Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0539

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-09-2008
Datum publicatie
15-09-2008
Zaaknummer
402718 / HA RK 08-402
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek voorlopig getuigenverhoor. Partijen, rechtspersonen die zich tegenover elkaar tot geheimhouding met betrekking tot de betrokken samenwerkingsovereenkomsten (met arbitragebeding) hebben verplicht, verzoeken de rechtbank te bepalen dat de getuigen zullen worden gehoord met gesloten deuren. Openbaarheid van de terechtzitting versus eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen (art. 27 lid 1 aanhef en onder c WvBRv). De rechtbank beslist dat alleen waar (vertrouwelijke) financiële gegevens en andere (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens van partijen aan de orde komen de deuren zullen worden gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 402718 / HA RK 08-402

Beschikking van 11 september 2008

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verzoekster 1],

gevestigd te [woonplaats verzoekster 1],

2. de naamloze vennootschap

[verzoekster 2],

gevestigd te [woonplaats verzoekster 2],

verzoeksters,

[advocaat 1],

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 1],

gevestigd te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 2],

gevestigd te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster 3],

gevestigd te [woonplaats],

4. de vennootschap naar [buitenlands] recht

[verweerster 4],

gevestigd te [woonplaats],

verweersters,

[advocaat 2].

Partijen worden hierna [verzoeksters] en [verweersters] genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met producties;

- de brief, gedateerd 20 augustus 2008, van de raadslieden van [verweersters];

- de mondelinge behandeling van 28 augustus 2008 en het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

1.2. De beschikking is bepaald op heden.

2. Het verzoek en het verweer

2.1. [verzoeksters] verzoekt de rechtbank ter zake van de in het verzoekschrift genoemde feiten en omstandigheden een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, met bepaling van de dag, het uur en de plaats waar dit verhoor zal plaatsvinden, en met bepaling van de dag waarop [verzoeksters] uiterlijk de op het verzoekschrift te geven beschikking aan [verweersters] zal moeten doen toekomen.

2.2. Daarnaast geeft [verzoeksters] de rechtbank in overweging om de te horen getuigen te verzoeken hun verklaringen op schrift te zetten en deze voorafgaand aan de verhoren aan de rechtbank en partijen te doen toekomen.

2.3. [verweersters] voert geen verweer tegen het hiervoor onder 2.1 weergegeven verzoek. Wel verzoekt [verweersters] de rechtbank te bevelen dat het getuigenverhoor zal worden gehouden met gesloten deuren in de zin van artikel 27 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Tegen de hiervoor onder 2.2 weergegeven suggestie heeft [verweersters] geen bezwaar; zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank dienaangaande.

2.4. [verzoeksters] steunt het verzoek van [verweersters] te bevelen dat het getuigenverhoor zal worden gehouden met gesloten deuren.

3. Beoordeling

3.1.1. Het verzoek van [verzoeksters] een voorlopig getuigenverhoor te bevelen heeft betrekking op feiten en omstandigheden rond (de totstandkoming van) een aantal schriftelijke overeenkomsten waarin partijen hun samenwerking op mediagebied hebben vastgelegd.

3.1.2. Partijen zijn het erover eens dat zij met elkaar zijn overeengekomen geschillen, ontstaan uit de rechtsbetrekkingen voortvloeiende uit die overeenkomsten, te onderwerpen aan arbitrage.

3.1.3. Artikel 1022 lid 3, eerste volzin, Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat een overeenkomst van arbitrage niet belet dat een partij de gewone rechter verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, tenzij ten tijde van dit verzoek arbiters zijn benoemd. Partijen zijn het erover eens dat ten tijde van (de indiening van) het onderhavige verzoek (nog) geen arbiters waren benoemd. De tussen partijen bestaande overeenkomsten van arbitrage beletten dan ook niet dat [verzoeksters] de gewone rechter verzoekt een voorlopig getuigenverhoor te bevelen.

3.1.4. Artikel 1022 lid 3, tweede volzin, Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat in gevallen als het onderhavige artikel 187 lid 1 Rv toepassing vindt alsof geen overeenkomst van arbitrage van kracht is. Artikel 187 lid 1 Rv bepaalt, voor zover hier van belang, dat het verzoek wordt gedaan aan de rechter die vermoedelijk bevoegd zal zijn van de zaak, indien deze aanhangig wordt gemaakt, kennis te nemen. Artikel 187 lid 1 Rv bepaalt verder dat de rechter summierlijk beoordeelt of hij absoluut bevoegd is en of de zaak door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist.

