Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BF0104

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-09-2008
Datum publicatie
12-09-2008
Zaaknummer
884287 DX EXPL 07-1417
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2010:BP1016, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

effectenlease; geen opt-outverklaring

De kantonrechter wijst het gevorderde af; veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van Dexia, tot op heden begroot op € 250,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

effectenlease; geen opt-outverklaring

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector Kanton

Locatie Amsterdam

rolnummer: 884287 DX EXPL 07-1417

vonnis van 10 september 2008

596

Vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

nader te noemen [eiser],

gemachtigde: mr. O. Diemel,

t e g e n:

de naamloze vennootschap DEXIA BANK NEDERLAND N.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen Dexia,

gemachtigde: [gemachtigde].

Verdere verloop van de procedure

Bij tussenvonnis van 12 december 2007 (hierna: het tussenvonnis) zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van schriftelijke voortzetting van de procedure. Bij akte uitlating heeft [eiser] kenbaar gemaakt te opteren voor een nadere conclusiewisseling.

Vervolgens zijn ingediend:

- de conclusie van repliek van [eiser];

- de conclusie van dupliek van Dexia

Daarna is vonnis bepaald op heden.

Gronden van de beslissing

1. In het tussenvonnis is reeds vastgesteld dat [eiser] na de zogenoemde WCAM-beschikking van 25 januari 2007 van het gerechtshof te Amsterdam, waarmee de Duisenberg-regeling verbindend is verklaard, geen opt-out verklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 Burgerlijke Wetboek (BW) heeft afgelegd. Voorts is geoordeeld dat het ontbreken van een restschuld bij beëindiging van een lease-overeenkomst niet valt onder de in Duisenberg-regeling genoemde uitzonderingen, zodat een tijdig – te weten voor 1 augustus 2007 – door [eiser] af te leggen opt-outverklaring noodzakelijk was om te voorkomen dat in de rechtsverhouding tussen hem en Dexia de Duisenberg-regeling als een vaststellingsovereenkomst is komen te gelden als gevolg van de WCAM-beschikking.

2. Bij conclusie van repliek heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn stelling dat hij niet aan de Duisenberg-regeling gehouden kan worden, het volgende aangevoerd. Nu de brief van Dexia van februari 2007 waarin wordt gewezen op de mogelijkheid van een opt-outverklaring nimmer door hem is ontvangen, was [eiser] niet ervan op de hoogte dat hij gerechtigde was in het kader van de WCAM-overeenkomst waarmee de Duisenberg-regeling algemeen verbindend is verklaard. Het niet tijdig indienen van een opt-outverklaring kan [eiser] dan ook niet worden verweten. Tevens is het zo dat de WCAM-overeenkomst niet voorziet in een voldoende waarborg van zijn belangen, nu hem op basis van de Duisenberg-regeling geen enkele vergoeding toekomt. [eiser] wordt de toegang tot de rechter ontnomen door het enkele feit dat hij – buiten zijn schuld om – geen opt-outverklaring heeft afgelegd, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 17 Grondwet en artikel 6 EVRM. Ten slotte stelt [eiser] zich op het standpunt dat Dexia op 12 juli 2007 en derhalve ruim voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van de opt-outverklaring, in rechte is betrokken, waarmee hij op onmiskenbare wijze en ondubbelzinnig aan Dexia kenbaar heeft gemaakt niet aan de WCAM-overeenkomst gebonden te willen zijn.

3. Dexia heeft hiertegen het volgende ingebracht. [eiser] heeft zich eerst bij conclusie van repliek op het standpunt gesteld dat hij niet op de hoogte was dat hij gerechtigde was in het kader van de WCAM-overeenkomst. Naast de aan [eiser] op 12 februari 2007 verzonden brief, welke dezelfde adressering had als overige aan hem verzonden correspondentie en waarvan [eiser] nimmer heeft aangegeven deze niet te hebben ontvangen, is er tevens in een drietal dagbladen, via internetsites van onder andere Dexia, Stichting Eegalease, Stichting Leaseverlies en de Consumentenbond alsmede via het NOS Journaal en tv-programma’s als Tros Radar aandacht besteed aan de algemeen verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling en de gevolgen die dit heeft voor de afnemers. [eiser] kan redelijkerwijs dan ook geacht worden op de hoogte te zijn geweest van de WCAM-overeenkomst, van de verbindendverklaring en van zijn uitstapmogelijkheid. Dat [eiser] geen vergoeding ontvangt uit hoofde van de Duisenberg-regeling en deze regeling derhalve niet in het belang van [eiser] zou zijn, neemt niet weg dat hij aan de Duisenberg-regeling is gebonden. Het Hof Amsterdam heeft de Duisenberg-regeling algemeen verbindend verklaard en contractanten via een opt-outverklaring de mogelijkheid gegeven zich aan deze regeling te onttrekken. Een andere mogelijkheid, bijvoorbeeld door het uitbrengen van een dagvaarding, is hiervoor niet gegeven aldus Dexia.

