Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BE9580

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-03-2008
Datum publicatie
02-09-2008
Zaaknummer
358963
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Art. 5:42 en 5:44 BW

Op grond van artikel 5:42 BW is het niet geoorloofd bomen te hebben binnen een afstand van 2 meter van de grenslijn van eens anders erf. Op grond van deze bepaling kan de eigenaar van het aangrenzende erf verwijdering van de bomen vorderen maar ontstaat nog geen recht de bomen eigenhandig te verwijderen.

Snoeiactie door gedaagden van coniferenhaag van eisers levert in beginsel onrechtmatige daad op, waarvan de door eigenaren van de coniferenhaag geleden schade vergoed dient te worden door de dader. Snoeien van alle 75 coniferen van een hoogte van 6 a 7 meter tot omstreeks 2 meter kan niet worden aangemerkt als wegsnijden van overhangende beplanting en valt derhalve buiten de reikwijdte van artikel 5:44 BW, zodat in dit artikel geen rechtvaardigingsgrond voor dit handelen kan worden gezien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 358963 / HA ZA 06-4094

Vonnis van 12 maart 2008

in de zaak van

1. A,

wonende te ( plaats ),

2. B,

wonende te ( plaats ),

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

procureur mr. S.V. Rutgers,

tegen

1. C,

wonende te ( plaats ),

2. D,

wonende te ( plaats ),

3. E,

wonende te ( plaats ),

4. F,

wonende te ( plaats ),

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. CH.W.A. van Dam.

Partijen zullen hierna G en H genoemd worden, dan wel gedaagden in conventie onder 1 en 2 de familie I en gedaagden in conventie onder 3 en 4 de familie J.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 februari 2007, waarbij ambtshalve een comparitie van partijen is gelast,

- de conclusie van antwoord in reconventie,

- het proces-verbaal van comparitie van 19 juni 2007 (abusievelijk gedateerd 19 juli 2007), met de daarin vermelde stukken,

- de akte van G van 22 juni 2007 houdende vermeerdering en wijziging van eis,

- de antwoordakte van H van 29 augustus 2007, houdende vermeerdering en wijziging van eis in reconventie,

- de akte van G van 26 september 2007,

- de akte van H van 10 oktober 2007.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. G is eigenaar van de onroerende zaak aan de … te …, bestaande uit een perceel met daarop 2 opstallen. Het perceel bevindt zich op een wooneiland en is gescheiden van andere percelen door middel van sloten. Op dit perceel bevindt zich aan de oever van de sloot een haag van omstreeks 75 coniferen.

2.2. De familie I is eigenaar van de woning aan het adres … te …. De familie J is eigenaar van de woning aan het adres … te …. Deze woningen bevinden zich op een wooneiland ten noorden van het perceel van G, en kijken uit op het perceel van G Tussen het wooneiland waarop zich de woningen van H bevinden en dat waarop het perceel van G is gelegen bevindt zich een sloot van omstreeks 5 meter breed.

2.3. Op 6 januari 2006 heeft K bij de politie Amsterdam aangifte gedaan van vernieling. In de aangifte is – onder meer – opgenomen:

“ (...) Tussen kerst en oud en nieuw van 2005 hebben achterburen van het door ons in september 2004 aangekochte perceel (...) de coniferenhaag, welke op ons terrein, maar in zicht van de achterburen staat, omgehakt. Deze haag was ongeveer 7 meter hoog en stond op de volle lengte van het perceel, welke 45 meter lang is. (...)

Op 4 januari 2006 kwamen wij weer op het perceel en tot onze verbazing zagen wij dat de volledige haag afgezaagd was tot een lengte van ongeveer 1.50 tot 2.00 meter. De haag bestaat nu alleen nog uit stammen, welke niet meer zullen aangroeien. (...)

