Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2008:BD7497

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
13/447130-08 (zaak A) en 13/441647-08 (zaak B)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeverdachten worden veroordeeld voor het plegen van de gewapende overval, waarbij in het plafond is geschoten en ongeveer €25.000,- is buitgemaakt. Verdachte voor de medeplichtigheid, omdat hij zijn huis ter beschikking heeft gesteld.

Verdachte is voorts veroordeeld voor 4 inbraken en een poging tot inbraak.

De volgende straf wordt opgelegd: 4 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummers: 13/447130-08 (zaak A) en 13/441647-08 (zaak B)

PROMIS

Datum uitspraak: 17 juli 2008

op tegenspraak

VONNIS

van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministrati[adres] op het adres [adres], thans gedetineerd in het Huis van Bewaring “Het Schouw” te Amsterdam.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna genoemd respectievelijk zaak A en zaak B.

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2008

1. Telastelegging

Zaak A:

Aan verdachte is telastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 5 januari 2008 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan Dirk van de Broek (filiaal Bilderdijkstraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of de andere geldloper en/of werknemers van de Dirk van de Broek, te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) aan dat misdrijf de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen,

- voor de Dirk van de Broek de komst van de geldloper (van firma G4S) heeft/hebben afgewacht en/of (vervolgens)

- de gang van de geldloper heeft/hebben gevolgd en/of (vervolgens)

- met (een) (donkerkleurige) sjaal(s) voor zijn/hun gezicht(en) en/of een capuchon op zijn/hun hoofd(en) de Dirk van de Broek is/zijn binnengekomen en/of (vervolgens)

- in de richting van de geldloper is/zijn gelopen

(artikel 312 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

2.

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 10 februari 2008 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een geldbedrag van (ongeveer) 25.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Lucky Hall (Ten Katestraat), in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of hun mededader(s) en/of aan verdachte, welke diefstal

werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of andere aanwezigen in amusementenhal Lucky Hall, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van (ongeveer) 25.000 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Lucky Hall, in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of hun mededader(s) en/of aan verdachte;

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en), dat [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of hun mededaders

- met sjaals en/of doeken voor zijn/hun gezicht de Lucky Hall is/zijn binnengekomen en/of

- geroepen heeft/hebben "dit is een overval, iedereen liggen" en/of

- vuurwapens heeft/hebben getoond aan de aanwezigen en/of (vervolgens)

- een vuurwapen heeft/hebben (door)geladen en/of (vervolgens) eenmaal in de richting van het plafond heeft/hebben geschoten en/of (vervolgens)

- deze vuurwapens heeft/hebben gericht op [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of de overigen aanwezigen en/of (vervolgens)

- nogmaals met een wapen heeft/hebben geschoten en/of (vervolgens)

- een geldbedrag uit de kassa heeft/hebben gehaald en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] onder bedreiging met een vuurwapen heeft/hebben gedwongen de grote kluis open te maken en/of (vervolgens)

- een geldbedrag uit die grote kluis heeft/hebben gehaald en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 2] wederom onder bedreiging van een vuurwapen heeft/hebben bedreigd de kleine kluis open te maken,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op of omstreeks 10 februari 2008 te Amsterdam en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door zijn huis aan de [adres] ter beschikking te stellen als uitvalsbasis en/of vluchtadres en/of als bergplaats van overvalskleding en/of attributen aan [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of zijn/hun mededader(s);

(artikel 48 sub 2 jo 312 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij op of omstreeks 6 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het te plegen misdrijf van diefstal met geweld in vereniging en/of afpersing in vereniging (jegens een geldloper op of in de omgeving van het Bos en Lommerplein), opzettelijk zich op het Bos en Lommerplein heeft bevonden ten behoeve van voorobservatie en/of vanaf die plek veelvuldig telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] teneinde te bespreken of de geldloper al was geweest, in elk geval opzettelijk een telefoon en/of een jas met capuchon, kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad;

(artikel 312/317 jo 46 Wetboek van Strafrecht)

De rechtbank leest het in de 32e regel van het onder 2 telastegelegde vermelde “bedreigd” als “gedwongen”, aangezien hier sprake is van een kennelijke misslag. Door de verbetering van deze misslag wordt verdachte niet in de verdediging geschaad.

Zaak B:

Aan verdachte is telastegelegd dat

1.

hij op of omstreeks 8 januari 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit bedrijfspand [naam bedrijf] (aan de [adres]) heeft weggenomen een computer en/of één beeldscherm van een computer en/of twee, althans één of meer lederen tassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door (met een voorwerp) een ruit (aan de straatzijde van het pand) te verbreken en/of in te slaan en/of in te gooien;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

2.

hij op of omstreeks 27 februari 2005 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het kantoor Gemeente Vervoers Bedrijf (aan het [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan het Gemeente Vervoers Bedrijf, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dit kantoor te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, de toegangsdeur van het kantoor (welke uitkomt in de personeelsruimte) (met een scherp voorwerp) heeft geforceerd en/of een (inpandige) deur (welke leidt naar het kantoor) (met een scherp voorwerpt) heeft geprobeerd te forceren;

(artikel 311 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

3.

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2005 tot en met 28 februari 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit het bedrijf Intercity Working BV (aan de [adres]) heeft weggenomen drie, althans één of meer computer systeemkasten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Intercity Working BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door (met een breekijzer, althans een voorwerp) een rolluik (aan de voorzijde van het bedrijf) open te breken;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

4.

hij op of omstreeks 27 maart 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit de Alphons Laudyschool (Meer en Vaart 9) heeft weggenomen twee, althans één of meer flatscreen computers , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Alphons Laudryschool, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door een ruit (aan de zijkant van de school) te verbreken en/of in te gooien en/of in te slaan;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

5.

hij in of omstreeks de periode van 4 april 2005 tot en met 05 april 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit kantoor Eigen Haard (aan de [adres]) heeft weggenomen een personal computer en/of een systeemkast, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Eigen Haard, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door (met een breekijzer, althans een voorwerp) een raam (aan de voorzijde van het kantoor) te verbreken en/of in te slaan en/of te gooien;

(artikel 311 Wetboek van Strafrecht)

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Waardering van het bewijs

3.1. Vrijspraak

Evenals de officier van justitie acht de rechtbank het in zaak A onder 1 telastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken. Er bevindt zich onvoldoende bewijs in het dossier waardoor vast kan komen te staan dat verdachte het telastegelegde feit heeft begaan.

In tegenstelling tot de officier van justitie acht de rechtbank ook het in zaak A onder 3 telastegelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte ook daarvan dient te worden vrijgesproken.