Naar het oordeel van de rechtbank zou zij, wanneer geen overeenkomsten van arbitrage van kracht zouden zijn, vermoedelijk bevoegd zijn kennis te nemen van de op basis van de hiervoor onder 3.1.1 bedoelde feiten en omstandigheden (eventueel) aanhangig te maken zaak. Hiertoe wordt het volgende overwogen. Op grond van de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken is er geen aanleiding om te oordelen dat deze rechtbank in die (eventueel) aanhangig te maken zaak niet absoluut bevoegd zou zijn. Ten aanzien van verweersters 1, 2 en 3, die alle gevestigd zijn te [woonplaats], zou deze rechtbank vermoedelijk relatief bevoegd zijn als rechter van hun woonplaats. Ten aanzien van verweerster sub 4, die gevestigd is in [woonplaats], zou deze rechtbank vermoedelijk relatief bevoegd zijn op grond van artikel 6 sub 1 EEX-Verordening. Op grond van de stellingen van partijen en de in het geding gebrachte stukken is er geen aanleiding om te oordelen dat die (eventueel) aanhangig te maken zaak zou moeten worden behandeld en beslist door de kantonrechter.

3.1.5. Het verzoek van [verzoeksters] een voorlopig getuigenverhoor te bevelen is op de wet gegrond en zal worden toegewezen.

3.2.1. Ten aanzien van het verzoek van [verweersters] te bevelen dat het getuigenverhoor zal worden gehouden met gesloten deuren wordt het volgende overwogen.

3.2.2. Artikel 189 Rv bepaalt dat de bepalingen omtrent het getuigenverhoor op het voorlopig getuigenverhoor van overeenkomstige toepassing zijn. Artikel 166 lid 3 Rv bepaalt dat het verhoor van getuigen geschiedt ter terechtzitting. Artikel 27 lid 1, eerste volzin, bepaalt dat de terechtzitting openbaar is. Artikel 27 lid 1, tweede volzin, bepaalt dat de rechter evenwel in de daar genoemde gevallen gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen kan bevelen. Het bepaalde in artikel 27 lid 1 Rv komt in algemenere zin tot uitdrukking in artikel 121, eerste volzin, van de Grondwet, artikel 6 lid 1, tweede volzin, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1, derde volzin, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

3.2.3. De wetgever stelt aldus de openbaarheid van de terechtzitting voorop. In de wetsgeschiedenis bij artikel 27 lid 1 Rv wordt gesproken van het fundamentele karakter van de openbaarheid. Het “zwaarwichtige belang dat is gediend met openbaarheid van de terechtzitting” wordt in de wetsgeschiedenis omschreven als het scheppen van een waarborg tegen partijdigheid en willekeur van de zijde van de rechter, tegen lichtvaardige en chicaneuze stellingen van de zijde van partijen en tegen soortgelijke beweringen van de getuigen alsmede het bevorderen van vertrouwen in de rechterlijke macht. De wetgever maakt dus geen onderscheid tussen terechtzittingen voor het houden van een (voorlopig) getuigenverhoor en andere terechtzittingen.

3.2.4. Van het uitgangspunt, openbaarheid, kan alleen in de in artikel 27 lid 1, tweede volzin, Rv genoemde gevallen worden afgeweken. In het onderhavige geval is, gezien de feitelijke grondslag van het verzoek (zie hierna onder 3.2.6), alleen een van de in die bepaling onder c genoemde gevallen van belang: de rechter kan gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren of slechts met toelating van bepaalde personen bevelen indien de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eist.