Van belang is ook dat de betrokken buren de haag niet hebben kunnen snoeien vanaf de kant van hun eigen woning. Tussen hun woningen en ons perceel loopt namelijk een sloot van 4 a 5 meter breed. Om de haag te kunnen afzagen hebben zij dus ook priveterrein moeten betreden, waarvan zij wisten dat het priveterrein was. Dit hebben zij gedaan zonder onze toestemming of de toestemming van degene die nu een van de huizen op ons perceel huurt.

Ook hebben zij de haag afgezaagd zonder ons in kennis te stellen of toestemming te vragen. (...)”

2.4. Op 7 januari 2006 heeft de heer E, gedaagde onder 3, aangifte terzake bedreiging, mishandeling en vernieling gedaan. In de aangifte staat onder meer:

“(...)

Tot dusver ging alles goed, tot het moment dat de eigenaar van de woning van … bij ons aan de deur is gekomen om te klagen over het snoeien van de heg. (…)

Ik zag en voelde dat de man een stap zette in mijn richting en met een zwaaiende beweging de bril van mijn gezicht af trok met een ferme ruk. Ik voelde en zag dat hij mijn bril met vermoedelijke opzettelijke kracht op de grond smeet. Naderhand bleek dat mijn bril onherstelbaar was beschadigd. Een van de brillenglazen was een paar meter verder op de grond terecht gekomen door de klap.

Ik zag dat de manspersoon compleet uit zijn dak ging, en mij aan de kant duwde om zich zonder mijn toestemming toegang te verschaffen tot onze woning. Nadat ik aan de kant was geduwd door de man, zag ik dat hij doorliep naar onze woonkamer waar mijn echtgenote op dat moment aanwezig was. De vrouw liep vervolgens achter hem aan, zonder verder iets te zeggen of te doen.(…)”

2.5. Bij gelijkluidende brieven van 9 januari 2006 heeft G de bewoners van … en de bewoners van … aansprakelijk gesteld voor de schade voortvloeiende uit de kap van de coniferenhaag.

2.6. Op 19 januari 2006 heeft G door L, beëdigd taxateur lid Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen (NVTB), een taxatie laten uitvoeren van de financiële schade aan de coniferenhaag. In het hiervan op 13 februari 2006 opgemaakte rapport staat – onder meer – geschreven:

“ (...) Indien het restant van de cipressen zo smal mogelijk gehouden wordt, bestaat de kans dat na 15 a 20 jaar de oude vorm is hersteld. (...)

Bij het bepalen van de financiële schade aan de bomen is gebruik gemaakt van de vervangingswaarde, daar de eigenaren de oude situatie cq. de functie groene afscherming in principe zo spoedig mogelijk hersteld willen zien.

(...)

SCHATTING FINANCIËLE KOSTEN HERSTEL OORSPRONKELIJKE SITUATIE

(= eventuele totale schadeclaim, afgerond op hele euro’s, incl. BTW):

1. Verwijderen restant cipressen en klaarmaken

standplaats voor nieuwe bomen: € 37.243,-

2. Aankoop bomen, planten , inboet: € 29.928,-

3. Berekenen onderhoud aan de bomen

tot de oorspronkelijke hoogte: € 9.638,-

4. Taxatiekosten: € 1.428,-

5. Overige kosten eigenaren: p.m.

______________

TOTAAL: € 78.237,- + p.m.

(...)”

2.7. Bij gelijkluidende brieven van 15 mei 2006 aan I en J heeft de raadsman van G beiden verzocht te betalen ten behoeve van G een bedrag van EUR 91.027,14 aan hoofdsom, rente en buitengerechtelijke incassokosten.

2.8. Bij brief van 15 juni 2006 heeft Delta Lloyd Schadeverzekering (verder Delta Lloyd) als schadeverzekeraar van C, aan de raadsman van G bericht dat zij een expert heeft ingeschakeld om vast te stellen hoeveel schade door G is geleden.

2.9. Op 18 september 2006 heeft de heer M, expert bij Agrotax Expertisebureau in opdracht van Delta Lloyd een rapport van expertise opgesteld. In dit rapport is – onder meer – geschreven:

“(…)

Voorval

Op 28, 29 en 30 december 2005 werd de haag van tegenpartij gesnoeid door een groep buren, waaronder verzekerde(…)

Schadeoorzaak

Als schadeoorzaak is de doelbewuste (doch onoordeelkundige) uitvoering van een snoeibeurt door o.a. verzekerde duidelijk.

Waardebepaling

Een coniferenhaag van vergelijkbare kwaliteit heeft, conform de Methode Raad 2005 (zoals tot voor kort gebruikt door de NVTB) een waarde vóór het voorval ad € 7.286,54.

Schadevaststelling

Wij hebben de schade vastgesteld op basis van het verschil tussen waarde vóór en waarde ná het voorval conform de versterkte percentages van de Methode Raad 2005. Daarnaast hebben wij een raming gemaakt van de kosten van een vakkundig hovenier gedurende een driejarige herstelperiode.

Schadeberekening

Schade conform Methode Raad (30% afname van de ideale

kroonomvang) 40% schade van de dagwaarde van de coniferenhaag

Totaal schade op basis van dagwaarde, conform Methode Raad 2005 € 2.914,62

óf

Herstel van de esthetische waarde van de haag voor (de zijde van)

verzekerde

3 jaar ad 2 bezoeken ad 6 uur ad € 45,00 incl 19% BTW € 1.620,00

Voorrijkosten, afvoer snoeihout, etc. (raming expert) € 320,00

Totaal schadebedrag, op basis van herstel, incl. BTW € 1.940,00

CONCLUSIES EXPERT

• De aansprakelijkheid is, ons inziens, mogelijk toerekenbaar onder 6:162 BW

• Verzekerde heeft tegenpartij op geen enkele wijze (aangetekend of schriftelijk) gemaand (…)

• Verzekerde heeft uit de positieve reacties (instemming met voorgenomen werkzaamheden, toelating op het terrein, toezicht bij de snoeibeurt) van de bewoners van het pand opgenmaakt dat de snoeibeurt een gewenste handeling betrof

• Verzekerde heeft, tezamen met haar buren J, uit eigener beweging en zonder uitdrukkelijke formele toestemming van de eigenaar (tegenpartij) gehandeld

• Van eigen (mede) schuld door tegenpartij is ons niets gebleken

• Wij hebben vooralsnog geen consensus trachten te bereiken omtrent de schadeomvang

• Wij hebben geen uitspraak gedaan omtrent de gehoudenheid van de maatschappij.

(…)”

3. Het geschil

in conventie

3.1. G vordert samengevat – na wijziging en vermeerdering van eis, hoofdelijke veroordeling van H tot betaling van:

- EUR 76.809,= aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2006,

- EUR 1.428,= aan taxatiekosten van de deskundige,

- EUR 714,= aan kosten van het tweede deskundigenrapport,

- EUR 1.788,= aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dit vonnis en

- de kosten van dit geding.

3.2. G stelt hiertoe dat H tussen zaterdag 24 december en zaterdag 31 december 2005, zonder medeweten of toestemming van G vrijwel alle coniferen (circa 75 stuks, met een lengte van 7 á 8 meter), welke een haag vormen tussen de erven van G en H, hebben afgezaagd tot een hoogte van 1,5 á 2 meter, met als gevolg dat de bomen onherstelbaar zijn beschadigd. Herbeplanting is nu noodzakelijk.

De schade die hierdoor is onstaan is begroot door een beëdigd boomtaxateur (aangesloten bij de NVTB).

De bomen waren gezond en leverden geen enkel gevaar voor overlast op. Bovendien was er geen enkele kans dat de bomen bij eventueel omvallen schade zouden kunnen veroorzaken bij H. Er zit immers een sloot van 5 meter breed tussen de bomen en het erf van H.