Uit de camerabeelden blijkt dat een persoon komt aanlopen en negen minuten stilstaat naast de Vomar en een capuchon over zijn hoofd trekt. Even later parkeert een geldauto tegen de achterzijde van de Vomar. Uit telecommunicatiegegevens blijkt dat verdachte uitpeilt in de directe omgeving van de Vomar en dat hij telefonisch contact heeft met medeverdachte [medeverdachte 1]. Tevens blijkt uit de telefoontaps dat medeverdachte [medeverdachte 1] verdachte en een derde persoon zou hebben afgezet bij de Vomar. Weliswaar zou uit deze feiten afgeleid kunnen worden dat hier gesproken wordt over voorbereidingshandelingen in zijn algemeenheid, maar hieruit blijkt niet het criminele doel dat verdachte voor ogen had worden, zodat hieruit niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het treffen van voorbereidingshandelingen voor het plegen van een diefstal met geweld jegens een geldloper op of in de omgeving van het Bos en Lommerplein. Hierbij speelt een rol dat geen sprake is van een modus operandi in het kader van een serie overvallen, nu deze niet op de telastelegging staan.

3.2. Ten aanzien van zaak A feit 2 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat

[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op 10 februari 2008 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een geldbedrag van ongeveer 25.000 euro toebehorende aan Lucky Hall, welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en andere aanwezigen in de amusementshal Lucky Hall, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en aan andere deelnemers aan voormeld misdrijf de vlucht mogelijk te maken en het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hun mededader

- met doeken voor hun gezicht de Lucky Hall zijn binnengekomen en

- geroepen hebben “dit is een overval, iedereen liggen” en

- vuurwapens hebben getoond aan de aanwezigen en vervolgens

- een vuurwapen hebben doorgeladen en eenmaal in het plafond hebben geschoten en

- deze vuurwapens hebben gericht op [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en de overige aanwezigen en

- nogmaals met een wapen hebben geschoten en

- een geldbedrag uit de kassa hebben gehaald en

- die [slachtoffer 2] onder bedreiging met een vuurwapen hebben gedwongen de grote kluis open te maken en

- een geldbedrag uit die grote kluis hebben gehaald en

- die [slachtoffer 2] wederom onder bedreiging van een vuurwapen hebben gedwongen de kleine kluis open te maken

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte

op 10 februari 2008 te Amsterdam opzettelijk gelegenheid heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest door zijn huis aan de [adres] ter beschikking te stellen als uitvalsbasis en vluchtadres en als bergplaats van overvalskleding en attributen aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en hun mededader;

3.3. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

omstreeks 8 januari 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit bedrijfspand [naam bedrijf] (aan de [adres]) heeft weggenomen een computer en één beeldscherm van een computer en twee lederen tassen toebehorende aan [naam bedrijf], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een ruit (aan de straatzijde van het pand) te verbreken en/of in te slaan en/of in te gooien;

2.

op 27 februari 2005 te Amsterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het kantoor Gemeente Vervoers Bedrijf (aan het [adres]) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende aan het Gemeente Vervoers Bedrijf, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot dit kantoor te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak , de toegangsdeur van het kantoor (welke uitkomt in de personeelsruimte) heeft geforceerd en/of een inpandige deur (welke leidt naar het kantoor) heeft geprobeerd te forceren;

3.

in de periode van 25 februari 2005 tot en met 28 februari 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit het bedrijf Intercity Working BV (aan de [adres]) heeft weggenomen driecomputer systeemkasten, in elk geval enig goed toebehorende aan Intercity Working BV, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door met een breekijzer een rolluik (aan de voorzijde van het bedrijf) open te breken;

4.

op 27 maart 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit de Alphons Laudyschool (Meer en Vaart 9) heeft weggenomen twee flatscreen computers, toebehorende aan Alphons Laudryschool, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door een ruit (aan de zijkant van de school) te verbreken en/of in te gooien en/of in te slaan;

5.

op 05 april 2005 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit kantoor Eigen Haard (aan de [adres]) heeft weggenomen een personal computer en een systeemkast, toebehorende aan een ander dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door (met een breekijzer, althans een voorwerp) een raam (aan de voorzijde van het kantoor) te verbreken en/of in te slaan en/of te gooien.

4.1. Het bewijs in zaak A feit 2

A. Vaststaande feiten.

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast.

Op 10 februari 2008 omstreeks 21.15 uur is amusementshal Lucky Hall te Amsterdam overvallen. Aangever [slachtoffer 3] zag op het televisiescherm van de amusementshal dat er drie gemaskerde personen binnenkwamen, waarvan er twee direct doorrenden naar het kassahok. De derde bleef bij de ingang staan met een vuurwapen in zijn hand. Bij een van de andere twee daders zag [slachtoffer 3] eveneens een vuurwapen. Hij hoorde dader 3 in de Nederlandse taal met Arabisch accent roepen:“Dit is een overval, iedereen liggen”. Daarop laadde deze zijn vuurwapen door en richtte hij een schot in de richting van het plafond. [slachtoffer 3] zag dat dader 3 vervolgens zijn vuurwapen op hem richtte en riep:“liggen”. Toen [slachtoffer 3] tegen dader 3 zei dat hij rustig moest blijven, richtte deze vervolgens het vuurwapen weer op [slachtoffer 3] zijn bovenlichaam. [slachtoffer 3] keek in de richting van de kassa en zag daar alleen de handen van de daders die geld uit de kassa haalden. Intussen hield dader 3 hem onder schot. Na ongeveer een minuut verlieten alle drie de daders de Lucky Hall. [slachtoffer 3] hoorde later van een getuige dat de daders met zijn drieën met een scooter waren weggereden door de Jan Hanzestraat. Later heeft hij de politie gewezen op de huls die achterbleef, nadat het schot in het plafond was gelost. [slachtoffer 3] schat op basis van de stem, dat de daders tussen de 20 en 24 jaar oud waren. Twee daders waren ongeveer 1.70 meter lang en de lengte van de andere dader was tussen de 1.75 en 1.80 meter. Twee van de drie daders droegen donkere handschoenen. Twee daders droegen donkere kleding.

Aangever [slachtoffer 2] bevond zich in het kassahok waar hij geld moest wisselen voor klanten binnen het bedrijf. Hij hoorde vanuit het kassahok plotseling een vrije harde knal bij de ingang van het bedrijf en zag vervolgens op 3 à 4 meter van het kassahok een persoon staan (NN1). Hij zag dat de man een doek voor zijn mond droeg, die uitliep in een punt. De man hield een lichtkleurig vuurwapen met een dikke rechte loop in zijn rechterhand. Na ongeveer 10 seconden hoorde [slachtoffer 2] een tweede schot. Hij zag een man voor hem staan die zei dat hij de grote kluis moest openen. [slachtoffer 2] verklaarde dat NN2 sprak met een plat Marokkaans Amsterdams accent, zoals gesproken door jonge jongens in de buurt. [slachtoffer 2] liep naar de geldlade en opende de grote kluis. Vervolgens moest hij van NN2 op de grond gaan liggen. Vanuit zijn ooghoek zag hij NN2 op zijn knieën voor de grote kluis, terwijl hij met zijn handen geld wegnam en in een zwartkleurige slappe tas deed gemaakt van stof. Een andere dader met een groot zilverkleurig vuurwapen in zijn rechterhand met de vinger aan de trekker, zei hem de kleine kluis te openen. [slachtoffer 2] toetste de cijfercode in en opende de kleine kluisdeur. Deze twee daders liepen vervolgens met veel geschreeuw weg uit het kassahok. Bij de overval is een geldbedrag van ongeveer € 25.000,- weggenomen.

Op de beelden van de overval in de Lucky Hall is te zien dat om 21.11.41 uur drie gemaskerde mannen via de voordeur binnen komen rennen. Te zien is dat één van de daders is gekleed in een halflange jas met capuchon, dat hij gezichtsbedekking draagt en dat hij in zijn rechterhand een vuurwapen heeft. Hij blijft voor in de winkel en houdt het publiek onder schot. De tweede dader is gekleed in een geruite jas met capuchon, waaronder hij een donkerkleurig petje draagt. In zijn linkerhand draagt hij een blauwe of groene tas (soort sporttas) en in zijn rechterhand heeft hij een donkerkleurig vuurwapen. Ook deze dader draagt gezichtsbedekking. Hij richt zijn vuurwapen op een bezoeker welke de handen in de lucht steekt en loopt in de richting van het kassakantoor. De derde dader is gekleed in een donker jack met op de rug een groot lichtkleurig vlak en met op de rechtermouw net boven de elleboog een rood/wit kleurig embleem. Op de voorkant van de jas ter hoogte van de borst zit zowel links als rechts een lichtkleurige horizontale streep(rits). Verder draagt deze dader een wit petje en donkerkleurige gezichtsbedekking. De tweede dader draait zich bij de uitgang om en loopt in de richting van een bezoeker, waarbij hij zijn vuurwapen speciaal op hem richt. De derde dader komt uit het kassakantoor met over zijn rechterschouder een zwarte (sport)tas. Om 21.13.00 uur hebben alle drie de daders het pand verlaten.

Getuige [getuige 1] hoorde 2 à 3 klappen. Hij ging naar buiten en zag drie jongens door de Ten Katestraat lopen en linksaf de Jan Hanzenstraat inslaan. De jongens stapten op een scooter en reden weg. De jongens waren in het donker gekleed, hadden een capuchon op en een van hen had een donkere sporttas bij zich.

Om 21.20 uur wordt op het trottoir van de Tolbrugstraat een motorfiets aangetroffen, die nog ‘op contact’ stond. Het contactslot bleek verwijderd te zijn. Het motorblok had een iets hogere temperatuur dan die van koud metaal, waardoor een van de verbalisanten het vermoeden had dat de motor kortstondig was gebruikt. De motorfiets was voorzien van kenteken [kenteken]. Deze motor is op 10 februari 2008 tussen 15.30 uur en 15.35 uur gestolen van de Kostverlorenstraat.

Getuige [getuige 2] zag drie Marokkaanse jongeren vanuit de richting van de Tolbrugstraat komen lopen. Een van hen liep naar een tas die in de Douwes Dekkerstraat lag. Zij hoorde dat één van de jongens zei:“Wat is hij zwaar”. Zij zag dat twee jongens donkere kleding droegen. De jongens renden naar een donkergroene auto zonder ‘kontje’die in de Korte Blekerstraat geparkeerd stond en reden hard weg via de Tolbrugstraat in de richting van de Clercqstraat.

Getuige [getuige 3] verliet op 10 februari 2008 om ongeveer 21.05 uur buurthuis [naam] aan de Douwes Dekkerstraat te Amsterdam. Aan de voorzijde van het gebouw zag hij een jongen lopen die zich gehaast bukte om iets op te pakken, wat in de beleving van de getuige twee geldbiljetten waren. [getuige 3] zag verderop een jongeman met een gelige tas staan. Hij zag een derde jongen bij een bij [naam] geparkeerde auto staan, die op de kruising van de Korte Blekerstraat stond met de neus richting de Tolbrugstraat. Hij zag dat de drie jongemannen in de donkergekleurde auto stapten, waarvan hij denkt dat het een [merk auto] was. Vervolgens reed de auto met een noodvaart weg in de richting van de Clercqstraat, de Admiraal de Ruyterweg. De getuige hoorde een auto toeteren. [getuige 3] heeft het kenteken in zijn mobiele telefoon vastgelegd [kenteken], de tweede letter zou een [letter] of een [letter] zijn geweest. De drie jongemannen hadden een licht getinte huidskleur. Hij omschrijft dat twee mannen rond de twintig jaar oud waren en dat de ander wat ouder was. [getuige 3] beschrijft dat de wat oudere iets korter dan hijzelf was. [getuige 3] is 1.92 meter.

De [merk auto] met kenteken [kenteken] is tussen 26 januari 2008 te 22.00 uur en 27 januari 2008 te 11.00 uur gestolen in de gemeente Amstelveen.

Door middel van een technische actie op de woning [adres] te Amsterdam, zijn videobeelden verkregen van de ingang van het portiek van deze woning. Uit deze beelden blijkt het volgende.

Een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, kort opgeschoren zwart haar, stevig van postuur, gekleed in een blauwe spijkerbroek en een groene halflange groene stoffen jas met capuchon belt om 20.35.55 uur bij de woning. In zijn hand heeft hij een paar handschoenen vast.

Om 20.37.54 uur loopt de man het portiek uit en raakt buiten beeld. Hij heeft handschoenen aan en in zijn handen heeft hij een groen of blauwe tas c.q. rugtas vast, die leeg lijkt te zijn. Om 20.38.36 komt hij zonder tas weer in beeld en hij gaat enkele seconden later de woning weer binnen. Om 20.39.20 loopt hij wederom de portiek uit. Langs de gevel zijn om 20.40.07 uur weerkaatsingen van rood en wit licht te zien, vermoedelijk van een auto die nabij de woning aankomt of vertrekt.

Om 21.21.40 uur zijn er langs de gevel wederom weerkaatsingen te zien van rood en wit licht, vermoedelijk van een auto die nabij de woning aankomt of vertrekt. De man, gekleed in blauwe spijkerbroek en een halflange groene stoffen jas met capuchon, komt weer in beeld en hij draagt handschoenen. Hij is in het gezelschap van een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, mager/slank postuur, gekleed in een geruite stoffen jas met capuchon en een zwarte pet. Deze man draagt een zwart met blauw/groen tas of rugzak in zijn hand. Hij geeft de tas voor de deur over aan de man met de halflange groene jas. Om 21.22.30 wordt de portiek kennelijk vanuit een woning geopend en loopt de man met de groene jas naar binnen. De andere man wenkt in de richting van waar hij gekomen was naar kennelijk iemand. Om 21.22.49 uur raakt hij buiten beeld en er komt gelijktijdig een derde man aangelopen. Het is een man met een Noord-Afrikaans uiterlijk, kort opgeschoren zwart haar, normaal van postuur, gekleed in spijkerbroek en gewatteerd kort jack met capuchon met op de mouw en rugzijde een grote opvallende lichtgekleurde opdrukken. Hij draagt een zwarte sporttas onder zijn rechteroksel en neemt deze tas mee naar binnen.

Bij doorzoeking van de [adres] te Amsterdam op 13 februari 2008 werden onder andere de volgende goederen aangetroffen en inbeslaggenomen: meerdere zwarte en groene handschoenen, een zwarte sporttas , vier geldzakken (nr 3285970) , 175 munten van € 2,- , een groene jas in een geel/rode praxistas, een geruite jas in een geel/rode praxistas, een zwart donsjack in een geel/rode praxistas, een zwarte jas met een witte streep en twee bivakmutsen.

[persoon 1] herkent de vier op de [adres] inbeslaggenomen sealbags die zijn ingeboekt onder nummer 3285970. Hij herkent op drie van de vier zakken zijn handtekening en handschrift. Hij verklaart dat hij er de datum, 8 februari, op heeft geschreven en dat hij dat er altijd opschrijft op de dag dat het geld erin gaat. Hij heeft ook de inhoud, namelijk € 2,- muntstukken erop geschreven en zijn paraaf erop gezet.

Vanaf 9 januari 2008 is de woning [adres] te Amsterdam in gebruik bij verdachte. Er komen vrienden en jongens uit de buurt over de vloer. Verdachte wordt door zijn vrienden ‘[naam verdachte]’ ofzo genoemd. Verdachte was op 10 februari 2008 voor, ten tijde en na de overval op de Lucky Hall in zijn huis aan de [adres] te Amsterdam. Ook overdag was hij thuis.

Verdachte wordt ook wel ‘[bijnaam verdachte]’ genoemd. Verdachte kent [medeverdachte 1] al van jongs af aan. Zij hebben bij elkaar in de klas gezeten. [medeverdachte 1] wordt ook wel ‘Bolle’ of zoiets genoemd. De bijnamen van [medeverdachte 1] zijn ‘Bolle’ en ‘Dikzak’.

Uit de telefoontaps blijkt dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 10 februari 2008 bij de [verdachte] is afgezet en dat hij daar even later is. [medeverdachte 1] peilt dan ook uit op de Ookmeerweg, wat in de nabijheid van de woning van verdachte is.

Voorts blijkt uit de telefoontaps dat de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op 10 februari 2008 voor de diefstal van de vluchtmotor en voor de overval op de Lucky Hall veelvuldig telefonisch contact met elkaar hebben. Om 19.15 uur spreken zij met elkaar af.

Tussen 20.41 uur en 21.52 uur maakt medeverdachte [medeverdachte 1] geen gebruik van zijn mobiele telefoon. Zijn telefoon maakt om 21.18 uur en 21.19 uur gebruik van de zendmast Osdorpplein.

Medeverdachte [medeverdachte 2] belt op 10 februari 2008 tussen 19.22 uur en 21.57 uur niet uit met zijn telefoon. Deze staat doorgeschakeld.

Tussen 19.19 uur en 22.12 uur vinden er geen telefoonactiviteiten plaats op de telefoon van medeverdachte [medeverdachte 3].

Medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] peilen ten tijde van de diefstal van de vluchtmotor uit in de directe omgeving van de Kostverlorenstraat.

Op 19 februari 2008 werden twee sealbags met nummer 3285970 dactyloscopisch onderzocht. Een spoor, aangetroffen op één van de sealbags, is identiek aan de afdruk van de linkerduim, voorkomende op een op 23 augustus 2003 te Amsterdam vervaardigd dactyloscopisch signalement dat ten name is gesteld van verdachte.

Verdachte heeft bij zijn tweede verhoor door de politie tweemaal verklaard:“Ik heb er niets aan verdiend”.

B. Standpunt van de verdachte en zijn verdediging.

De verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte het recht heeft te zwijgen en dat uit dit zwijgen geen bewijs kan worden gehaald voor een bewezenverklaring van het telastegelegde. De raadsman verwijst hierbij naar het EHRM (Murray-arrest) en de Hoge Raad.

De raadsman voert aan dat uit de feiten niet blijkt dat zijn cliënt kennis had van het gronddelict, zijnde de overval op de Lucky Hall. De raadsman benadrukt dat allerlei mensen de woning van zijn cliënt binnengingen en deze weer verlieten, ook als hij niet in de woning aanwezig was. In dit verband verwijst de raadsman naar het feit dat er drie personen in de woning werden aangehouden, die volstrekt niets met de overval te maken hebben.

Voorts blijkt uit geen enkel onderzoeksresultaat dat de aangetroffen kleding kan worden verbonden aan de overvallers van de Lucky Hall. Dit had op zijn minst moeten vaststaan om te kunnen zeggen dat de woning als bergplaats zou dienen.

Uit het aantreffen van de sealbags blijkt niet dat verdachte dubbel opzet had.

De raadsman verzoekt de rechtbank zijn cliënt, wegens het ontbreken van dubbel opzet vrij te spreken.

C. Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het telastegelegde feit heeft gepleegd. De verschillende bewijsmiddelen vormen in onderling verband en samenhang bezien een duidelijk beeld van de betrokkenheid van verdachte.

Op de beelden van de overval in de Lucky Hall aan de Ten Katestraat te Amsterdam, die plaatsvond op 10 februari 2008 tussen 21.11 uur en 21.13 uur, is te zien dat de daders gekleed zijn in een geruite, een groenkleurige en een zwarte jas met opdruk. Op de beelden van de videoauto in de [adres] is te zien dat drie personen, die later zijn herkend als de medeverdachten, de woning in de [adres] binnen gaan met eveneens een geruite, een groenkleurige en een zwarte jas aan en er wordt een zwarte tas gedragen. De herkenning van de medeverdachten staat niet op zichzelf, maar deze wordt bevestigd door telecomgegevens. Bij doorzoeking op de [adres] worden onder andere de jassen, die bij de overval zijn gebruikt in een Praxistas aangetroffen en worden vier sealbags aangetroffen die later door medewerker [persoon 1] worden herkend als zijnde van de Lucky Hall afkomstig. Uit onderzoek is gebleken dat het mogelijk is om in negen minuten van de Lucky Hall naar de [adres] te rijden.

Bij de overval is gebruik gemaakt van een vluchtmotorfiets, waarna de daders zijn overgestapt in een gestolen [merk auto].

De telecomgegevens bevestigen de betrokkenheid van de medeverdachten. Zij spreken zowel voor de diefstal van de vluchtmotor met elkaar af, verplaatsen zich naar de directe omgeving van de plek waar deze is gestolen en verwijderen zich daarna weer. Daarnaast blijkt uit de telefoongegevens dat de medeverdachten elkaar rond 19.15 uur ontmoeten en dat zij vanaf enige tijd voor tot enige tijd na de overval geen gebruik maken van hun mobiele telefoons.