In de wetsgeschiedenis bij artikel 27 lid 1 Rv wordt, voor zover hier van belang, het volgende opgemerkt. Tot de gegevens die vallen onder de persoonlijke levenssfeer behoren onder meer financiële gegevens en vertrouwelijke bedrijfsgegevens van een partij, ook als deze een rechtspersoon is. De persoonlijke levenssfeer kan zich immers tevens uitstrekken tot rechtspersonen. Indien een onderneming als gevolg van een behandeling van de zaak in het openbaar schade dreigt te lijden die ongemak te boven gaat, doordat tot dan toe onbekende gegevens over die onderneming naar buiten komen, kan de rechter bevelen dat de deuren worden gesloten. Die schade kan allereerst voortkomen uit verslechtering van de concurrentiepositie door het vrijkomen van gegevens betreffende productiekosten. Ook kan het gaan om schade doordat de onderneming in haar functioneren wordt bemoeilijkt door het publiek worden van interne beraadslagingen. Daarnaast kan gedacht worden aan het vrijkomen van koersgevoelige gegevens waardoor de bedrijfseconomische positie van het bedrijf in gevaar komt. Tenslotte kunnen geheimhoudingsplichten (bijvoorbeeld in het kader van bedrijfsovernames) een rol spelen.

In de wetsgeschiedenis bij artikel 27 lid 1 Rv wordt hieraan, voor zover hier van belang, toegevoegd dat toepassing van artikel 27 lid 1, tweede volzin, onder c Rv niet ertoe leidt dat de feiten- en waarheidsvinding wordt belemmerd. Voorkomen wordt slechts dat daarbij vrijkomende vertrouwelijke gegevens “op straat komen te liggen”. In zoverre kan behandeling van de zaak achter gesloten deuren derhalve juist bevorderlijk zijn voor een min of meer onbevangen en, daardoor, volledige feiten- en waarheidsvinding.

3.2.5. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor onder 3.2.2, 3.2.3 en 3.2.4 is overwogen, dient de rechtbank in het onderhavige geval het belang dat is gediend met openbaarheid van de terechtzitting af te wegen tegen het belang van partijen dat het getuigenverhoor zal worden gehouden met gesloten deuren.

3.2.6. Partijen lichten het laatstgenoemde belang als volgt toe.

Hun samenwerking komt erop neer dat [verzoeksters] deelneemt in [verweersters] tegen een prijs die mede afhangt van het al dan niet realiseren van bepaalde financiële doelen. Die financiële doelen zijn afgeleid van prognoses die zijn neergelegd in een door [verweersters] opgesteld business plan.

De details van deze (complexe) transactie en de voor partijen daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen zijn vertrouwelijk en, ook voor concurrenten van partijen, van strategisch belang. Verder is in de context van de transactie tussen partijen gedetailleerde informatie uitgewisseld ten aanzien van de kern van de bedrijfsvoering van [verweersters], haar business plan, haar ambities en haar vooruitzichten. De overeenkomsten bevatten strikte (naar duur en omvang onbeperkte) geheimhoudingsverplichtingen, door ieder der partijen ook aan haar bij de transactie betrokken medewerkers op te leggen. De transactie had en heeft de aandacht van de media en het publiek. Die aandacht zal zich ook uitstrekken tot de getuigen. Blijkens haar verzoekschrift wil [verzoeksters] in het voorlopig getuigenverhoor vooral vragen aan de orde stellen die betrekking hebben op de commercieel gevoelige informatie die partijen met de geheimhoudingsbepalingen en het arbitragebeding nu juist hebben willen beschermen. [verzoeksters] heeft daartoe een lijst van te stellen vragen opgenomen in het verzoekschrift.

3.2.7. De rechtbank overweegt dat partijen het erover eens zijn dat de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de getuigen in het onderhavige geval geen behandeling met gesloten deuren eist. De enkele (eventuele) omstandigheid – door [verweersters] naar voren gebracht – dat de getuigen zich ongemakkelijk zullen voelen onder de door partijen verwachte grote belangstelling – vóór, tijdens en na de zitting – van media en publiek rechtvaardigt geen gehele of gedeeltelijke behandeling met gesloten deuren, omdat dit – ook indien juist – onvoldoende is om te oordelen dat zich een van de in artikel 27 lid 1 Rv genoemde gevallen voordoet waarin sluiting van de deuren kan worden bevolen.