3.3. H voert gemotiveerd verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

in reconventie

3.4. H vordert in reconventie samengevat – na wijziging en vermeerdering van eis, hoofdelijke veroordeling van G tot betaling van

- EUR 25.000,=, terzake door mevrouw J geleden schade, nog nader op te maken bij staat,

- EUR 1.500,= aan kosten voor het snoeien van de bomen,

- EUR 850,= aan kosten voor het afvoeren van de gesnoeide bomen,

- de kosten voor het huren van de kettingzaag,

- de schadevergoeding terzake van de emotionele schade van de zoon N, nader op te maken bij staat,

- EUR 412,= aan kosten van de bril van de heer J,

- EUR 600,= aan kosten voor de Ikea-stoelen,

- immateriële schadevergoeding, wegens huisvredebreuk, nader op te maken bij staat.

3.5. H stelt hiertoe dat K op 4 januari 2006 bij de familie J aan de deur is gekomen, hij toen de bril van de heer J van zijn gezicht heeft geslagen, en een stoel en een afstandsbediening op de grond kapot heeft geslagen.

De volgende dag hoorde J dat er werd aangebeld en hard op de deur werd geklopt en dat er werd geroepen dat men wilde vechten. Van beide incidenten is aangifte gedaan bij de politie.

Het gevolg is dat mevrouw J zich heeft moeten wenden tot slachtofferhulp en dat zij zich thuis niet meer veilig voelt. Haar schade bedraagt hierdoor minimaal € 25.000,=.

Ook de twaalfjarige zoon van I heeft slachtofferhulp moeten consulteren, omdat hij zich angstig voelde door deze gewelddadige voorvallen en heeft derhalve emotionele schade geleden, nog nader op te maken bij staat.

3.6. G voert gemotiveerd verweer, waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Vooropgesteld wordt dat als niet betwist vaststaat dat H op of omstreeks 28 december 2005 de aan G in eigendom toebehorende haag coniferen, staande op het erf van G heeft gesnoeid.

De rechtbank overweegt verder dat uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, is gebleken dat G geen toestemming heeft verleend voor deze snoeiactie. Voor zover de huurders van de op het erf van G gelegen woning al zouden hebben ingestemd met de snoeiactie, hetgeen overigens door G wordt betwist, kan hierin geen toestemming van de eigenaars worden gezien. Immers, zoals ook volgt uit de jurisprudentie inzake burenrecht, kan een burenrechtelijke vordering, zoals bijvoorbeeld een vordering tot verwijdering van bomen, ingesteld tegen een huurder, slechts slagen als de eigenaar mede in het geding wordt betrokken, dan wel vaststaat dat deze hiertegen geen bezwaar heeft.

4.2. Als uitgangspunt geldt dat degene die, opzettelijk of verwijtbaar, een aan een ander toebehorende zaak beschadigt, daarmee inbreuk maakt op diens eigendom. Een dergelijke inbreuk op het recht van de eigenaar levert in beginsel een onrechtmatige daad op, waarvan de door de eigenaar geleden schade vergoed dient te worden door de dader. De aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond doet een daad, welke naar algemene omschrijving onrechtmatig zou zijn, haar onrechtmatig karakter echter verliezen.

Een rechtvaardigingsgrond zou onder omstandigheden gevonden kunnen worden in artikel 5:44 van het Burgerlijk Wetboek (BW), dat aan de nabuur de bevoegdheid verleent om, in het geval dat beplantingen over zijn erf hangen, over te gaan tot eigenmachtige verwijdering van hetgeen overhangt, indien de eigenaar van de boom daarin ondanks aanmaning nalatig blijft.