De medeplichtigheid van verdachte bestaat eruit dat hij zijn woning als uitvalsbasis voor de overval ter beschikking heeft gesteld aan de daders van de overval. Medeverdachte [medeverdachte 1] is uit de woning vertrokken, voordat de vluchtmotor werd gestolen en voor hij naar de Lucky Hall ging. [medeverdachte 1] heeft de geruite jas voor de overval meegenomen uit de woning van verdachte. Bij huiszoeking worden de drie bij de overval gebruikte jassen in de woning van verdachte aangetroffen. Ook zijn in de woning een viertal buitgemaakte geldzakken aangetroffen. Op een van de geldzakken is de vingerafdruk van verdachte aangetroffen. Verdachte was op 10 februari 2008 aanwezig in de woning en hij had die dag telefonisch contact met [medeverdachte 1]. Hij was thuis toen [medeverdachte 1] de woning verliet en toen de drie daders terugkeerden van de overval. Daarnaast zijn er diverse overvalsattributen in de woning aangetroffen. Ook bevat het dossier belastende tapgesprekken.

De officier van justitie verwijst voorts naar de analyse van telefoonverkeer tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] rond het tijdstip van de eerdere overval op de Lucky Hall op 4 februari 2008 en op 12 februari 2008, de dag dat Casino City is overvallen. Tevens verwijst zij naar de vermeende betrokkenheid bij poging overval op 5 januari 2008 en voorbereidingshandelingen op 6 februari 2008. Hieruit blijkt dat verdachte niet alleen op de hoogte was van het feit dat medeverdachte [medeverdachte 1] zich bezighoudt met het plegen van overvallen, maar dat hij hier een aantal keer aan heeft meegedaan. Bovenstaande bevindingen vormen voldoende bewijs voor het bestaan van dubbel opzet bij verdachte.

Voorts heeft verdachte geen verklaring willen afleggen. Volgens vaste jurisprudentie mag dit zwijgen over zaken die opheldering behoeven bijdragen tot het bewijs.

D. Beoordeling van de telastelegging.

Naar aanleiding van verschillende overvallen in Amsterdam-West is het onderzoek [naam] opgestart, waarbij na enige tijd enige verdachten in beeld komen en technische acties worden gestart.

Op 10 februari 2008 wordt amusementshal Lucky Hall (voor de tweede maal) overvallen. Van de overval zijn camerabeelden gemaakt door de beveiligingscamera. Deze beelden worden vergeleken met beelden van de portiek van de woning [adres], die met behulp van een video-auto zijn gemaakt. De kleding van de personen, die de woning enige tijd na de gepleegde overval betreden, vertoont sterke gelijkenis met de kleding van de daders van de overval, die te zien is op de beelden van de overval.

Medeverdachte [medeverdachte 1] wordt bij het uitkijken van de videobeelden van de [adres] direct door verbalisant [verbalisant] herkend, als zijnde de Noord-Afrikaanse man die in de halflange groene jas aanbelt bij de woning.

Ook verbalisant [verbalisant] herkent [medeverdachte 1] als de persoon in de groene jas op de beelden van de portiek van de [adres]. Hij meldt dat hij de eerste keer dat hij de beelden van de [adres] ging bekijken geen idee had wie hij op de beelden zou aantreffen. De herkenning van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft hij gebaseerd op duidelijke politiefoto’s die hij heeft opgezocht, want hij kende [medeverdachte 2] niet.

De medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] worden door de buurtregisseur, die niet bij het onderzoek betrokken is geweest, direct bij het zien van de beelden herkend. Pas daarna hoorde hij dat het om betrokkenheid bij een overval op een gokhal ging. De buurtregisseur zag de jongens, ook samen, dagelijks in de wijk waar hij werkt. Een vergissing bij de herkenning van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] is volgens hem niet mogelijk. Ook [medeverdachte 1] herkende hij, maar hij kon niet op zijn naam komen.

De herkenningen van de medeverdachten worden ondersteund door het feit dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] elkaar kennen, [medeverdachte 1] ’s middags over de telefoon meedeelt bij [verdachte] (verdachte) te zijn afgezet en de medeverdachten die dag veelvuldig telefonisch contact hebben.

Daarnaast zijn bij de huiszoeking bij verdachte thuis op de [adres] een groene jas, een geruite jas en een zwarte jas aangetroffen. Ook zijn daar vele handschoenen en gele Praxis tasjes aangetroffen, gelijkend op het tasje dat medeverdachte [medeverdachte 1] in zijn hand draagt als hij om 20.35.33 uur de woning uitloopt. Voorts is op dat beeld te zien dat [medeverdachte 1] een donkere en een geruite jas onder zijn arm draagt. Bovendien wordt het feit dat de daders na de overval naar de [adres] zijn gegaan bevestigd door het aantreffen van de sealbags van de Lucky Hall aldaar.

Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ten tijde van het plegen geen van allen gebruik maken van hun mobiele telefoons.

Verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] hebben zowel de beelden van de [adres] als de beelden van de overval op de Lucky Hall bekeken en geconcludeerd dat de kleding, die te zien is op de beelden van de overval op de Lucky Hall identiek is aan de kleding, die te zien is op de beelden van de drie jongens in de [adres]. Ook wordt onder andere gerelateerd dat de dader in de geruite jas, onder zijn capuchon een donker petje droeg. Voorafgaand aan het bekijken van de beelden had [verbalisant] geen idee wie hij op de beelden zou zien, behalve dat [verbalisant] hem had gezegd dat hij op een bepaalde foto medeverdachte [medeverdachte 1] had herkend. De vergelijking is grotendeels gebaseerd op de jassen. [verbalisant] zag dat de ruitjes op de jas van de dader in de Lucky Hall en de ruitjes van de geruite jas, die de jongen droeg op de beelden van de [adres] hetzelfde patroon hadden. Ook [verbalisant] had voor hij de beelden ging bekijken geen idee wie hij op de beelden zou zien. Hij had van niemand gehoord dat er een overeenkomst was tussen de foto’s en de beelden. Volgens hem toonden de geruite jassen met capuchon sterke overeenkomst. De jas met de opdruk van dader 3 was door de opdruk ook specifiek. De kleur van de jas op de foto en de kleur van de videobeelden kwamen sterk overeen. Het was een combinatie van kleur en opdruk die speelden bij het oordeel dat deze jassen identiek waren.

Voorts neemt de rechtbank de verklaringen van de getuigen in aanmerking, waarin de signalementen en overige elementen sterk overeenstemmen met het signalement van de verdachten en hun handelswijze.

Uit onderzoek is gebleken dat het zeer goed mogelijk is de route van de Ten Katestraat naar de [adres] via de Tolbrugstraat in negen minuten af te leggen, zeker indien met enige snelheid wordt gereden.

Al deze elementen in onderling verband en samenhang beschouwd mkaen dat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend bewezen is dat de medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan de overval op de Lucky Hall.

Voorts grondt de rechtbank haar overtuiging dat de medeverdachten het telastegelegde feit heeft gepleegd uit de bewegingen die zijn gepeild aan de hand van zendpaalgegevens voor telecommunicatie. De rechtbank merkt hierbij op dat een dergelijk systeem weliswaar geen GPS-systeem is en dat bij overbezetting op een andere zendmast kan worden overgegaan, maar dat de gegevens in onderhavige zaak wel exact in het feitencomplex passen.

Ten aanzien van de medeplichtigheid van verdachte overweegt de rechtbank het volgende.

De betrokkenheid van verdachte bestaat eruit dat hij zijn woning ter beschikking heeft gesteld aan de daders van de overval.

De woning aan de [adres] te Amsterdam is reeds vanaf 9 januari 2008 bij verdachte in gebruik.

Bij de huiszoeking zijn in de woning zowel spullen die bij de overval zijn gebruikt, zoals onder andere de handschoenen, de jassen en de praxistasjes, als buitgemaakte spullen, zoals de sealbags aangetroffen. Tevens bevonden zich in de woning overige overvalsattributen, zoals bivakmutsen en mokers.

Verdachte heeft enkel verklaard dat er ‘zoveel mensen in de woning kwamen’ en dat hij niet heeft gekeken of er nog spullen lagen. Er zouden ‘vrienden en jongens uit de buurt komen’. Voorts heeft verdachte verklaard ‘er niets aan verdiend te hebben’.

Uit de beelden en telecommunicatiegegevens blijkt dat [medeverdachte 1] zowel voor de diefstal van de vluchtmotor als voor de overval bij verdachte thuis is. Hij verlaat voor de overval de woning en keert na de overval met zijn mededaders naar het huis van verdachte terug. Verdachte is dan steeds in de woning aanwezig.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dan ook op de hoogte moet zijn geweest van het feit dat de daders de overval gingen plegen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de vingerafdruk van verdachte op één van de buitgemaakt sealbags van de Lucky Hall is aangetroffen.

Al deze elementen in onderling verband en samenhang beschouwd maken dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen oordeelt dat de verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij en gelegenheid heeft verschaft tot het plegen van de overval op de Lucky Hall.

Uit het ter beschikking stellen van zijn huis als uitvalsbasis na de overval en als bergplaats van kleding, attributen en buit, terwijl hij wist dat de overval zou worden gepleegd en uit het feit dat verdachte zich niet van deze overval heeft gedistantieerd blijkt het dubbel opzet van verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verdachte geen enkele redelijke verklaring heeft gegegeven voor die omstandigheden, die redengevend worden geacht voor het bewijs.

E. Behandeling van de verweren.

Op basis van de camerabeelden van de overval op de Lucky Hall is er geen mogelijkheid om tot een positieve gezichtsherkenning te komen. De door de videoauto gemaakte beelden van de portiek van [adres] zijn echter vele malen duidelijker dan de beelden van de Lucky Hall. Anders dan prof. dr. [naam] in zijn brief van 10 juni 2008 heeft geschetst, is de rechtbank van oordeel dat zich wel degelijk een duidelijke waarnemingssituatie voordoet met betrekking tot de videobeelden van de [adres]. De rechtbank heeft deze beelden ter terechtzitting bekeken.

Op de beelden zijn wel degelijk gezichtskenmerken te onderscheiden, doch de kritische toets voor gezichtsherkenning, zoals bedoeld door [naam] is niet in het door [naam] opgemaakte proces-verbaal opgenomen. De rechtbank laat in het midden wat zij daarvan vindt nu er op de beelden van de [adres] ook andere kenmerken, de kleding betreffende, goed zichtbaar zijn, waardoor wel tot een positieve herkenning kan worden gekomen. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de afzonderlijke beoordeling van de eisen die door [naam] gesteld worden aan gezichtsherkenning en dragen de beelden bij aan het bewijs van de overal op de Lucky Hall.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het zwijgrecht van de verdachte als volgt. Het EHRM staat onder omstandigheden toe dat het zwijgen van verdachte bijdraagt aan zijn veroordeling. De HR staat niet toe dat het zwijgen als zelfstandig bewijsmiddel wordt gebruikt, maar wel dat het een onderdeel is van de bewijsoverwegingen. In HR 3 juni 1997 (NJ 1997, 584) oordeelt de HR: “De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem telastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken.”

Aan verdachte is in de onderhavige zaak een aantal redengevende bewijsmiddelen voorgehouden, welke bewijsmiddelen sterk in de richting van de schuld van de verdachte wijzen. Als een dergelijke gevolgtrekking van schuld niet gerechtvaardigd is, vragen die bewijsmiddelen om een verklaring van de verdachte, omdat hij in de unieke positie verkeert om aan te geven hoe de werkelijkheid er uitzag. De waarborg van artikel 29 Sv wordt daarmee niet geschonden. Van verdachte wordt immers niet gevraagd aan zijn eigen veroordeling mee te werken, maar hem wordt gevraagd een ontlastende verklaring te geven voor omstandigheden die sterke aanwijzingen geven dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.

Voor zover verdachte ten aanzien van zaken die bij kunnen dragen tot het bewijs geen verklaring heeft afgelegd, kan het achterwege blijven van een dergelijke verklaring in de overwegingen omtrent dat bewijsmateriaal dan ook meegewogen worden.

4.2. Het bewijs in zaak B feiten 1, 2, 3, 4 en 5

A. Vaststaande feiten.

De rechtbank stelt de navolgende feiten vast.

1. Op zaterdag 8 januari 2005 omstreeks 23.00 uur ontdekte aangever dat er was ingebroken in bedrijf Jago Shawla Jan van Gool Bv aan de [adres] te Amsterdam. Aangever had het pand op 7 januari 2005 omstreeks 18.00 uur, deugdelijk afgesloten, verlaten. De dader(s) van het gepleegde misdrijf zijn via een raam het pand binnengekomen. Het raam waardoor de dader(s) naar binnen zijn gekomen ligt aan de straatzijde van het pand. De ruit is door de dader(s) verbroken. Als gevolg van de inbraak heeft de dader(s) zich vermoedelijk verwond. Er zat een bloedspoor op een van de bureaus. De daders hebben een computer, een beeldscherm van een computer en twee lederen tassen meegenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Door de buitengewoon opsporingsambtenaar van politie is op de [adres] te Amsterdam na de inbraak bloed vanaf de rand van het bureaublad inbeslaggenomen onder serienummer van de identiteitszegel AGC634.

2. Op 27 februari 2008 tussen 00.00 uur en 06.15 uur werd een poging tot inbraak gepleegd in het kantoor van het Gemeentevervoerbedrijf aan het [adres] te Amsterdam. Het kantoor was deugdelijk afgesloten. Een trambestuurder ontdekte de inbraak en zag dat de toegangsdeur van het kantoor die uitkomt in de personeelsruimte was geforceerd. De daders hebben tevens een inpandige deur, die naar het kantoor leidt geforceerd, maar deze niet open gekregen. Er is (zijn) door de dader(s) bloedsporen achtergelaten. Er is niets uit het kantoor weggenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming geven tot het plegen van het feit.