Wel is behandeling met gesloten deuren naar het oordeel van de rechtbank geboden waar (vertrouwelijke) financiële gegevens en andere (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens van partijen inhoudelijk aan de orde komen. Partijen hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat hun belangen in geval van openbaarmaking van die (voor de buitenwereld tot dusverre onbekende) gegevens ernstig zouden worden geschaad. De rechtbank wijst ook op artikel 2:450 lid 1 Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat zaken betreffende de inhoud van jaarrekeningen en daarmee samenhangende stukken met gesloten deuren worden behandeld.

Het voorgaande rechtvaardigt geen gehele behandeling met gesloten deuren. Waar geen (vertrouwelijke) financiële gegevens en andere (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens van partijen aan de orde komen, is er geen reden voor een uitzondering op het beginsel van openbaarheid van de terechtzitting.

De rechtbank stelt zich voor elk getuigenverhoor in het openbaar te beginnen (en in dat deel van de terechtzitting de daarvoor in aanmerking komende vragen te behandelen) om, zodra daartoe – in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen – aanleiding is, de deuren te sluiten. Tot de in het openbaar te behandelen vragen, vermeld op de vragenlijst van [verzoeksters], behoren, wat de rechtbank betreft, in elk geval de volgende: (1) wat is uw functie bij [verweersters] en welke werkzaamheden behoren daarbij, (2) op welke wijze hebt u zich op dit getuigenverhoor voorbereid en (3) op welke wijze bent u betrokken geweest bij het tot stand komen van de transactie tussen [verweersters] en [verzoeksters]. Tot de in het openbaar te behandelen vragen behoren, wat de rechtbank betreft, ook de vragen die niet de inhoud van de bedoelde (vertrouwelijke) gegevens betreffen, zoals (4) kent u het business plan dat Schedule 7 vormt bij de Shareholders Agreement tussen [verzoeksters] en [verweersters], (5) wanneer hebt u Schedule 7 voor het eerst gezien en (6) bent u betrokken geweest bij het opstellen van Schedule 7. Niet valt in te zien dat door de beantwoording van deze en dergelijke vragen belangen van partijen zouden worden geschaad waarvoor het beginsel van openbaarheid van terechtzittingen dient te wijken. Partijen dienen hiermee rekening te houden bij het stellen van hun vragen aan de getuigen. Indien een partij na sluiting van de deuren vragen wenst te stellen aan een getuige bij de beantwoording waarvan geen (vertrouwelijke) financiële gegevens en andere (vertrouwelijke) bedrijfsgegevens van partijen aan de orde komen, kan de rechtbank bepalen dat beantwoording in het openbaar dient te geschieden.

3.3.1. Met betrekking tot de suggestie van [verzoeksters] om de te horen getuigen te verzoeken hun verklaringen op schrift te zetten en deze voorafgaand aan de verhoren aan de rechtbank en partijen te doen toekomen, overweegt de rechtbank dat het aan [verzoeksters] is, van welke bewijsstukken zij zich tijdens het horen van getuigen aan haar zijde wenst te bedienen. De rechtbank heeft echter, vooralsnog, geen aanleiding om er bezwaar tegen te hebben dat partijen de te horen getuigen dergelijke verzoeken doen. Indien de getuigen daarop ingaan, dienen hun schriftelijke verklaringen uiterlijk drie werkdagen voor het desbetreffende verhoor in het bezit van de rechtbank en de wederpartij te zijn. Zo zou(den) de schriftelijke verklaring(en) van de op 24 september 2008 te horen getuige(n) uiterlijk op 18 september 2008 in het bezit van de rechtbank en de wederpartij dienen te zijn.

3.3.2. Zoals de griffier partijen reeds bij brief van 15 augustus 2008 heeft medegedeeld, zal (zullen) de eerste getuige(n) kunnen worden gehoord op 24 september 2008.

3.3.3. De rechtbank zal bepalen dat partijen verhinderdata dienen op te geven opdat drie dagen voor nadere getuigenverhoren kunnen worden gepland.

4 De beslissing

De rechtbank

beveelt een voorlopig getuigenverhoor,

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Amsterdam aan de Parnassusweg 220 op 24 september 2008 van 9.30 tot 17.00 uur;

bepaalt dat partijen uiterlijk op 22 september 2008 hun verhinderdata voor de maanden oktober, november en december 2008 aan de rechtbank – ter attentie van de rekestenadministratie van de sector civiel – dienen door te geven.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2008.?