4.3. Ter afwering van de vordering van G tot vergoeding van de door hem ten gevolge van de snoeiactie geleden schade, heeft H weliswaar – onder meer – aangevoerd dat enkele bomen uit de coniferenhaag schuin overhingen (hetgeen overigens door G wordt betwist), maar gesteld noch gebleken is dat dit meer dan een enkele boom betrof. Aangezien H alle, omstreeks 75, coniferen van G rigoureus heeft gesnoeid van een hoogte van 6 á 7 meter tot omstreeks 2 meter, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden aangemerkt als het wegsnijden van overhangende beplanting, zoals geregeld in artikel 5:44 BW. Nu het handelen van H geacht wordt buiten de reikwijdte van artikel 5:44 BW te vallen, kan in dit artikel geen rechtvaardigingsgrond voor dit handelen gevonden worden.

4.4. H heeft verder aangevoerd dat een groot aantal bomen gevaarlijk voorover hing, dat de grond waarin de bomen staan ongeschikt is voor het dragen van bomen van een dergelijke hoogte en dat in de dagen voorafgaand aan de snoeiactie een weeralarm was afgegeven, waardoor snoeien volgens H noodzakelijk was. Voor zover dit standpunt van H eveneens moet worden begrepen als een beroep op een rechtvaardigingsgrond, slaagt dit beroep evenmin.

G betwist dat voorafgaand aan de snoeiactie een weeralarm is afgegeven, maar stelt dat dit op 29 december 2005, toen de snoeiactie derhalve al was gestart, is afgegeven en bovendien slechts sneeuw voorspelde en geen storm.

De rechtbank is van oordeel dat het eind december 2005 afgegeven weeralarm – zo al zou komen vast te staan dat dit voorafgaand aan de snoeiactie is afgegeven – geen rechtvaardiging oplevert voor de door H uitgevoerde snoeiactie. Door H zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat het in de dagen voorafgaand aan de snoeiactie voorspelde weer dermate uitzonderlijk was, dat dit het snoeien van de gehele coniferenhaag op de wijze zoals dit is geschied noodzakelijk maakte. Getoetst aan het proportionaliteitsbeginsel acht de rechtbank het door H gehanteerde middel dan ook niet in verhouding staan tot het door H gestelde doel, te weten het voorkomen van een gevaarzettende situatie.

4.5. Een rechtvaardigingsgrond wordt derhalve niet aanwezig geacht. Nu vaststaat dat de onrechtmatige daad H kan worden toegerekend, is H ook verplicht de schade die G hierdoor lijdt, te vergoeden.

4.6. Dit laat onverlet dat het krachtens het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet geoorloofd is bomen te hebben binnen een afstand van twee meter van de grenslijn van eens anders erf. Op grond van deze bepaling kan de eigenaar van het aangrenzende erf die zich tegen de aanwezigheid van de bomen verzet, verwijdering vorderen, maar ontstaat nog geen recht de bomen eigenhandig te verwijderen.

Door H is aangevoerd dat de coniferenhaag over de grenslijn van de erfafscheiding groeide, hetgeen niet voldoende gemotiveerd door G is betwist.

4.7. Ieder van partijen heeft een rapport laten uitbrengen en in het geding gebracht. In het door G overgelegde rapport, hiervoor onder 2.6. aangehaald, wordt – kort samengevat – geconcludeerd dat voor herstel van de oude situatie alle bomen vervangen zullen moeten worden. In dit rapport is bij het bepalen van de financiële schade aan de bomen de vervangingswaarde toegepast. Daarnaast is, aldus dit rapport, ter compensatie van het feit dat kleinere dan de oorspronkelijke maat bomen zullen worden teruggeplant, het onderhoud tot het bereiken van de oorspronkelijke hoogte van de bomen berekend conform de rekenmethode van de NVTB. Op grond van dit rapport vordert G, na wijziging van eis, EUR 76.809,= aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 januari 2006.