4. Naar aanleiding hiervan overweegt de kantonrechter als volgt. De stelling van [eiser] dat hij niet op de hoogte was dat hij gerechtigde was in het kader van de WCAM-overeenkomst waarmee de Duisenberg-regeling algemeen verbindend is verklaard, mist feitelijke grondslag. Immers, in de vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van de opt-outverklaring door [eiser] uitgebrachte dagvaarding, blijkt dat [eiser] op de hoogte was van de algemeen verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling. Aldus moet worden aangenomen dat hij tevens op de hoogte was – dan wel redelijkerwijs had kunnen zijn – van de inhoud van die regeling als ook van de mogelijkheid tot het indienen van een opt-outverklaring. Dat [eiser] vervolgens de niet correcte conclusie heeft getrokken niet in aanmerking te komen voor de Duisenberg-regeling en om die reden klaarblijkelijk geen opt-outverklaring heeft ingediend, ligt in zijn risicosfeer en doet aan voornoemde niet af.

5. Krachtens artikel 907, tweede lid, aanhef en onder f BW in verbinding met artikel 15.2 van de WCAM-overeenkomst diende de opt-outverklaring gericht te worden aan [notaris], notaris te Den Haag. Een andere wijze van kennisgeving dat betrokkene niet aan de verbindendverklaring gehouden wenst te zijn, is niet opgenomen, zodat aan de stelling van [eiser] dat hij door het uitbrengen van de dagvaarding kenbaar heeft gemaakt niet aan de Duisenberg-regeling gebonden te willen zijn, voorbij wordt gegaan.

6. Dat [eiser] geen vergoeding ontvangt op grond van de Duisenberg-regeling kan voorts niet tot de conclusie leiden dat de belangen van [eiser] onvoldoende zijn gewaarborgd en hem dientengevolge in strijd met artikel 17 Grondwet en artikel 6 EVRM de toegang tot de rechter wordt ontnomen. Nog daargelaten dat het beroep door [eiser] op artikel 17 Grondwet al moet afstuiten op het bepaalde in artikel 120 Grondwet, heeft het gerechtshof te Amsterdam bij onherroepelijke beschikking het verzoek tot verbindendverklaring van de Duisenberg-regeling conform het bepaalde in artikel 7:907 BW e.v. en artikel 1013 Rv e.v. beoordeeld en is daarbij tot de conclusie gekomen dat aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden, waaronder het voldoende waarborgen van de belangen van betrokkenen, is voldaan. De mogelijkheid voor betrokkenen om zich middels een opt-outverklaring te onttrekken aan de algemeen verbindendverklaring, zorgt er bovendien juist voor dat diegenen voor wie de Duisenberg-regeling niet tot een gunstig resultaat leidt, zoals ook voor [eiser] geldt, de vrije toegang tot de rechter behouden. Dat [eiser], zoals hierboven al is overwogen, op onjuiste gronden ervoor heeft gekozen geen opt-outverklaring af te leggen, moet voor zijn rekening blijven.

7. Gelet op vorenstaande blijft de kantonrechter van oordeel dat, nu [eiser] geen opt-outverklaring als bedoeld in artikel 7:908 lid 2 BW heeft afgelegd en hij derhalve gebonden is aan de Duisenberg-regeling, diens vordering niet toewijsbaar is.

8. Gelet op de uitkomst van de procedure dient [eiser] te worden veroordeeld in de kosten van het geding gevallen aan de zijde van Dexia en tot op heden begroot op

€ 250,00.

Beslissing

De kantonrechter

I. wijst het gevorderde af;

II. veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van

Dexia, tot op heden begroot op € 250,00.

Aldus gewezen door mr. W.A.J.P. van den Reek, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 september 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter