Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7516

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
385279
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

De rechtbank komt tot het oordeel dat geen sprake is van schending van de eer en goede naam van eiser en dat feitelijke onjuistheden genoegzaam zijn rechtgezet door plaatsing van de brief van de raadsman van eiser in een latere aflevering van Quote. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 385279 / HA ZA 07-3252

Vonnis van 16 juli 2008

in de zaak van

A,

wonende te ( plaats ),

eiser,

procureur mr. A.J.H.W.M. Versteeg,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HACHETTE FILIPACCHI MEDIA NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

2. B,

3. C,

beiden werkzaam te ( plaats ),

gedaagden,

procureur mr. M.C. Kaaks.

Partijen zullen hierna A, HFMN, B en C genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als HFMN c.s.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 16 november 2007,

- de akte aanvulling grondslag van eis en overlegging producties,

- de conclusie van antwoord, met bewijsstukken,

- het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 13 februari 2008, waarbij een comparitie van partijen is gelast die op 21 mei 2008 heeft plaatsgevonden en het daarvan opgemaakte proces-verbaal, met de daarin vermelde stukken.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. A is eigenaar van de opstallen van buitenplaats … te ( plaats ) (hierna: de buitenplaats) en erfpachter van een deel van de gronden van de buitenplaats dat in eigendom toebehoort aan de stichting Het Utrechts Landschap (hierna: de stichting). In 1995 is A begonnen met restauratie van de buitenplaats. In overleg met de stichting en de Vereniging Natuurmonumenten is het onderhoud van de in erfpacht uitgegeven grond ter hand genomen, waarbij het uitgangspunt is dat de aanwezige flora behouden zal blijven.

2.2. HFMN is uitgever van het maandblad Quote. B is redacteur van Quote en schrijver van het hierna onder 2.3 vermelde artikel. C is adjunct hoofdredacteur van Quote.

2.3. In de Quote van oktober 2007 is onder de titel “Vechtlust”, op de voorpagina aangekondigd met de slagzin “Vechten aan de Vecht”, met als ondertitel “Oud geld, nieuwe ruzies aan onze rijkste rivier”, een artikel (hierna: het artikel) verschenen. Daarin wordt een aantal buitenplaatsen en landgoederen aan de Vecht genoemd en worden de bewoners daarvan besproken. Het artikel is in mild ironische stijl geschreven. De volgende passage is aan A gewijd:

“[…]

Armetierige indruk

Nieuw geld uit Amsterdam weet al sinds de Gouden Eeuw de weg te vinden stroomopwaarts van de Vecht. Op het toppunt van de welvaart, eind achttiende eeuw, stonden er zo’n honderd grote en kleine statige buitenplaatsen. Die lagen er majestueus bij, want ze waren bedoeld om mee te pronken. Het leverde de rivier de bijnaam ‘de Zegepralende Vecht’ op. In de negentiende eeuw zette de aftakeling in en die werd pas in de jaren zeventig van de vorige eeuw een halt toegeroepen. Mensen als D, E, F, G H restaureerden hun buitenplaatsen vervolgens alsof hun leven ervan afhing, en zo staan er nog veertig fier overeind.

In de welvarende jaren negentig trok een ander slag mensen naar de Vecht, onder wie veel projectontwikkelaars en vastgoedhandelaren. Zij realiseerden zich vaak niet waar ze aan begonnen. Zo steggelt projectontwikkelaar A al jaren over de restauratiekosten met de stichting het Utrechts Landschap, eigenaar van het landgoed dat A tot 2085 in erfpacht heeft, met desastreuze gevolgen. Het landgoed maakt een armetierige indruk, met roestige hekken en een totaal overwoekerd bos.

[…]”

2.4. Bij brief van 24 september 2007 heeft de raadsman van A onder meer HFMN, B en C gesommeerd een rectificatie te plaatsen, waarvan de tekst was bijgevoegd. Hieraan is geen gevolg gegeven.

2.5. In december 2007 is in de rubriek “Schopt u maar” van Quote een deel van de brief van de raadsman van A (weergegeven in de ik-vorm) opgenomen:

“Herstel

KLACHT De redactie moet volgens A, als kunstenaar afgevaardigd naar de Biënnale in Venetië, terug naar school (Quote oktober, p50).

