Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD9615

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-08-2008
Datum publicatie
07-08-2008
Zaaknummer
402248 / KG ZA 08-1291 Pee/MV
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In kort geding wordt geoordeeld dat de tentoonstelling in het Tropenmusem met de titel "Palestina 1948, herinneringen aan een verdwenen vaderland" niet onrechtmatig is en valt binnen de grenzen die aan de vrijheid van meningsuiting kunnen worden gesteld. Vordering die zich richt op aanpassing van die tentoonstelling wordt daarom afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht, voorzieningenrechter

zaaknummer / rolnummer: 402248 / KG ZA 08-1291 Pee/MV

Vonnis in kort geding van 7 augustus 2008

in de zaak van

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser bij dagvaarding van 14 juli 2008,

procureur mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,

advocaat mr. J.G.M. Hovius te Zwolle,

tegen

de vereniging

KONINKLIJK INSTITUUT VOOR DE TROPEN,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

procureur mr. E.E. van der Laan.

Partijen zullen hierna ook [eiser] en het KIT worden genoemd.

1. De procedure

Ter terechtzitting van 21 juli 2008, gehouden in een van de zalen van het KIT, heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. Het KIT heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter heeft, in bijzijn van de griffier, partijen en hun raadslieden, de tentoonstelling “Palestina 1948, herinneringen aan een verdwenen vaderland” bezichtigd. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

2. De feiten

2.1. Het KIT exploiteert het Tropenmuseum te Amsterdam. Van 1 maart 2008 tot en met 4 januari 2009 is in het Tropenmuseum de tentoonstelling “Palestina 1948, herinneringen aan een verdwenen vaderland” (hierna de tentoonstelling) te zien.

2.2. In een brochure van het Tropenmuseum (productie 7 van het KIT) is over de tentoonstelling onder meer het volgende opgenomen:

Persoonlijke visies op een politieke gebeurtenis

Palestina 1948

herinneringen aan een verdwenen vaderland

(…)

Op 14 mei 2008 is het precies 60 jaar geleden dat de staat Israël werd opgericht. Een gebeurtenis die er toe leidde dat honderdduizenden Palestijnen moesten vertrekken uit het gebied waar zij woonden. Deze uittocht wordt in het Arabisch aangeduid met het begrip ‘nakba’, de catastrofe.

Het Tropenmuseum laat met een tentoonstelling zien op welke wijze dit de levens van individuele Palestijnen heeft beïnvloed. Persoonlijke verhalen, in de vorm van video- interviews, brengen de herinnering aan 1948 vanuit Palestijns perspectief in beeld. Historische foto’s tonen het leven in Palestina van vóór 1948, aangevuld met hedendaagse kunst en fotografie.

2.3. In de uitnodiging voor de opening van de tentoonstelling is onder meer het volgende opgenomen:

In 1948 wordt de staat Israël gesticht. De Palestijnen worden daarmee van een volk met een land, een volk in diaspora. Met foto’s en videoportretten brengt de tentoonstelling hun persoonlijke herinneringen aan deze gebeurtenis in beeld. ‘Palestina 1948, herinneringen aan een verdwenen vaderland’ geeft inzicht in een geschiedenis die voor velen onbekend is.

2.4. In Het Parool van 15 maart 2008 is een stuk gepubliceerd van [eiser] met de titel ‘Palestina 1948’ verdraait de waarheid.

In dit stuk uit [eiser] kritiek op de tentoonstelling.

2.5. Bij brief van 20 mei 2008 heeft mr. R. Moszkowicz namens [eiser] het KIT onder meer bericht dat de tentoonstelling geen recht doet aan de feiten en door haar eenzijdigheid opzettelijk een misleidend beeld geeft van de werkelijkheid. De tentoonstelling heeft, aldus de brief, geen ander doel dan het delegitimiseren van Israël. Het KIT is daarom verzocht, en voor zover nodig gesommeerd, in de tentoonstelling melding te maken van een twaalftal in de brief opgenomen punten.