Door de buitengewoon opsporingsambtenaar van politie is op het [adres] te Amsterdam na de inbraak bloed aangetroffen op de deurstijl. Dit bloed is inbeslaggenomen onder serienummer van de identiteitszegel AFB259.

3. Tussen 25 februari 2005 te 17.30 uur en 28 februari 2005 te 10.30 uur werd een diefstal met braak gepleegd in het bedrijf Intercity Working B.V. aan de [adres] te Amsterdam, waarbij drie computer systeemkasten zijn weggenomen. Aangever ontdekte de inbraak. Het rolluik was open en er lag glas op de grond. De dader is het bedrijf kennelijk via de voorzijde via een rolluik dat is weg- of opengebroken binnengekomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming geven tot het plegen van het feit.

Door de buitengewoon opsporingsambtenaar van politie is aan het perceel [adres] te Amsterdam, waarin een kantoor was gevestigd, onderzoek ingesteld. Door de daders was het rolluik omhoog geschoven en vervolgens was er met behulp van een breekvoorwerp een poging gedaan de afgesloten voordeur open te wrikken. Voorts is de ruit naast de voordeur vernield. Door verbalisanten was een glassscherf met bloed veiliggesteld. Tevens werd er bloed op de kast aangetroffen. Beide sporen zijn inbeslaggenomen, respectievelijk onder de identiteitszegelnummers AFB284 en AFB283.

4. Op 27 maart 2005 omstreeks 16.00 uur werd aangever gebeld door de conciërge van de Alphons Laudyschool op Meer en Vaart 9 te Amsterdam dat er was ingebroken. Deze conciërge was door politie ingelicht over de inbraak. Een buurtbewoner had de politie gebeld, omdat er een ruit ingegooid zou zijn. Er zijn twee flatscreen computers meegenomen. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

Door de buitengewoon opsporingsambtenaren van politie is in het bedrijfspand in het perceel Meer en Vaart te Amsterdam, waarin de Alphons Laudyschool was gevestigd, een onderzoek ingesteld. De dader(s) had via ruit, die was vernield, aan de linkerzijde van de school betreden. Onder andere op het bureaublad werd een tweetal bloedsporen aangetroffen en op een stalen kabel van de printer werd bloed aangetroffen. Het bloed op de staalkabel en op het bureaublad zijn inbeslaggenomen respectievelijk onder de nummers AGA214 en AGA215.

5. Tussen 4 april 2005 te 18.30 uur en 5 april 2005 te 00.30 uur werd in het kantoor, dat eigendom is van Eigen Haard, een diefstal met braak gepleegd. In het kantoor is huisartsenpraktijk Evers gevestigd. Het kantoor was deugdelijk afgesloten. Op 5 april 2005 te 00.30 uur hoorden de buren dat er werd ingebroken, omdat er luid glasgerinkel te horen was. Het rechterraam was ingeslagen. De dader is kennelijk binnengekomen door met een breekijzer het raam in te drukken, te slaan of te gooien. Uit het kantoor zijn een personal-computer en een systeemkast weggenomen.

Door de buitengewoon opsporingsambtenaar van politie is aan het perceel [adres] te Amsterdam, waarin een huisartsenpraktijk was gevestigd, onderzoek ingesteld. Op een plaatschaar en een schroevendraaier, die door de dader(s) waren achtergelaten zaten bloedvegen. Dit is bemonsterd en inbeslaggenomen onder respectievelijk de nummers AGA234 en AGA235.

Aan het referentiemonster wangslijmvlies RHC698 van verdachte is DNA-onderzoek verricht en hiervan is en DNA-profiel verkregen dat op 11 april 2008 is opgenomen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken. Het profiel is vergeleken met de daarin aanwezige profielen en er zijn vijf matches gevonden. Deze matchende profielen zijn geregisteerd onder DNA-profielcluster 4028. Er zijn matches gevonden met de DNA-identiteitszegels AGC634#01, AFB259#01, AFB284#01, AGA215#01 en AGA234#01.

B. Standpunt van de verdachte en zijn verdediging.

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht.

Door de raadsman van verdachte is aangevoerd dat het resultaat van de DNA-vergelijking onrechtmatig verkregen is en daarom niet voor het bewijs mag worden gebruikt. Daartoe heeft de verdediging aangevoerd dat de afname van het celmateriaal niet dringend noodzakelijk was. De nadere gronden voor deze stellingen zijn weergegeven in de pleitnota die ter terechtzitting van 3 juli 2008 aan de rechtbank is overgelegd. De raadsman is primair van oordeel dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard en subsidiair dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

C. Het standpunt van het Openbaar Ministerie.

De officier van justitie acht op grond van de aangiftes en het aangetroffen DNA-materiaal bewezen dat verdachte de telastegelegde feiten heeft gepleegd.

Er was een redelijk onderzoeksbelang op grond waarvan DNA van verdachte mocht worden afgenomen.

D. Beoordeling van de telastelegging.

Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven omtrent de manier waarop zijn bloed, anders dan bij het plegen van de delicten, op elk van de plaatsen-delict terecht kan zijn gekomen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte de telastegelegde feiten heeft begaan.

E. Verweren

De rechtbank stelt vast dat de feitelijke gang van zaken bij de uitvoering van het DNA-onderzoek als volgt is geweest:

Op 7 maart en 7 april 2008 heeft officier van justitie mr Cnossen schriftelijk aan het NFI verzocht een onderzoek naar biologische sporen op een viertal kogelhulzen te verrichten, alsmede een DNA-onderzoek te verrichten aan de hand van een referentiemonster van verdachte [verdachte].

Op 18 maart 2008 heeft het NFI de hulzen en de referentiemonsters van verdachte [verdachte] en een medeverdachte ontvangen.

Op 27 maart 2008 zijn de hulzen door het NFI overgedragen aan het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO).

Op 17 april 2008 rapporteert het NFI aan mr Cnossen dat in de DNA-databank matches zijn gemaakt met het referentieprofiel van verdachte [verdachte].

Op 18 april 2008 rapporteert het FLDO aan het NFI. Het FLDO vermeldt dat geen betrouwbare DNA-sporen zijn aangetroffen op de kogelhulzen.

Op 28 april 2008 bericht het NFI aan het parket dat geen bruikbare DNA sporen zijn aangetroffen.

Op 29 april 2008 relateert brigadier van politie [naam] in een proces verbaal de matches die het NFI met het DNA-profiel van verdachte [verdachte] heeft kunnen maken.

De rechtbank stelt vast dat de DNA-matches waarin verdachte [verdachte] werd gekoppeld aan een aantal strafbare feiten uit 2005, hebben plaatsgevonden op een moment dat officier van justitie mr Cnossen nog geen bericht had ontvangen van het ontbreken van bruikbare sporen op de in het kader van het [naam]-onderzoek in 2008 ingezonden kogelhulzen.