‘Ik heet geen .. A, maar .. .. A. Iedereen die in Nederland over enige culturele bagage beschikt, weet dat ik geen projectontwikkelaar ben. Al decennia leef ik in grote harmonie met de Stichting Het Utrechts Landschap. De stichting heeft dan ook groot vertrouwen in de wijze waarop ik de restauratie van de buitenplaats uitvoer. De kwalificatie van de indruk van de buitenplaats als armetierig doet geen recht aan wat van buitenaf nu van dat herstel al zichtbaar is: een volledig gerestaureerde oranjerie en de gevel aan de straatzijde van het hoofdgebouw. Quote had kunnen weten dat er aan het herstel tot dusverre € 5,5 miljoen is besteed, als het zich had gehouden aan de journalistieke regel van hoor en wederhoor. […]’

NASCHRIFT Tja, dik twintig jaar timmeren is niet niks. En het moet gezegd: bij nadere bestudering van zijn optrekje is het inderdaad onwaarschijnlijk dat de heer A projectontwikkelaar is.”

Bij die tekst is een foto geplaatst van het hek van de zij-ingang van de buitenplaats Over Holland met de woorden:

“Typisch het hek van iemand uit de culturele sector.”

3. De vordering

3.1. A vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. een verklaring voor recht dat B, C en HFMN onrechtmatig jegens A hebben gehandeld en hem schade hebben berokkend door:

a. voor wat betreft B: in een artikel feitelijk onjuiste en tendentieuze beweringen te doen met voorbijgaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de door journalisten te betrachten zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt,

b. voor wat betreft C: niet tegen te gaan dat in een artikel feitelijk onjuiste en tendentieuze beweringen werden gedaan met voorbijgaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de door journalisten te betrachten zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt,

c. voor wat HFMN betreft: een artikel uit te geven waarin feitelijk onjuiste en tendentieuze beweringen worden gedaan met voorbijgaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de door journalisten te betrachten zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt,

II. hoofdelijke veroordeling van gedaagden om in de vrijdag- of zaterdageditie van De Volkskrant en van NRC Handelsblad binnen twee weken na dit vonnis op pagina 1, in een kader over twee kolommen en in 16 punts lettergrootte, althans op een door de rechtbank aan te wijzen plaats en vast te stellen vorm, de volgende tekst, althans een door de rechtbank vast te stellen tekst te publiceren:

“Eerherstel

De rechtbank te Amsterdam heeft ons veroordeeld om op deze plaats in deze krant openbaar bekend te maken dat wij onrechtmatig hebben gehandeld jegens A en hem schade hebben berokkend door in het artikel “Vechten aan de Vecht”gepubliceerd in Quote van september 2007, feitelijk onjuiste en tendentieuze beweringen over hem te doen met voorbijgaan aan de journalistieke hoofdregel van hoor en wederhoor en de door journalisten overigens te betrachten zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer betaamt.

Hachette Filipacchi Media Netherlands B.V., C (adjunct hoofdredacteur) en B (journalist)”

zulks op verbeurte van een dwangsom van EUR 100.000,= per dag of gedeelte van een dag dat gedaagden met naleving van de veroordeling in gebreke blijven, en met bepaling dat als een hunner aan de veroordeling heeft voldaan de anderen zijn gekweten,

III. hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot vergoeding van de door hen veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

IV. met veroordeling van gedaagden in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente met ingang van de zevende dag na betekening van dit vonnis.

3.2. A stelt daartoe dat HFMN onder haar verantwoordelijkheid een (deels) feitelijke of suggestieve beschrijving van A, zijn handelen en/of drijfveren heeft gegeven, alsmede de misplaatste kanttekeningen bij een correctie zonder dat zij dit wenst te rectificeren, waardoor HFMN onrechtmatig jegens A heeft gehandeld. B heeft als schrijver van het onderhavige artikel met zijn uitlatingen over A onrechtmatig jegens hem gehandeld. C heeft als adjunct hoofdredacteur het verschijnen van het op A betrekking hebbende artikel toegestaan en daardoor onrechtmatig jegens A gehandeld.