2.6. Uit brieven van 22 en 27 mei 2008 van het KIT volgt dat het KIT niet aan de onder 2.5 genoemde sommatie zal voldoen.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert – kort gezegd – het KIT op straffe van dwangsommen te veroordelen aan het begin van de tentoonstelling prominent melding te maken van de twaalf punten zoals opgenomen in de onder 2.5 genoemde brief. De twaalf punten betreffen in de bewoordingen van [eiser] zelf het volgende:

(1) Het feit dat alle inwoners van Brits geregeerd Palestina (1923-1948) Palestijnen waren; de tentoonstelling zelf moet telkens spreken van “Arabieren en Joden”, in plaats van over “Palestijnen en Joden”;

(2) De demografische gegevens van het huidige Israël in vergelijking tot die van 1947;

(3) De opkomst vanaf de jaren ’20, onder leiding van Amin Al Hoesseini, van een antisemitisch-getinte pan-Arabische ideologie in Egypte en Palestina;

(4) De specifieke betekenis en opdracht van het Britse Mandaat voor Palestina (1923-1948), namelijk, het helpen creëren van een Nationaal Joods Thuis in Palestina;

(5) De weigering van veel leidinggevende Arabieren in Palestina om, op bestuurlijk gebied, met de Britten en de Joden samen te werken;

(6) De nauwe banden van de hoogste leider der Arabische Palestijnen, Amin Al Hoesseini, met o.a. Heinrich Himmler – en hun gedocumenteerde plannen om alle Joden van Palestina om te (laten) brengen;

(7) De groei van de Arabische bevolking van Palestina (circa 100% in 20 jaar), mede veroorzaakt door de toestroom van Arabische kolonisten die vanaf het begin van de 20e eeuw in het kielzog der Joodse immigratie naar Palestina kwamen;

(8) De gewapende verdrijving van alle Joden uit Hebron in 1929, uit Oost-Jeruzalem in 1948 en uit een aantal kleinere plaatsen in Palestina, die vervolgens geplunderd en verwoest werden;

(9) De vele ongeprovoceerde aanslagen op Joden vanaf de jaren ’20, zoals bijvoorbeeld op een konvooi van als zodanig gemarkeerde ziekenhuis-autobussen op 13 april 1948, waarbij 79 Joden waaronder artsen en verpleegkundigen gedood werden;

(10) De pogroms en de verdrijving van ruim 800.000 Joden uit Arabische landen kort vóór en kórt ná de oprichting van Israël;

(11) De ontzegging van een recht op terugkeer (Right of Return) aan Joden die uit Arabisch-bewoonde landen of gebieden verdreven waren.

(12) De nog steeds gehanteerde VN-definitie van een “Palestijns vluchteling” namelijk iemand die tussen juni 1946 en mei 1948 in Palestina woonde, plus zijn gehele nageslacht.