4.8. In het door H overgelegde rapport, hiervoor genoemd onder 2.9., staat onder meer vermeld dat de rigoureuze snoeibeurt de stabiliteit van de haag sterk heeft bevorderd maar de esthetische waarde aanmerkelijk heeft aangetast. Reconstructie van de haag wordt in dit rapport als reële optie afgewezen, daar dit – naast de hoge kosten die dit met zich brengt – herstel van een ongewenste, mogelijk gevaarlijke, situatie zou betekenen. Het rapport vervolgt dat het vakkundig onderhouden van de haag, tot op een hoogte van 2,50 á 3 meter, gedurende een drietal jaren de esthethiek van de haag nagenoeg geheel kan herstellen en dat daarnaast in dat geval overlast voor de buren wordt voorkomen. In dit rapport wordt tot slot de schade vastgesteld op basis van het verschil tussen waarde vóór en waarde na de snoeiactie, conform de percentages van de zogenoemde Methode Raad 2005, hetgeen leidt tot een schadebepaling van EUR 2.914,62. Daarnaast is een raming gemaakt van de kosten van een vakkundig hovenier gedurende een driejarige herstelperiode, uitkomend op een bedrag van EUR 1.940,=.

4.9. In de door G overgelegde reactie op dit laatste rapport, wordt gesteld dat dit rapport opgesteld zou zijn door een tuinbouw expert, terwijl voor het taxeren van bomen en grote hagen een boomtaxateur noodzakelijk zou zijn. Tevens wordt in deze reactie gesteld dat door Agrotax ten onrechte de Methode Raad 2005 is gehanteerd, terwijl volgens de richtlijnen van de NVBT inmiddels de Rekenmethode NVBT gehanteerd dient te worden.

4.10. Uit het voorgaande blijkt dat de door partijen in het geding gebrachte rapporten niet met elkaar zijn te rijmen en dat partijen derhalve zeer verdeeld zijn over de omvang van de schadevergoedingsplicht van H jegens G

De rechtbank heeft dan ook behoefte aan nadere voorlichting over de vraag of herstel van de coniferenhaag al dan niet kan plaatsvinden door onderhoud van de huidige bomenhaag of dat de coniferen vervangen zullen moeten worden. Daarbij is mede van belang welke hoogte van de bomen aanvaardbaar is wil sprake zijn van een haag die niet alleen aan esthetische normen voldoet maar ook aan de wettelijke norm voor een erfafscheiding, de eisen van veiligheid en het voorkomen van overlast.

Tevens dient te worden vastgesteld aan de hand van welke rekenmethode de schade berekend moet worden.

De rechtbank acht het daarom nodig een deskundige te benoemen. Ter comparitie hebben partijen zich reeds uitgelaten ten aanzien van de mogelijke benoeming van een deskundige in die zin dat G heeft verzocht om een deskundige die zowel lid is van de NVBT als van de VRT en H heeft verzocht om een register-expert.

4.11. Alvorens een deskundige te benoemen zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten over de wenselijkheid van een deskundigenbericht, over het aantal en het specialisme van de te benoemen deskundige(n) en over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Indien partijen zich wensen uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige(n), dienen zij daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige. Van partijen wordt verwacht dat zij, zoveel mogelijk, een met elkaar overeenstemmend voorstel zullen voorleggen. Mochten zij hierin niet slagen, dan zal de rechtbank de deskundige zelf kiezen en/of zelf de vraagstelling opstellen.

4.12. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door G moeten worden betaald.

4.13. Op basis van de haar thans beschikbare gegevens gaat de rechtbank er voorlopig vanuit dat de coniferenhaag de grens vormt van het erf van G.

Voor de bepaling van de hoogte van de schade waarover de te benoemen deskundige zich te zijner tijd zal moeten uitlaten, in het bijzonder de wettelijk toegestane hoogte van de coniferenhaag, is van belang te kunnen vaststellen of de tussen de erven van G en H gelegen sloot in eigendom aan H toebehoort (uitgaande van de veronderstelling dat de coniferenhaag de grens vormt van het erf van G), of dat de grens tussen de erven elders ligt, bijvoorbeeld in het midden van de sloot of aan de oever van H, dan wel dat de sloot aan een derde, bijvoorbeeld de Gemeente, toebehoort. In het laatste geval grenzen de erven van G en H immers niet aan elkaar.

