen. In tegenstelling tot het restaurant van eisers dat tijdens de werkzaamheden te voet bereikbaar was, was de winkelstrip geheel onbereikbaar hetgeen niet was afgesproken met de winkeliers.

3.13. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit II in rechte stand houdt. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.

3. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 161,- (zegge: honderd en eenenzestig euro), te betalen door de gemeente Bussum aan eisers;

- bepaalt dat de gemeente Bussum aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 276,- (zegge: tweehonderd en zesenzeventig euro) vergoedt;

- verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 27 augustus 2008 door mr. C.C.W. Lange, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.J. Seijsener, griffier, en bekend gemaakt door verzending aan partijen op de hieronder vermelde datum.

de griffier, de rechter,

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te 's-Gravenhage.

Afschrift verzonden op:

DOC: B