3.2. [eiser] stelt hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Het KIT beoogt met de tentoonstelling de Nakba-gedachte, gebaseerd op een radicale Islamitisch-nationalistische ideologie in Nederland bekend te maken, terwijl het begrip Nakba van oorsprong een hele andere betekenis heeft. Het begrip Nakba werd immers al vanaf de opspliting van Groot Syrië gebruikt door de inwoners van het Brits Mandaat voor Palestina, omdat zij zich onrechtmatig afgesneden voelden van hun landgenoten in het Noordelijk deel van die opsplitsing, het Franse mandaat voor Syrië en Libanon, hetgeen zij als een “Nakba”, een catastrofe beschouwden. Het KIT doet onder andere hierdoor verregaande pogingen om de staat Israël te delegitimiseren en de Joden te criminaliseren. Een voorbeeld hiervan is ook het ambivalente gebruik van de termen Palestina en Palestijnen. Deze termen suggereren dat er voor 1948 sprake was van een staatkundige eenheid, die teniet zou zijn gedaan door de staat Israël. Dit is niet juist. De juiste aanduiding zou moeten luiden Brits Mandaat voor Palestina. De term Palestijnen zou moeten slaan op iedereen (dus ook op Joden) die voor 1948 in het gebied woonden. De tentoonstelling houdt verder alleen Israël verantwoordelijk voor de misère van de Arabische vluchtelingen in en na 1948 en bagatalliseert gewelddadigheden van Arabische kant. De tentoonstelling kent hierdoor een te eenzijdig perspectief en geeft een eenzijdig beeld van de geschiedenis. De interviews met ooggetuigen zouden moeten worden aangevuld met een overzicht van alle bekende oorzaken en gevolgen van de oorlog in 1948. Nu dit niet is gebeurd is sprake van een antisemitische daad. Naar alledaagse maatstaven gemeten vertelt Israël – in het bijzonder waar het zijn Arabische bevolking betreft – niet het verhaal van een ramp (de zogenaamde Nakba), maar juist een geschiedenis van ongekende groei en voorspoed. Het past niet dat het Tropenmuseum opzettelijk halve waarheden vertelt en daarmee propagande bedrijft tegen Israël en de Joden. De tentoonstelling vormt jegens [eiser] en jegens andere Nederlanders van joodse komaf een onrechtmatige daad. Er wordt aangezet tot haat jegens Joden. Toewijzing van de vordering past dan ook binnen de beperkingen die van toepassing zijn op het recht van vrijheid van meningsuiting van artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Daarnaast heeft [eiser] het recht om verschoond te blijven van discriminatie (artikel 14 EVRM).

3.3. Het KIT heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen. Op dit verweer wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In tegenstelling tot hetgeen het KIT hierover heeft aangevoerd, heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vordering. De in zijn ogen onrechtmatige tentoonstelling, die nog te zien is tot 4 januari 2009, duurt immers elke dag voort. Van [eiser] hoeft dan ook niet te worden gevergd dat hij de uitslag van een bodemprocedure afwacht

4.2. De tentoonstelling “Palestina 1948, herinneringen aan een verdwenen vaderland” is een vorm van meningsuiting. Het KIT laat in de tentoonstelling een aantal Palestijnen aan het woord die hun herinneringen vertellen of hun mening geven over het leven in het Britse Mandaat voor Palestina voorafgaand aan de stichting van de Staat Israël en over de gebeurtenissen in 1948. Met de voor een ieder toegankelijke tentoonstelling maakt het KIT de opvattingen van die personen openbaar. Het KIT zet die opvattingen naast elkaar binnen het door het KIT gekozen thema, toegelicht met door het KIT gekozen beelden en (delen van) documenten. Hierdoor alsmede door de bijschriften bij de tentoonstelling, voegt het KIT een eigen betekenis toe aan de individuele herinneringen en meningen van die personen. Het staat het KIT in beginsel vrij op de wijze die haar het beste voorkomt aandacht te vragen voor kwesties die in de wereld spelen, zoals het in beginsel een ieder in Nederland vrij staat binnen de grenzen van het recht bepaalde kwesties aan te roeren en andere te laten liggen. Dat het KIT subsidie van de Staat ontvangt voor het ontplooien van haar activiteiten beperkt haar recht op vrijheid van meningsuiting niet, behoudens – een niet waarschijnlijke – verplichting die het KIT tegenover de subsidiegever zou zijn aangegaan. Hierover is in dit geding niets gesteld of gebleken. Overigens zou alleen die subsidiegever, en niet [eiser], hieraan rechten kunnen ontlenen.

4.3. Toewijzing van de vordering van [eiser] zou een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het EVRM neergelegde grondrecht van het KIT op vrijheid van meningsuiting. Dit recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de tentoonstelling in het Tropenmuseum jegens [eiser] onrechtmatig zou zijn in de zin van artikel 6:162 BW.