De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen zich bij akte tevens uit te laten over de loop van de grens tussen de twee erven van partijen.

4.14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in reconventie

4.15. G heeft bij akte bezwaar gemaakt tegen de vermeerdering van de eis in reconventie.

Uitgangspunt is dat H krachtens het bepaalde in artikel 130 lid 1 Rv in beginsel bevoegd is zijn eis of de gronden daarvan te veranderen of te vermeerderen, zolang nog geen eindvonnis is gewezen.

Dit artikel bepaalt verder dat de gedaagde bevoegd is hiertegen bezwaar te maken op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde.

Nu G de gelegenheid heeft gehad te reageren op de eisvermeerdering, is de goede procesorde niet geschaad. De eisvermeerdering zal dan ook worden toegelaten.

Met uitzondering van de hierna onder 4.17. besproken vordering, zijn alle vorderingen in reconventie gegrond op het handelen van K, zodat bij de beoordeling van de vorderingen K als gedaagde in reconventie als uitgangspunt wordt genomen.

4.16. In reconventie vordert H de door mevrouw J geleden immateriële schade, nader op te maken bij staat, die tenminste geschat wordt op

EUR 25.000,-, omdat zij door het handelen van K op 4 en 5 januari 2006 overspannen is geraakt en arbeidsongeschikt is.

Los van de omstandigheid dat K het gestelde onrechtmatig handelen betwist, is niet gebleken van enig causaal verband tussen de arbeidsongeschiktheid van mevrouw J en het handelen van K en zijn ook overigens door H geen feiten gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat mevrouw J door dit handelen (immateriële) schade heeft geleden. Deze vordering dient derhalve te worden afgewezen.

4.17. In reconventie is verder vergoeding gevorderd van de kosten voor het snoeien van de bomen, voor het afvoeren van het snoeiafval en van de huur van de kettingzaag.

Zoals uit het in conventie overwogene volgt, staat vast dat H door het snoeien van de coniferenhaag onrechtmatig jegens G heeft gehandeld. Voor vergoeding van de kosten door G die met deze onrechtmatige daad gemoeid gingen, bestaat dan ook geen grond, zodat deze vorderingen eveneens afgewezen zullen moeten worden.

4.18. G kan evenmin veroordeeld worden tot vergoeding van de door H gestelde emotionele schade van N, de zoon van C. Aangezien N geen gedaagde is in de zaak in conventie, is hij niet bevoegd een eis in reconventie in te stellen. Evenmin komt die bevoegdheid toe aan gedaagden onder 1 en 2 in reconventie in hun mogelijke hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van N, indien hij ten tijde van de vordering in reconventie nog minderjarig is.

Ten overvloede overweegt de rechtbank ten aanzien van deze vordering dat weliswaar voor toewijzing van een vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende is dat de mogelijkheid van schade aanwezig is, maar dat wel feiten gesteld moeten worden waaruit aannemelijk is dat schade is geleden, dat sprake is van een onrechtmatige daad en dat er causaal verband bestaat tussen daad en schade. Aan die voorwaarden is bij deze vordering in reconventie evenmin voldaan.

4.19. Gelet op de gestelde feiten worden de vorderingen met betrekking tot de bril, de Ikea stoelen en immateriële schade wegens huisvredebreuk ingesteld door de familie J. De familie I heeft te dier aanzien niet gesteld schade te hebben geleden.