3.3. A wijst op de volgende passages uit het artikel die het onrechtmatig doen zijn volgens A. Hij heet geen “.. A” en is geen “projectontwikkelaar”. Hij “steggelt” niet met de stichting en zeker niet “al jaren over de restauratiekosten”. Hij is eigenaar van de opstallen van de buitenplaats en geen erfpachter. De kwalificatie “armetierig” doet geen recht aan hetgeen op het moment dat het artikel verscheen van buiten zichtbaar was. Met de zinsnede dat in de jaren negentig een ander slag mensen naar de Vecht is getrokken, wordt de indruk gewekt dat A behoort tot “een ander slag mensen” als “projectontwikkelaars en vastgoedhandelaren” en dan ook nog een groep lieden die “zich vaak niet realiseerden waar ze aan begonnen”. Hij is echter geen projectontwikkelaar of vastgoedhandelaar en voert de restauratie uit op basis van een degelijk en gedetailleerd bestek dat in samenspraak met de Rijksdienst voor de Monumentenzorg is opgesteld en waaraan strikt de hand wordt gehouden. Volgens A is het artikel slechts gebaseerd op mededelingen van buurtgenoten. B heeft niet voldaan aan zijn verplichting om deze mededelingen te verifiëren. Ook heeft hij geen hoor en wederhoor toegepast. A stelt dat HFMN en C, na geconstateerd te hebben dat in het artikel niet geverifieerde mededelingen waren opgenomen, van publicatie van in elk geval dat deel van het verhaal hadden moeten afzien, althans de publicatie tegen hadden moeten houden totdat genoegzaam vaststond dat geen contact met A mogelijk was. Met de bijschriften bij de in december 2007 in Quote geplaatste klacht van A gaat HFMN c.s. wederom voorbij aan de normen van fatsoen.

3.4. HFMN c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In een zaak als deze, waarin de stellingen van de eisende partij inhouden dat zijn eer en goede naam is aangetast en de gedaagde zich beroept op de vrijheid van meningsuiting, moeten de twee hoogwaardige belangen die hier in het geding zijn, tegen elkaar worden afgewogen. Maar eerst moet worden vastgesteld of er sprake is van schending van de eer en goede naam van A, nu HFMN c.s. dit betwist.

4.2. A stelt dat hij een persoon van aanzien is in de (internationale) culturele wereld voor wie het behoud van het culturele erfgoed voorop staat. Volgens A wordt in het artikel, door feitelijk onjuiste en tendentieuze beweringen, de indruk gewekt dat hij een projectontwikkelaar is (welk beroep naar hij stelt een negatief imago heeft), die de buitenplaats onwaardig is. Hierdoor zijn (met name) de buurtgenoten van A op het verkeerde been gezet, zo begrijpt de rechtbank zijn stellingen.

4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is de strekking van de bewuste passage in het artikel vooral dat de restauratie van de buitenplaats niet opschiet. De buurtgenoten en passanten zullen met de buitenplaats en de staat daarvan bekend zijn. Dat hun mening over A enkel naar aanleiding van het artikel in Quote is gewijzigd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Voor zover dat wel het geval is vanwege het door A gestelde negatieve imago van projectontwikkelaars - wat daar verder ook van zij – dan betekent dat nog niet dat deze kwalificatie A in zijn eer en goede naam aantast. Daarvoor is de onjuiste kwalificatie hoe dan ook onvoldoende beledigend.

Zoals HFMN c.s. aanvoert gaat het in het artikel voorts vooral om de buitenplaats en minder om de persoon van A zelf. Dat hij als kunstliefhebber met het streven de buitenplaats in oude luister te herstellen onaangenaam geraakt is door de spottende toon van het artikel, betekent evenmin dat hij in zijn eer en goede naam is aangetast.

Aldus resteren de feitelijke onjuistheden in het artikel. Deze zijn genoegzaam rechtgezet door plaatsing van de brief van de raadsman van A (zie hiervoor onder 2.5).

Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank aan de hiervoor onder 4.1. bedoelde belangenafweging niet toekomt. De vorderingen worden dan ook afgewezen.

4.4. A zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HFMN c.s. worden begroot op:

- vast recht EUR 251,00

- salaris procureur 904,00 (2,0 punten × tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 1.155,00

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt A in de proceskosten, aan de zijde van HFMN c.s. tot op heden begroot op EUR 1.155,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op

16 juli 2008.?