Reeds om die reden dient de stelling van de verdediging dat de officier van justitie het celmateriaal van verdachte had moeten vernietigen, toen zij kennis nam van het ontbreken van sporen op de kogelhulzen, te worden verworpen. Op dat moment waren de DNA-matches immers reeds voltooid. Verdachte [verdachte] was vanaf het moment van de DNA-matches tevens verdachte in de strafzaken waarop de matches zagen. De nadien opgekomen omstandigheid dat op de kogelhulzen geen bruikbaar DNA werd aangetroffen, noopte dus niet tot vernietiging van het DNA-profiel als beschreven in het Besluit DNA-onderzoek in strafzaken. Overigens bleef [verdachte] ook in het [naam]-onderzoek verdachte, zodat ook om die reden voor vernietiging geen grond bestond.

Voor zover de verdediging betoogt dat een DNA-onderzoek pas plaats mag vinden als zeker is dat op in het opsporingsonderzoek aangetroffen zaken bruikbaar DNA-materiaal aanwezig is, vindt dat betoog geen steun in het recht.

De vereisten voor een bevel tot afname van celmateriaal zijn omschreven in art. 151b Sv. De afname van DNA dient in het belang van het lopende onderzoek te zijn. Niet betwist is dat in het [naam]-onderzoek kogelhulzen met mogelijke sporen waren aangetroffen. Die omstandigheid maakt dat afname van DNA-materiaal redelijkerwijs in het belang van het onderzoek kon zijn.

De verdediging verwijst nog naar de ingrijpendheid van onvrijwillige afname van DNA-materiaal en de inbreuk op de privacy. Daarbij noemt de verdediging de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Naleving van die beginselen staat in dit geval echter niet in de weg aan toepassing van artikel 151b Sv. De rechtbank verwijst ter relativering nog naar de behandeling van het wetsvoorstel DNA, waar de minister het volgende aangaf (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 447, nr. 9, p. 6):

“Tussen vingerafdrukken en DNA-profielen bestaat geen verschil dat een andere behandeling van DNA-profielen zou rechtvaardigen. DNA-profielen bevatten geen andere gegevens over iemand dan diens profiel. Zij kunnen evenals vingerafdrukken voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan voor de vaststelling van iemands identiteit."

5. De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar in zaak A onder feit 2 en 3 en de in zaak B onder feit 1, 2, 3, 4 en 5 bewezengeachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren, met aftrek van voorarrest.

De strafoplegging, een gevangenisstraf van 5 (vijf) jaren is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld aan de daders van de gewapende overval op de Lucky Hall. Door zijn huis ter beschikking te stellen als vertrekpunt en uitvalsbasis voor de overval en als bergplaats voor de voor de overval gebruikte spullen en de buitgemaakte spullen, heeft verdachte het mogelijk gemaakt de overval uit te voeren. De daders zijn naar de Lucky Hall gegaan om zich de inhoud van de kluis toe te eigenen. Zij hebben niet alleen met de vuurwapens gedreigd, maar er ook daadwerkelijk gebruik van gemaakt. Tweemaal is er door de daders geschoten. Verdachte en zijn mededaders hebben zich bij het plegen van het delict kennelijk laten leiden door geldelijk gewin. Een dergelijke overval waarbij personeel en bezoekers van de gokhal op een agressieve en intimiderende wijze worden bejegend, wordt doorgaans als zeer bedreigend en beangstigend ervaren. De ervaring leert dat slachtoffers van een dergelijk misdrijf daarvan nog langdurig nadelige psychische en/of lichamelijke gevolgen ondervinden.

Daarnaast heeft verdachte zich in 2005 schuldig gemaakt aan vier diefstallen met braak en één poging tot diefstal met braak. Dit zijn ernstige feiten, daar dergelijke feiten voor het slachtoffer aanzienlijke hinder, overlast en kosten met zich brengen.

Door zo te handelen draagt verdachte bij aan de in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid.

Ten voordele van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn jeugdige leeftijd.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte blijkens het Uittreksel Justitiële Documentatie van 2 juni 2008 eerder voor een vermogensdelicten is veroordeeld.

Als strafverzwarende omstandigheid houdt de rechtbank voorts rekening met de impact die het feit, waaraan verdachte medeplichtig is, op de aangevers en omstanders heeft gehad. Uit de camerabeelden blijkt dat er totale paniek ontstaat op het moment dat verdachte en zijn mededaders de Lucky Hall binnenkomen. Daarnaast is deze impact duidelijk omschreven door de heer [persoon 3], die namens de slachtoffers heeft gesproken. Die impact is voor een deel te wijten aan de overval van 10 februari 2008.

Tevens neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte en zijn mededaders de brutaliteit hebben gehad om de Lucky Hall als doel voor de overval te kiezen, nadat deze reeds de week ervoor was overvallen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat voor enkel de gewapende overval een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren passend is. In gevolge artikel 49 van het Wetboek van Strafrecht wordt het misdrijf bij medeplichtigheid met een derde verminderd. De rechtbank zal verdachte voor de medeplichtigheid aan de overval om deze reden veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 4 (vier) maanden.

Voor de vier diefstallen met braak en de poging tot diefstal met braak acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden passend.

De rechtbank acht aldus een totale gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren passend en geboden, welke straf de ernst van het handelen van verdachte in voldoende mate benadrukt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de vordering van de benadeelde partij [persoon 1], namens Lucky Hall B.V. niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. De rechtbank overweegt hieromtrent dat het aanschaffen van nieuwe kluizen, nu het hier een verbetering betreft niet zonder meer dan wel niet in het geheel het direct gevolg is van de overval. Daarnaast is niet exact vast te stellen of de ontstane emotionele schade door de overval van 10 februari 2008 dan wel (mede) door de eerdere overval is ontstaan. De re-integratie van medewerkers is niet van eenvoudige aard. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat ook de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor de behandeling in dit strafgeding. Ten aanzien van de materiële schade overweegt de rechtbank dat uit de aangifte van de overval van 10 februari 2008 niet is gebleken dat de schade aan het gehoor van het slachtoffer bij deze overval zou zijn veroorzaakt. Het is ook mogelijk dat het de overval van 4 februari 2008 betrof. Met betrekking tot de immateriële schade is niet vast te stellen of deze schade door de overval van 10 februari 2008 dan wel door de overval van 4 februari 2008 is veroorzaakt. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 48, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9. Beslissing

Verklaart het in zaak A onder feit 1 en 3 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 2 telastegelegde en het in zaak B onder 1, 2, 3, 4 en 5 telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is aangegeven.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van zaak A feit 2:

medeplichtigheid aan diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

ten aanzien van zaak B feit 1:

diefstal door middel van braak;

ten aanzien van zaak B feit 2:

poging tot diefstal door middel van braak;

ten aanzien van zaak B feit 3:

diefstal door middel van braak;

ten aanzien van zaak B feit 4:

diefstal door middel van braak;

ten aanzien van zaak B feit 5:

diefstal door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. Beins, voorzitter,

mrs. W.C.J. Robert en C.W. Inden, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. Hetterschijt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2008.