4.20. K betwist de bril van de heer J te hebben vernield, maar heeft ter comparitie verklaard dat hij deze alleen even zou hebben vastgepakt. De familie J heeft ter onderbouwing van de vordering tot voldoening van de kosten van de bril een factuur overgelegd van Brilservice Van Deijl van 14 januari 2006. Uit deze factuur blijkt dat het betreft de kosten van zowel een nieuw montuur als nieuwe glazen.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat de heer J op 14 januari 2006 een nieuwe bril heeft aangeschaft in samenhang met de hiervoor onder 2.4. aangehaalde aangifte voldoende vermoeden geeft dat K de bril van de heer J heeft vernield, althans beschadigd, zodat de familie J tot na te melden bewijslevering zal worden toegelaten.

4.21. Ten aanzien van de vordering tot vergoeding van de kosten van vier Ikea stoelen oordeelt de rechtbank als volgt. Gelet op de onder 2.4. aangehaalde aangifte wordt overwogen dat voldoende gesteld is voor het vermoeden dat door K een stoel van de familie J is beschadigd. Door de familie J zijn echter geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat vier stoelen vervangen zouden moeten worden. Gelet op de betwisting van de vernieling door K zal de familie J worden toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat K een stoel van de familie J heeft beschadigd.

4.22. Tot slot vordert de familie J immateriële schade wegens huisvredebreuk, nader op te maken bij staat.

Indien het gestelde handelen van K komt vast te staan, is de rechtbank van oordeel dat dit – gezien de omstandigheid dat het een feit van algemene bekendheid is dat dergelijk handelen een serieuze inbreuk op de privacy inhoudt en het gevoel van veiligheid in eigen huis aantast – voldoende grond biedt voor immateriële schadevergoeding. Dit geldt zelfs indien zou blijken dat K aanvankelijk de toegang tot de woning van de familie J niet is ontzegd.

Gelet op de betwisting door K, heeft de familie J het bewijs van haar stelling nog te leveren, zodat zij daartoe op na te melden wijze zal worden toegelaten.

De door de familie J aangevoerde feiten en omstandigheden wettigen niet de conclusie dat de schade wegens huisvredebreuk nog niet (voldoende) kan worden vastgesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat – indien de familie J zou slagen in het haar opgedragen bewijs – voor een veroordeling van de schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, geen plaats is. De omvang van de schade dient dus in deze procedure te worden vastgesteld. De rechtbank zal de familie J daarom tevens toelaten tot het nemen van een akte met betrekking tot de door haar gestelde immateriële schade.

4.23. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 april 2008 voor het nemen van een akte door beide partijen waarin zij zich uitlaten over de aangekondigde deskundigenrapportage en de loop van de grens tussen de erven van partijen,

5.2. houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

5.3. laat de familie J toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat K de bril van E onherstelbaar heeft beschadigd,

5.4. laat de familie J toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat K een stoel van de familie J heeft beschadigd,

5.5. laat de familie J toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat door de familie J immateriële schade is geleden ten gevolge van het handelen van K,

5.6. laat de familie J toe tot het nemen van een akte als bedoeld in rechtsoverweging 4.22., op de rol van 9 april 2008,

5.7. verwijst de zaak naar de rol van 9 april 2008 opdat de familie J kan doen meedelen of zij van de gelegenheid tot bewijslevering door getuigen gebruik maakt, en zo ja, hoeveel getuigen zij wil voorbrengen met een opgave van verhinderdata van alle betrokkenen in de eerstvolgende drie maanden, waarna een dag voor getuigenverhoor zal worden bepaald dan wel wordt voortgeprocedeerd,

5.8. bepaalt dat de familie J, indien zij het bewijs niet door getuigen wil leveren, maar door overlegging van bewijsstukken en/of door een ander bewijsmiddel, zij dit binnen twee weken na de datum van deze uitspraak schriftelijk aan de rechtbank – ter attentie van de roladministratie van de sector civiel – en aan de wederpartij moet opgeven,

5.9. bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.10. houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning en in het openbaar uitgesproken op

12 maart 2008.?