4.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tentoonstelling in geen enkel opzicht onrechtmatig is. De tentoonstelling valt binnen de grenzen die gesteld kunnen worden aan het recht op vrijheid van meningsuiting van het KIT. De tentoonstelling bevat geen onnodig grievende teksten of andere uitlatingen. Geen van de uitgesproken of geschreven teksten zet aan tot haat, discriminatie of belediging of roept op tot geweld. Er is geen sprake van een direct tegen Joden als ras of bevolkingsgroep gerichte beledigende toon of een smadelijke aanval op hun heilige symbolen. [eiser] heeft nagelaten enig woord, geschrift of beeld op de tentoonstelling aan te duiden waarin een aanwijzing voor antisemitisme valt te zien. De tentoonstelling is weliswaar opgezet vanuit één perspectief, wat ook in de tentoonstelling zelf duidelijk kenbaar wordt gemaakt, maar dit is het goed recht van het KIT. Bovendien heeft het KIT ervoor gekozen om persoonlijke lotgevallen te tonen en wordt niet gepretendeerd dat de tentoonstelling het enig juiste beeld geeft van de geschiedenis. Termen als Nakba, Palestina en Palestijnen hebben (vanuit historisch perspectief) meerdere betekenissen en niet valt in te zien hoe het KIT, door één van de betekenissen te gebruiken, onrechtmatig handelt. Wat de term Palestijnen betreft heeft het KIT bovendien onbetwist aangevoerd dat zij hierbij heeft aangeknoopt bij het huidige spraakgebruik. Over de geschiedenis, in dit geval de gebeurtenissen in Palestina/Israël in 1948, zijn tal van ideeën en denkbeelden mogelijk. Historici hebben, vaak vanuit een eigen invalshoek, eigen aan de bestudering van de geschiedenis en zeker aan de bestudering van de jongere geschiedenis, uiteenlopende visies. Zelfs in de loop van hun studie hebben historici nog veranderende inzichten, zoals blijkt in het geval van [persoon2], die in de tentoonstelling als bron wordt gebruikt. Het is niet aan de (Nederlandse) rechter om de loop van de geschiedenis in een zo gecompliceerde kwestie als de beëindiging van het Brits Mandaat voor Palestina in 1948, gevolgd door de stichting van de staat Israël voor eens en altijd vast te stellen.

Bovendien wordt geen verbod van de tentoonstelling gevorderd, zelfs niet van een onderdeel daarvan, maar wordt een wijziging van de tentoonstelling gevorderd.

Nog daargelaten dat, zoals het KIT terecht heeft aangevoerd, rechters geen tentoonstellingen maken, komt het er op neer dat [eiser] zich niet zo zeer verzet tegen de meningsuiting van het KIT, maar dat hij zich eerder verzet tegen het zwijgen over bepaalde kwesties, waarover het KIT zich in de ogen van [eiser] had moeten uitlaten. De vrijheid van meningsuiting brengt weliswaar mee dat zorgvuldigheid jegens derden in acht dient te worden genomen, hetgeen bij nalatigheid onder omstandigheden tot inperking van die vrijheid kan leiden, doch tot een verplichting tot spreken daar waar men wenst te zwijgen, leiden de bij de wet voorziene beperkingen op die vrijheid in beginsel niet. Indien [eiser] het niet eens met de inhoud van de tentoonstelling is, dient hij een andere dan de juridische weg te volgen. Het staat hem immers even vrij als het KIT hierover van zijn mening in de openbaarheid te laten blijken, zoals hij ook al eerder heeft gedaan (zie 2.4).

Hierop stuiten de vorderingen af.

4.5. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het KIT worden begroot op:

- vast recht EUR 254,00

- salaris procureur 816,00

Totaal EUR 1.070,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van het KIT tot op heden begroot op EUR 1.070,00,

5.3. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.J. Peeters, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2008.?